nr. 45
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 april 2007
Op 26 september 2006 heeft uw Kamer vijf moties aangenomen die ingediend
zijn tijdens het VAO van 21 september 2006 over het kabinetsstandpunt
Toekomst PBO (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2006–2007, nr.
3, blz. 73–79). Over de uitvoering van deze moties heeft u een brief
d.d. 20 oktober 2006 ontvangen (TK 2006–2007, 25 695, nr.
43). In vervolg daarop heeft mijn ambtsvoorganger u bij brief van 20 december
2006 geïnformeerd over het uitstel dat tot 1 april 2007 aan de schappen
is verleend voor het opleveren van de Code Goed Bestuur product- en bedrijfschappen
(Kamerstuk 25 695, nr. 44). In deze brief is aangegeven dat de reactie
op de moties sterk afhangt van de afspraken die de schappen in de Code maken
en dat de TK zo spoedig mogelijk nadat de Code formeel aan de betrokken ministers
is aangeboden een reactie op de moties tegemoet kan zien.
Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger in het Algemeen Overleg met de Vaste
Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de Tweede Kamer van
7 februari jl. over de jaarverslagen van de bedrijfslichamen toegezegd
de Kamer te informeren over de uitkomsten van het vierjaarlijkse representativiteitsonderzoek
van de Bestuurskamer van de SER bij het Productschap Dranken (Kamerstuk 30 800
XV, nr. 70).
Met deze brief wil ik u mede namens de ministers van Economische Zaken
en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kort informeren over de voortgang
met de uitvoering van deze moties en u tevens informeren over de representativiteit
bij het Productschap Dranken.
Code Goed Bestuur
Het doet mij genoegen u te kunnen meedelen dat ik inmiddels de Code Goed
Bestuur product- en bedrijfschappen heb ontvangen. Tevens heeft de Bestuurkamer
van de SER in een brief aan de ministers van SZW, EZ en LNV van 30 maart
jl. zijn visie gegeven op de Code.
De Code Goed Bestuur is te vinden op de site van de SER (www.ser.nl, rubriek
PBO) en zal door de schappen ook in boekvorm worden gepubliceerd.
Zoals hierboven is aangegeven, is het kabinet verheugd dat de schappen
de Code goed bestuur in gezamenlijkheid hebben opgesteld. De Code geeft aan
dat de schappen een periode van twee jaar hebben voor volledige implementatie
van de Code. Naar vernomen zijn de schappen echter reeds begonnen met praktische
afspraken te maken over implementatie van de Code. Een monitoringcommissie
van de schappen zal de Code volgen en voorstellen ontwikkelen voor mogelijke
aanpassing van de Code.
In het kabinetsstandpunt is afgesproken dat de Code wettelijk zal worden
verankerd. Daartoe zal de Wet op de bedrijfsorganisatie moeten worden gewijzigd.
In de brief van de Bestuurskamer van de SER geeft de Bestuurskamer zijn
visie op de Code. Het kabinet zal deze visie betrekken bij zijn beoordeling
van de Code en de verankering van de Code middels het aangekondigde wetsvoorstel
tot wijziging van de Wbo.
Uitstel reactie op moties VAO van 21 september 2006
Toekomst PBO
Een reactie op de moties, in samenhang met de afspraken die de schappen
in de Code omtrent de onderwerpen genoemd in deze moties hebben vastgelegd,
vergt echter nog enige tijd. Bezien moet worden, nu de schappen definitief
de Code hebben vastgesteld, of de daarin opgenomen afspraken voldoende antwoord
geven op de vragen die in de moties worden opgeworpen.
Om die reden ben ik niet in staat nu al te reageren op genoemde moties.
Voor de zomer zend ik uw Kamer een antwoord.
Informatie betreffende representativiteit Productschap
Dranken
Zoals ik boven heb aangegeven zou ik de Kamer informeren over de uitkomsten
van het vierjaarlijkse representativiteitsonderzoek bij het Productschap Dranken.
Deze uitkomsten heb ik inmiddels van de Bestuurskamer van de SER ontvangen.
De Bestuurskamer heeft in een brief van 8 maart jl. mij laten weten
dat het organisatorische draagvlak van het Productschap Dranken en de afzonderlijke
commissies zoals verenigd in de dragende organisaties voldoet aan de criteria,
zoals opgenomen in de Verordening representativiteit en het Besluit advisering
representativiteit bedrijfslichamen. (Een afschrift treft u hierbij aan)1.
De Vereniging Drankenhandel Nederland (VDN) heeft bij brief van 7 maart
jl. mijn aandacht gevraagd voor het feit dat zij ernstig twijfelen aan de
representativiteit van de Commissie Slijters bij het Productschap Dranken.
De VDN heeft mij verzocht om mijn oordeel over de representativiteit van het
Productschap Dranken mede te bepalen aan de hand van de second opinion die
de VDN mij vóór 1 april a.s. zou doen toekomen. Deze second
opinion heb ik echter niet op het aangekondigde tijdstip ontvangen en heb
ik momenteel nog steeds niet in mijn bezit.
Overigens heb ik voor de goede orde de VDN er op gewezen dat de SER de
wettelijke bevoegdheid heeft de representativiteit van dragende organisaties
te bepalen. Daartoe heeft de SER een verordening ontworpen die regels stelt
op basis waarvan de SER deze representatativiteit bepaalt. De Wbo bepaalt
dat deze verordening moet worden goedgekeurd door de minister van SZW. De
minister geeft geen inhoudelijk oordeel over de uitkomst van het representativiteitsonderzoek.
Verder dient de SER vierjaarlijks na instelling van een schap een onderzoek
uit te voeren naar het organisatorisch draagvlak van dat schap en zijn (onderdeel)commissies.
Dit gebeurt aan de hand van de bovengenoemde verordening en besluit. Indien
dit onderzoek aangeeft dat niet langer gesproken kan worden (naar de criteria
van verordening en besluit) van voldoende draagvlak wordt het betreffende
schap daarvan in kennisgesteld en gaat een herstelperiode in van twee jaar.
Daarna is er een nieuw onderzoek van de SER en indien het betreffende schap
alsdan nog steeds niet voldoet aan de criteria, m.a.w. het organisatorisch
draagvlak is nog steeds onvoldoende, dan zal de SER een advies uitbrengen
over het al dan niet opheffen van het schap of over wijziging van de werkingsfeer
voor dat schap. Op dat moment is er dus wel een rol voor de minister van SZW
nl. het voorbereiden van besluitvorming in deze door het kabinet.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner