25 707
Pensioenregelingen europarlementariërs

nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 april 1998

Naar aanleiding van het mij bij uw brief van 31 maart 1998 toegezonden stenografisch verslag van het ordedebat van diezelfde dag, deel ik u het volgende mede.

Namens de Minister van Buitenlandse Zaken verwijs ik de heer Rosenmöller naar het bij brief van 14 november 1997 aan u toegezonden verslag van de Algemene Raad van 10 november 1997 (TK 1997–1998, 21 501-02, nr.218). Het is thans primair aan het Europees Parlement om te komen tot een wijziging van de Europese pensioenvoorziening.

Naar aanleiding van de vraag van de heer Rosenmöller inzake initiatieven in Nederland merk ik, onder verwijzing naar mijn brief aan u van 10 november 1997, TK 1997–1998, 25 707, nr. 4, op dat ik op 16 maart jl. een gesprek heb gevoerd met een vertegenwoordiging van de Nederlandse leden van het Europees Parlement. Onderwerp van dat gesprek was de pensioenregeling zoals neergelegd in de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. In dat gesprek is de conclusie getrokken dat er aanleiding is de Nederlandse regeling zodanig te wijzigen dat een eventueel Europees pensioen in mindering wordt gebracht op hetgeen betrokkenen zouden ontvangen op grond van de Nederlandse regeling. Ik heb de vertegenwoordiging van de Nederlandse leden van het Europees Parlement toegezegd nader met hen te zullen overleggen aan de hand van een concreet wetsontwerp. Thans wordt een desbetreffend wetsontwerp voorbereid.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Naar boven