nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het verslag van
de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken.
De leden van de fractie van het RPF vragen in hoeverre de afbakening van
de zeegebieden tussen Nederland en zijn buren (Duitsland, het Verenigd Koninkrijk),
nu definitief geregeld is.
In antwoord hierop veroorlooft ondergetekende zich te verwijzen naar de
memorie van toelichting, waar staat vermeld dat met het Verenigd Koninkrijk
nog een protocol gesloten moet worden in verband met de aanpassing van het
drielandenpunt van het continentaal plat. De afbakening van de zeegebieden
met Duitsland dient nog definitief te worden geregeld.
De leden van de fractie van het RPF geven aan dat zij de historische context
missen waarin de regeling tussen Nederland en België moet worden geplaatst.
Zij informeren waarom deze slepende kwestie niet eerder tot een oplossing
kon worden gebracht.
In antwoord hierop wijst ondergetekende allereerst op het feit dat de
«Wielingen-kwestie», zoals dit onderwerp in de wandeling meestal
wordt genoemd, hoog op de politieke agenda kwam te staan als gevolg van de
ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. De handhaving van de neutraliteit door
Nederland en het feit dat België bij de Eerste Wereldoorlog betrokken
raakte, leidde tot bepaalde spanningen die op dit punt werden veroorzaakt
door het ontbreken van een grensafbakening in de territoriale zee. Na afloop
van de Eerste Wereldoorlog werd dan ook getracht tot verdragsrechtelijke afspraken
te komen. Hoewel de «Wielingen-kwestie» geen definitieve regeling
vond in het op 22 mei 1926 ondertekende verdrag terzake, leidden de daarin
opgenomen bepalingen tot zoveel weerstand, dat het verdrag in 1927 door de
Eerste Kamer werd verworpen. Dit had het aftreden tot gevolg van mijn toenmalige
ambtsvoorganger, jhr. H.A. van Karnebeek. In de dertiger jaren werden de besprekingen
weliswaar hervat, maar het lukte niet tot een verdrag te komen. Na de Tweede
Wereldoorlog werden de besprekingen – met tussenpozen – hervat,
maar telkens maakten andere onderwerpen (de uitbreiding van de territoriale
zee van 3 tot 12 zeemijl, de afbakening van het continentaal plat) het sluiten
van een verdrag niet mogelijk. In 1993 werd in overleg tussen
de toenmalige Ministers van Buitenlandse Zaken van Nederland en België
besloten onderhandelingen te (her)starten om deze kwestie definitief tot een
oplossing te brengen. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet,
lag de aanleiding daarvoor in de internationaalrechtelijke ontwikkelingen,
met name de inwerkingtreding van het op 10 december 1982 te Montego-Bay totstandgekomen
Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83)
en de instelling van een Exclusieve Economische Zone in de Noordzee. De daarop
volgende onderhandelingen werden geopend op 17 november 1994 en leidden in
mei 1996 tot overeenstemming, zodat de desbetreffende verdragen op 18 december
van het laatstgenoemde jaar ondertekend konden worden.
De aan het woord zijnde leden vragen welke concessies de Nederlandse regering
bij de onderhandelingen over beide Verdragen heeft gedaan. In antwoord hierop,
wordt gewezen op het feit dat bij de onderhandelingen – naast het droogvallen
van de Rassen – rekening is gehouden met de sinds 1965 plaatsgevonden
hebbende uitbouw van de haven van Zeebrugge. Als gevolg hiervan en van de
Nederlandse bereidheid uit goed nabuurschap in te stemmen met enkele aanpassingen,
is de definitieve zijwaartse afbakening in verhouding met de eerder op ambtelijk
niveau met België afgesproken administratieve lijn ten gunste van België
opgeschoven in oppervlakte van het continentaal plat met 331,44 km2
en in oppervlakte van de territoriale zee met 54,72 km2.
Op de vraag van de leden van de RPF-fractie naar de stand van zaken in
België met betrekking tot de goedkeuring in België en het Vlaamse
gewest van de verdragen, antwoordt ondergetekende dat de verdragen alleen
de federale procedure hoeven te doorlopen. Het Belgische parlement heeft de
verdragen nog niet goedgekeurd.
De leden van de RPF-fractie vragen vervolgens of de vermelding in de memorie
van toelichting dat «de Wielingen en de vaargeul van de Westerschelde»
zich in de territoriale zee van België bevinden, wel juist is.
Ondergetekende erkent dat de door de aan het woord zijnde leden geciteerde
passage uit de memorie van toelichting bij nader inzien tot verwarring kan
leiden. Met «de Westerschelde» wordt geduid op de rivier, beter
gezegd de zeearm, die zich op Nederlands grondgebied bevindt. De vaargeulen
in die zeearm bevinden zich uiteraard eveneens op Nederlands territoir. In
de memorie van toelichting wordt echter gesproken over de vaargeul die zich
in de territoriale zee van België bevindt, of die zich daar na inwerkingtreding
van de onderhavige verdragen althans (gedeeltelijk) komt te bevinden. Het
gedeelte van de vaargeul in de monding van de Westerschelde dat toegang geeft
tot de rivier vanuit de zuidzijde, wordt aangeduid met «Wielingen».
Deze vaargeul komt ten dele in de Belgische territoriale zee te liggen. De
verdragsrechtelijke afspraken met betrekking tot de verruiming van de vaarweg
op de Westerschelde hebben uiteraard betrekking op de vaargeulen die onweersproken
op Nederlands territoir liggen.
Op de vraag van de leden van de RPF-fractie op welke wijze rekening is
gehouden worden met de zeewaartse uitbouw van de haven van Zeebrugge in België
en het droogvallen van de Rassen voor de Nederlandse kust, wordt geantwoord
dat de equidistantielijn werd vastgesteld tot het meest zeewaarts gelegen
punt op een afstand van 12 zeemijlen van respectievelijk het westelijke havenhoofd
van de haven van Zeebrugge en het meest westelijke punt van de droogvallingslijn
van de Rassen.
De aan het woord zijnde leden informeren tenslotte naar de stand van zaken
ten aanzien van het onderzoek naar een eventuele aanleg van het Baalhoekkanaal.
Hierop kan geantwoord worden dat de Vlaamse minister-president, de heer Van
den Brande, in een overleg op 11 februari 1998 met de Nederlandse
minister-president en de Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat heeft
meegedeeld dat de Vlaamse regering afziet van de aanleg van het Baalhoekkanaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo