Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825689 nr. 1;2

25 689
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking).

De memorie van toelichting (en bijlagen), die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

17 oktober 1997

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het belastingplan 1998 wenselijk is het milieu, verkeer en vervoer nader fiscaal accent te geven en ter stimulering van de aankoop van zeer zuinige personenauto's de belasting van personenauto's en motorrijwielen voor deze personenauto's te verlagen en dat het mede in het kader van de liberalisering van de energiemarkt wenselijk is de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor overheidsenergiebedrijven te laten vervallen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. Aan artikel 8, eerste lid, wordt na onderdeel h, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

i. een door Onze Minister van Financiën na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling te bepalen deel van de voordelen ingevolge bij deze ministeriële regeling aangewezen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.

B. In artikel 11, eerste lid, tweede volzin, wordt «f 50 000 000» vervangen door: f 200 000 000.

C.1. Aan artikel 23, eerste lid, wordt na onderdeel d, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

e. verstrekking en terbeschikkingstelling van inrichting van de werkruimte in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de belastingplichtige, alsmede vergoedingen van de kosten daarvan, voorzover de waarde in het economische verkeer van die inrichting in het kalenderjaar en de vier voorafgaande kalenderjaren niet meer bedraagt dan f 4000 en niet aannemelijk is dat zij niet mede in verband met het verwerven van de inkomsten uit arbeid wordt gebruikt, mits:

1°. de belastingplichtige krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van degene voor wie arbeid wordt verricht ten minste eenmaal per week, gedurende de gebruikelijke werktijd en zonder dat tevens wordt gereisd naar een buiten de woning gelegen arbeidsplaats, in die werkruimte in verband met het verwerven van die inkomsten pleegt te werken met behulp van telematica; en

2°. de inrichting voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; een en ander met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen nadere regels.

C.2. In het derde lid, eerste volzin, wordt na «per openbaar vervoer afgelegde afstand» ingevoegd: , vermeerderd met f 200,.

D.1. Artikel 26, tweede lid, wordt vervangen door:

2. Als projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden aangemerkt:

a. in Nederland gelegen projecten waarvan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, schriftelijk is verklaard dat deze in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, dan wel in Nederland gelegen projecten of categorieën van projecten die als zodanig bij ministeriële regeling door die Ministers zijn aangewezen;

b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecten waarvan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking, schriftelijk is verklaard dat deze in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

Met betrekking tot de in de vorige volzin bedoelde verklaringen en aanwijzingen blijft artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing.

D.2. In het vierde lid wordt «bedoeld in het tweede lid» vervangen door: bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,.

E. In artikel 36, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, wordt na «een 2- sterabonnement» ingevoegd: en vermeerderd met f 200.

ARTIKEL II

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A.1. Aan artikel 11, eerste lid, wordt na onderdeel u, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

v. verstrekking en terbeschikkingstelling van inrichting van de werkruimte in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, alsmede vergoedingen van de kosten daarvan, voorzover de waarde in het economische verkeer van die inrichting in het kalenderjaar en de vier voorafgaande kalenderjaren niet meer bedraagt dan f 4000 en niet aannemelijk is dat zij niet mede dient tot verwerving van het loon, mits:

1°. de werknemer krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige dan wel van de inhoudingsplichtige en een of meer andere inhoudingsplichtigen ten minste eenmaal per week, gedurende de gebruikelijke werktijd en zonder dat tevens wordt gereisd naar een buiten de woning gelegen arbeidsplaats, in die werkruimte ter vervulling van zijn dienstbetrekking pleegt te werken met behulp van telematica; en

2°. de inrichting voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, een en ander met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen nadere regels;

w. uitkeringen nadat de werknemer in het kalenderjaar op ten minste 120 dagen voor woon-werkverkeer heeft gereisd met een personenauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en daarbij krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige dan wel van de inhoudingsplichtige en een of meer andere inhoudingsplichtigen tevens een of meer andere werknemers zijn vervoerd, tot ten hoogste het bedrag aangegeven in de in het veertiende lid opgenomen tabel en met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels.

A.2. In het tiende lid, eerste volzin, wordt na «per openbaar vervoer afgelegde afstand» ingevoegd: , vermeerderd met f 200,.

A.3. Het dertiende lid vervalt. Onder vernummering van het veertiende lid in dertiende lid wordt daarna ingevoegd:

14. Uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel w, behoren niet tot het loon tot ten hoogste het bedrag, aangegeven in de navolgende tabel:

reisafstand 
meer dandoch niet meer danbedrag per kalenderjaar
15 km30 kmf 500
3050f 750
50f 1000

A.4. Aan het vijftiende lid wordt toegevoegd: De bedragen, genoemd in de derde kolom van de in het veertiende lid opgenomen tabel, worden bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door andere bedragen. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 66b, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan te brengen.

B. In artikel 15, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, wordt na «een 2- sterabonnement» ingevoegd: en vermeerderd met f 200.

ARTIKEL III

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A.1. Artikel 2, derde lid, onder 2°, wordt vervangen door:

2°. nijverheidsbedrijven met uitzondering van die welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;.

A.2. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd: Onder nijverheidsbedrijven worden mede begrepen bedrijven die gas, elektriciteit of warmte produceren, transporteren of leveren alsmede bedrijven die netten of leidingen aanleggen of beheren ten behoeve van het transport van gas, elektriciteit of warmte.

A.3. In het zevende lid, eerste volzin, wordt «indien en voor zover» vervangen door: voorzover.

A.4. In het zevende lid, tweede volzin, wordt in onderdeel i «water, gas, elektriciteit of warmte» vervangen door: water.

A.5. In het zevende lid, tweede volzin, wordt na onderdeel i ingevoegd:

j. lichamen die een bedrijf uitoefenen als bedoeld in het derde lid, tweede volzin, met uitzondering van lichamen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;.

A.6. In het zevende lid, tweede volzin, wordt «deze vennootschappen of stichting» telkens vervangen door: deze rechtspersonen.

B. In artikel 8, eerste lid, wordt «de artikelen 7, 8, eerste lid, onderdelen a, b, c» vervangen door: de artikelen 7, 8, eerste lid, onderdelen a, b, c, i.

C. Aan artikel 10 wordt na onderdeel f, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

g. krachtens artikel 228 van de Gemeentewet of artikel 222c van de Provinciewet, geheven precariobelastingen ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeente- onderscheidenlijk de provinciegrond, indien deze voorwerpen worden gebruikt in het kader van een bedrijf als bedoeld in artikel 2, derde lid, tweede volzin, door een publiekrechtelijke rechtspersoon of een lichaam als bedoeld in artikel 2, zevende lid, tweede volzin, onderdeel j, dan wel van een lichaam als bedoeld in het slot van dat artikel, voorzover deze belastingen op of na 1 januari 1998 zijn ingevoerd of zijn verhoogd en voorzover de verhoging uitgaat boven de gemiddelde verhogingen van de overige door de desbetreffende gemeente of provincie geheven belastingen. Voor de toepassing van dit onderdeel worden met belastingen als bedoeld in de vorige volzin gelijkgesteld vergoedingen die op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst zijn verschuldigd aan een gemeente of een provincie ter zake van het hebben van de in de vorige volzin bedoelde voorwerpen.

ARTIKEL IV

In de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. In artikel 1, vierde lid, en artikel 9a wordt «hoofdzakelijk» telkens vervangen door: uitsluitend of mede en wordt na «elektromotor» telkens ingevoegd: met een vermogen van ten minste 10 kW.

B. Na artikel 9a wordt ingevoegd:

Artikel 9b. 1. Met betrekking tot zeer zuinige personenauto's en met betrekking tot in hun klasse zeer zuinige personenauto's wordt het bij de personenauto behorende bedrag aan belasting bedoeld in artikel 9 berekend met inachtneming van een korting.

2. a. Dat een personenauto zeer zuinig is of zeer zuinig in zijn klasse, dient te blijken uit een geldige verklaring van de Dienst Wegverkeer ten aanzien van de uitvoering van de personenauto, afgegeven voor het tijdstip dat de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen, of ten aanzien van de personenauto;

b. De verklaring wordt afgegeven op verzoek van de fabrikant of importeur tegen een door de Dienst Wegverkeer vast te stellen vergoeding.

3. De in het eerste lid bedoelde korting bedraagt:

a. voor een zeer zuinige personenauto f 2500;

b. voor een in zijn klasse zeer zuinige personenauto f 1250;

met dien verstande dat de korting het bij de personenauto behorende bedrag aan belasting bedoeld in artikel 9 niet te boven gaat.

4. Onder zeer zuinige personenauto's worden verstaan personenauto's waarvan het brandstofverbruik niet meer is dan 4,5 liter per 100 kilometer ten aanzien van personenauto's die worden aangedreven door een motor met compressie-ontsteking en 5,0 liter per 100 kilometer ten aanzien van andere auto's.

5. Onder in hun klasse zeer zuinige personenauto's worden verstaan personenauto's, waarvan het brandstofverbruik voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Deze ministeriële regeling bevat:

a. de indeling van personenauto's in klassen naar aandrijving en gewicht of grootte dan wel een combinatie van gewicht en grootte;

b. het brandstofverbruik per klasse waarbij voor een personenauto uit die klasse een verklaring kan worden afgegeven als bedoeld in het tweede lid;

c. de wijze van vaststelling van het brandstofverbruik, het gewicht en de grootte van een personenauto.

6. Bij ministeriële regeling kunnen bijzondere vormen van personenauto's alsmede personenauto's met bepaalde voorzieningen van de korting worden uitgesloten, indien deze vormen of voorzieningen bij normaal gebruik aanleiding geven tot een hoger brandstofverbruik dan wordt vastgesteld op de in het vijfde lid bepaalde wijze.

7. Aan de afgifte van een verklaring als bedoeld in het tweede lid kunnen in het belang van de stimulering van de verkoop van zeer zuinige auto's bij ministeriële regeling voorwaarden worden verbonden.

8. De in het vijfde lid bedoelde ministeriële regeling wordt ten minste elke twee jaar herzien. Een verklaring als bedoeld in het tweede lid ten aanzien van een uitvoering van een personenauto vervalt door het in werking treden van de herziene regeling, tenzij bij die regeling anders is bepaald.

9. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens de fabrikant of importeur dient te verstrekken bij het verzoek om een verklaring.

10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld in het belang van een goede uitvoering van de in dit artikel opgenomen bepalingen.

C. In artikel 10, eerste lid, wordt in de eerste volzin na «artikel 9, eerste en tweede lid,» ingevoegd: en artikel 9b,. Voorts wordt in de tweede volzin na «genomen» ingevoegd: , met dien verstande dat de vermindering niet meer dan 90 percent bedraagt.

D. Na artikel 16 wordt in Hoofdstuk IV een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 3

TARIEFWIJZIGINGEN

Artikel 16a. 1. In geval van een verhoging van de in artikel 9 opgenomen tarieven dan wel verlaging van de in artikel 9b bedoelde kortingen, wordt, indien voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wijziging in werking treedt voor een personenauto of motorrijwiel een kentekenbewijs is afgegeven dat nog niet is tenaamgesteld, de belasting berekend op de voet van de artikelen 9 en 9b, zoals deze luidden voordat de wijziging in werking is getreden, mits de tenaamstelling van het kenteken plaatsvindt binnen twee maanden na die inwerkingtreding. Indien de tenaamstelling plaatsvindt nadat deze twee maanden zijn verstreken, wordt de belasting berekend op de voet van de artikelen 9 en 9b, zoals deze luiden na de inwerkingtreding van de wijziging van de tarieven of kortingen.

2. In geval van een verlaging van de in artikel 9 opgenomen tarieven dan wel verhoging van de in artikel 9b bedoelde kortingen, wordt, voor een personenauto of motorrijwiel waarvoor voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wijziging in werking treedt een kentekenbewijs is afgegeven dat nog niet is tenaamgesteld, de belasting berekend op de voet van de artikelen 9 en 9b zoals deze luiden nadat de verlaging dan wel verhoging in werking is getreden.

3. In geval een verklaring als bedoeld in artikel 9b, tweede lid, wordt afgegeven die van toepassing is op een personenauto waarvoor voorafgaande aan het tijdstip van deze afgifte een kentekenbewijs is afgegeven dat nog niet is tenaamgesteld, wordt de belasting voor die personenauto berekend met inachtneming van de korting die overeenkomstig die verklaring kan worden toegekend.

4. In geval een verklaring als bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van toepassing is op een personenauto waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven dat nog niet is tenaamgesteld, wordt, indien de verklaring ingevolge artikel 9b, achtste lid, vervalt voordat tenaamstelling plaatsvindt, de belasting voor die personenauto berekend met inachtneming van de korting die overeenkomstig die verklaring kon worden toegekend mits de tenaamstelling van het kentekenbewijs plaatsvindt binnen twee maanden nadat de verklaring is vervallen.

5. Bij ministeriële regeling kunnen in overleg met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

ARTIKEL V

In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt aan artikel 22 toegevoegd:

3. Voor een personenauto of een bestelauto die is ingericht en bestemd om mede te worden aangedreven door een elektromotor met een vermogen van ten minste 10 kW wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, op verzoek het gewicht van de elektromotor en de daarbij behorende accu's niet meegerekend bij het vaststellen van de eigen massa van het motorrijtuig. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

ARTIKEL VI

In de Wet belastingen op milieugrondslag worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. Artikel 18 wordt vervangen door:

Artikel 18

1. Het tarief bedraagt bij afgifte ter verwerking door middel van:

a. het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten: f 29,20 per 1000 kilogram;

b. het verbranden van afvalstoffen: nihil.

2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief f 64,20 per 1000 kilogram indien het brandbare afvalstoffen betreft. Voor de toepassing van deze bepaling worden als brandbare afvalstoffen aangemerkt de categorieën afvalstoffen genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 8, 9, 10, 13, 14, 15, 17, 22 en 25 tot en met 32, van het Besluit stortverbod afvalstoffen.

B. Aan artikel 20, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

m. KV-gas: gas dat door vergassing van kolen wordt verkregen.

C. Aan artikel 21, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

i. KV-gas.

D.1. Aan artikel 27, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

k. KV-gas, per 1000 gigajoule f 935,19.

D.2. Na het zesde lid wordt toegevoegd:

7. Op verzoek van de belastingplichtige wordt de belasting van kolen in afwijking van artikel 25 en van het eerste lid, onderdeel h, geheven per eenheid brandstof, uitgedrukt in zowel energie-inhoud als CO2-emissie bij verbranding van de kolen. In dat geval zijn de in het achtste lid genoemde tarieven van toepassing. Bij inwilliging van het verzoek geldt zulks tot wederopzegging door belanghebbende doch ten minste voor vijf jaren. Een hernieuwd verzoek kan eerst vijf jaren na die wederopzegging worden ingewilligd. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

8. De in het zevende lid bedoelde tarieven bedragen f 0,4003 per gigajoule en f 4,9527 per 1000 kilogram CO2.

9. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de regeling, bedoeld in het zevende lid, wordt toegepast.

10. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

E. In artikel 28, eerste lid, wordt «gas» vervangen door: niet als minerale olie aangemerkt gas.

F.1. In artikel 36i wordt, onder vernummering van het zesde lid in zevende lid, na het vijfde lid ingevoegd:

6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, bedraagt het tarief voor elektriciteit, bedoeld in artikel 36o, eerste lid, nihil, voorzover ter zake van de levering ervan een specifiek contract is gesloten met de verbruiker.

F.2. In het in zevende lid vernummerde zesde lid wordt «derde en vierde lid» vervangen door: derde, vierde en zesde lid.

G. Aan artikel 36j, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

c. 3384 kWh elektriciteit per de in artikel 36c, derde lid, bedoelde verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, indien een elektrische warmtepomp is geïnstalleerd, met dien verstande dat indien de geleverde hoeveelheid lager is dan 3384 kWh de vrijgestelde hoeveelheid gelijk is aan de geleverde hoeveelheid. Bij toepassing van dit onderdeel is onderdeel b niet van toepassing.

H. Aan artikel 36o, tweede lid, wordt de volgende volzin toegevoegd: Onder de verschuldigde belasting, bedoeld in de eerste volzin, wordt mede verstaan de belasting die verschuldigd zou zijn indien artikel 36i, zesde lid, niet van toepassing zou zijn.

I. In hoofdstuk Va wordt na afdeling 10 ingevoegd:

AFDELING 11. BIJZONDERE REGELING VOOR AFVALVERBRANDINGSINSTALLATIES

Artikel 36r

1. Op de belasting die is verschuldigd ter zake van de levering van elektriciteit wordt een vermindering toegepast voorzover in die levering elektriciteit is begrepen die is opgewekt door een afvalverbrandingsinstallatie.

2. De vermindering bedraagt 50 percent van de ter zake van de levering van de door de afvalverbrandingsinstallatie opgewekte elektriciteit verschuldigde belasting en is slechts van toepassing voorzover wordt aangetoond dat het bedrag van de vermindering wordt doorgegeven aan de afvalverbrandingsinstallatie.

3. Artikel 36o, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Bij regeling van Onze Minister kan het in het tweede lid genoemde percentage worden verlaagd.

5. Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop de krachtens het vierde lid vastgestelde ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet aannemen van het voorstel besluit, wordt onverwijld bij regeling van Onze Minister het krachtens het vierde lid vervangen percentage met ingang van het tijdstip waarop laatstgenoemde regeling in werking treedt, vervangen door het percentage zoals dat gold onmiddellijk vóór het in de eerste volzin bedoelde tijdstip.

ARTIKEL VII

In de Coördinatiewet Sociale Verzekering worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A.1. Aan artikel 6, eerste lid, wordt na onderdeel y, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

z. verstrekking en terbeschikkingstelling van inrichting van de werkruimte in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, alsmede vergoedingen van de kosten daarvan, voorzover de waarde in het economische verkeer van die inrichting in het kalenderjaar en de vier voorafgaande kalenderjaren niet meer bedraagt dan f 4000 en niet aannemelijk is dat zij niet mede dient tot verwerving van het loon, mits:

1°. de werknemer krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de werkgever dan wel van de werkgever en een of meer andere werkgevers ten minste eenmaal per week, gedurende de gebruikelijke werktijd en zonder dat tevens wordt gereisd naar een buiten de woning gelegen arbeidsplaats, in die werkruimte ter vervulling van zijn dienstbetrekking pleegt te werken met behulp van telematica; en

2°. de inrichting voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden,

een en ander met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen nadere regels;

aa. uitkeringen nadat de werknemer in het kalenderjaar op ten minste 120 dagen voor woon-werkverkeer heeft gereisd met een personenauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en daarbij krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de werkgever dan wel van de werkgever en een of meer andere werkgevers tevens een of meer andere werknemers zijn vervoerd, tot ten hoogste het bedrag aangegeven in de in het twaalfde lid opgenomen tabel en met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels.

A.2. Onder vernummering van het twaalfde lid in dertiende lid wordt na het elfde lid ingevoegd:

12. Uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel aa, behoren niet tot het loon tot ten hoogste het bedrag, aangegeven in de navolgende tabel:

reisafstand 
meer dandoch niet meer danbedrag per kalenderjaar
15 km30 kmf 500
3050f 750
50f 1000

A.3. Aan het in dertiende lid vernummerde twaalfde lid wordt toegevoegd: De bedragen, genoemd in de derde kolom van de in het twaalfde lid opgenomen tabel, worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de overeenkomstige bedragen die bij het begin van het jaar krachtens artikel 11, vijftiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden vastgesteld ter vervanging van de bedragen, opgenomen in de derde kolom van de in het veertiende lid van dat artikel opgenomen tabel.

ARTIKEL VIII

Indien met betrekking tot gebruikte personenauto's en motorrijwielen het tijdstip waarop overeenkomstig artikel 6 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 de aangifte wordt gedaan, is gelegen vóór het tijdstip waarop de onderdelen B, C en D van artikel IV in werking treden, terwijl het tijdstip van registratie is gelegen na die datum, wordt de vermindering van de belasting vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van die wet zoals dat luidt ten tijde van het doen van die aangifte.

ARTIKEL IX

Bij algemene maatregel van bestuur kan voor een beperkt aantal jaren, beginnend met het jaar 1998 en uiterlijk tot het jaar waarin de liberalisatie van de energiemarkt wordt voltooid, worden bepaald dat ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen die een onderneming drijven als bedoeld in artikel 2, derde lid, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van lichamen als bedoeld in het zevende lid, tweede volzin, onderdeel j, van dat artikel, die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend activiteiten verrichten als bedoeld in het derde lid, tweede volzin van dat artikel, de vennootschapsbelasting, in afwijking in zoverre van artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, een gedeelte bedraagt van de op de voet van het laatstgenoemde artikel berekende belasting, waarbij dit gedeelte per jaar kan verschillen.

ARTIKEL X

Voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt op de balans aan het begin van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 1998 van een onderneming als bedoeld in artikel 2, derde lid, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of van een lichaam als bedoeld in het zevende lid, tweede volzin, onderdeel j, van dat artikel, dan wel van een lichaam als bedoeld in het slot van dat artikel, geen goodwill opgevoerd met betrekking tot de activiteiten waarvoor de belastingplicht een aanvang neemt als gevolg van de in artikel III opgenomen wijzigingen van artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

ARTIKEL XI

1. Indien in de periode van 5 juli 1996 tot het begin van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 1998 van een door een publiekrechtelijke rechtspersoon gedreven onderneming als bedoeld in artikel 2, derde lid, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, door deze rechtspersoon activiteiten als bedoeld in die tweede volzin zijn ingebracht in of vervreemd aan een ander lichaam waarin de inbrenger of de vervreemder voor ten minste een derde gedeelte een belang heeft, waarmee hij in een groep is verbonden in de zin van artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of waarvan hij een bestuurder kan benoemen of ontslaan, vindt in afwijking in zoverre van de artikelen 10 en 10a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij dat andere lichaam geen afschrijving plaats op goodwill met betrekking tot de van de inbrenger of de vervreemder daarbij verkregen vermogensbestanddelen.

2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de inbreng of vervreemding van activiteiten door een lichaam als bedoeld in artikel 2, zevende lid, tweede volzin, onderdeel j, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of door een lichaam als bedoeld in het slot van dat artikel.

ARTIKEL XII

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998, met uitzondering van de onderdelen B, C en D van artikel IV die in werking treden met ingang van 1 mei 1998 alsmede de onderdelen F, H en I van artikel VI die in werking treden op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.

2. De artikelen I en II vinden toepassing nadat artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 1998 is toegepast.

3. Artikel III, onderdeel A, vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing van de vennootschapsbelasting over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 1998.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,