Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825688 nr. 3

25 688
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale structuurversterking)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

De regering stelt voor een deel van de beschikbare ruimte voor lastenverlichting 1998 te gebruiken voor verbetering van het milieu en ontwikkeling van bos en natuur, versterking van de economische structuur, en versterking van de kennisinfrastructuur. Dit wetsvoorstel bevat de fiscale maatregelen ten behoeve van de versterking van de economische structuur en de kennisinfrastructuur.

Een gedeelte van de ruimte voor lastenverlichting wordt aangewend ten behoeve van nieuwe wettelijke maatregelen, een gedeelte wordt ingezet om de mogelijkheden van bestaande maatregelen te verruimen.

De maatregelen die in het kader van dit wetsvoorstel worden gepresenteerd zijn:

Versterking economische structuur

– uitbreiding vrijstelling overdrachtsbelasting ten behoeve van de land- en tuinbouwstructuur;

– uitbreiding mogelijkheden willekeurige afschrijving ten behoeve van Lelystad, kansenzones, Research & Development (R&D)-laboratoria, arbeidsomstandigheden (ARBO)-investeringen en de filmindustrie;

– verruiming van de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk;

– uitbreiding van de investeringsaftrek, de energie-investeringsaftrek en het regime voor willekeurige afschrijving, alsmede de regeling voor groen beleggen naar de Nederlandse Antillen en Aruba;

– verlichting successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging;

– toepassen verlaagde bruto toegevoegde waarde (BTW) tarief op podiumkunsten en bij toegang tot attractieparken;

– aftrek BTW-voorbelasting op kosten van outplacement.

Versterking kennisinfrastructuur

– scholingsfaciliteit in de winstsfeer;

– verruiming afdrachtvermindering onderwijs.

II. TOELICHTING PER MAATREGEL

Uitbreiding vrijstelling overdrachtsbelasting ten behoeve van de land- en tuinbouwstructuur

Ten behoeve van de economische structuurversterking van de land- en tuinbouwsector worden twee vrijstellingen van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van landerijen geïntroduceerd. De vrijstellingen zien op het verkrijgen van landerijen in samenhang met de Landinrichtingswet respectievelijk in het kader van verbetering van de bedrijfsstructuur in de glastuinbouw.

De Landinrichtingswet strekt tot het inrichten van het landelijk gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven. Op grond van de Landinrichtingswet wordt voor een gebied waarvoor herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt voorbereid, een landinrichtingsprogramma vastgesteld. Verkrijgingen binnen een dergelijk gebied krachtens de Landinrichtingswet zijn reeds vrijgesteld van de heffing van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel l, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Bij verplaatsing van een landbouwbedrijf vanuit een landinrichtingsgebied naar elders geldt echter geen vrijstelling. Dit vormt een belemmering voor het realiseren van een zo goed mogelijke inrichting van dergelijke gebieden. Immers, de verwerving van landerijen buiten een landinrichtingsgebied en het tegelijkertijd afstaan van landerijen binnen een dergelijk gebied kan zeer wel in het belang zijn van het desbetreffende landinrichtingsprogramma. De vervreemder van landerijen in een landinrichtingsgebied zal elders zijn bedrijf moeten vestigen. Over de verkrijging van landerijen elders is in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Deze belastingdruk blijkt in de praktijk een remmende factor te zijn voor vestiging elders en staat daarmee een verbetering van de landbouwstructuur in de weg.

Voorgesteld wordt een vrijstelling van overdrachtsbelasting bij verkrijging van landerijen die zelf weliswaar niet in een dergelijk gebied liggen, maar waarbij de verkrijger landerijen afstaat waarvoor dat wel het geval is. Het belang van een goede inrichting van landelijke gebieden rechtvaardigt naar mijn mening deze vrijstelling, die overigens wordt beperkt tot de waarde van de afgestane landerijen.

Met het oog op de toekomst van de Nederlandse glastuinbouw – waarvan de sociaal-economische betekenis groot is – is een verbetering van de structuur en de verkaveling van de individuele glastuinbouwbedrijven noodzakelijk. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij acht bij verplaatsingen van glastuinbouwbedrijven een vrijstelling van overdrachtsbelasting van belang. Voorgesteld wordt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de glastuinbouwer die grond verkrijgt waarop hij zijn bedrijf voortzet onder voorwaarde dat de grond die hij afstaat wordt verkregen door een glastuinder die daardoor bijdraagt aan een verbetering van de structuur van zijn eigen bedrijf. Ook in geval van hervestiging van een glastuinbouwbedrijf blijkt de druk van de overdrachtsbelasting in de praktijk een remmende factor te zijn. Door de voorgestelde vrijstelling zal de druk van de overdrachtsbelasting geen rol meer spelen bij hervestiging van glastuinbouwbedrijven, wanneer daarmee de bedrijfsstructuur van de verkrijger gediend is.

De vrijstelling zal slechts van toepassing zijn in specifieke, aan te wijzen gevallen onder daarbij te stellen voorwaarden. De vrijstelling zal in ieder geval slechts van toepassing zijn indien de gronden die worden afgestaan, worden verkregen door een glastuinbouwer met toepassing van de reeds bestaande vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (structuurverbetering). Daardoor wordt een evenwichtige, samenhangende, en uitvoeringstechnisch en administratief zo eenvoudig mogelijke regeling bereikt waarmee eerder genoemde belangen worden gediend. Evenals dat het geval is bij de nieuwe vrijstelling in samenhang met de Landinrichtingswet zal ook de onderhavige vrijstelling worden beperkt tot de waarde van de landerijen die de vertrekkende glastuinbouwer afstaat.

Uitbreiding willekeurige afschrijving

Voorgesteld wordt de reikwijdte van het op artikel 10, derde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gebaseerde instrument van willekeurige afschrijving uit te breiden. De uitbreiding vindt plaats op verschillende manieren. Voor zogeheten ARBO-investeringen wordt de wettelijke basis geschapen om tot willekeurige afschrijvingen te komen. Voorts wordt naast de bestaande mogelijkheid om in overeenstemming met onze Minister van Economische Zaken bepaalde bedrijfsmiddelen in bepaalde gebieden aan te wijzen die voor willekeurige afschrijvingen in aanmerking komen, eenzelfde mogelijkheid opgenomen om in overeenstemming met onze Minister van Binnenlandse Zaken dergelijke bedrijfsmiddelen en gebieden aan te wijzen. Deze bevoegdheid zal worden gebruikt voor investeringen in nog nader te bepalen bedrijfsmiddelen in kansenzones.

In bestaande lagere regelgeving worden wijzigingen aangebracht om het instrument van toepassing te verklaren op de gemeente Lelystad en op investeringen in de filmindustrie. Ten slotte wordt het budget van de regeling voor R&D-laboratoria verruimd.

ARBO-investeringen

De wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet; in werking getreden op 1 januari 1994) samen met de vergroting van het eigen risico van de werkgevers voor het ziekteverzuim, hebben een krachtige impuls gegeven aan versterking van de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven. De grotere verantwoordelijkheid voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en daarmee samenhangend het financiële risico motiveren bedrijven tot preventie door goede arbeidsomstandigheden. Niettemin zijn er situaties denkbaar waarin de noodzakelijk geachte investeringen uitblijven. Het betreft in het bijzonder dié gevallen waarin – als gevolg van minder florissante arbeidsomstandigheden – uitgestelde gezondheidseffecten optreden. Daarbij kan worden gedacht aan lawaaidoofheid, rugklachten en aandoeningen veroorzaakt door langdurige blootstelling aan toxische stoffen. Omdat deze klachten en aandoeningen zich veelal pas na jaren openbaren, zullen de Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht Bij Ziekte (WULBZ) en de Wet Premiedifferentiatie En Marktwerking Bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (PEMBA) in dezen vermoedelijk weinig effect sorteren. Verder is te verwachten dat voor veel ondernemers in het midden- en kleinbedrijf (MKB) de benodigde investeringen te veel gevraagd zullen zijn. Om de mogelijk uitblijvende investeringen in bedrijfsmiddelen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden te stimuleren, opent dit voorstel de mogelijkheid aanschaffings- en voortbrengingskosten van de hiervoor bedoelde bedrijfsmiddelen willekeurig af te schrijven. Bij de vormgeving van deze faciliteit is om redenen van eenvoud en uniformiteit van regelgeving, in belangrijke mate aansluiting gezocht bij de reeds bestaande regelingen op het terrein van willekeurige afschrijvingen.

De Arbowet werkt vanuit de optiek dat de gezondheidsschade zo veel mogelijk aan de bron moet worden bestreden. Bij de aanwijzing van voor faciliëring in aanmerking komende investeringen zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met investeringen die passen in de bronbenadering. Zoals gezegd zullen de bedrijfsmiddelen, in aanvulling op de Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht Bij Ziekte (WULBZ) en de Wet Premiedifferentiatie en Marktwerking Bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (PEMBA), moeten bijdragen aan het voorkomen van een uitgesteld nadelig gezondheidseffect. Bovendien zullen de bedrijfsmiddelen innovatief of niet-gangbaar moeten zijn. Gedacht wordt aan niet algemeen gangbare werkmethoden en bewerkingstechnieken. De faciliteit zal niet gelden voor investeringen waarmee aan reeds bestaande wettelijke eisen wordt voldaan. De investeringen die voor faciliëring in aanmerking komen, worden bij ministeriële regeling door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met de Minister van Financiën aangewezen. Bovendien wordt bij de aanwijzing van de in aanmerking komende bedrijfsmiddelen in het bijzonder rekening gehouden met investeringen die relatief veel worden gedaan door het midden- en kleinbedrijf.

Kansenzones

Voor kansenzones zal de mogelijkheid worden geopend tot willekeurige afschrijving van bepaalde nog nader aan te wijzen bedrijfsmiddelen. De aanwijzing van de in aanmerking komende bedrijfsmiddelen en gebieden zal plaatsvinden in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse zaken. Een en ander zal worden betrokken bij de nadere uitwerking van het regime voor kansenzones. Voor wat betreft de aan te wijzen bedrijfsmiddelen gaan de gedachten voorshands uit naar nieuwe gebouwen.

Lelystad

Bepaalde nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten gelden als bedrijfsmiddelen waarop willekeurig kan worden afgeschreven. Het moet hierbij gaan om nieuwe bedrijfsgebouwen, waarvan de aanschaffing- of voortbrengingskosten tenminste f 5 000 000 bedragen, waarvan de economische eigendom berust bij een lichaam dat is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, niet zijnde een beleggingsinstelling, en die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in een gemeente die is genoemd in bijlage 1 of 2 van de Uitvoeringsregeling Besluit subsidies regionale investeringsprojecten (BSRI) of in de gemeente Landgraaf. Dit zijn gemeenten die op een tweetal economische criteria (werkloosheid en bruto regionaal product) relatief slecht scoren. Gelet op het feit dat Lelystad zich in een vergelijkbare positie bevindt als de gemeenten die zijn opgenomen in bijlage 1 of 2 van de Uitvoeringsregeling BSRI, wordt voorgesteld de willekeurige afschrijving ook van toepassing te laten zijn met betrekking tot Lelystad.

Filmindustrie

Nederland biedt goede mogelijkheden voor een in de economische en culturele infrastructuur verweven bedrijfstak film. De Nederlandse filmindustrie kampt echter met een aantal specifieke problemen. Het commerciële succes van een film is bijvoorbeeld moeilijk te voorspellen. Films die commercieel een succes zijn moeten de gemaakte verliezen van een groter aantal gemaakte, als verliespost af te schrijven, films goed maken. Op een enkele uitzondering na zijn de Nederlandse filmbedrijven te klein en te verbrokkeld om de gemaakte verliezen te kunnen compenseren. Hierdoor is de winstgevendheid van de filmindustrie als geheel te gering, hetgeen leidt tot geringe private investeringsbereidheid. Mede als gevolg van deze negatieve spiraal staat de infrastructuur van de Nederlandse filmindustrie onder zware druk.

Bij brief van 23 juni 1997 van de Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zijn aan de Kamer de resultaten voorgelegd van een gezamenlijk overleg over een versterking van de Nederlandse filmindustrie. In deze brief zijn tevens beleidsvoornemens op dit punt opgenomen. Deze beleidsvoornemens zijn gericht op het verbeteren van de financiële en economische infrastructuur, waardoor de investeringsbereidheid en het productievolume kan worden vergroot. Wat betreft de fiscale voornemens gaat het daarbij met name om de fiscale inbedding van een door de Minister van Economische Zaken vorm te geven financieringsfaciliteit voor de productie van speelfilms. Hierbij wordt, zoals ook aangegeven in genoemde brief, gedacht aan:

(1) het op grond van artikel 10, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij ministeriële regeling mogelijk maken van willekeurige afschrijving van de voortbrengingskosten van speelfilms;

(2) het uitwerken van de mogelijkheden van een op de filmindustrie toegespitste toepassing van de tante-Agaathregeling.

Daarnaast zal bij de concrete uitwerking van de nieuwe financieringsfaciliteit van het ministerie van Economische Zaken worden bezien hoe dit fiscaal optimaal kan worden vormgegeven en begeleid, dit laatste bijvoorbeeld door het bieden van (fiscale) zekerheid. In de brief is tevens aangegeven dat een meer concrete uitwerking van de fiscale voornemens in samenhang met de miljoenennota en het Belastingplan 1998 zal worden gepresenteerd. Hierover zal ik de Kamer uiteraard nog nader berichten. Bij de uitwerking zal, zoals ook is aangegeven in de brief, de verenigbaarheid met de Europese regelgeving worden betrokken. Vooralsnog lijkt voor een en ander geen wetgeving in formele zin nodig.

Research & Development laboratoria

In het Belastingplan 1997 is de mogelijkheid geopend om tot gedeeltelijk vrije afschrijving te komen voor laboratoriumgebouwen waarin speur- en ontwikkelingswerk plaatsvindt. Bij de nadere uitwerking van deze regeling is gebleken – uit vragen van het bedrijfsleven ondanks dat de desbetreffende ministeriële regeling nog niet is gepubliceerd – dat een verruiming van het bestaande budget wenselijk is, gelet op de verwachte belangstelling. Bovendien kunnen zodoende ook grotere projecten binnen de regeling worden opgevangen, hetgeen de regeling adequater maakt. Voorgesteld wordt het oorspronkelijke budget van f 5 mln te verdubbelen.

Uitbreiding afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk

In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen is een specifiek onderdeel opgenomen ten behoeve van de stimulering van speur- en ontwikkelingswerk (S&O). Deze regeling die voorheen was opgenomen in de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO), is dermate succesvol dat het voor deze regeling beschikbare budget uitgeput dreigt te raken. Om te voorkomen dat de percentages van de tegemoetkoming moeten worden verlaagd, is besloten tot uitbreiding van het voor de regeling beschikbare budget met f 25 mln. Tevens is het percentage van de tweede schijf verhoogd tot 17,5.

Uitbreiding van de (energie-)investeringsaftrek, het regime voor willekeurige afschrijvingen en de groenregeling naar de Nederlandse Antillen en Aruba

In het kader van de financieel-economische beleidsdialoog tussen de landen van het Koninkrijk is in januari 1997 overleg gevoerd tussen delegaties van de regeringen van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. De Kamer is over dit overleg geïnformeerd door de Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken bij brief van 3 februari 1997 (kamerstukken II, 1996/97, 25 000 IV, nr. 20).

Tijdens dit overleg hebben de delegaties een aantal afspraken gemaakt teneinde de economische basis van de Nederlandse Antillen en Aruba duurzaam te verstevigen. In het kader van deze afspraken heeft de Nederlandse regering toegezegd dat zij zal onderzoeken hoe, en onder welke voorwaarden, met behulp van fiscale stimulansen kan worden bevorderd dat Nederlandse bedrijven investeren in de Nederlandse Antillen en Aruba ten behoeve van groei en werkgelegenheid. Ook heeft de Nederlandse regering toegezegd dat zij zal nagaan in hoeverre de Nederlandse fiscale groenregeling mede van toepassing kan worden verklaard op milieu-investeringen in de Nederlandse Antillen.

Naar aanleiding van deze toezeggingen is nagegaan welke Nederlandse fiscale faciliteiten zouden kunnen worden toegepast op investeringen in de Nederlandse Antillen en Aruba. Nederlandse faciliteiten verlagen de belastbare winst van in Nederland gevestigde belastingplichtigen, zodat het bij de verruiming van de reikwijdte van deze faciliteiten tot de landen overzee gaat om investeringen door Nederlandse belastingplichtigen. Op Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belastingplichtigen is de belastingwetgeving van de Nederlandse Antillen of Aruba van toepassing, zodat een maatregel in de Nederlandse belastingwetgeving voor deze belastingplichtigen geen effect sorteert. De Nederlandse fiscale investeringsfaciliteiten zijn bezien op hun relevantie, effectiviteit, uitvoerbaarheid en controleerbaarheid in relatie tot de Nederlandse Antillen en Aruba. Naar mijn mening komen de investeringsaftrek, de energie-investeringsaftrek, de willekeurige afschrijving en de fiscale groenregeling in aanmerking voor toepassing op investeringen in de Nederlandse Antillen en Aruba. Met uitzondering van de reguliere investeringsaftrek zullen deze (wettelijke) maatregelen nader worden uitgewerkt in een ministeriële regeling. Hierbij zal rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden op de Nederlandse Antillen en Aruba om daarmee het bereik van de maatregelen zo groot mogelijk te laten zijn. De effectiviteit van de afzonderlijke maatregelen zal nauwgezet worden gevolgd en in ieder geval na twee jaar (tussentijds) worden geëvalueerd. Bij de berekening van het budgettaire effect van genoemde maatregelen is ten opzichte van het huidige relevante investeringsniveau op de Nederlandse Antillen en Aruba gerekend met een stijging van 10%. Het feit dat de faciliteiten in het buitenland alleen van toepassing zullen zijn op investeringen in de Nederlandse Antillen en Aruba wordt gerechtvaardigd door de bijzondere band tussen de landen die deel uitmaken van het Koninkrijk. Zo wordt in artikel 37 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden bepaald dat Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba zoveel mogelijk overleg zullen plegen omtrent alle aangelegenheden, waarbij belangen van de genoemde landen zijn betrokken. Deze aangelegenheden betreffen onder meer de bevordering van doelmatige economische, financiële en monetaire betrekkingen tussen de landen, de bevordering van de economische weerbaarheid door de onderlinge hulp en bijstand van de landen en de beroeps- en bedrijfsuitoefening van Nederlanders in de landen.

In dit wetsvoorstel zijn maatregelen opgenomen die het mogelijk maken om deze faciliteiten van overeenkomstige toepassing te verklaren op investeringen in de Nederlandse Antillen en Aruba. Het toezicht op de naleving van de regelingen die van overeenkomstige toepassing worden verklaard zal worden opgedragen aan Nederlandse ambtenaren.

In het kader van het bevorderen van doelmatige economische en financiële betrekkingen tussen de landen van het Koninkrijk als is bedoeld in artikel 37 van het Statuut zal de wens tot verdieping van de fiscale betrekkingen tussen de landen van het Koninkrijk zal ook tot uitdrukking komen in een uitbreiding van de uitwisseling van inlichtingen. Waar Nederland met de overeenkomstige toepassing van de Nederlandse fiscale regelingen de bereidheid toont om een bijdrage te leveren aan de economische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen en Aruba, tonen de Nederlandse Antillen en Aruba zich op hun beurt bereid om Nederland terzijde te staan bij de bestrijding van internationale fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik op het terrein van de belastingen. Door deze uitbreiding kan adequater worden ingespeeld op verzoeken om inlichtingen van fiscale verdragspartners van het Koninkrijk, hetgeen naar verwachting een positieve invloed zal hebben op de internationale reputatie van het Koninkrijk als geheel en de Caraïbische delen van het Koninkrijk in het bijzonder. Deze uitbreiding van de inlichtingenuitwisseling zal worden opgenomen in een door de landen van het Koninkrijk te sluiten protocol.

Faciliteiten successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging

Wanneer een onderneming door vererving overgaat op de erfgenamen en door één of meer van hen wordt voortgezet, kan het verschuldigde successierecht tot financiële problemen leiden die de continuïteit van de onderneming zouden kunnen aantasten. Die problematiek speelt ook ingeval een ondernemer zich uit de zaken terugtrekt en de onderneming schenkt aan een of meer opvolgers. In dat geval is schenkingsrecht verschuldigd. Vanuit het algemeen sociaal-economisch belang is het onwenselijk dat een onderneming die overgaat door vererving moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht zonder dat de bedrijfsresultaten daar aanleiding toe geven, met als gevolg een verlies aan werkgelegenheid en economische diversiteit. Het is om dezelfde reden onwenselijk dat een ondernemer in situaties waarin het maatschappelijk gebruikelijk is uit te treden, zijn onderneming staakt in plaats van overdraagt aan een of meer opvolgers. In beginsel geldt hetzelfde indien de onderneming in de vorm van een besloten vennootschap (BV) wordt gedreven, waarbij de overgang van de onderneming geschiedt door vererving of schenking van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen. Het voorstel is door een tweetal maatregelen een bijdrage te leveren aan de continuïteit van familie-ondernemingen door de druk van het successierecht en het schenkingsrecht ten gevolge van de overgang van de onderneming te verminderen.

De eerste maatregel is een verruiming van de als zodanig reeds bestaande regeling ingevolge welke de verkrijger – door vererving of schenking – het aan de verkrijging toe te rekenen bedrag aan successie- of schenkingsrecht in tien jaarlijkse termijnen kan betalen, zonder dat invorderingsrente in rekening wordt gebracht. Op dit moment kan die betalingsregeling toepassing vinden voorzover in hetgeen de belastingschuldige heeft verkregen krachtens erfrecht of door schenking, onvoldoende niet-ondernemingsvermogen (privé-vermogen) aanwezig is om daaruit de verschuldigde belasting te betalen. Deze toets wordt versoepeld, en wel door van het bedrag aan verkregen privé-vermogen uit te zonderen die bestanddelen die als regel een zeer gebonden karakter hebben, zoals de verkrijging van een woning die bewoond wordt door een van de erfgenamen (vaak zal dat de echtgenoot van de erflater zijn) dan wel van onroerende zaken of andere activa die weliswaar fiscaal privé-vermogen vormen doch waarbij een nauw verband met de voort te zetten onderneming bestaat. Te denken valt hierbij aan gebouwen die als woon/winkelpand bij de onderneming in gebruik zijn dan wel gebouwen die in gebruik zijn bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. De versoepeling van de uitstelfaciliteit heeft aldus tot gevolg dat het aan overgaand ondernemingsvermogen toe te rekenen successie- of schenkingsrecht slechts binnen de normale betalingstermijn hoeft te worden voldaan indien – algemeen gesproken – er liquide of relatief eenvoudig te gelde te maken privé-vermogensbestanddelen worden verkregen door de belastingschuldige. Voor de rest kan op de verschuldigde belasting, voorzover die niet wordt kwijtgescholden (zie hierna), de bestaande betalingsregeling toepassing vinden.

De tweede maatregel behelst een gedeeltelijke kwijtschelding van successie- of schenkingsrecht dat kan worden toegerekend aan het verkregen ondernemingsvermogen. Technisch zal een en ander – evenals de maatregel voor het uitstel van betaling – nader worden uitgewerkt in een ministeriële regeling.

Voorgesteld wordt een volledige kwijtschelding van het (gedeelte van het) successie- of schenkingsrecht dat – rechtstreeks dan wel via het bezit van een aanmerkelijk belang – kan worden toegerekend aan een tweetal componenten van de verkrijging. In de eerste plaats geldt dit de in de waarde van de verkrijging begrepen waarden van quota, vergunningen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de motie Vreugdenhil/Smits (kamerstukken II 1993/94, 23 400 IXB, nr. 12) waarin de Tweede Kamer verzocht visquota voor de heffing van het successierecht op gelijke voet te behandelen met melk- en mestquota. Tevens worden bezittingen die qua karakter met vorengenoemde quota overeenkomen, zoals vergunningen, onder de regeling gebracht. Ik acht het met het oog op het gelijkheidsbeginsel wenselijk dat in de sectoren van ons bedrijfsleven waarin quota geen rol spelen, in min of meer overeenkomstige gevallen ook gebruik gemaakt kan worden van de thans voorgestelde faciliteit. Daarenboven zal 25 percent van het recht worden kwijtgescholden dat kan worden toegerekend aan het overige verkregen ondernemingsvermogen.

Materieel kan de kwijtscheldingsfaciliteit als een vrijstelling van successie- of schenkingsrecht worden gezien. Deze faciliteit is echter gegoten in de vorm van kwijtschelding van de ingevolge de Successiewet 1956 op te leggen belastingaanslagen in het successie- of schenkingsrecht. In de eerste plaats is dit gebeurd om het heffingsproces van het successie- en schenkingsrecht hiermee niet te compliceren. Voorts is het uit een oogpunt van de bestrijding van oneigenlijk gebruik gewenst de kwijtschelding in eerste aanleg voorwaardelijk te verlenen en die voorwaardelijke kwijtschelding niet eerder om te zetten in een definitieve dan na ommekomst van de termijnen gedurende welke de bedrijfsopvolgers de geërfde of geschonken onderneming daadwerkelijk dienen te hebben voortgezet. Dat een termijn wordt gesteld aan de daadwerkelijke voortzetting van de onderneming, rechtstreeks of door middel van een aanmerkelijk belang in een vennootschap, is nodig om te bewerkstelligen dat alleen reële gevallen van bedrijfsopvolging gefacilieerd zullen worden.

Ter voorkoming van oneigenlijk gebruik dient voor de kwijtschelding van schenkingsrecht ook een eis gesteld te worden aan de periode voorafgaande aan de schenking van de onderneming gedurende welke de schenker de over te dragen onderneming heeft gedreven, respectievelijk gedurende welke de schenker het in het kader van bedrijfsopvolging overgaande aanmerkelijk-belangaandelenpakket heeft gehouden. Een oneigenlijk gebruik van de regeling zou erin kunnen bestaan dat iemand aanmerkelijk-belangaandelen koopt om deze aandelen binnen korte tijd in plaats van contanten ter besparing van schenkingsrecht aan zijn kinderen te schenken. Voor de kwijtschelding van successierecht zou ook een eis kunnen worden gesteld aan de periode voorafgaande aan het overlijden van de «oude» ondernemer. Daarvan is afgezien. Het verschuldigde successierecht kan immers ook tot financiële problemen leiden bij het voortzetten van de onderneming door de verkrijgers indien de erflater op het moment van overlijden de onderneming nog maar gedurende korte tijd heeft gedreven respectievelijk het aanmerkelijk-belangaandelenpakket gedurende korte tijd heeft gehouden, terwijl het doel van de kwijtscheldingsregeling is het vergemakkelijken van het voortzetten van een onderneming door de verkrijgers. Aan een erfrechtelijke verkrijging ligt doorgaans in tegenstelling tot een schenking geen keuze ten grondslag. Bij schenking dienen dientengevolge aan de kwijtscheldingsfaciliteit uit een oogpunt van mogelijk oneigenlijk gebruik zwaardere eisen te worden gesteld dan bij erfrechtelijke verkrijging.

Het is de bedoeling dat de aangepaste uitstelregeling en de nieuwe kwijtscheldingsfaciliteit zullen terugwerken tot en met 1 januari 1997. Dit in verband met het feit dat (in het kader van de zogenoemde BTW-terugsluisoperatie) al met ingang van 1996 een bedrag van f 20 mln is uitgetrokken voor een bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Gelet op het feit dat tussen het moment waarop het belastbare feit voor de Successiewet 1956 zich voordoet en het moment waarop successie- of schenkingsrecht daadwerkelijk verschuldigd wordt doorgaans ten minste een klein jaar ligt, kan dan met ingang van 1998 de vermindering van de fiscale lastendruk bij bedrijfsopvolging terstond worden geëffectueerd.

Kennisinfrastructuur (scholingsfaciliteit)

De snelle technologische ontwikkelingen en de toenemende internationale concurrentie waarmee bedrijven en hun werknemers te maken hebben, doen een groeiend beroep op de kennis en vaardigheden van de werknemers in bedrijven. Investeringen in «human capital» zijn essentieel om deze kennis en vaardigheden op peil te houden of te vergroten. Investeringen in «human capital» dragen in belangrijke mate bij aan de kennisintensiteit en de concurrentiekracht van het bedrijfsleven (nota Kennis in Beweging, kamerstukken II 1994/95, 24 229, nr. 1). Daarnaast hebben deze investeringen een belangrijke invloed op de inzetbaarheid van de beroepsbevolking en het op peil houden en vergroten van de ouderenparticipatie. Door repeterende scholing behoudt de werknemer zijn arbeidsmarktwaarde en weerbaarheid. Bij het stijgen van de leeftijd wordt het op peil houden van arbeidskwalificaties steeds belangrijker. In de nota Kennis in Beweging is een aantal voorstellen opgenomen met het oog op het versterken van de initiële opleidingen, waarbij het bevorderen van kennis centraal staat. Het versterken van de scholing tijdens het werken vormt hierop een aanvulling.

De aandacht voor «leren tijdens het werken» is eens te meer noodzakelijk omdat bedrijven in Nederland relatief minder investeren in scholing dan bedrijven in landen als Duitsland, Denemarken , het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten1. Daarnaast is de groei in de scholingsuitgaven van bedrijven in Nederland de laatste jaren aan het afvlakken2 Om scholing tijdens het werken over de volle breedte te stimuleren wordt in dit wetsvoorstel de invoering van een fiscale scholingsfaciliteit voor bedrijven voorgesteld. Deze generieke faciliteit krijgt de vorm van een extra aftrek op de fiscale winst ter grootte van 20% van de scholingskosten. Gezien de relatief lage scholingsinspanning in het midden- en kleinbedrijf is besloten om aan investeringen in scholing door middelgrote en kleine bedrijven een extra stimulans te geven. Indien de scholingskosten niet meer bedragen dan f 250 000 wordt over de eerste f 60 000 kosten een aftrek van 40% verleend. Gelet op het feit dat de scholingsinspanningen daar waar het gaat om oudere werknemers substantieel lager zijn, wordt voorgesteld ter zake van de scholingskosten van personen ouder dan 40 jaar een aanvullende scholingsaftrek van 40% in te voeren. In totaal kan de scholingsaftrek niet meer bedragen dan f 5 mln. Gelet op de met de scholingsaftrek beoogde doelstelling, namelijk verhoging van de investeringen in scholing, zal deze faciliteit ook van toepassing zijn op in het bedrijf zelf verzorgde scholing.

Vermindering onderwijs

In het kader van het beleid gericht op bevordering van werkgelegenheid en vergroting van de arbeidsparticipatie is er specifieke aandacht voor jongeren met een lage opleiding die tot de arbeidsmarkt gaan toetreden. Om het perspectief op arbeidsparticipatie voor deze groep te vergroten heeft het kabinet de fiscale faciliteit (vermindering onderwijs) geïntroduceerd – per 1 januari 1996 – om de lasten voor werkgevers die in het leerlingwezen participeren te verlichten. De vermindering onderwijs bedraagt op jaarbasis f 4500 voor een dienstbetrekking van ten minste 32 uur per week. Een werkgever komt, ongeacht de leeftijd van een leerling, slechts in aanmerking voor de faciliteit voor het leerlingwezen indien de leerling niet meer verdient dan een op 130% van het wettelijke minimumloon (WML) voor volwassenen gebaseerd toetsloon. Krachtens de overgangsregeling (artikel 41 WVA) geldt de 130% WML grens tot met 31 december 1997 niet.

Met de 130% WML grens wordt gegeven het beschikbare budget beoogd een zo groot mogelijk werkgelegenheidseffect te creëren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In de praktijk blijkt dat leerlingen met ploegen- en onregelmatigheidstoeslagen en oudere leerlingen op grond van hun leeftijd en ervaring een loon kunnen verdienen dat meer bedraagt dan het toetsloon van 130% WML. Met name leerlingen die in de proces-, de metaalindustrie en de bouw werkzaam zijn, vallen hierdoor buiten de reikwijdte van de vermindering onderwijs. Gezien het belang van deze sectoren voor de arbeidsmarkt heeft het Kabinet besloten om een tweetal wijzigingen aan te brengen in de huidige vermindering onderwijs. De eerste maatregel houdt in dat het toetsloon van 130% WML niet van toepassing zal zijn voor leerlingen van 25 jaar en ouder. Als tweede maatregel wordt voorgesteld om ploegen -en onregelmatigheidstoeslagen niet mee te rekenen bij het bepalen van de hoogte van het toetsloon.

Vermindering onderwijs voor hbo-verpleegkundigen

De afgelopen jaren laten een afname zien van de instroom in het inservice-onderwijs. Om deze terugloop tot staan te brengen is het gewenst om ook deze duale hoger beroeps onderwijs (hbo)-opleidingen (hbo-v) aantrekkelijker te maken en om hogescholen te stimuleren de duale variant in de gezondheidszorgopleidingen verder tot ontwikkeling te brengen. Een fiscale tegemoetkoming voor de zorginstellingen kan bijdragen tot de instandhouding van het huidige aantal beroepspraktijkvormingsplaatsen voor hbo-v studenten. Hiertoe zal de uitvoeringsregeling afdrachtvermindering op basis van artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen per 1 januari 1998 worden aangepast.

Wijzigingen in de Wet op de omzetbelasting 1968

Voorts zijn in het onderhavige wetsvoorstel twee wijzigingen in de Wet op de omzetbelasting 1968 opgenomen. Het betreft in de eerste plaats de toepassing van het verlaagde BTW-tarief op het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen en dergelijke dagrecreatievoorzieningen.

Overheveling van attractieparken naar het verlaagde BTW-tarief achten wij vooral gewenst vanwege gelijke concurrentieverhoudingen, in binnen- en buitenland. Voor bijvoorbeeld dierentuinen, musea en kermisattracties, geldt reeds het verlaagde tarief. Daarnaast passen veel met ons concurrerende landen op attractieparken een verlaagd BTW-tarief toe. Zo kent Frankrijk met een attractiepark als Disney Paris, dat circa 1,2 miljoen Nederlandse bezoeker per jaar trekt, een BTW-tarief van 5,5% voor attractieparken. Ook in België, dat enkele grote attractieparken heeft, geldt ter zake het verlaagde tarief.

In verband met internationale concurrentie zijn in de attractiesector forse investeringen nodig in hoogwaardige attracties, technologie en veiligheid. Dat is belangrijk voor onze economie (ook via spin-off naar de Nederlandse toeleverende industrie) en de werkgelegenheid. De attractieparksector is een tamelijk arbeidsintensieve bedrijfstak die voor veel banen zorgt, met name voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

De maatregel is op grond van de tariefbepalingen van de zogenoemde Zesde BTW-richtlijn1 toegestaan. Op grond van bijlage H bij die richtlijn, die limitatief opsomt op welke goederen en diensten de lidstaten het verlaagde BTW-tarief kunnen toepassen, is de toepassing van het verlaagde BTW-tarief toegestaan op het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.

Voorts wordt van deze gelegenheid gebruik gemaakt om een technische aanpassing in de bestaande regeling voor toepassing van het verlaagde BTW-tarief op hulpmiddelen voor blinden en slechtzienden te treffen. Gelet op de voortdurende nieuwe technologische ontwikkelingen op dat gebied, wordt voorgesteld een wettelijke voorziening te treffen waardoor het mogelijk wordt in de toekomst desgewenst bij ministeriële regeling hulpmiddelen voor visueel gehandicapten toe te voegen aan de bestaande opsomming van goederen waarop het verlaagde BTW-tarief van toepassing is. Derhalve heeft deze wijziging thans geen budgettair effect.

In het kader van de begrotingsbesprekingen heeft het Kabinet tevens een besluit genomen over de toepassing van het verlaagde BTW-tarief op podiumkunsten. Daarover kan het volgende worden opgemerkt. In het wetsvoorstel terugsluis opbrengst reparatiewetsvoorstel-btw (kamerstukken II 1995/96, 24 428, nr. 2, blz. 2) was voorzien in een aanpassing van Tabel I bij de wet op de omzetbelasting 1968. De voorgestelde aanpassing voorzag in een verlaging van het BTW-tarief van 17,5 procent tot 6 procent voor openbare musea of verzamelingen en enkele daarmee nauw samenhangende prestaties, voor bioscopen, voor sportwedstrijden en voor muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets. De tariefverlaging werd gerealiseerd voor de musea, de bioscopen en de sportsector; voor de laatste categorie -doorgaans aangeduid als podiumkunsten – werd de tariefverlaging op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer afhankelijk gesteld van het tot stand komen van een aantal convenanten met ondernemers in de sector op grond waarvan een deel van het financiële voordeel van de tariefverlaging zou worden teruggesluisd ten behoeve van het gesubsidieerde deel van de sector.

Het wetsvoorstel werd in verband hiermee aangepast en voorzien van een bepaling waardoor de tariefverlaging kan ingaan op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Aangezien het afsluiten van de convenanten niet mogelijk is gebleken, werd vooralsnog afgezien van de verlaging van het BTW-tarief voor de podiumkunsten.

Thans doet zich echter een mogelijkheid voor om het financiële voordeel van een dergelijke tariefverlaging aan te wenden voor het wegnemen van een tweetal knelpunten in de sector podiumkunsten. Het betreft de kosten van de Arbeidstijdenwet en de vergrijzing in de sector die beide een financieel offer van de sector vragen waarvoor langs de weg van de verlaging van het BTW-tarief compensatie kan worden geboden. In dit wetsvoorstel behoeft daarvoor geen specifieke maatregel te worden opgenomen omdat de tariefverlaging, zoals gezegd, kan worden ingevoerd bij koninklijk besluit. Het ligt in het voornemen om de tariefverlaging in te doen gaan op 1 september 1998. Het budgettaire beslag zal daardoor in 1998 f 10 mln bedragen en daarna jaarlijks structureel f 35 mln.

In het onderhavige wetsvoorstel is tevens een goedkeuringsartikel opgenomen voor een maatregel in de sfeer van het BTW-aftrekrecht. Door die maatregel kan een volledige aftrek van voorbelasting worden gerealiseerd terzake van de kosten van outplacement.

Deze maatregel wordt voorgesteld met het oog op de bevordering van de arbeidsmarkt-mobiliteit. Ook worden hierdoor geschillen terzake voor de toekomst vermeden.

Europese aspecten

Een aantal maatregelen in dit wetsvoorstel is aan te merken als staatssteun in de zin van de artikelen 92 en 93 EG. Het betreft de willekeurige afschrijving ten behoeve van Lelystad, kansenzones, R&D-laboratoria en de filmindustrie. Deze maatregelen worden dientengevolge aangemeld bij de Europese Commissie.

III. BUDGETTAIRE EFFECTEN

De budgettaire effecten van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen zijn weergegeven in het onderstaande overzicht (bedragen in mln guldens in de structurele situatie, afgerond op f 5 mln)

Maatregelbudgettaire effecten
Scholingsfaciliteit– 235
Uitbreiding vrijstelling overdrachtsbelasting ten behoeve van land- en tuinbouwstructuur– 10
Uitbreiding regeling willekeurige afschrijving (Lelystad, R&D-laboratoria, ARBO-investeringen, filmindustrie, kansenzones, Nederlandse Antillen en Aruba) en overige maatregelen ter bevordering van investeringen op de Nederlandse Antillen en Aruba (groen beleggen en (energie-)investeringsaftrek– 20
Verhoging budget WVA/S&O– 125
Verruiming afdrachtvermindering onderwijs– 35
Uitbreiding faciliteit successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging– 20
Wijziging uitsluiting aftrek BTW kosten outplacement– 20
Verlaagd BTW-tarief attractieparken en podiumkunsten– 60
Totaal– 525

Met betrekking tot de uitbreiding van de regeling voor willekeurige afschrijving kan volledigheidshalve worden opgemerkt, dat de kosten van deze maatregel in de eerste jaren na invoering van deze maatregel circa f 40 mln hoger liggen.

Met betrekking tot de uitbreiding van de faciliteit voor het successierecht bij bedrijfsopvolging dient te worden vermeld dat voor deze faciliteit in het kader van het BTW-terugsluispakket reeds een bedrag van f 20 mln was gereserveerd. Verder kan worden opgemerkt dat de kosten van deze faciliteit in de eerste jaren na invoering gemiddeld f 10 mln hoger uitkomen. Dit hangt samen met het aflopend budgettair beslag van de uitbreiding van de uitstelregeling. In totaal is met deze faciliteit derhalve een budgettair beslag van f 50 mln gemoeid.

Ten slotte dient te worden vermeld, dat het wetsvoorstel tevens tot een derving aan premies volksverzekeringen leidt van f 85 mln.

IV. UITVOERINGSKOSTEN

De invoering van de scholingsfaciliteit en de willekeurige afschrijving van ARBO-investeringen heeft gevolgen voor de uitvoering. De scholingsfaciliteit heeft een breed spreidingsgebied en vergt een aanzienlijk aantal toetsingen door de Belastingdienst. De meldingen in het kader van de regeling voor ARBO-investeringen brengen eveneens extra werkzaamheden met zich mee. De uitvoeringskosten van deze maatregelen bedragen f 10 mln structureel (automatisering en personeel) en f 0,9 mln incidenteel (kosten van voorlichting e.d.) en worden gefinancierd uit de Aanvullende Post (nader te verdelen).

V. TOELICHTING OP DE ARTIKELEN

Artikel I (Wet op de inkomstenbelasting 1964)

Artikel I, onderdeel A (artikel 10 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)

Dit onderdeel behelst de mogelijkheid om willekeurige afschrijving in te voeren op bedrijfsmiddelen in zogenoemde kansenzones en bedrijfsmiddelen welke leiden tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden. In onderdeel A.1 wordt het derde lid, onderdeel b, aangevuld met het oog op de betrokkenheid van de Minister van Binnenlandse Zaken bij een aanwijzing van bedrijfsmiddelen in zogenoemde kansenzones. In onderdeel A.2 is een bevoegdheid opgenomen om bij ministeriële regeling bedrijfsmiddelen welke leiden tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden aan te wijzen. Onderdeel A.3 bevat een technische wijziging. De in onderdeel A.4 en A.6 opgenomen wijzigingen van het vierde en tiende lid leiden ertoe dat deze leden ook van toepassing zullen zijn op bedrijfsmiddelen in zogenoemde kansenzones en bedrijfsmiddelen welke leiden tot de verbetering van de arbeidsomstandigheden. De in onderdeel A.5 en A.7 opgenomen wijzigingen van het vierde, negende, tiende en elfde lid bewerkstelligen dat deze leden ook van toepassing zullen zijn op bedrijfsmiddelen die leiden tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden.

Artikel I, onderdeel B (artikel 11c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)

De in onderdeel B voorgestelde wijziging heeft betrekking op de invoering van de scholingsaftrek.

In het eerste lid van het voorgestelde artikel 11c wordt aangegeven dat om in aanmerking te komen voor de scholingsaftrek, de belastingplichtige een verzoek bij de aangifte moet indienen. De scholingsaftrek kan uitsluitend worden toegekend ter zake van de kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen. Het kan hierbij gaan om werknemers, de ondernemer en diens meewerkende echtgenoot. De scholingsaftrek houdt in dat naast de gebruikelijke aftrek van kosten, er een extra bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht.

In het tweede lid wordt de hoogte van de scholingsaftrek geregeld. Uitgangspunt is een aftrek ter grootte van 20 percent van de scholingskosten. Indien de scholingskosten niet uitkomen boven de f 250 000 wordt over een bedrag van ten hoogste f 60 000 echter een aftrek van 40 percent verleend. De scholingsaftrek wordt verhoogd voorzover de kosten van scholing betrekking hebben op personen ouder dan 40 jaar. Deze verhoging bedraagt 40 percent van de kosten en lasten van scholing van deze personen. In totaal kan de scholingsaftrek niet meer dan f 5 000 000 bedragen.

Ter illustratie volgen enkele voorbeelden.

Voorbeeld 1. De scholingskosten in een kalenderjaar bedragen f 30 000 waarvan f 2000 betrekking heeft op personen ouder dan 40 jaar. In dit geval bedraagt de scholingsaftrek 40% van f 30 000 plus 40% van f 2000. Er komt derhalve in dat kalenderjaar f 12 800 extra in aftrek op de winst.

Voorbeeld 2. De scholingskosten in een kalenderjaar bedragen f 230 000 waarvan f 30 000 betrekking heeft op personen ouder dan 40 jaar. De scholingsaftrek bedraagt 40% van f 60 000 plus 20% van f 170 000 plus 40% van f 30 000. Er komt derhalve in dat kalenderjaar f 70 000 extra in aftrek op de winst.

Voorbeeld 3. De scholingskosten in een kalenderjaar bedragen f 400 000 waarvan f 50 000 betrekking heeft op personen ouder dan 40 jaar. De scholingsaftrek bedraagt 20% van f 400 000 plus 40% van f 50 000. Er komt derhalve in dat kalenderjaar f 100 000 extra in aftrek op de winst.

In het derde lid wordt het begrip scholing gedefinieerd als cursussen alsmede opleidingen of studies voor een beroep. Beide begrippen komen reeds voor in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het begrip cursussen komt voor in artikel 36, tweede lid, onderdeel g. Met de term cursussen wordt gedoeld op vakcursussen en bedrijfsopleidingen. Het gaat hierbij niet alleen om opleidingen die binnen het eigen bedrijf van nut zijn. De formulering ziet niet tevens op reis- en verblijfkosten, zodat deze van de scholingsaftrek zijn uitgesloten. Het begrip opleiding of studies voor een beroep komt voor in artikel 46, eerste lid, onderdeel c. Uit de definitie vloeit voort dat congressen, seminars, excursies, studiereizen en dergelijke van de scholingsaftrek zijn uitgesloten. Ter voorkoming van misverstand wordt erop gewezen dat de kosten wegens gederfde arbeidstijd niet tot de scholingskosten kunnen worden gerekend.

Bij cursussen, opleidingen of studies die binnen de onderneming worden verzorgd, zal vaak moeilijker zijn vast te stellen wat de kosten en lasten daarvan zijn, dan bij cursussen die door derden worden gegeven. Daarom is in het vierde lid opgenomen dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de aan scholing toe te rekenen kosten van door de belastingplichtige zelf verzorgde scholing en van de verdeling daarvan over personen tot en met 40 jaar respectievelijk ouder dan 40 jaar.

De in het vijfde lid opgenomen mogelijkheid de percentages van de scholingsaftrek bij ministeriële regeling aan te passen is uitdrukkelijk bedoeld om zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de scholingsaftrek en het daarvoor bedoelde budget. Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing; dit houdt in dat een wijziging van de percentages van de scholingsaftrek via een goedkeuringswet wordt voorgelegd aan het parlement. Doordat de scholingsfaciliteit in de aangifte tot uitdrukking komt, zullen schommelingen in het gebruik van de faciliteit met vertraging doorwerken in de faciliteitspercentages.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is de faciliteit ook van toepassing voor de heffing van vennootschapsbelasting.

Artikel I, onderdeel C (artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)

Artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bevat een bepaling die de jaarlijkse aanpassing van een aantal bedragen in die wet met een prijsindexcijfer regelt. Met de wijziging van deze bepaling worden ook de in artikel 11c, tweede lid, eerste volzin, opgenomen bedragen jaarlijks aangepast.

Artikel I, onderdeel D (artikel 68b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)

De in onderdeel D voorgestelde wijziging heeft betrekking op het van overeenkomstige toepassing verklaren van de willekeurige afschrijving, investeringsaftrek, de energie-investeringsaftrek en de groenregeling op investeringen in de Nederlandse Antillen en Aruba.

Het eerste lid van artikel 68b biedt de bevoegdheid om willekeurige afschrijving toe te staan op bij ministeriële regeling aangewezen nieuwe gebouwen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba. Deze bevoegdheid is beperkt tot nieuwe gebouwen, omdat daarmee wordt gewaarborgd dat de faciliteit uitsluitend van toepassing is op investeringen die niet verplaatsbaar zijn. Bij ministeriële regeling zullen de nieuwe gebouwen worden aangewezen die onder de regeling vallen. Daarbij zullen voorzover mogelijk de bepalingen die zijn opgenomen in artikel 13 tot en met 15 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving worden overgenomen. Wel zal bij deze ministeriële regeling de eis dat het moet gaan om nieuwe gebouwen waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten van tenminste f 5 000 000 bedragen naar beneden worden bijgesteld. Evenals bij de willekeurige afschrijving op nieuwe gebouwen in aangewezen Nederlandse gemeenten, zal op grond van artikel 10, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de willekeurige afschrijving op nieuwe gebouwen in de Nederlandse Antillen of Aruba worden beperkt tot ten hoogste 50% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten.

Op grond van artikel 11, vijfde lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is toepassing van de investeringsaftrek en de energie-investeringsaftrek uitgesloten voor investeringen die bestemd zijn te worden gebruikt in een buitenlandse vaste inrichting. Het tweede lid van artikel 68b maakt op deze uitsluiting een uitzondering voor investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is op de Nederlandse Antillen of Aruba. Zonder nadere voorziening zou dit betekenen dat voor investeringen op de Nederlandse Antillen en Aruba dezelfde faciliteit zou gelden als voor investeringen in Nederland. Dit zou betekenen dat het bedrag van de investeringen in de Nederlandse Antillen en Aruba zou moeten worden opgeteld bij het bedrag aan de investeringen in Nederland, waarna met behulp van de tabellen die zijn opgenomen in artikel 11, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de investeringsaftrek dan wel de energie-investeringsaftrek berekend zou kunnen worden voor dit gezamenlijke bedrag. Omdat de investeringsaftrek bedoeld is om kleinschalige investeringen te bevorderen kennen de tabellen bij een oplopend bedrag aan investeringen een aflopend percentage. Dit zou betekenen dat bij een additionele investering in de Nederlandse Antillen of Aruba in het algemeen een lager percentage van toepassing zou zijn. Om dit effect te voorkomen, is in artikel 68b, tweede lid, opgenomen dat de tabellen die zijn opgenomen in artikel 11, tweede lid, afzonderlijk worden toegepast op de investeringen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba.

In het navolgende cijfervoorbeeld wordt de toepassing van de investeringsaftrek nader toegelicht. In een bepaald jaar wordt door een belastingplichtige voor f 100 000 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen in Nederland. Daarnaast investeert hij voor f 50 000 in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is op de Nederlandse Antillen of Aruba. Zonder nadere voorziening zou de tabel dienen te worden toegepast op het totaal bedrag aan investeringen. Bij een bedrag van f 150 000 geldt in 1997 een percentage van 19%, zodat de investeringsaftrek f 28 500 bedraagt. In het voorstel wordt de tabel echter afzonderlijk toegepast op investeringen in de Antillen of Aruba. Voor de bedrijfsmiddelen in Nederland geldt dan een percentage van 21%, zodat de investeringsaftrek f 21 000 bedraagt. Voor de bedrijfsmiddelen in de Nederlandse Antillen of Aruba geldt een percentage van 24%, zodat hiervoor de investeringsaftrek f 12 000 bedraagt. De totale investeringsaftrek bedraagt derhalve f 33 000.

Het derde lid regelt expliciet dat het raamwerk van de in artikel 26 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 neergelegde fiscale groenregeling van overeenkomstige toepassing wordt verklaard voor groenprojecten die zijn gelegen op de Nederlandse Antillen of Aruba. Deze wijziging van de fiscale groenregeling wordt in dit lid aldus vormgegeven dat de Minister van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij schriftelijk kan verklaren dat bepaalde projecten op de Nederlandse Antillen of Aruba als een zogenoemd groenproject kunnen worden aangemerkt. Gelet op het feit dat de specifieke omstandigheden op de Nederlandse Antillen en Aruba niet in alle opzichten vergelijkbaar zijn met de in Nederland geldende omstandigheden – te denken valt aan de technologische ontwikkeling en aan klimatologische en planologische omstandigheden – biedt dit lid, in combinatie met het vierde lid, de mogelijkheid om in een ministeriële regeling een afzonderlijke, specifiek op de Nederlandse Antillen en Aruba betrekking hebbende lijst met projecten op te nemen waarvoor een zogenoemde groenverklaring kan worden afgegeven. Het is dus niet de bedoeling dat de thans in artikel 2 van de Regeling opgenomen opsomming van projecten die in Nederland als groenproject kunnen worden aangemerkt op de Nederlandse Antillen of Aruba ook zonder meer als groenproject zullen worden aangemerkt; ten behoeve van de Nederlandse Antillen en Aruba zal een afzonderlijke lijst van projecten worden opgesteld die voor een groenverklaring in aanmerking kunnen komen.

Belangrijke voorwaarde bij het afgeven van een groenverklaring voor een op de Nederlandse Antillen of Aruba gelegen project is dat gedurende de looptijd van het project adequate controle mogelijk dient te zijn op de omstandigheid of het project conform de aanvraag ten uitvoer wordt gebracht. In het vierde lid is in verband daarmee de bevoegdheid opgenomen om met betrekking tot de controle in een ministeriële regeling nadere voorwaarden te stellen.

Gelet op het feit dat met deze uitbreiding van de fiscale groenregeling wordt beoogd om nieuwe, additionele investeringen in groenprojecten te stimuleren, wordt in het derde lid voorts uitdrukkelijk vastgelegd dat projecten die voor 1 januari 1998 reeds als groenproject zouden zijn aangemerkt of projecten die waarvoor de werkzaamheden voor die datum reeds een aanvang hebben genomen, niet voor aanwijzing als groenproject in aanmerking kunnen komen.

Met betrekking tot de algemene opzet van de regeling groen beleggen moge ik verwijzen naar kamerstukken II, nr. 23 197.

In het vierde lid is opgenomen dat bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld en dat de controle op de naleving van de voorwaarden zal worden opgedragen aan Nederlandse ambtenaren.

In het vijfde lid wordt geregeld dat voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting bedoeld in artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk de winst die is toe te rekenen aan de vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba berekend wordt zonder inachtneming van het eerste en het tweede lid. Dit heeft tot doel te voorkomen dat de gevolgen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 68b teniet worden gedaan bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting als bedoeld in artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de voorwaarden voor inwerkingtreding van artikel 68b, die zijn opgenomen in het in artikel V genoemde protocol.

Zonder nadere regeling zou de toepassing van de investeringsfaciliteiten ertoe leiden dat deze in mindering zouden moeten worden gebracht op het bedrag van het buitenlandse inkomen waarvoor op de voet van artikel 24 voorkoming wordt verleend. Nu deze faciliteiten tevens de generale winst van de vennootschap verminderen, zou dit betekenen dat voor een lager bedrag voorkoming wordt gegeven. Teneinde dit effect te voorkomen bepaalt het vijfde lid dat bij de berekening van de vrijstellingswinst geen rekening dient te worden gehouden met de toepassing van deze faciliteiten. Eenzelfde benadering wordt gevolgd bij de eventuele terugname van de faciliteiten (de desinvesteringsbijtelling). Zonder nadere regeling zou het bedrag aan winst dat de vaste inrichting in het jaar waarin de desinvesteringsbijtelling plaatsvindt zou genieten worden verhoogd met deze bijtelling waardoor in dat jaar een te hoog bedrag aan voorkoming zou worden gegeven. De werking van het vijfde lid kan worden toegelicht aan de hand van de volgende voorbeelden:

Voorbeeld 1: investeringsaftrek

Nederlandse winst 100

winst uit vaste inrichting (v.i.) 50

investeringsaftrek op bedrijfsmiddel v.i. – 10

wereldwinst 140

De vennootschapsbelasting over de wereldwinst bedraagt 49 (35% van 140). Zonder toepassing van het vijfde lid zou ingevolge artikel 24 terzake van de winst uit vaste inrichting een aftrek elders belast ter grootte van (50 -/- 10): 140 x 49 = 14 worden verleend. De aanslag vennootschapsbelasting bedraagt in dat geval 49 -/- 14 = 35. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat zonder toepassing van de investeringsaftrek op het bedrijfsmiddel van de vaste inrichting verschuldigd is.

Door ingevolge het vijfde lid de investeringsaftrek buiten beschouwing te laten bij de berekening van de winst uit vaste inrichting komt deze aftrek tot uitdrukking in de hoogte van de aanslag:

Nederlandse winst 100

winst uit vaste inrichting (v.i.) 50

investeringsaftrek op bedrijfsmiddel v.i. – 10

wereldwinst 140

vennootschapsbelasting wereldwinst (35% van 140) 49

aftrek elders belast 50:140 x 49 17,5

aanslag vennootschapsbelasting 31,5

Het verschil tussen de aanslag zonder toepassing van het vijfde lid en de aanslag met toepassing van het vijfde lid (35 -/- 31,5 = 3,5) is gelijk aan de vennootschapsbelasting over het bedrag van de investeringsaftrek (35% van 10 = 3,5%).

Voorbeeld 2: desinvesteringsbijtelling

Nederlandse winst 100

winst uit vaste inrichting (v.i.) 50

desinvesteringsbijtelling bedrijfsmiddel v.i. + 10

wereldwinst 160

De vennootschapsbelasting over de wereldwinst bedraagt 56 (35% van 160). Zonder toepassing van het vijfde lid zou ingevolge artikel 24 terzake van de winst uit vaste inrichting een aftrek elders belast ter grootte van (50 + 10): 160 x 56 = 21 worden verleend. De aanslag vennootschapsbelasting bedraagt in dat geval 56 -/- 21 = 35. In dat geval wordt de bijtelling dus teniet gedaan door een hogere aftrek elders belast.

Door ingevolge het vijfde lid de desinvesteringsbijtelling buiten beschouwing te laten bij de berekening van de winst uit vaste inrichting komt deze bijtelling wel tot uitdrukking in de hoogte van de aanslag:

Nederlandse winst 100

winst uit vaste inrichting (v.i.) 50

desinvesteringsbijtelling bedrijfsmiddel v.i. + 10

wereldwinst 160

vennootschapsbelasting wereldwinst (35% van 160) 56

aftrek elders belast 50:160 x 56 17,5

aanslag vennootschapsbelasting 38,5

Ook hier is het verschil tussen de aanslag zonder toepassing van het vijfde lid en de aanslag met toepassing van het vijfde lid (38,5 -/- 35 = 3,5) uiteraard gelijk aan de vennootschapsbelasting over het bedrag van de desinvesteringsbijtelling (35% van 10 = 3,5).

Voorbeeld 3: willekeurige afschrijving

Ook voor de willekeurige afschrijving geldt dat deze ingevolge het vijfde lid buiten beschouwing wordt gelaten bij de berekening van de winst uit vaste inrichting in het kader van artikel 24. Voor de winst uit vaste inrichting moet dus worden uitgegaan van de historische kostprijs verminderd met de normale afschrijvingen. Dit betekent dat de afschrijvingen voor de berekening van de winst uit vaste inrichting en de wereldwinst uiteen gaan lopen:

jaar 1

Stel: aanschaf bedrijfsmiddel van 100. Jaarlijks afschrijving is 10%. Vervroegde afschrijving is 50

Nederlandse winst (voor afschrijving) 100

winst uit vaste inrichting (voor afschrijving) 100

vervroegde afschrijving – 50

wereldwinst 150

vennootschapsbelasting wereldwinst (35% van 150) 52,5

aftrek elders belast (100 -/- 10):150 x 52,5 – 31,5

aanslag vennootschapsbelasting 21

jaar 2

De afschrijving op de winst uit vaste inrichting blijft 10 (10% van 100). De afschrijving op de wereldwinst bedraagt 5 (10% van (100 -/- 50))

Nederlandse winst (voor afschrijving) 100

winst uit vaste inrichting (voor afschrijving) 100

afschrijving  – 5

wereldwinst 195

vennootschapsbelasting wereldwinst (35% van 195) 68,25

aftrek elders belast (100 -/- 10):195 x 68,25 – 31,50

aanslag vennootschapsbelasting 36,75

Artikel II (artikel 15, eerste lid, onderdelen v en w, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

In dit artikel worden in artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (BRV) twee vrijstellingen van overdrachtsbelasting bij verkrijging van landerijen opgenomen. De vrijstellingen zien op het verkrijgen van landerijen in het kader van de Landinrichtingswet (artikel 15, eerste lid, onderdeel v, BRV) respectievelijk in het kader van bedrijfsstructuur in de glastuinbouw (artikel 15, eerste lid, onderdeel w, BRV).

Op grond van de Landinrichtingswet wordt voor een gebied waarvoor herinrichting dan wel ruilverkaveling wordt voorbereid, een landinrichtingsplan vastgesteld. Verkrijgingen binnen een dergelijk gebied krachtens de Landinrichtingswet zijn reeds vrijgesteld op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel l, BRV. Het voorgestelde artikel 15, eerste lid, onderdeel v, BRV voorziet in een vrijstelling van overdrachtsbelasting bij verkrijging van landerijen die zelf weliswaar niet in een zodanig gebied liggen, maar waarbij de verkrijger landerijen afstaat waarvoor dat wel het geval is.

Het nieuwe onderdeel w van artikel 15, eerste lid, BRV bevat een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de glastuinbouwer die landerijen verkrijgt waarop hij zijn bedrijf voortzet onder voorwaarde dat de landerijen die hij afstaat worden verkregen door een glastuinder die daardoor bijdraagt aan een verbetering van de structuur van zijn eigen bedrijf. De vrijstelling zal slechts van toepassing zijn in door mij, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, aan te wijzen gevallen onder daarbij te stellen voorwaarden.

De vrijstelling zal in ieder geval slechts van toepassing zijn indien de landerijen die worden afgestaan, worden verkregen door een glastuinbouwer met toepassing van de reeds bestaande vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q, BRV (structuurverbetering). Overigens zal aan genoemd onderdeel q bij algemene maatregel van bestuur een nadere uitwerking worden gegeven. Dit betekent dat van structuurverbetering sprake zal zijn als de verkregen landerijen – andere dan ten behoeve van de glastuinbouw – niet meer dan tien kilometer afliggen van reeds in bezit zijnde landerijen.

Artikel III (Invorderingswet 1990)

Artikel III, onderdeel A (artikel 24, achtste lid, van de Invorderingswet 1990)

In dit onderdeel wordt geregeld dat verrekening niet mogelijk is met betrekking tot het bedrag aan successie- of schenkingsrecht waarvoor uitstel van betaling is verleend krachtens artikel 25, negende lid, of artikel 26, negende lid, van de Invorderingswet 1990, tenzij de belastingschuldige de ontvanger verzoekt te verrekenen. Het strookt niet met de aard van de uitstelregelingen van deze artikelen dat zou kunnen worden verrekend op initiatief van de ontvanger. Verwezen zij naar de toelichting op artikel III, onderdeel B en onderdeel C.

Voorts wordt om dezelfde reden geregeld dat verrekening niet mogelijk is met betrekking tot bedragen aan inkomstenbelasting ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen in geval van emigratie van de aanmerkelijk-belanghouder respectievelijk in geval van vervreemding in de familiesfeer waarvoor uitstel van betaling is verleend krachtens artikel 25, zesde lid, respectievelijk artikel 25, zevende lid, van de Invorderingswet 1990. Hiermee wordt ook voor deze gevallen (conserverende aanslagen c.q. uitstel van betaling met rente) – met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1997 – vastgelegd dat verrekening niet mogelijk is.

Artikel III, onderdeel B (artikel 25 van de Invorderingswet 1990)

In dit onderdeel wordt een maatregel voorgesteld op grond waarvan uitstel van betaling kan worden verleend van successie- en schenkingsrecht bij de verkrijging van ondernemingsvermogen en aandelen, winstbewijzen en koopopties die tot een aanmerkelijk belang behoren. Op dit moment bestaat reeds een dergelijke regeling, die is neergelegd in artikel 25, derde lid, van de Invorderingswet 1990 in combinatie met de artikelen 2 tot en met 5 van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990. Met de nu voorgestelde bepalingen wordt een aantal belangrijke elementen van de regeling die nu in het uitvoeringsbesluit zijn geregeld, in de wet opgenomen en daarbij zodanig aangepast dat deze aansluiten bij de voorgestelde bepalingen op basis waarvan kwijtschelding van successie- en schenkingsrecht kan worden verleend (zie hierna onderdeel C). Een verdere uitwerking, waaronder de in het algemene deel van deze memorie geschetste verruiming van de uitstelregeling, zal geschieden bij ministeriële regeling.

Het negende lid bevat de kern van de regeling op grond waarvan, gedurende ten hoogste tien jaren, geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling kan worden verleend voor belastingaanslagen in de rechten van successie of schenking. Het uitstel kan worden verleend voorzover die rechten kunnen worden toegerekend aan de verkrijging van de in dit lid genoemde vermogensbestanddelen. De wijze waarop de toerekening van de belasting aan het verkregen ondernemingsvermogen en het overige verkregen vermogen zal plaatsvinden, zal worden uitgewerkt bij ministeriële regeling. Voor de afbakening van de genoemde vermogensbestanddelen is aansluiting gezocht bij begrippen uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). Allereerst gaat het daarbij om vermogen van een onderneming als bedoeld in artikel 6 van de Wet IB van de erflater of schenker voorzover dat vermogen gaat behoren tot een onderneming van de belastingschuldige (onderdeel a). Daarnaast betreft het aandelen, winstbewijzen en koopopties met betrekking tot aandelen en winstbewijzen die behoorden tot een aanmerkelijk belang van de erflater of schenker in de zin van artikel 20a van de Wet IB (hierna: aanmerkelijk-belangaandelen) en aansluitend zijn gaan behoren tot een aanmerkelijk belang van de belastingschuldige (onderdeel b). De regeling is niet van toepassing in gevallen waarin, op grond van het bepaalde in de artikelen 20d tot en met 20g van de Wet IB, slechts een zogenoemd fictief aanmerkelijk belang aanwezig is. Uitstel van betaling wordt niet verleend voor rechten die zijn toe te rekenen aan de verkrijging van aandelen in een beleggingsinstelling en een beleggingsmaatschappij. Evenals in de bestaande regeling kan op grond van de voorgestelde maatregel uitstel van betaling worden verleend indien de verschuldigde rechten zijn toe te rekenen aan een vordering van de belastingschuldige op een medeverkrijger die direct gerelateerd is aan de verkrijging door deze laatste van ondernemingsvermogen of aanmerkelijk-belangaandelen (onderdeel c). Dergelijke vorderingen kunnen voortvloeien uit het testament van de erflater, bijvoorbeeld in het kader van een ouderlijke boedelverdeling of bij legaten. Bij ministeriële regeling zal worden bepaald dat, evenals in de bestaande regeling, het uitstel van betaling kan worden voortgezet of kan worden verleend indien in het kader van de verdeling van de nalatenschap ondernemingsvermogen of aanmerkelijk-belangaandelen worden toegescheiden aan een mede-erfgenaam die de onderneming voortzet of het aanmerkelijk belang continueert, terwijl de belastingschuldige vanwege die toescheiding op deze mede-erfgenaam een vordering krijgt.

Bij de verkrijging van aanmerkelijk-belangaandelen kan zich het geval voordoen dat het vermogen van de betreffende vennootschap voor een deel bestaat uit – onmiddellijk of middellijk – door die vennootschap gehouden beleggingen die niet dienstbaar zijn aan de onderneming van die vennootschap. Het voorstel, opgenomen in het tiende lid, is dat de uitstelregeling zich niet meer mede uitstrekt tot de rechten die verschuldigd zijn over dat deel van de waarde van de aandelen dat kan worden toegerekend aan de genoemde beleggingen. De ratio van de regeling, die beoogt de overgang van een onderneming te vergemakkelijken, noopt er niet toe dat de regeling zich mede uitstrekt tot vrije beleggingen. Bovendien kunnen dergelijke beleggingen bij ondernemingen van natuurlijke personen niet tot het ondernemingsvermogen worden gerekend zodat de vraag van een ongelijke behandeling opkomt. Daarom wordt de fictie van artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die inhoudt dat een vennootschap geacht wordt haar onderneming te drijven met behulp van haar gehele vermogen, niet gevolgd, maar wordt aangesloten bij het regime dat in de vennootschapsbelasting onder meer voor stichtingen geldt. Hiermee wordt bereikt dat voor de toepassing van de uitstelregeling alleen dat deel van de waarde van de aandelen in aanmerking wordt genomen dat is toe te rekenen aan het deel van het vermogen waarmee de vennootschap haar onderneming drijft.

Artikel III, onderdeel C (artikel 26 van de Invorderingswet 1990)

De voorgestelde nieuwe leden drie tot en met negen van artikel 26 bevatten tezamen de belangrijkste elementen van een regeling op grond waarvan, op verzoek van de belastingschuldige, kwijtschelding wordt verleend van (een gedeelte van) het successie- en schenkingsrecht ter zake van ondernemingsvermogen. Een nadere technische uitwerking zal worden opgenomen in een ministeriële regeling.

In het voorgestelde derde lid is bepaald van welke rechten kwijtschelding kan worden verleend. Het gaat daarbij om rechten van successie of schenking voorzover die rechten kunnen worden toegerekend aan de verkrijging van ondernemingsvermogen en aanmerkelijk-belangaandelen. De omschrijving van deze vermogensbestanddelen is gelijkluidend aan die welke in het voorgestelde artikel 25, negende lid, onderdelen a en b, wordt gehanteerd met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling. Het derde lid bevat geen pendant van het voorgestelde artikel 25, negende lid, onderdeel c. Dit betekent dat geen kwijtschelding wordt verleend van rechten die kunnen worden toegerekend aan een verkregen vordering op een medeverkrijger ter zake van door deze medeverkrijger verkregen ondernemingsvermogen. Er bestaat immers geen aanleiding om kwijtschelding van recht te verlenen aan iemand die uit de nalatenschap uiteindelijk slechts een bedrag aan geld ontvangt. Bovendien zou het verlenen van kwijtschelding van recht dat kan worden toegerekend aan de genoemde vorderingen ertoe leiden dat de facto tweemaal kwijtschelding wordt verleend ter zake van hetzelfde ondernemingsvermogen of dezelfde aandelen. Degene die het ondernemingsvermogen of de aandelen waarop de vordering betrekking heeft uit de nalatenschap heeft verkregen komt immers reeds voor de kwijtscheldingsregeling in aanmerking ter zake van de daarover verschuldigde rechten.

In het vierde lid, onderdeel a, is bepaald tot welk bedrag kwijtschelding wordt verleend bij de verkrijging van ondernemingsvermogen. Zoals in het algemene deel van deze memorie uiteen is gezet, is dit bedrag opgebouwd uit twee componenten. Allereerst wordt kwijtgescholden de belasting die kan worden toegerekend aan de waarde van quota, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard, voorzover de waarde daarvan is begrepen in de waarde van het verkregen ondernemingsvermogen. Voorts wordt 25 percent van de belasting kwijtgescholden die kan worden toegerekend aan de rest van het ondernemingsvermogen. De wijze waarop de toerekening van de belasting aan het verkregen ondernemingsvermogen en het overige verkregen vermogen zal plaatsvinden, zal worden uitgewerkt bij ministeriële regeling. Het vierde lid, onderdeel b, ziet op de verkrijging van aanmerkelijk-belangaandelen. In deze gevallen wordt het bedrag van de kwijtschelding bepaald door de in onderdeel a genoemde berekeningswijze op overeenkomstige wijze toe te passen op het onmiddellijk of middellijk aan de betreffende vennootschap toebehorende vermogen. Daarbij blijven, door de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 25, tiende lid, door die vennootschap gehouden beleggingen die niet dienstbaar zijn aan de onderneming van die vennootschap buiten aanmerking.

Ter illustratie volgt hierna een voorbeeld van hoe de in onderdeel b bedoelde berekening in zijn werk gaat. Door Z wordt verkregen 100% van de aandelen in een besloten vennootschap die een visserijbedrijf exploiteert. De waarde van dit pakket wordt gesteld op f 10 mln. Tot het vermogen van de vennootschap behoort een vangstcontingent waarvan de waarde ten behoeve van de aandelenwaardering is gesteld op f 4 mln. Tot het vermogen van de vennootschap behoren geen beleggingen. Kwijtschelding wordt verleend van de belasting die kan worden toegerekend aan som van:

I. de waarde van het vangstcontingent: f 4 mln (de overeenkomstige toepassing van het vierde lid, onderdeel a, 1°), en

II., met overeenkomstige toepassing van onderdeel a, 2°, 25% van de waarde van het vermogen van de vennootschap nadat die waarde is verminderd met de daarin begrepen waarde van het vangstcontingent: 25% van (f 10 mln – f 4 mln) = f 1,5 mln. In totaal derhalve f 5,5 mln. Van de totaal verschuldigde belasting kan het deel dat kan worden toegerekend aan de hiervoor berekende f 5,5 mln worden kwijtgescholden, indien ook overigens aan de voorwaarden is voldaan.

De wijze waarop de berekening van het deel van de verschuldigde belasting dat kan worden toegerekend aan dit bedrag zal geschieden, zal worden neergelegd in een ministeriële regeling. In grote lijnen zal deze toerekening als volgt in zijn werk gaan.

Stel dat de verkrijgingsprijs van de aandelen voor de erflater f 2 mln bedroeg en dat deze verkrijgingsprijs, met toepassing van artikel 20a, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, tevens geldt voor de erfgenaam. Op de verkrijging van de aandelen ter waarde van 10 mln kan dan, met toepassing van artikel 20, vijfde en zesde lid, van de Successiewet 1956, wegens latente inkomstenbelasting een bedrag van 6,25% van (10 mln – 2 mln) = 0,5 mln in mindering worden gebracht. De aanslag successierecht is derhalve berekend uitgaande van een verkrijging van 9,5 mln. Voor de toepassing van de kwijtscheldingsregeling wordt een fictieve verkrijging berekend, waarbij wordt aangenomen dat voor het met toepassing van artikel 26, vierde lid, berekende deel van de verkrijging, in het voorbeeld 5,5 mln, een vrijstelling van toepassing zou zijn geweest. De aanname dat voor het bedrag van 5,5 mln een vrijstelling geldt, brengt met zich dat ter zake van dit deel van de verkrijging geen aftrek wegens latente inkomenbelasting meer in aanmerking wordt genomen. De latente belasting die in mindering kan worden gebracht wordt gevonden door de latente inkomstenbelasting die bij de berekening van de aanslag in aanmerking is genomen te vermenigvuldigen met, in het geval van het voorbeeld, 4,5/10. De fictieve verkrijging bedraagt derhalve:

Waarde aandelen: 10 mln

Af: Vermindering wegens latente inkomstenbelasting: (4,5/10) x 0,5 0,225 mln

Af: Met toepassing van artikel 26, vierde lid, berekend bedrag   5,5 mln

Fictieve verkrijging 4 275 mln

Het verschil tussen het successierecht dat verschuldigd is ter zake van de verkrijging van 9,5 mln en het successierecht dat verschuldigd zou zijn ter zake van de hiervoor berekende fictieve verkrijging van 4,275 mln, komt, als ook aan de overige voorwaarden is voldaan, voor voorwaardelijke kwijtschelding in aanmerking.

De leden vijf tot en met zeven bevatten bepalingen die ertoe strekken dat de regeling slechts toepassing vindt in gevallen waarin er sprake is van een reële bedrijfsopvolging. Van een reële bedrijfsopvolging is alleen sprake indien de onderneming door de verkrijger daadwerkelijk gedurende een redelijke termijn wordt voortgezet dan wel de aandelen gedurende een redelijke termijn in zijn bezit blijven. In het voorgestelde zesde lid is deze termijn voor het successierecht gesteld op vijf jaren.

Voor het verlenen van kwijtschelding van schenkingsrecht wordt een zwaardere eis gesteld omdat daarbij een gevaar bestaat voor oneigenlijk gebruik van de regeling. Dit zou er bijvoorbeeld in kunnen bestaan dat een ouder aanmerkelijk-belangaandelen aan zijn kinderen schenkt en vervolgens nog tijdens zijn leven, maar nadat de termijn waarbinnen de geschonken aandelen niet mogen worden vervreemd, de door de rechtspersoon gedreven onderneming staakt en vervolgens de rechtspersoon liquideert. In dat geval heeft toepassing van de regeling uitsluitend geleid tot besparing van schenkingsrecht – en vermijding van successierecht – zonder dat een bijdrage is geleverd aan de continuïteit van de onderneming. Met het oog hierop is in het zesde lid de voortzettingstermijn voor het verlenen van kwijtschelding van schenkingsrecht gesteld op tien jaren. Indien de schenker gedurende deze termijn komt te overlijden eindigt de termijn uiterlijk vijf jaar na dat overlijden. Indien de voorwaardelijke kwijtschelding (mede) betrekking heeft op een koopoptie treden, indien die optie gedurende de van toepassing zijnde termijn wordt uitgeoefend, de door die uitoefening verworven aandelen in de plaats van de optie en moeten die aandelen gedurende de nog resterende duur van de termijn door de belastingschuldige worden behouden.

Bij ministeriële regeling zal worden bepaald dat, onder daarbij te stellen voorwaarden, de onderneming tijdens de voortzettingstermijn in een besloten vennootschap kan worden ingebracht zonder dat daardoor het recht op kwijtschelding komt te vervallen.

Ter voorkoming van oneigenlijk gebruik in geval van schenking is voorts bepaald dat de onderneming voorafgaand aan de schenking gedurende enige tijd voor rekening van de schenker is gedreven dan wel dat gedurende een dergelijke termijn de aandelen voor hem tot een aanmerkelijk belang hebben behoord of, voorzover het gaat om de periode voor 1 januari 1997, zou hebben behoord indien in die periode het nu geldende aanmerkelijk-belangregime reeds van toepassing zou zijn geweest. Deze termijn wordt in het vijfde lid gesteld op vijf jaren. Daarnaast is wenselijk dat een schenking alleen wordt gefacilieerd in gevallen waarin het maatschappelijk aanvaard is dat een onderneming aan een opvolger wordt overgedragen. Daarom wordt de eis gesteld dat de schenker op het tijdstip van de schenking ten minste 55 jaar oud dient te zijn dan wel voor 45 percent of meer arbeidsongeschikt in de zin van artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Een gelijkluidende eis wordt gesteld in de zogenoemde doorschuifregeling van artikel 17 van die wet.

Het zevende lid bevat een regeling voor gevallen waarin de nalatenschap waarvan het ondernemingsvermogen of de aandelen deel uitmaken op het moment dat de aanslag wordt opgelegd nog niet of slechts partieel is verdeeld en het ondernemingsvermogen of de aandelen eerst daarna aan een of meer van de erfgenamen worden toegescheiden. In eerste instantie kan aan ieder van de erfgenamen (voorwaardelijke, zie de toelichting op het negende lid) kwijtschelding van recht worden verleend naar rato van zijn aandeel in de nalatenschap mits zij ook overigens aan de eisen voldoen. Degene die bij de verdeling van de nalatenschap een groter deel van het ondernemingsvermogen of de aandelen krijgt toegescheiden dan overeenkomt met zijn aandeel in de nalatenschap kan verzoeken de kwijtschelding in zijn voordeel te herzien, mits de genoemde verdeling van de nalatenschap plaatsvindt binnen twee jaren na het overlijden van de erflater. Bij de erfgenamen die bij de verdeling uiteindelijk geen of minder ondernemingsvermogen verkrijgen zullen de voorwaardelijk kwijtgescholden rechten alsnog geheel of gedeeltelijk worden ingevorderd.

In het achtste lid is bepaald dat de kwijtschelding van successie- of schenkingsrecht wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat na vijf onderscheidenlijk tien jaren aan alle voorwaarden voor het verlenen van kwijtschelding nog zal blijken te zijn voldaan. De bewijslast hiervoor rust op de belastingschuldige. De belastingschuld blijft dus in ieder geval bestaan totdat de genoemde termijnen zijn verstreken. Zonder nadere maatregel zou dit ertoe leiden dat de rechten in eerste instantie moeten worden betaald, voorzover geen uitstel van betaling is verkregen op grond van de voorgestelde bepalingen van artikel 25. Om dit te voorkomen is in het negende lid bepaald dat voor de rechten waarvoor onder opschortende voorwaarde kwijtschelding is verleend, tevens uitstel van betaling wordt verleend zolang aan de voorwaarden voor het genieten van de kwijtschelding wordt voldaan.

Artikel III, onderdeel D (wijziging artikel 28, tweede lid, van de Invorderingswet 1990)

In dit onderdeel wordt geregeld dat invorderingsrente niet in rekening wordt gebracht indien uitstel van betaling is verleend krachtens artikel 25, negende lid, of artikel 26, negende lid. Het strookt met de aard van de uitstelregelingen van artikel 25, negende lid, en artikel 26, negende lid, om geen invorderingsrente in rekening te brengen voor de periode waarover voor de desbetreffende belastingaanslag uitstel van betaling is verleend. Invorderingsrente wordt wel in rekening gebracht indien betaling niet plaatsvindt binnen de termijn waarvoor het uitstel is verleend.

Artikel IV (artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bepaalt dat de winst van vennootschapsbelastingplichtige lichamen wordt opgevat en bepaald op de voet van bepaalde artikelen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De voorgestelde wijziging beoogt de uitbreiding van de willekeurige afschrijving, de investeringsaftrek en de energie-investeringsaftrek ook te laten gelden voor lichamen die belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting.

Artikel V (Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Artikel V, onderdelen A en B (artikelen 13a en 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Voor vermindering onderwijs gold een toetsloon van 130% van het Wettelijk minimumloon (WML). Sommige werknemers, met name de wat oudere werknemers en degenen die bijvoorbeeld in ploegendienst werken, kwamen boven dat toetsloon uit waardoor de vermindering op hen niet van toepassing was. Voor werknemers van 25 jaar en ouder wordt dit opgelost door het toetsloon alleen van toepassing te laten zijn op werknemers die jonger zijn dan 25 jaar. Voorts worden ploegendiensttoeslagen en onregelmatigheidstoeslagen niet langer tot het loon gerekend. Op deze wijze is de vermindering onderwijs van toepassing op iedereen die overigens aan de voorwaarden voldoet die 25 jaar of ouder is en op degenen met een basisloon (dus exclusief ploegendienst- of onregelmatigheidstoeslagen) dat minder bedraagt dan 130% van het WML.

Artikel V, onderdeel C (artikel 21 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

De vermindering S&O bedraagt 40% over de eerste f 150 000 van het loon dat door werknemers is genoten ter zake van speur- en ontwikkelingswerk en 12,5% van dat loon voor zover het meer bedraagt dan f 150 000. Het percentage van 12,5 wordt thans verhoogd tot 17,5.

Artikel V, onderdeel D (artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Dit artikel biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling de percentages van de S&O-vermindering aan te passen teneinde evenwicht te bereiken tussen S&O-verminderingen en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag. In verband met de verhoging van de tweede tranche van de S&O-vermindering tot 17,5% is de grens waartoe dit percentage mag worden verhoogd, aangepast en gesteld op 25%.

Artikel VI (Wet op de omzetbelasting 1968)

Artikel VI, onderdeel A.1 (tabel I – hulpmiddelen visueel gehandicapten)

Gebleken is dat de nieuwe technologische ontwikkelingen de limitatieve opsomming van hulpmiddelen voor visueel gehandicapten waarop het verlaagde BTW-tarief van toepassing is, snel kunnen achterhalen. In verband hiermee wordt voorgesteld de bestaande wettelijke opsomming bij ministeriële regeling te kunnen aanpassen. De wijziging van post 31 van onderdeel a van de bij de Wet behorende Tabel I strekt hiertoe. Daardoor wordt recht gedaan aan het belang dat ik hecht aan de met de toepassing van nieuwe hulpmiddelen samenhangende vergrote kans tot toetreding tot het arbeidsproces door visueel gehandicapten.

Er zij op gewezen dat de nieuwe voorgestelde delegatiebepaling zijn begrenzingen kent. De hulpmiddelen – waaronder ook bijzondere toepassingen, zoals in de sfeer van software, kunnen worden verstaan – moeten zijn ontworpen of bestemd voor het algemene gebruik door de doelgroep, en dus niet voor het specifieke gebruik door één individu. Bovendien moet het hulpmiddelen betreffen voor het exclusieve en persoonlijk gebruik door visueel gehandicapten.

Artikel VI, onderdeel A.2 (tabel I – attractieparken)

De toevoeging van een nieuw onderdeel g aan post 14 – in onderdeel b van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende tabel I – strekt tot toepassing van het verlaagde BTW-tarief op het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen, en andere vergelijkbare dagrecreatie-voorzieningen. De gronden waarop het kabinet dit voorstel baseert zijn reeds in het algemene deel van deze memorie van toelichting opgenomen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat attractieparken bijna de enige categorie zijn op het terrein van vrijetijdsbesteding en toeristische prestaties, waarop in Nederland tot op heden níet het verlaagde BTW-tarief wordt toegepast. Het verlaagde BTW-tarief is al van toepassing op onder meer het verlenen van toegang tot musea, sportwedstrijden, bioscopen, circussen, dierentuinen en kermissen alsmede op het kampeer- en vakantiebestedingsbedrijf en hotelovernachtingen. Voor podiumkunsten zal het verlaagde BTW-tarief met ingang van 1 september 1998 van toepassing zijn.

De definitie in het nieuwe onderdeel g is zodanig opgezet dat niet alleen de grote bekende Nederlandse attractieparken daaronder vallen, maar ook speeltuinen die niet onder een BTW-vrijstelling vallen, siertuinen en de vele andere kleine attractieparken en dergelijke in grote verscheidenheid voorkomende dagrecreatie-voorzieningen. Toch kent de definitie bewust zijn beperkingen. Door opname van het woord «primair» wordt aangegeven dat de recreatieve doelstelling centraal behoort te staan. Als de recreatieve doelstelling ondergeschikt is aan andere doelstellingen en/of in combinatie daarmee wordt gehanteerd – zoals bijvoorbeeld bij verkoopbevorderende evenementen – kan het verlaagde tarief geen toepassing vinden. Zo valt het verlenen van toegang tot beurzen, tentoonstellingen en dergelijke niet onder het verlaagde BTW-tarief. Ook in de sfeer van de sport, zoals fitness-centra, staan niet de aspecten «vermaak» en «dagrecreatie» voorop. Deze sector valt evenmin onder het verlaagde tarief. Wel zijn naast tuinen ook grote parken – zoals bijvoorbeeld het Nationale Park de Hoge Veluwe – waarbij bij het bezoek het dagrecreatieve aspect – het verpozen en bewonderen – de boventoon voert, onder de definitie te rangschikken.

Hoewel het speciale karakter van voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen veelal ontstaat door een combinatie van voorzieningen, is het ook mogelijk dat een voorziening uit één hoofdvoorziening bestaat. De gehanteerde definitie sluit dat niet uit, zodat bijvoorbeeld Madurodam of de Keukenhof, die specifiek op één thema zijn gericht, ook daaronder vallen. Op deze voorzieningen die niet als musea zijn te beschouwen en daarom nog niet onder het verlaagde BTW-tarief vallen, kan daardoor ook – bij aanvaarding van het onderhavige wetsvoorstel – het verlaagde BTW-tarief van toepassing worden.

Ingevolge de definitie moet het attractiepunt een voor vermaak en dagrecreatie «ingerichte voorziening» betreffen; derhalve een (grote) ruimte op een daarvoor bestemd terrein of in een daarvoor bestemd gebouw. Attracties zoals rondvaarten, stoomtreinen – die als personenvervoer al onder het verlaagde tarief vallen – en dergelijke vallen buiten deze definitie.

Door de opname van dit onderdeel onder post 14 «het verlenen van toegang tot», vallen overigens activiteiten waarvan de (afzonderlijke) vergoeding daarvoor is te kenmerken als een vergoeding voor de verhuur van een roerende lichamelijke zaak buiten de reikwijdte van de post. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verhuur van fietsen, kano's, speelautomaten, karts en dergelijke.

Het begrip permanent beoogt eenmalige evenementen en exposities, alsmede jaarlijks terugkerende evenementen en dergelijke die van korte duur zijn, van het verlaagde tarief uit te sluiten. Ik meen dat in dit verband dagrecreatie-accommodaties, die voor het overige aan de definitie voldoen, gedurende minimaal twee maanden jaarlijks aaneensluitend – afgezien van incidentele en wekelijkse dagsluitingen – geopend moeten zijn, wil voldaan zijn aan het begrip permanent.

Artikel VII

Hierboven is aangegeven dat evenals bij de willekeurige afschrijving op nieuwe gebouwen in aangewezen Nederlandse gemeenten de willekeurige afschrijving op nieuwe gebouwen in de Nederlandse Antillen of Aruba zal worden beperkt tot ten hoogste 50% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid die is opgenomen in artikel 10, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het vijfde lid van artikel 10 van die wet schrijft voor dat binnen drie maanden na inwerkingtreding van die beperking een voorstel van wet tot goedkeuring aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal moet worden toegezonden. Nu het voorstel om de willekeurige afschrijving op gebouwen in de Nederlandse Antillen te beperken tot 50% deel uitmaakt van het onderhavige voorstel van wet, maakt artikel V een uitzondering op de verplichting om achteraf een goedkeuringswet in te dienen.

Artikel VIII (goedkeuring wijziging Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968)

Dit artikel strekt tot goedkeuring van het koninklijk besluit van 24 september 1997 (Stb. 423) tot wijziging van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (regeling aftrek voorbelasting op outplacement). Deze goedkeuring is vereist ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Bij het wijzigingsbesluit is de omzetbelasting aftrekbaar gesteld die drukt op de kosten van het door een ondernemer aan zijn personeel verstrekken van outplacement.

Verder zij kortheidshalve verwezen naar de bij het wijzigingsbesluit behorende nota van toelichting.

Een afschrift van het besluit en de nota van toelichting is als bijlage 1 bij deze memorie gevoegd.1

Artikel IX (inwerkingtreding)

Deze wet treedt, met uitzondering van onderdeel D van artikel I in werking met ingang van 1 januari 1998. De aangepaste uitstelregeling en de nieuwe kwijtscheldingsfaciliteit zullen echter al gelden voor aanslagen in de rechten van successie of schenking die betrekking hebben op belastbare feiten in 1997. Dit, zoals in het algemeen deel van deze memorie uiteengezet, in verband met het feit dat (in het kader van de zogenoemde BTW-terugsluisoperatie) al met ingang van 1996 een bedrag van f 20 miljoen is uitgetrokken voor een bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de sfeer van het successierecht. Met betrekking tot belastingaanslagen in de rechten van successie of schenking ter zake van belastbare feiten die zich hebben voorgedaan vóór 1 januari 1997 blijft het regime van de huidige uitstelregeling van toepassing.

De inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, vindt plaats op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De inwerkingtreding vindt niet eerder plaats dan wanneer een protocol is gesloten tussen de landen van het Koninkrijk. In dit protocol dienen drie onderwerpen te zijn opgenomen.

Ten eerste dient in het protocol te worden geregeld dat voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting als bedoeld in artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk de winst die is toe te rekenen aan de vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba berekend wordt zonder inachtneming van artikel I, onderdeel D. Hierop is reeds ingegaan bij de toelichting op artikel 68b, vijfde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Ten tweede dient in het protocol te zijn opgenomen dat de controle op de naleving van de gestelde voorwaarden wordt opgedragen aan Nederlandse ambtenaren. In overleg met de Ministers van Financiën van de Nederlandse Antillen en Aruba zal worden bezien of het wenselijk is dat in het kader van deze controle een of meer vertegenwoordigers van het Nederlandse Ministerie van Financiën worden gestationeerd in de Nederlandse Antillen en Aruba.

Tot slot dienen er afspraken te worden gemaakt over inlichtingenuitwisseling tussen de landen van het Koninkrijk. Deze voorwaarde houdt verband met de motie Witteveen-Hevinga (kamerstukken II 1995/96, 24 583 (R 1564), nr. 9) die door de Kamer is aanvaard bij de behandeling van de vorige wijziging van de Belastingregeling voor het Koninkrijk. In deze motie werd overwogen dat het gebruik van de Belastingregeling voor het Koninkrijk er niet toe mag leiden dat de internationale belangen van Nederland en de verdragspartners worden geschaad en werd de regering verzocht in het kader van de Belastingregeling voor het Koninkrijk bindende afspraken te maken zodat op basis van artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk verkregen informatie kan worden gebruikt ten behoeve van de bestrijding van internationale fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik op het terrein van de belastingen.

Tijdens het periodieke fiscale overleg dat de landen van het Koninkrijk in januari 1997 hebben gehouden was reeds afgesproken dat verzoeken van verdragspartners van Nederland om informatie die door Nederland kan worden verkregen op basis van de Belastingregeling voor het Koninkrijk door de Staatssecretaris van Financiën zullen worden voorgelegd aan de Ministers van Financiën van de Nederlandse Antillen en Aruba die deze verzoeken – uiteraard binnen hun bestaande bevoegdheden – individueel nauwkeurig zullen bezien en beoordelen. De Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 5 februari 1997.

Thans dient in het protocol de mogelijkheid te worden opgenomen om ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk informatie uit te wisselen ten behoeve van landen waarmee een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is gesloten in deze rijkswet zelf opgenomen. Dit dient nadrukkelijk in het kader te worden geplaatst van de in de motie Witteveen-Hevinga genoemde bestrijding van internationale fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik op het terrein van de belastingen. Van de mogelijkheid om op de voet van de Belastingregeling voor het Koninkrijk informatie uit te wisselen ten behoeve van verdragspartners zal dan ook uitsluitend gebruik worden gemaakt in vorenbedoelde ernstige en politiek vaak zeer gevoelige situaties waarin de goede naam van het Koninkrijk als geheel en de landen afzonderlijk rechtstreeks in het geding is. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling dat op de onder verdragspartners gebruikelijke wijze informatie zal worden uitgewisseld aan verdragspartners van Nederland die zij normaliter slechts op basis van een eigen verdragsrelatie met de Nederlandse Antillen en Aruba zouden kunnen ontvangen.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend


XNoot
1

Dit blijkt uit een nog te publiceren onderzoek door Max Groote/Kenniscentrum.

XNoot
2

CBS-onderzoek «Bedrijfsopleidingen 1992 particuliere sector» (gepubliceerd in 1995).

XNoot
1

Richtlijn nr. 77/388/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PbEG L 145).

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.