Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 november 2017
Op 1 januari 2018 treedt een wijziging van de Wet minimumloon (Wml) in werking. Het
recht op wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag gaat door het schrappen
van een aantal criteria dan gelden voor alle personen die tegen beloning arbeid verrichten
op basis van een overeenkomst van opdracht, tenzij zij dit doen in zelfstandige uitoefening
van beroep of bedrijf. Op dit moment geldt het wettelijk minimumloon en vakantiebijslag
reeds in die situaties waarin een budgethouder en een zorgverlener/ondersteuner een
arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, of een overeenkomst van opdracht tegen beloning
zijn aangegaan, indien aan een aantal criteria is voldaan1 en de zorgverlener geen zelfstandige ondernemer is. Oogmerk van de wijziging Wml
is het tegengaan van oneerlijke concurrentie en schijnconstructies.
Met een persoonsgebonden budget (pgb) worden mensen in alle zorgdomeinen in staat
gesteld hun eigen zorg te regelen, zelf hun hulpverleners te kiezen en daarmee regie
te houden op hun leven.
De verschillende zorgwetten2 vereisen op dit moment dat een overeenkomst van opdracht gesloten moet worden indien
budgethouders met zorgverleners afspraken maken over te verstrekken vergoedingen in
het kader van een pgb. Ik heb geconstateerd dat de huidige uitvoeringspraktijk in
relatie tot de wijziging van de Wml tot ongewenste effecten leidt.
De als pgb verstrekte vergoedingen hebben door de wijziging van de Wml onbedoelde
effecten specifiek voor die zorg of ondersteuning die wordt geleverd door een bloed-
of aanverwante in de eerste of tweede graad of de echtgenoot, geregistreerd partner
of een andere levensgezel van de opdrachtgever, alsmede voor verstrekte vergoedingen
ten behoeve van (informele) zorg en ondersteuning van de zijde van buren, vrienden
van de hulpvrager. De gekozen systematiek om een overeenkomst van opdracht (OVO- Familie)
als instrument voor een PGB te hebben, betekent dat deze (informele) zorg en ondersteuning
als arbeidsrelatie of formele zorg worden aangemerkt. En aldus zouden moeten voldoen
aan de bedragen van het wettelijk minimumloon en de minimum vakantietoeslag.
Ik ben van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen
wordt verricht niet direct dient te worden aangemerkt als een arbeidsrelatie. Het
gaat hierbij om hulp in familieverband, maar kan ook gaan om zogenaamde burenhulp,
een «heitje voor karweitje» en ook vriendendiensten. Een meer concreet voorbeeld van
hulp in familieverband is het oppassen van grootouders op kinderen om een ouder of
mantelzorger te ontlasten.
Ik ben met de Minister van SZW van mening dat oneerlijke concurrentie en schijnconstructies
tegengegaan moeten worden. Dit in lijn met hetgeen er tijdens de totstandkoming van
het wetsvoorstel in de Eerste Kamer en Tweede Kamer is gedeeld.3
Met het oog hierop onderneem ik de volgende acties:
-
1. De Minister van SZW zal een amvb opstellen waarin wordt geregeld dat er een tijdelijke
uitzondering komt voor budgethouders en zorgverleners met bestaande zorgovereenkomsten,
die niet voldoen qua tarief aan het wettelijk minimumloon en minimum vakantiebijslag,
waarbij maatschappelijke ondersteuning, zorg of jeugdhulp wordt verleend door een
bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad of de echtgenoot, geregistreerd
partner of een andere levensgezel van de opdrachtgever. Deze amvb heeft een tijdelijk
karakter en geldt tot 1 januari 2019.
-
2. Daarnaast gaat VWS werken aan een structurele oplossing om de verstrekking van vergoedingen
voor informele zorg (familieverband, maar ook andere vormen als burenhulp, vriendendiensten)
zo te regelen dat er niet onbedoeld een arbeidsrelatie ontstaat. Bij de vormgeving
zal ook zeer zeker rekening worden gehouden met het feit dat er geen nieuwe schijnconstructies
ontstaan. Ik verken of en hoe aanpassing van de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Wlz en indien
noodzakelijk de Zvw kan bijdragen aan die structurele oplossing. Uiteraard wordt hierbij
aangesloten bij de doelen van de Wml. Uiterlijk 1 oktober 2018 zal duidelijk zijn
hoe deze structurele oplossing eruit ziet.
Bovenstaande acties verricht ik in nauw overleg met betrokken ketenpartijen, waaronder
SVB, VNG, Zorgverzekeraars Nederland en belangenorganisaties zoals Per Saldo alsmede
het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik zal uw Kamer uiteraard zo
spoedig mogelijk nader over de uitwerking van deze acties informeren.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge