25 707
Pensioenregelingen europarlementariers

nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 10 november 1997

Naar aanleiding van de mij bij brieven van 4 en 5 november toegezonden gedeeltes van het stenografisch verslag van de ordedebatten op die dagen1 deel ik u mede namens de Minister-president het volgende mede.

De leden Rosenmöller, Van Middelkoop en Koekkoek vroegen waarom de Kamer tijdens het op 29 oktober gehouden interpellatiedebat niet geïnformeerd was over de brief van 24 oktober 1997 van de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Nederlandse leden van het Europees Parlement. Naar aanleiding daarvan merk ik het volgende op.

Het interpellatiedebat van 29 oktober 1997 handelde met name over de bekritiseerde ruime pensioenregeling van het Europees Parlement en de vraag of de Nederlandse regering bereid was daaraan in Europees verband iets te doen. De Minister-president heeft die bereidheid uitgesproken en aangegeven dat hij een groot voorstander is van het versneld tot stand brengen van een uniform statuut, maar dat een politiek oordeel over de Europese pensioenvoorziening zoals die thans bestaat, daar niet op hoeft te wachten.

In het interpellatiedebat is de door Nederland tot stand gebrachte nationale pensioenregeling voor de Nederlandse leden van het Europees Parlement niet aan de orde gekomen. Op die regeling, die overeenkomt met die voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-generaal, bestaat ook geen kritiek.

De door mij ingezette lijn, waarover de heren Rosenmöller en Van Middelkoop nadere vragen stelden, heeft te maken met het volgende.

Bij de eerste verkiezing voor het Europees Parlement in 1979 bleek er geen mogelijkheid te bestaan voor een uniforme regeling van de rechtspositie van leden van het Europees Parlement. Met name betrof dat de schadeloosstelling en het pensioen. Dat zou op nationaal niveau moeten worden geregeld. In Nederland heeft dat geleid tot de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. In die wet werden de voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geldende regelingen van overeenkomstige toepassing verklaard.

Bij de totstandkoming van die wet is uitdrukkelijk uitgesproken dat een en ander uiteraard opnieuw zou moeten worden bezien wanneer alsnog een uniforme Europese regeling tot stand zou worden gebracht.

Inmiddels is gebleken dat er op initiatief van leden van het Europees Parlement inderdaad een Europese pensioenregeling tot stand is gekomen, zij het dat deelname daaraan vrijwillig is en dat op de inhoud daarvan nogal wat kritiek bestaat.

Het bestaan van twee pensioenregelingen naast elkaar betekent dat betrokkenen over de tijd als lid van het Europees Parlement dubbel pensioen opbouwen.

Voor mij was dit aanleiding om te onderzoeken wat hier binnen de nationale Nederlandse regeling aan gedaan zou kunnen worden. De veronderstelling dat de gedachten daarbij uitgaan naar een afschaffing van de Nederlandse pensioenregeling, is echter onjuist. Dat zou immers ten onrechte de Nederlandse leden treffen die er voor gekozen hebben niet deel te nemen aan de Europese pensioenregeling. Wel gaan de gedachten uit naar een zodanige wijziging van de Nederlandse pensioenregeling dat een eventueel Europees pensioen in mindering wordt gebracht op hetgeen betrokkenen zouden ontvangen op grond van de Nederlandse regeling. In het kader van dat onderzoek is het passend om daarover ook met een vertegenwoordiging van direct betrokkenen te spreken. Dat was de aanleiding voor mijn brief aan de Nederlandse leden van het Europees Parlement.

Het gaat hierbij om het loutere feit van het naast elkaar bestaan van twee pensioenregelingen, waaraan tegelijkertijd aanspraken kunnen worden ontleend. Dit feit doet zich ook nog steeds voor wanneer mede op basis van de door de Minister-president toegezegde inspanningen een aanzienlijke versobering van de Europese pensioenregeling tot stand zou komen. De door mij in gang gezette lijn is dan ook geenszins in strijd met hetgeen door de Minister-president tijdens het interpellatiedebat naar voren is gebracht.

De heer Van Middelkoop vroeg naar aanleiding van mijn brief aan de Nederlandse leden nog in hoeverre sprake is van een ongelijke behandeling van kamerleden en Europarlementariërs. Voorts deelde hij mede dat hij, voordat ik tot wetswijziging overga, het voorstel in de Kamer wil bespreken.

Naar aanleiding daarvan merk ik op dat wanneer mijn onderzoek inderdaad leidt tot voorstellen tot wetswijziging, die voorstellen uiteraard op de gebruikelijke wijze aan de Kamer zullen worden voorgelegd. Voorts merk ik op dat mijnerzijds geen ongelijke behandeling van kamerleden en Europarlementariërs bepleit wordt. Naar mijn idee kan er wel aanleiding bestaan om binnen de voor beide groepen op zich gelijkluidende regelingen, rekening te houden met het gegeven dat er voor Europarlementariërs ook een Europese pensioenregeling bestaat.

De heer Poppe wees op het feit dat de huidige Europese pensioen-regeling voorziet in een op 60-jarige leeftijd ingaand pensioen. Voor de Nederlandse oud-leden zou ingevolge de eerdergenoemde wet nog geen aanspraak op pensioen bestaan, doch wel op een uitkering.

De heer Poppe vroeg in dat verband of het mogelijk was dat betrokkenen gelijktijdig pensioen en uitkering zouden ontvangen.

De van overeenkomstige toepassing zijnde Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers kent een zodanige regeling dat inkomsten uit of in verband met arbeid verrekend worden met de uitkering, met dien verstande dat vermindering van de uitkering slechts plaatsvindt voor zover inkomsten en uitkering tezamen meer bedragen dan het bedrag van de voorheen genoten schadeloosstelling. Het pensioen dat op grond van de Europese pensioenregeling verkregen zou worden moet gezien worden als inkomsten uit of in verband met arbeid, zodat ook daarvoor de anticumulatiebepaling geldt.

Deze regeling brengt met zich mee dat naast het pensioen toch ook nog een gedeelte van de uitkering genoten zal worden.

Het hiervoor genoemde door mij geëntameerde onderzoek heeft mede betrekking op de vraag of er geen aanleiding is om het pensioen volledig in mindering op de uitkering te brengen.

Tenslotte kwam de heer Poppe terug op een door hem tijdens meergenoemd interpellatiedebat aangesneden punt van de onkostenvergoedingen. Toen is door hem gevraagd naar de mogelijkheid om, vooruitlopend op door het Europees Parlement te treffen maatregelen, de schadeloosstelling van de Nederlandse leden van het Europees Parlement te korten in verband met de hoogte en het gebruik van de onkostenvergoedingen. Daarbij is er op gewezen dat bij de laatste herziening van de schadeloosstelling, ook een correctie is aangebracht op de schadeloosstelling van de leden van het Europees Parlement.

Zoals door de Minister-president verwoord bij de interpellatie over de pensioenregeling, is de regering van oordeel dat de onkosten-vergoedingen slechts toegekend dienen te worden voorzover daar kosten tegenover staan. Het mag niet zo zijn dat er gedeclareerd kan worden zonder dat er kosten zijn gemaakt. In dat opzicht zijn de Europese vergoedingsregelingen voor verbetering vatbaar. Inmiddels worden er door het Europees Parlement maatregelen tot verbetering getroffen. Dat is ook primair de verantwoordelijkheid van het Europees Parlement zelf. Om die reden hecht de Nederlandse regering aan het totstandbrengen van een uniforme, en dan alles omvattende, Europese regeling (statuut). Nog daargelaten of het mogelijk is, achten wij het echter zeker niet de goede weg om nu de Nederlandse leden te willen «corrigeren» door hun schadeloosstelling te verminderen. Voor de goede orde zij er op gewezen dat de genoemde correctie op de schadeloosstelling van de leden van het Europees Parlement bij de recente herziening van de schadeloosstelling, geen verband hield met de hoogte van de Europese vergoedingen. Bedoeling van die inhouding op de schadeloosstelling was om het beoogde netto-neutrale effect van de herziening voor de leden van de Tweede Kamer, ook voor de leden van het Europees Parlement te realiseren.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal


XNoot
1

Zie Handelingen II nr. 7, vergaderjaar 1997–1998.

Naar boven