Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25689 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25689 nr. 5 |
Ontvangen 18 november 1997
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
In artikel VI worden de volgende wijzigingen aangebracht.
A. Onderdeel A wordt vervangen door:
A.1.1. In artikel 12 wordt onderdeel b vervangen door:
b. het verwerken van afvalstoffen: het verbranden dan wel het storten van afvalstoffen;
ba. het storten van afvalstoffen: het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze daar te laten;
A.1.2. In onderdeel c vervalt «die van buiten de inrichting afkomstig zijn,».
A.1.3. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel f door een punt, vervallen de onderdelen g en h.
A.2. Artikel 13, eerste lid, wordt vervangen door:
1. Onder de naam afvalstoffenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van:
a. de afgifte ter verwerking van afvalstoffen aan een inrichting;
b. de verwerking van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan.
A.3.1. Artikel 15, eerste lid, wordt vervangen door:
1. De belasting wordt berekend over het gewicht van de afvalstoffen, gemeten in kilogrammen.
A.3.2. In het tweede lid vervalt «ter verwerking afgegeven».
A.4. Artikel 16 wordt vervangen door:
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop:
a. de afvalstoffen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, ter verwerking worden afgegeven;
b. de afvalstoffen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, binnen de inrichting waarin deze stoffen zijn ontstaan, worden verwerkt.
A.5. Aan artikel 17 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, toegevoegd:
c. afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze stoffen zijn ontstaan indien de inrichting een andere is dan een afvalverbrandingsinstallatie.
A.6. Artikel 18 wordt vervangen door:
1. Het tarief bedraagt in geval van:
a. het storten van afvalstoffen: f 29,20 per 1000 kilogram;
b. het verbranden van afvalstoffen: nihil.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief f 64,20 per 1000 kilogram indien het brandbare afvalstoffen betreft. Voor de toepassing van deze bepaling worden als brandbare afvalstoffen aangemerkt de categorieën afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13, 14, 15, 17, 22 en 25 tot en met 32, van het Besluit stortverbod afvalstoffen. Met betrekking tot de categorieën afvalstoffen genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 30, onderdeel b, 31, onderdeel b, en 32, onderdeel b, van het Besluit stortverbod afvalstoffen geldt voor de zeeffractie die ontstaat bij de afscheiding van de hoogcalorische fractie, indien de hoogcalorische fractie volledig wordt verbrand binnen de inrichting waarin zij is ontstaan, tot 1 januari 2000 het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde tarief.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief tot 1 januari 2002 nihil voor afzonderlijk aangeboden asbest.
A.7. Artikel 18a vervalt.
A.8.1. In artikel 18a, eerste lid, wordt «degene die ontinktingsresidu ter verwerking heeft afgegeven» vervangen door: degene die voor 1 januari 2001 ontinktingsresidu ter verwerking heeft afgegeven.
A.8.2. Het tweede lid vervalt.
A.8.3. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid en komt te luiden:
2. Artikel 10a, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
A.9. In artikel 19, eerste lid, vervalt «afgegeven».
B. Na onderdeel D.1. wordt ingevoegd:
D.1.a. Het zesde lid wordt vervangen door:
6. In afwijking van het eerste en het tweede lid bedraagt het tarief tot 1 januari 2003 nihil voor de brandstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en i, en het tweede lid, voor zover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.
Na artikel VI wordt ingevoegd:
In de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) vervalt artikel II.
In artikel XII wordt het eerste lid vervangen door:
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998, met uitzondering van:
a. de onderdelen B, C en D van artikel IV die in werking treden met ingang van 1 mei 1998, en
b. de in artikel VI, onderdeel A, opgenomen derde volzin in het tweede lid van artikel 18 van de Wet belastingen op milieugrondslag alsmede het in dit onderdeel opgenomen derde lid van artikel 18 van de Wet belastingen op milieugrondslag, de onderdelen A.7 en A.8 van artikel VI, het in artikel VI, onderdeel D, opgenomen zesde lid van artikel 27 van de Wet belastingen op milieugrondslag, en de onderdelen F, H en I van artikel VI, die in werking treden op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, met dien verstande dat in dat koninklijk besluit bepaald wordt dat het in artikel VI, onderdeel D, opgenomen zesde lid van artikel 27 terugwerkt tot en met 1 juli 1994 en voorts dat, indien het Staatsblad waarin dat besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 1998, in dat besluit wordt bepaald dat het in artikel VI, onderdeel A, opgenomen derde lid van artikel 18 van de Wet belastingen op milieugrondslag, de onderdelen A.7 en A.8 van artikel VI, en de onderdelen F en H van artikel VI, terugwerken tot en met 1 januari 1998.
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).In deze nota van wijziging wordt enerzijds uitvoering gegeven aan een aantal elementen van het kabinetsstandpunt met betrekking tot het evaluatieverslag inzake de bepalingen van de grondwaterbelasting en de afvalstoffenbelasting. Dit kabinetsstandpunt is op 30 september 1997 aan de Staten-Generaal gezonden (kamerstukken II 1997/98, 25 600, IXB, nr. 7). Voorts bevat deze nota van wijziging een verlenging van het tot 1 januari 1999 geldende nihiltarief voor de zogenoemde restbrandstoffen in de brandstoffenbelasting. De nota van wijziging is voorgelegd aan de Raad van State voor advies. De Raad heeft een blanco advies uitgebracht.
Op 23 juni 1997 heb ik het evaluatieverslag van de interdepartementale werkgroep die het onderzoek heeft uitgevoerd, aan de Staten-Generaal gezonden. De werkgroep heeft in haar verslag een aantal aanbevelingen gedaan. In het kabinetsstandpunt ter zake heeft het kabinet aangegeven die aanbevelingen nagenoeg ongewijzigd over te nemen. Niet alle aanbevelingen dwingen tot onmiddellijke wetgevende actie. In een aantal gevallen zal eerst een nadere studie moeten worden verricht.
Met betrekking tot het uitvoering geven aan enkele aanbevelingen is echter haast geboden. Dit geldt allereerst de aanbeveling om de tegemoetkoming voor ontinktingsresidu in de afvalstoffenbelasting te verlengen; deze loopt immers ingevolge artikel II van de Wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) met ingang van 1 januari 1998 af.
Ook acht het kabinet het wenselijk met voorrang conform de aanbeveling een vrijstelling in de afvalstoffenbelasting voor asbest te effectueren, omdat een vrijstelling eraan bijdraagt de kosten van een verantwoorde verwijdering zo laag mogelijk te doen zijn. Onder verantwoorde verwijdering wordt verstaan het storten van bij sloop of ontmanteling vrijgekomen asbest op stortplaatsen; hergebruik is immers niet mogelijk, evenmin als verbranding. Hoewel verglazing mogelijk is, is dit te duur. Verlaging van de kosten van storten is noodzakelijk met het oog op de grote risico's voor mens en milieu die verbonden zijn aan een ongecontroleerde verwijdering van asbest.
Beide maatregelen hebben een tijdelijk karakter. Zoals in het evaluatieverslag is aangegeven zijn de bedrijven die zich bezig houden met de papierrecycling flink gevorderd met de operationalisering van alternatieve verwerkingsmethoden. De realisatie van de alternatieve verwerkingsmethoden wordt thans verwacht in de loop van 1999/2000. De verlenging van de tegemoetkoming voor ontinktingsresidu zal derhalve slechts tot 2001 behoeven te gelden. Ook voor de verwerking van asbest zijn technieken in ontwikkeling waarbij asbest wordt omgezet van een schadelijke stof in een volstrekt inert, nuttig toepasbaar product. Zolang die technieken nog in ontwikkeling zijn, draagt de vrijstelling, zoals gezegd, bij aan het op verantwoorde wijze verwijderen van asbest. Wanneer de technieken eenmaal operationeel zijn, kan de belasting daarentegen weer een financiële stimulans worden voor het toepassen van de nieuwe techniek. Voor de toepassing van het nihiltarief op asbest is vereist dat het asbest afzonderlijk wordt aangeboden. Met betrekking tot de controle op het juist toepassen van de bepaling worden geen problemen verwacht. Op grond van het Asbest-verwijderingsbesluit in samenhang met het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet, waarin voorschriften zijn gegeven met betrekking tot asbest bij de bedrijfsmatige sloop van gebouwen en bij de verwijdering uit objecten, moet het bij die handelingen vrijgekomen asbest van de lucht afgesloten verpakt en voorzien van een etiket worden aangeboden aan de inrichting waar het asbest wordt gestort. Bij het merendeel van de stortplaatsen is vooraanmelding verplicht. De houders van de stortplaatsen zijn op grond van de aan hen verleende vergunning gehouden het asbest zodanig te storten dat geen emissie van asbestdeeltjes kan plaatsvinden.
De derde aanbeveling die naar de mening van het kabinet op korte termijn dient te worden gevolgd betreft de aanbeveling inzake het voor een deel in de heffing van afvalstoffenbelasting betrekken van het zogenoemde storten in eigen beheer. Reeds in de Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag is voorzien in de heffing van afvalstoffenbelasting ter zake van het verwerken van afvalstoffen in de inrichting waarin zij zijn ontstaan. Het koninklijk besluit op grond waarvan de desbetreffende bepalingen in werking treden, is echter nog niet genomen, omdat de uitvoeringsproblemen die destijds hebben geleid tot uitstel van de invoering ervan nog niet alle zijn opgelost. Vooralsnog wordt de heffing ter zake van de stort in eigen beheer beperkt tot afvalstoffen die in afvalverbrandingsinstallaties bij het verwerkingsproces ontstaan (de zogenoemde verbrandingsresten) en die op het bedrijfsterrein worden gestort. Gelet op het feit dat de administratie van deze zogenoemde geïntegreerde inrichtingen al is ingericht op de heffing van afvalstoffenbelasting kan hiertoe thans worden overgegaan. Daarmee wordt een einde gemaakt aan het onbedoelde onderscheid dat de beperking van de belastinggrondslag tot afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn maakte tussen afvalverbrandingsinstallaties die de verbrandingsresten naar een andere stortplaats moeten brengen en de afvalverbrandingsinstallaties die deel uitmaken van een geïntegreerde inrichting.
Ook is aan het tariefartikel een bepaling toegevoegd op grond waarvan voor de zogenoemde zeeffractie van scheidingsinstallaties die zijn gekoppeld aan een verbrandingsoven voor «refuse derived fuel» (RDF), tot 1 januari 2000 niet het verhoogde tarief van f 64,20 geldt, maar het normale tarief van f 29,20. De zeeffractie is de fractie die resteert na het afscheiden van de herbruikbare fractie en de hoogcalorische fractie (het RDF). Er zijn thans in Nederland twee inrichtingen waar een dergelijk proces wordt toegepast, de zogenoemde Geïntegreerde afvalverwerkingsinstallatie (GAVI), te weten de Vuil Afvoer Maatschappij (VAM) in Wijster en de Afvalverwerking Regio Nijmegen (ARN) in Weurt. Het maken van een uitzondering voor deze zeeffractie sluit aan bij de afspraken die zijn gemaakt in het Tienjarenprogramma Afval 1992–2002. Ingevolge deze afspraken geldt voor de zeeffractie, in het Tienjarenprogramma aangeduid als organische doorval, een tijdelijke ontheffing van het stortverbod.
Artikel 27, zesde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag voorziet in een nihiltarief voor de brandstoffenbelasting voorzover bepaalde brandstoffen als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan: de zogenoemde restbrandstoffen. Het nihiltarief is thans van toepassing op hoogovengas, cokesovengas, kolengas en raffinaderijgas (brandstoffen als bedoeld onder artikel 27, eerste lid, onderdeel i) alsmede op petroleumcokes, vloeibare en gasvormige brandstoffen (brandstoffen als bedoeld in artikel 27, tweede lid). Artikel 27, zesde lid, werkt terug tot en met 1 juli 1994 en vervalt op 1 januari 1999.
Bij onderzoek door de Belastingdienst is vastgesteld dat onder de categorie vloeibare brandstoffen tevens zeer zware binnen de inrichting ontstane residuale olie wordt ingezet als brandstof, waarvan vanwege de wisselende samenstelling niet zonder constante analyse kan worden vastgesteld of deze in bepaalde gevallen als restbrandstof dan wel als zware stookolie en dus als minerale olie moet worden aangemerkt. Naar aanleiding van de bevindingen van genoemd onderzoek wordt thans teneinde op dat punt geen onduidelijkheid te laten bestaan, een aanpassing voorgesteld, waarbij de categorie zware stookolie alsnog met terugwerkende kracht tot 1 juli 1994 onder de werking van het nihiltarief van artikel 27, zesde lid, wordt gebracht, uiteraard voor zover sprake is van verbruik als brandstof in de inrichting waarin deze stookolie is ontstaan.
De huidige werkingsduur van het nihiltarief van artikel 27, zesde lid, loopt af met ingang van 1 januari 1999. Teneinde nu reeds zekerheid te bieden wordt voorgesteld om de mogelijkheid van toepassing van het nihiltarief met vier jaar te verlengen tot 1 januari 2003. In 2002 zal het nihiltarief worden bezien in de context van het dan vigerende milieubeleid. Verlenging van de werkingsduur berust op overwegingen die zowel het milieubelang als de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie betreffen. Bij de voorgestelde verlenging met bepaalde duur wordt tegemoet gekomen aan de wens van de Europese Commissie tot tijdelijkheid van dergelijke tegemoetkomingen. Een verlenging met vier jaar lijkt redelijk in het licht van de wenselijkheid van periodieke toetsing van deze tegemoetkoming aan de internationale concurrentieverhoudingen en de samenhang met toekomstig Europees beleid (richtlijnvoorstel belasting op energieproducten).
De maatregelen met betrekking tot ontinktingsresidu, asbest en nihiltarief restbrandstoffen moeten ingevolge artikel 93, derde lid, van het EG-verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie. De verwachting bestaat dat er geen bezwaren bestaan tegen de twee eerstgenoemde tijdelijke maatregelen, gelet op het feit dat de Commissie al eerder akkoord is gegaan met de teruggaaf voor ontinktingsresidu en op de overigens ongewijzigde situatie (behoudens dat nu werkelijk uitzicht bestaat op het operationeel zijn van de alternatieve verwerkingsmethoden in 2000), en gelet op de gevaren voor de gezondheid die verbonden zijn aan het op illegale wijze verwijderen van asbest. Met betrekking tot voorgestelde verlenging van het nihiltarief bestaat eveneens de verwachting dat de Commissie geen bezwaren zal inbrengen gelet op de eerdere goedkeuring van het bestaande nihiltarief. Ook de uitzondering op de toepassing van het verhoogd tarief voor brandbaar afval voor de zeeffractie van de GAVI's moet aangemeld worden bij de Europese Commissie.
De huidige tijdelijke verfijningen voor kunststofrecyclingafval en ontinktingsresidu zijn budgettair neutraal gefinancierd met een – eveneens tijdelijke – verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting. In het hiervoor genoemde artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) is in verband met het aflopen van de tijdelijke teruggaafregelingen voor kunststofrecyclingafval en ontinktingsresidu voorzien in een tariefverlaging met f 0,55 per 1000 kilogram. Nu de tegemoetkoming voor ontinktingsresidu verlengd wordt, zou de tariefverlaging beperkt moeten worden tot het deel dat ziet op de per 1 januari 1998 vervallende teruggaafregeling inzake het kunststofrecyclingafval, te weten f 0,07. Met de tijdelijke vrijstelling voor asbest is een budgettair beslag van 2 mln gemoeid. In verband hiermee zou, indien de dekking binnen de afvalstoffenbelasting gevonden zou moeten worden, het tarief weer enigszins naar boven bijgesteld moeten worden. Gelet op het geringe belang van de per saldo resulterende aanpassing – de mutatie zou leiden tot een additionele verhoging met f 0,14 – stel ik voor het normale tarief (voor niet brandbaar afval) te handhaven op f 29,20 per 1000 kilogram.
Bij de invoering van het nihiltarief voor restbrandstoffen in de brandstoffenbelasting werd in budgettaire compensatie voorzien onder meer door middel van een algemene verhoging van de tarieven van de brandstoffenbelasting. Het ging daarbij om een bedrag van 96 mln per jaar. Naar nu gebleken is, is ook de onder minerale oliën vallende zware stookolie in de berekening van de noodzakelijke compensatie meegenomen. Dit ondanks het feit dat de wet niet voorziet in een nihiltarief voor zware stookolie. Door de desbetreffende ondernemingen is in de afgelopen jaren echter bij de aangifte van de brandstoffenbelasting uitgegaan van toepassing van het nihiltarief voor de zeer zware residuale raffinaderij-olie die werd ingezet als brandstof binnen de inrichting waarin zij is ontstaan. Bij de nu voorgestelde uitbreiding van de toepassing van het nihiltarief tot zware stookolie gaat het derhalve om het met terugwerkende kracht sanctioneren van de praktijk zonder budgettaire consequenties. Ook de verlenging van het nihiltarief leidt niet tot budgettaire gevolgen omdat, zoals hiervoor al is aangegeven, reeds in dekking voor het nihiltarief is voorzien.
Anders is het met de tijdelijke maatregel om het hoge tarief van de afvalstoffenbelasting niet toe te passen op de zeeffracties. Het gaat daarbij om een bedrag van f 14 mln. Inmiddels is echter gebleken dat de werkelijk gestorte hoeveelheid brandbaar afval in de laatste jaren aanzienlijk afwijkt van de verwachte hoeveelheden, op grond waarvan de opbrengst van de verhoging van het tarief op 45 mln geraamd is. Volgens de nieuwste inzichten (gebaseerd op de in de afgelopen jaren werkelijk gestorte hoeveelheid brandbaar afval, in combinatie met een minder grote verwerkingscapaciteit van de verbrandingsinstallaties dan aanvankelijk aangenomen) is een hoeveelheid van ca 2 mln ton te storten brandbaar afval meer in overeenstemming met de realiteit, zodat de opbrengst van het verhoogd tarief op 70 mln komt.
De maatregelen passen in het wetsvoorstel fiscale milieuversterking, waarin reeds een aantal wijzigingen in de Wet belastingen op milieugrondslag is opgenomen. Hierna worden de wijzigingen per artikel toegelicht.
Artikel VI, onderdelen A.1.1 en A.1.2, A.2, A.3.1 en A.3.2, A.4, A.5 en A.9 (Artikelen 12, 13, 15, 16, 17 en 19 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
Deze wijzigingen strekken ertoe de heffing op afvalstoffen die worden verwerkt in de inrichting waar ze zijn ontstaan, te effectueren. De wijziging van artikel 12, onderdelen b en c, en van de artikelen 13, 15, 16 en 19 is overgenomen uit artikel VII van de Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag. De wijziging van artikel 17 beperkt de heffing vooralsnog tot de verwerking van afvalstoffen die zijn ontstaan in het verwerkingsproces van afvalverbrandingsinstallaties (de zogenoemde verbrandingsresten).
Artikel VI, onderdeel A.1.3 (Artikel 12, onderdelen g en h van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In de onderdelen g en h van artikel 12 van de Wet belastingen op milieugrondslag zijn de begripsbepalingen opgenomen van kunststofrecyclingafval onderscheidenlijk kunststofrecyclinginstallatie. In verband met het vervallen van de bepaling op grond waarvan een teruggaaf mogelijk is van de afvalstoffenbelasting voor kunststofrecyclingafval (zie de wijziging van artikel 18a), kunnen deze begripsbepalingen vervallen.
Artikel VI, onderdeel A.6 (Artikel 18 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 18 is het tarief van de afvalstoffenbelasting opgenomen. In het wetsvoorstel is dit artikel reeds vervangen waarbij aan het artikel een tweede lid is toegevoegd waarin een verhoogd tarief voor brandbare afvalstoffen is opgenomen. In deze nota van wijziging is in verband met het onder de heffing brengen van de binnen de afvalverbrandingsinrichting ontstane verbrandingsresten, de aanhef van het eerste lid weer teruggebracht tot de oorspronkelijke tekst van de aanhef van artikel 18, terwijl de tekst van onderdeel a van dit lid vereenvoudigd kan worden in verband met de wijziging van artikel 12, onderdeel b. In het tweede lid zijn nog enkele categorieën, te weten de categorieën 5, 6, en 7, toegevoegd. Dit betreft de volgende afvalstoffen: oliefilters, gevaarlijke afvalstoffen als aangewezen in het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, bijlage I, proces 46 (afvalstoffen uit de gezondheidszorg) en verpakkingen van chemicaliën. Hoewel het hier gaat om afvalstoffen waarvoor het uitgesloten moet worden geacht dat er een ontheffing van het stortverbod wordt verleend, betreft het wel brandbaar afval, zodat zij volledigheidshalve zijn opgenomen. In het tweede lid is voorts een tijdelijke uitzondering gemaakt voor de zeeffractie die bij de voorscheiding van afval ontstaat bij een speciale categorie afvalverbrandingsinstallaties. Deze afvalverbrandingsinstallaties hebben verbrandingsovens die alleen afval van een hoogcalorische waarde verwerken. Op de zeeffractie die gestort wordt, is het normale tarief van f 29,20 van toepassing.
Het toegevoegde derde lid bevat een nihiltarief voor afzonderlijk aangeboden asbest. Het nihiltarief is van toepassing voor asbest dat voor 1 januari 2002 afzonderlijk ter verwerking wordt aangeboden.
Artikel VI, onderdelen A.7 en A.8 (Artikel 18a van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 18a waren oorspronkelijk zowel de teruggaafregeling van afvalstoffenbelasting voor ontinktingsresidu als die voor kunststofrecyclingafval opgenomen. Op grond van artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) zou artikel 18a van de Wet belastingen op milieugrondslag met ingang van 1 januari 1998 vervallen. Dit artikel II vervalt thans op grond van onderdeel 2 van deze nota van wijziging, zodat artikel 18a blijft bestaan. Zoals in de paragraaf Europese aspecten van de nota van toelichting is gememoreerd, is de voortzetting van de teruggaafregeling voor ontinktingsresidu afhankelijk van goedkeuring van de Europese Commissie. Indien deze de goedkeuring niet verleent, moet artikel 18a alsnog vervallen. Onderdeel A.7 strekt daartoe. Afhankelijk van de uitkomst zal bij het koninklijk besluit waarbij de wijzigingen van de Wet belastingen op milieugrondslag in werking treden artikel 18a vervallen (onderdeel A.7) dan wel blijven bestaan, zij het in gewijzigde vorm (onderdeel A.8). Het gewijzigde artikel 18a regelt thans uitsluitend de teruggaaf voor ontinktingsresidu. De teruggaafregeling is aan een tijdshorizon gebonden. Zij is alleen van toepassing voor ontinktingsresidu dat voor 1 januari 2001 ter verwerking is afgegeven. Het tweede lid bepaalt dat op het verzoek van degene die teruggaaf wenst, artikel 10a, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing is.
Artikel VI, onderdeel D.1.a (Artikel 27, zesde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag)
De in dit onderdeel opgenomen wijziging strekt er enerzijds toe om de werking van artikel 27, zesde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, dat voorziet in een nihiltarief voor de brandstoffenbelasting voor bepaalde brandstoffen die als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zijn ontstaan, te verruimen tot zware stookolie. Anderzijds strekt zij ertoe de werkingsduur van het – tot zware stookolie uitgebreide – nihiltarief te verlengen tot 1 januari 2003.
Artikel VIA (Artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925))
Op grond van artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925) zouden artikel 12, onderdelen f, g en h, alsmede artikel 18a van de Wet belastingen op milieugrondslag met ingang van 1 januari 1998 vervallen. In dit artikel II was tevens voorzien in een tariefverlaging van de afvalstoffenbelasting in verband met het aflopen van de tijdelijke teruggaafregelingen voor kunststofrecyclingafval en ontinktingsresidu. Nu de teruggaafregeling voor ontinktingsresidu blijft bestaan, dient de tariefverlaging achterwege te blijven; artikel II dient derhalve te vervallen.
In artikel XII, eerste lid, is voorzien in de inwerkingtreding van deze wet. In verband met het de benodigde goedkeuring door de Europese Commissie, is, evenals voor de invoering van het nihiltarief voor groene stroom en de bijzondere regeling voor afvalverbrandingsinstallaties zoals opgenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel, voorzien in de inwerkingtreding bij koninklijk besluit van de verlenging van de teruggaafregeling voor ontinktingsresidu, van het nihiltarief voor de verwerking van asbest, van de uitzondering van het verhoogd tarief voor de zeeffracties en van het nihiltarief voor de restbrandstoffen.
Aan het gewijzigde zesde lid van artikel 27 van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 juli 1994. Aan het huidige zesde lid van artikel 27 is eveneens terugwerkende kracht verleend tot en met 1 juli 1994. De huidige werkingsduur van dit zesde lid, werd vastgesteld in artikel XIII, tweede lid, van de Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag en nader geregeld in artikel I van het Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet belastingen op milieugrondslag en van de Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag (Besluit van 23 december 1994, Stb. 949, zoals dit is gewijzigd bij het Besluit van 3 februari 1995, Stb. 60).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25689-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.