nr. 24
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 26 september 1997
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 29 september 1997. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring
van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één
van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel
dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 29
oktober 1997.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel
5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad
van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over
te leggen het op 15 april 1997 te Skopje tot stand gekomen Verdrag tussen
de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische regering
inzake internationaal vervoer over de weg (Trb. 1997, 112)1.
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.
H. F. Dijkstal
TOELICHTENDE NOTA
Het onderhavige verdrag vervangt, voor wat de verhouding tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië betreft,
de op 8 september 1966 te Belgrado tot stand gekomen Overeenkomst tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federale Republiek Zuidslavië
betreffende het internationale wegvervoer (Trb. 1966, 215; laatstelijk Trb.
1973, 8).
Niet alleen het uiteenvallen van Joegoslavië en de onafhankelijkheid
van Macedonië, maar ook de wens naar een meer liberaal wegvervoersregime
gaven aanleiding tot de opstelling van een nieuw verdrag. Met Macedonië
was reeds een vergunningenstelsel overeengekomen dat in de praktijk inhoudt
dat de vergunningen in beginsel zonder restricties worden verstrekt en in
voldoende mate voorhanden zijn voor de vervoerders. Het liberale karakter
van het onderhavige verdrag past dan ook in het kader van de verdere ontsluiting
van de wegvervoersmarkten met derde landen. Voor het overige bevat het verdrag
de op het gebied van het internationale wegvervoer gebruikelijke bepalingen.
Het wegvervoer op Macedonië ontwikkelt zich langs een drietal lijnen.
In de eerste plaats is er sprake van een actieve opstelling van de EU, die
een verdergaande vrijmaking mogelijk maakt van het goederen-, personen- en
dienstenverkeer naar en van Oost-Europa. Het transport speelt daarin een belangrijke
rol en kan dankbaar gebruik maken van de openingen die geboden worden op deze
markt. Dit temeer, als het vervoer kan plaatsvinden onder dekking van een
liberaal regime, zoals met het onderhavige verdrag met Macedonië wordt
voorgestaan.
Ten tweede wordt de marktpositie van de Nederlandse vervoerder versterkt
door de samenwerking die het bedrijfsleven ontwikkelt met zijn tegenhangers
in Oost-Europa. Dit geldt met name voor het goederenvervoer over de weg.
En tenslotte zijn er de hulpprogramma's voor Midden- en Oosteuropese landen.
Deze worden vanuit de EU en Nederland georganiseerd en zijn met name gericht
op het versterken van de branche door het organiseren van opleidingen, trainingsprogramma's,
stage-uitwisselingen en ondersteuning op het gebied van wetgeving. De hulpprogramma's
hebben een ondersteunende functie voor de wegvervoersbranche en kweken bovendien,
zo is gebleken, veel good-will bij de Oosteuropese vervoerders.
De hier geschetste drie lijnen van ontwikkeling hebben door hun onderlinge
verwevenheid een versterkend effect op elkaar. Dit zal per saldo een gunstig
effect hebben op de ontwikkeling van het Nederlandse wegvervoer, ook in de
relatie met Macedonië.
In de verhouding tot Macedonië is vanzelfsprekend van belang dat
een nauwkeurige afweging gemaakt wordt in het licht van de competentie van
de EU (conform artikel 1, tweede lid, nader uitgewerkt in het derde lid, van
het verdrag). Dat betekent voor Nederland dat terughoudendheid geboden is
zodra de externe competentie van de EU in het geding komt. Tegenover Macedonië
biedt dit de nodige duidelijkheid in rangorde van internationale regelgeving.
In dit verdrag is gekozen voor een instrumentarium waarmee gelijke tred
gehouden kan worden met de Europese vervoersontwikkelingen. De bevoegdheden
van de Gemengde Commissie maken een snelle en efficiënte aanpassing aan
bovengenoemde ontwikkelingen mogelijk. Immers, het is de Gemengde Commissie
die de markttoegangseisen bepaalt en deze eisen kan aanpassen aan het gewenste
niveau, zonder dat voor elke wijziging van het vervoersregime een officiële
wijziging van het verdrag nodig is. Alleen al uit een oogpunt
van tijdwinst is deze vorm zeer gewenst. Het verdrag heeft daarmee het karakter
gekregen van een kaderverdrag. Bovendien biedt dit verdrag de gelegenheid
aan beide landen om hun vervoersrelaties onderling af te stemmen. De Gemengde
Commissie zal, naast activiteiten ter regulering van de markt, vooral in haar
werkzaamheden het accent moeten gaan leggen op de kwaliteit van het vervoer.
Vandaar dat, geheel in overeenstemming met de taken van de Gemengde Commissies
van de overige nieuwe wegvervoersverdragen, een ruime taakomschrijving voor
de Commissie is opgenomen. Voorzover datgene wat in de Gemengde Commissie
wordt overeengekomen krachtens de bevoegdheden die terzake aan de Commissie
op grond van de artikelen 3, eerste lid, en 8, vierde lid, zijn gedelegeerd,
volkenrechtelijke rechten en verplichtingen voor beide staten in het leven
roept, dienen de betreffende regelingen te worden beschouwd als uitvoeringsverdragen
die op grond van artikel 7, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeven, behoudens het bepaalde
in artikel 8 van die Rijkswet.
In navolging van de bestaande bilaterale verdragen inzake het vervoer
over de weg tussen Nederland en de Midden- en Oosteuropese landen, zal ook
in dit verdrag uitgegaan worden van een vergunningenstelsel. De vergunningen
die worden uitgegeven kunnen in de eerste plaats worden gebruikt voor statistische
doeleinden ten behoeve van marktobservatie. Verder kan de vergunning worden
gebruikt als instrument om het vervoer op het gewenste niveau te houden, daaronder
begrepen de mogelijkheid van inperking van het vervoer. Dit laatste uiteraard
uitsluitend indien het liberale regime ongewenste effecten met zich brengt,
zoals zich dat zal voordoen in geval van prijsdumping of andere vormen van
oneerlijke concurrentie.
Het verdrag zal uit zijn aard, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor
Nederland gelden.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo