nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING 1
Inleiding
Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk wordt niet openbaar
gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel
25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).De afbakening van
de zeegebieden tussen Nederland en België heeft sinds de afscheiding
van België een bewogen historie gekend door de bekende «Wielingen
kwestie». Op de Wielingen en de vaargeul van de Westerschelde, die zich
binnen de territoriale zee van België bevindt, werden door Nederland,
mede op historische gronden, aanspraken gemaakt die door België altijd
zijn bestreden.
In het kader van het uitstekende nabuurschap werd in beide landen de noodzaak
gevoeld om de verschillen van mening, die jarenlang het bereiken van overeenstemming
in de weg hadden gestaan, op te lossen. De voortgaande ontwikkelingen op het
terrein van het internationaal recht (de inwerkingtreding op 16 november 1994
van het op 10 december 1982 te Montego Bay tot stand gekomen Verdrag van de
Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83), en de instelling
van een Exclusieve Economische Zone in de Noordzee) maakten een definitieve
regeling van de laterale afbakening van de zeegebieden van beide landen zeer
gewenst.
Op verzoek van België werden op 17 november 1994 concrete onderhandelingen
geopend over de afbakening van de territoriale zee en het continentaal plat
tussen Nederland en België. Op 29 mei 1996 werd tussen Nederland en België
overeenstemming bereikt over de zijwaartse afbakening. Partijen hebben voor
de afbakening van de territoriale zee het equidistantiebeginsel gehanteerd,
waarbij rekening wordt gehouden met de positie van de sinds 1965 uitgebouwde
haven van Zeebrugge en het droogvallen van de Rassen. Teneinde te voorkomen
dat een gecompliceerd regime nodig zou zijn met betrekking tot dat deel van
het Nederlands continentaal plat, dat als gevolg van de uitbreiding tot twaalf
zeemijlen in de territoriale zee van België komt te liggen door de zijwaartse
afbakening van de territoriale zee op basis van het equidistantiebeginsel,
heeft Nederland uit hoofde van goed nabuurschap zich bereid verklaard in te
stemmen met enkele aanpassingen op het verloop van de grens van het continentaal
plat, zoals in 1965 ambtelijk overeengekomen, ten faveure van België.
De afbakening van het continentaal plat met België heeft tot gevolg
dat het bestaande drielandenpunt, van de respectieve platten van België,
Nederland en van het Verenigd Koninkrijk, met het Verenigd Koninkrijk bilateraal moet worden aangepast. Voor Nederland zou dit betekenen
dat met het Verenigd Koninkrijk een protocol moet worden gesloten tot wijziging
van het op 6 oktober 1965 te Londen tot stand gekomen Overeenkomst tussen
de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Verenigd
Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland inzake de begrenzing
van het tussen deze landen gelegen continentale plat onder de Noordzee (Trb.
1965, 191), analoog aan het op 25 november 1971 te Londen tot stand gekomen
Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van 6 oktober 1965 (Trb. 1971,
212), dat destijds nodig was naar aanleiding van de wijziging van de afbakening
van het continentaal plat met de Bondsrepubliek Duitsland. Overleg hierover
met het Verenigd Koninkrijk is geëntameerd, maar de afronding hiervan
behoeft de ratificatie van het Verdrag inzake de afbakening van het continentaal
plat niet in de weg te staan.
Verdrag inzake de afbakening van de territoriale zee
De punten, genoemd in artikel 1 van het Verdrag inzake de zijwaartse afbakening
van de territoriale zee, zijn de punten waarlangs de grens getrokken wordt.
Deze afbakening is geschied in overeenstemming met de beginselen van het hierbovengenoemde
VN-zeerechtverdrag, met name het equidistantiebeginsel.
De bij het Verdrag behorende briefwisseling ziet op uitvoeringsmaatregelen
die noodzakelijk zijn geworden doordat nu een definitieve afbakening heeft
plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld het beheer over de vaarwegmarkering.
Verdrag inzake de afbakening van het continentaal plat
Zoals in de inleiding beschreven, is bij de afbakening van het continentaal
plat niet uitgegaan van het equidistantiebeginsel, maar heeft het Koninkrijk
om tot een pragmatische oplossing te komen ingestemd met afbakening waarbij
niet onverkort vastgehouden werd aan de in 1965 overeengekomen afbakening
van het continentaal plat en de daarop gebaseerde beheerspraktijk, met name
een dertigjarige zand- en grindexploitatie door Nederland van dit gebied.
België heeft zich met name na de totstandkoming van het hiervoorgenoemde
VN-zeerechtverdrag in 1982 verzet tegen de in 1965 overeengekomen afbakening
van het continentaal plat.
Op grond van artikel 2 van het Verdrag zal de afbakening van het continentaal
plat tevens gelden als afbakening van de Exclusieve Economische Zone wanneer
deze door een van beide staten wordt ingesteld. Een wetsvoorstel te dien einde
is momenteel in Nederland in voorbereiding.
De bij het Verdrag gevoegde briefwisseling is met name van belang voor
de zand- en grindexploitatie. Van enig materieel belang in de vorm van bodemschatten
in het onderhavige grensgebied is tot op heden niet gebleken. Wel wordt door
een Belgische onderneming voor commerciële doeleinden zand gewonnen,
waarvoor door Nederland een vergunning is verleend. Deze Nederlandse vergunning
zal door België worden erkend gedurende vijf jaar, ommekomst van de vergunning,
en vervolgens worden geregulariseerd naar Belgisch recht.
Koninkrijkspositie
Het verdrag zal voor het gehele Koninkrijk gelden, aangezien het de grenzen
van het Koninkrijk betreft.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo