nr. 7
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 5 februari 1998
Van de zijde van enkele leden van uw Kamer is gevraagd om in kennis te
worden gesteld van de zakelijke inhoud van de ontwerp-algemene maatregel van
bestuur (AMvB) houdende voorlopige vrijstelling van het verbod op schuldbemiddeling
tegen betaling (Tijdelijk vrijstellingsbesluit schuldbemiddelaars) in verband
met de behandeling van de wijziging van enkele onderdelen van het voorstel
van wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering
van schulden van natuurlijke personen (kamerstukken II, 1997/1998, nr. 25 672).
Deze brief strekt er toe de gevraagde informatie te geven.
Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet
(WCK) is schuldbemiddeling verboden, tenzij zich een uitzondering voordoet
als vermeld in artikel 48, eerste lid, WCK. Zo is het verrichten van schuldbemiddeling
«om niet» (gratis) toegestaan. Dit houdt in dat de kosten voor
schuldbemiddeling niet mogen worden doorberekend aan de schuldenaar. Indien
echter een derde, te denken valt aan een werkgever, charitatieve instelling
of een sociale dienst de betaling op zich neemt, is schuldbemiddeling wel
toegestaan. Daarnaast zijn thans reeds van het verbod op het verrichten van
schuldbemiddeling vrijgesteld gemeenten, gemeentelijke kredietbanken en andere
door gemeenten gehouden instellingen die zich krachtens hun doelstelling met
schuldbemiddeling bezighouden. Deze instellingen verrichten van oudsher schuldhulpverlening.
Vrijgesteld zijn eveneens advocaten, procureurs, curatoren en bewindvoerders
die ingevolge de Faillissementswet zijn aangesteld, notarissen, deurwaarders,
registeraccountants en accountants-administratieconsulenten. Wat deze groepen
van beroepsbeoefenaren betreft is het van belang dat de voor hen gecreëerde
vrijstelling enkel geldt, indien zij in het kader van hun normale beroepsuitoefening
en ten behoeve van de betrokken cliënt schuldbemiddelingsactiviteiten
verrichten. Het is hen derhalve niet toegestaan van schuldbemiddeling hun
beroep of bedrijf te maken.
In Nederland is een aantal private schuldbemiddelaars werkzaam. Onder
deze groep bevinden zich personen en instellingen die goed werk verrichten,
anderen zijn ondeskundig of zelfs malafide. Om mogelijk te maken dat bonafide
personen en instellingen ook tegen betaling schuldbemiddelingsactiviteiten
kunnen verrichten, heb ik een AMvB ontworpen waarin categorieën van schuldbemiddelaars
worden vrijgesteld van het verbod op het verrichtten van schuldbemiddeling
tegen betaling door de schuldenaar. Deze vrijstelling is gebaseerd op artikel
48, eerste lid, onder d, WCK.
Deze ontwerp-AMvB is inmiddels naar Hare Majesteit gezonden met het verzoek
deze door te geleiden naar de Raad van State voor advies.
Met deze ontwerp-AMvB wordt beoogd de kwaliteit van schuldbemiddeling
tegen betaling te waarborgen en controle hierop door de ECD mogelijk te maken.
Zo bevat de ontwerp-AMvB enkele voorzieningen om de schuldenaar te beschermen
tegen mogelijk misbruik van de verruimde mogelijkheid van schuldbemiddeling
tegen betaling. Dit wordt enerzijds bereikt doordat de toegelaten schuldbemiddelaar
moet werken volgens de Gedragscode betreffende schuldregeling van 13 mei 1997
van de Nederlandse Vereniging voor het Volkskrediet (NVVK) en dient te handelen
in overeenstemming met de syllabus «Berekening van de aflossingscapaciteit
volgens de NVVK-methode» die is opgesteld door het Nationaal Instituut
voor Budgetvoorlichting (NIBUD). Anderzijds worden grenzen gesteld aan de
hoogte van de vergoeding, die de bemiddelaar aan de schuldenaar in rekening
mag brengen. Zo mag de vergoeding niet meer bedragen dan de voor de bemiddeling
gemaakte kosten en tevens niet boven een maximum van 9% van de maandelijkse
aflossingen van de schulden uitgaan. Voor de zwaksten in de samenleving, de
bijstandsgerechtigden, resulteert dat in maandelijkse bedragen van minder
dan f 10,00. Dit bedrag ontstaat doordat de schuldenaar recht heeft op
de zgn. «beslagvrije voet», die in principe 90% van het sociale
minimum bedraagt. Voor uw informatie treft u in de bijlage een berekening
aan van de aflossingsruimte en de betalingen van een gehuwde bijstandsgerechtigde.
Het maximum van de vergoeding mag bovendien nooit hoger zijn dan f 75,00
per maand.
Ten slotte mag geen vergoeding gevraagd worden indien de bemiddeling niet
succesvol is geweest.
Verder is van belang dat de schuldbemiddelaar die gebruik maakt van de
vrijstelling, zich bij het Ministerie van Economische Zaken moet laten registreren.
Hierdoor kunnen zowel de schuldenaren als de schuldeisers zich er van vergewissen
of een schuldbemiddelaar legaal werkt en wordt het toezicht door de Economische
Controle Dienst (ECD) vereenvoudigd.
Het toezicht op de naleving van de gestelde voorschriften zal worden verricht
door de ECD. De ECD onderzoekt elke schuldbemiddelaar alvorens deze wordt
geregistreerd. Bovendien zullen de geregistreerden regelmatig opnieuw aan
een onderzoek worden onderworpen.
De ontwerp-AMvB heeft een geldigheidsduur van twee jaar. Deze tijdelijkheid
is gekozen met het oog op de voorgenomen evaluatie van de maatschappelijke
effecten van de maatregel. Bij deze evaluatie zullen de bevindingen van de
ECD worden betrokken. Deze evaluatie is voorts van belang in relatie tot het
bij het parlement aanhangige voorstel van wet tot wijziging van de Faillissementswet
in verband met de sanering van
schulden van natuurlijke personen. De in dat wetsvoorstel neergelegde
gerechtelijke procedure ligt in het verlengde van het buitengerechtelijke
traject waarop deze ontwerp-AMvB is toegesneden.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok-van Weele
BIJLAGE
De berekening van de aflossingscapaciteit en de vergoeding voor schuldbemiddeling
ten behoeve van een bijstandsgerechtigde volgens de normen zoals die per 1
januari 1998 gelden.
Een uitkering voor een echtpaar bedraagt f 2 033,34, inclusief
een bedrag van f 103,70 aan vakantiegeld. De maandelijkse uitkering bedraagt
derhalve f 1 929,64. De beslagvrije voet is 90% van f 2 033,34
ofwel f 1 830,01. Op grond van de voorgaande gegevens kan de maandelijkse
aflossingsruimte worden berekend:
f 1 929,64 minus f 1 830.01 is f 99,63. De vergoeding
voor de schuldbemiddelaar komt daarmee op f 99,63 gedeeld door 1.09,
vermenigvuldigd met 0.09, is f 8,23. Voor de aflossingen is derhalve
f 91,40 beschikbaar. In de maand juni, wanneer de vakantietoeslag wordt
uitgekeerd, is de berekening als volgt. De vakantietoeslag bedraagt 12 maal
f 103,70, is f 1 244,40. Hierbij dient de vaste maanduitkering
à f 1 929,64 te worden opgeteld, wat f 3 174,04
als uitkomst geeft. Van dit bedrag mag de schuldenaar f 1 830,01
vrij ter beschikking houden, waardoor een bedrag van f 1 344,03
overblijft. De vergoeding voor de schuldbemiddelaar zou daarmee op f 1 344,03
gedeeld door 1.09, maal 0.09, is f 110,98 uitkomen. Nu de vergoeding
aan de schuldbemiddelaar echter de limiet van f 75 niet mag overschrijden,
wordt de vergoeding op f 75 gesteld. Voor de aflossingen blijft het bedrag
van f 1 269,03 over.