Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825641 nr. 6

25 641
Nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten en enige andere wetten, houdende wijziging/intrekking van de Wet Werkloosheidsvoorziening, eenvormige definiëring van de term gezamenlijke huishouding en technische alsmede enige andere wijzigingen (Veegwet SZW 1997)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 4 november 1997

1. Algemeen

Met erkentelijkheid heb ik kennis genomen van de bijdragen van de verschillende fracties aan het verslag inzake dit wetsvoorstel. Ik ben de fracties zeer erkentelijk voor hun bijdrage aan de voorspoedige behandeling ervan.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid plannen heeft om wetgevingstrajecten in de toekomst beter op elkaar af te stemmen, zodat fouten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Zoals in de Memorie van Toelichting al is aangegeven heeft met name het gedeeltelijk – gelijktijdig naast elkaar lopen van wetgevingstrajecten een aantal technische onjuistheden en misverstanden veroorzaakt. Het gaat hierbij om wetgevingstrajecten van forse omvang die vaak binnen een korte termijn dienden te worden afgerond. Daarbij is het, alle inspanningen dienaangaande ten spijt, niet mogelijk gebleken om technische onvolkomenheden te voorkomen. Ik kan dan ook toezeggen dat ik alles in het werk zal stellen om ook in de toekomst een goede afstemming van wetgevingstrajecten te bewerkstelligen, maar ik moet daarbij ook vaststellen dat, in de complexe processen waar het daarbij vaak om gaat, technische onvolkomenheden welhaast onvermijdelijk zijn.

De leden van de fractie van D66 hebben met instemming kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij constateren dat bij wet van 21 december 1995, de Veegwet SZW 1996, knelpunten en misverstanden zijn opgelost die zijn ontstaan door de grote wetgevende operaties die met name in de jaren 1993, 1994 en 1995 hun beslag hebben gekregen. Het Lisv heeft op 14 mei 1997 aandacht gevraagd voor de problematiek van situaties van samenloop van een AAW/WAO- en met een WW-uitkering. De problemen zijn verergerd met de invoering van de Wet TBA. Zij vragen om een reactie hierop.

Voorts vragen de leden van de D66 fractie of de regering van mening is dat er, mede gelet op de toezeggingen bij de behandeling van de TBA-wetgeving, altijd een compensatie vanuit de WW dient plaats te vinden bij een (gedeeltelijke) afschatting als gevolg van een herbeoordeling.

Ik vermoed dat deze leden met betrekking tot dit laatste refereren aan de in de Memorie van Toelichting op TBA uitgesproken verwachting dat 50% van de herbeoordeelden, waarbij de uitkering werd verlaagd danwel ingetrokken, een beroep op de werkloosheids-regelingen zou doen (Kamerstukken II 1992/93, 22 824, nr. 3, bladzijde 64 en 65).

Daarbij is aangegeven, dat een gedeelte van dit beroep op de werkloosheidsregelingen neer zou slaan in de IOAW, IOAZ en RWW. Het gaat daarbij om de personen, die de maximale WW-duur hebben doorlopen, eventueel tijdens het ontvangen van een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Een compensatie vanuit de WW is voorts uiteraard niet aangewezen indien betrokkene zich niet beschikbaar wil stellen voor de arbeidsmarkt. Uit de gegevens die met betrekking tot de in 1994 herbeoordeelden zijn verzameld is gebleken, dat dit voor een relatief groot gedeelte van hen het geval is. In mijn brief d.d. 8 oktober 1996 (Kamerstukken II 1996/97, 22 187, nr. 39, bladzijde 11) ben ik daar uitvoerig op ingegaan.

In de genoemde brief van het Lisv wordt een aantal knelpunten met een technisch karakter gesignaleerd en een aantal knelpunten met een beleidsmatig karakter. Het betreft een gecompliceerde problematiek die diepgaand bestudeerd dient te worden. Het Lisv heeft, zoals de leden van de fractie van D66 al aangeven, geconstateerd dat de problemen niet via een eenvoudige (technische) ingreep zijn op te lossen. De problematiek hoort dan ook niet thuis in het kader van een veegwet. Enerzijds vanwege het beleidsmatig karakter van de problematiek – ook de zgn. technische knelpunten hebben deels een beleidsmatig karakter – anderzijds omdat de oplossingen van de technische knelpunten nagenoeg geheel gelegen zijn in de dagloonregels. Dit betreft een ministeriële regeling.

Uiteraard zal ik, indien ik mij een goed beeld heb kunnen vormen van de beleidsmatige kanten van de zaak en een nadere afweging heb kunnen maken van de pro's en contra's van de door het Lisv aangedragen oplossingen, u nader informeren over mijn visie in deze.

2. Wijziging/intrekking van de WWV

Waarom kan de regering, zo vragen de leden van de CDA-fractie, geen datum noemen waarop de laatste nabetalingen en terugvorderingen plaatsvinden?

In verband hiermee merk ik het volgende op.

In paragraaf 2 van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting heb ik reeds aangegeven dat na 31 december 1991 nog een vroeger geldend recht op WWV-uitkering geldend gemaakt kon worden en dat in dat kader thans nog in enkele gevallen nabetaling van WWV-uitkering plaatsvindt. Ook is het mogelijk dat thans nog terugvordering van verstrekte gelden aan de orde is. Noch met betrekking tot de nabetalingen noch met betrekking tot de terugvorderingen beschik ik over gegevens die het mij mogelijk maken om een einddatum te noemen. Dat zal overigens ook voor de uitvoerders van de WWV, de gemeentelijke sociale diensten, niet mogelijk zijn omdat – theoretisch gezien – ook thans nog de mogelijkheid bestaat dat na 31 december 1991 betaalde WWV-uitkeringen tot een te hoog bedrag of ten onrechte zijn betaald en derhalve teruggevorderd kunnen worden. Voorts is van belang dat ik geen inzicht heb of er nog beroepszaken met betrekking tot de WWV lopen.

In het wetsvoorstel is onder meer de gedeeltelijke intrekking van de WWV geregeld, zo merken de leden van de VVD-fractie op. Hoewel deze leden daartegen in beginsel geen bezwaar hebben vragen zij zich wel af waarom de WWV niet gewoon in zijn geheel had kunnen blijven bestaan om dan ook in zijn geheel op de voorziene datum te worden ingetrokken.

Ik kan de gedachtegang van deze leden wel volgen. Niettemin wil ik in dit verband het volgende onder de aandacht brengen.

Ook al kunnen er in het kader van de WWV nog nabetalingen geschieden, en ook al kunnen er in dat kader nog beroepszaken aanhangig zijn, van de genoemde wet kan worden gezegd dat zij inmiddels grotendeels zijn werking heeft verloren. Nu toch reeds in het kader van andere regelgeving gekomen diende te worden tot aanpassingen door wetgeving leek het mij uit een oogpunt van economie bij de wetgevende arbeid beter intrekking van de WWV reeds in dat wetgevende proces te laten «meelopen». Hiermee wordt voorkomen dat zodra de WWV ook feitelijk kan worden ingetrokken, daartoe op dat moment alsnog een eigenstandig wetgevingsproces zou moeten worden gestart.

3. Gezamenlijke huishouding

In reactie op de opmerkingen van de PvdA-fractie in verband met het begrip gezamenlijke huishouding merk ik het volgende op. Niet alleen in de Abw, IOAW en IOAZ is de vraag of een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd relevant voor het recht op uitkering, ook in de AOW, Tw en ANW (en in beperkte mate in de WVG) is dit van belang. Voor de overige socialeverzekeringswetten is de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding met name van belang bij de vraag of aanspraak bestaat op een overlijdensuitkering.

Ten aanzien van de ANW kan hier nog worden opgemerkt dat thans reeds in artikel 3 van de ANW eenzelfde definitie van de term gezamenlijke huishouding is opgenomen als in de Abw, IOAW en IOAZ. In hoofdstuk III van de Veegwet wordt voorgesteld in alle socialezekerheidswetten eenzelfde definitie op te nemen als thans is opgenomen in de Abw, IOAw, IOAZ en ANW. Hierbij is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt (ter bevordering van de inzichtelijkheid van de betreffende wetten) deze definitie, bij de overige definitiebepalingen, in een van de eerste artikelen van de betreffende wet op te nemen.

Doel van deze technische operatie is derhalve harmonisatie in wetgeving; de groep van personen die onder de nieuwe definitie van gezamenlijke huishouding valt zal identiek zijn aan de huidige groep personen.

Door, in de wetten waarin thans in de bepaling inzake de overlijdensuitkering de definitie van gezamenlijke huishouding is opgenomen (bijvoorbeeld ZW of WAO), de definitie te verplaatsen naar een van de eerste artikelen van die wet, wordt derhalve niet de reikwijdte van de betreffende wet uitgebreid. De definitie van de term gezamenlijke huishouding is en blijft voor die wetten uiteindelijk met name van belang bij de vraag of aanspraak bestaat op een overlijdensuitkering na overlijden van de uitkeringsgerechtigde.

Ten aanzien van de kostganger-hospita relatie en samenwonende bloedverwanten in de tweede graad, betekent dit, ook op dit moment al, dat indien deze personen gezamenlijk voorzien in de huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (volgens de voorgestelde terminologie: dat indien zij hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins) er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Voor de wetten waarvoor dit feit relevant is voor het recht op uitkering (bijvoorbeeld de AOW) zal dit betekenen dat recht ontstaat op een «gehuwden-uitkering». Keerzijde is dat men ook voor de aanspraak op een overlijdensuitkering wordt aangemerkt als gehuwde. Ook op dit moment is het dus mogelijk dat een kostganger na het overlijden van de hospita (die bijvoorbeeld een WAO-uitkering ontvangt) of een broer na het overlijden van zijn zus (die bijvoorbeeld een AOW-uitkering ontvangt) aanspraak kan maken op een overlijdensuitkering op grond van de genoemde wetten.

Nu er derhalve slechts taalkundig een wijziging van het begrip gezamenlijke huishouding wordt voorgesteld zal dit niet tot wijziging in de uitvoering van de socialeverzekeringswetten leiden. Voorzover er een verificatieorganisatie noodzakelijk is bestaat deze reeds op grond van de huidige wetgeving.

Nu de voorgestelde wijzigingen noch voor de betrokken (potentiële) uitkeringsgerechtigden noch voor enige uitvoeringsorganisatie tot consequenties leidt is de behandeling van dit onderwerp in deze Veegwet zeker op z'n plaats.

De leden van de CDA-fractie vragen of de minister op de hoogte is van de situatie waarin broers en/of zussen samenwonen en elk een bijdrage leveren aan het huishouden, een gezamenlijke huishouding voeren, maar waar geen onderhoudsverplichting volgens het BW tussen beiden bestaat. Deze leden vragen zich af welke problemen dan bijvoorbeeld bij het aanvragen van een bijstandsuitkering kunnen ontstaan en hoe deze opgelost kunnen worden.

De geschetste situatie is mij bekend. In deze situaties is niet de aard van de relatie van belang, maar is de wederzijdse verzorging en het samen in één woning wonen bepalend. Als deze beide elementen aanwezig zijn, is sprake van een gezamenlijke huishouding. Overigens is ook sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen die geen familierelatie hebben, elkaar wederzijds verzorgen en samen in één woning wonen. In die gevallen bestaat er evenmin een onderhoudsplicht volgens het BW.

Bij een aanvraag om bijstand wordt door de gemeente beoordeeld of de aanvrager een gezamenlijke huishouding voert. Is daarvan sprake dan speelt bij de beoordeling van het recht op uitkering het inkomen en het vermogen van beide personen een rol.

Voor de vaststelling van de hoogte van een eigen bijdrage of een financiële tegemoetkoming in het kader van de WVG kan de gemeente rekening houden met het gezinsinkomen van de gehandicapte die de voorziening ontvangt. Bovendien kan de gemeente in bepaalde gevallen een inkomensgrens hanteren boven welke geen voorziening wordt verstrekt. Ook in het laatste geval gaat het om het gezinsinkomen.

Door de voorgestelde wijziging van artikel 1 van de Wvg kan het inderdaad voorkomen dat het inkomen van de broer of zus met wie de gehandicapte samenwoont, anders dan thans het geval is, bij de bepaling van het gezinsinkomen wordt betrokken.

Behalve het inkomen van een broer of zus kan in de nieuwe situatie ook dat van een grootouder of kleinkind een rol spelen bij de bepaling van het gezinsinkomen van de gehandicapte. In alle gevallen gaat het er echter primair omdat er sprake moet zijn van een gezamenlijke huishouding in de zin van de wet.

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat in het wetsvoorstel een identieke wijze tot het instellen van cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van de gezamenlijke huishouding mogelijk wordt gemaakt. Tot nu toe was die mogelijkheid er slechts in een beperkt aantal gevallen. Deze leden vragen of kan worden aangegeven of en zo ja, waarom in het verleden in die situaties waarin cassatie niet was voorzien daarvoor toen bewust is gekozen. Wat is de reden dat die cassatiemogelijkheden nu worden ingevoerd en wat zijn daarvan in technische en procedurele zin, zoals tijdsbeslag, bureaucratie, juridisering en kosten de gevolgen?

Voor het in werking treden van de (huidige) Algemene bijstandswet bestond er eveneens een cassatiemogelijkheid. Hiervoor is destijds gekozen, omdat er in diverse sociale zekerheidswetten een zelfde begrip gezamenlijke huishouding bestond. De mogelijkheid van het instellen van cassatie werd wenselijk geacht om een uniforme hantering van het begrip gezamenlijke huishouding te waarborgen.

Vanaf 1 januari 1996 geldt voor de bijstand een eigen definiëring van het begrip gezamenlijke huishouding, waardoor de noodzaak voor cassatierechtspraak niet meer noodzakelijk werd geacht. Aangezien met de huidige wetswijziging opnieuw voor de sociale zekerheid een uniform begrip gezamenlijke huishouding gaat gelden, acht ik een cassatie-mogelijkheid wenselijk. Vóór 1996 is het aantal zaken in cassatie beperkt gebleven, zodat ik ook nu inschat dat de belasting in technische en procedurele zin beperkt zal blijven.

Artikelsgewijs

Art. XXXIII, onderdeel D

Waarom wordt ervoor gekozen om de circulaire van 30 september 1992, AUB/14 218 niet als circulaire te laten voortbestaan en deze nu wettelijk vast te leggen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Bij de vormgeving van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid is er voor gekozen om de terugvorderingsbepalingen van de Abw, Ioaw, Ioaz en de socialeverzekeringswetten te harmoniseren. De circulaire van 30 september 1992, AUB/14 218 geldt alleen voor de gemeenten. Ik ben van mening dat hetgeen in het kader van de Abw is toegestaan vanwege de harmonisatiegedachte ook voor de sociale-verzekeringswetten moet gelden. Om deze uniformiteit te kunnen bewerkstelligen en ervoor te zorgen dat alle uitvoeringsorganisaties op dezelfde wijze zullen handelen is hetgeen alleen voor de Abw is geregeld nu in alle materiewetten zelf opgenomen. Gezien de verschillende wijze van aansturing van de uitvoeringsorganisaties is een wetswijziging de meest geschikte wijze om de uniformering te regelen.

Artikel XXXIII, onderdelen F en G, onder 1

De leden van de D66-fractie stemmen in met de verlenging van de termijn van twee naar vier dagen maar vragen de Staatssecretaris waarom hij de termijn op vier dagen heeft gesteld en niet op drie of vijf dagen.

In de Ziektewet is de werkgever een termijn van twee dagen gegund om zijn werknemer(s) bij de uitvoeringsinstelling ziek dan wel hersteld te melden. Door de invoering van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tijdens ziekte en de verplichte aansluiting bij een arbodienst kiezen veel werkgevers ervoor de administratie in verband met verzuimgevallen via de arbodienst te laten gaan. Dit heeft tot gevolg dat een extra schakel in de communicatie is ontstaan. Het resultaat hiervan is dat de oorspronkelijke termijn van twee dagen thans vaak te krap is. Uitgaande van het feit dat één communicatieschakel twee dagen kost, heb ik ervoor gekozen de oorspronkelijke termijn met nogmaals twee dagen te verlengen.

Artikel XXXIII , Onderdeel F, onder 2

De leden van de D66-fractie vragen hoe ruim de aan het Lisv gegeven beleidsruimte is voor wat betreft de op grond van artikel 38, vierde lid ZW, op te leggen werkgeversboete in het individuele geval.

De aan het Lisv gegeven beleidsruimte is in individuele gevallen maximaal. Immers artikel 38, vierde lid, ZW stelt alleen een bovengrens (f 1000) vast. Nadere invulling van deze beleidsruimte geschiedt door het Lisv. Denkbaar is dat het Lisv de hoogte van de op te leggen werkgeversboete koppelt aan de mate van verwijtbaarheid van de werkgever in het individuele geval.

Artikel XXXIII, onderdeel K

De leden van de fractie van D66 vragen of een voorbeeld gegeven kan worden van situaties waarin na toekenning van ziekengeld sprake kan zijn van twijfel of betrokkene in plaats ziekengeld aanspraak heeft op loon jegens zijn werkgever.

Een werknemer heeft bij ziekte recht op loondoorbetaling voorzover en voor zolang er sprake is van een arbeidsovereenkomst. In andere gevallen bestaat bij ziekte recht op ziekengeld. Nu is het niet altijd zeker of er een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bestaat. Er is een aantal situaties denkbaar waarin eerst werd verondersteld dat geen arbeidsovereenkomst (meer) bestond, terwijl dit in een latere instantie wel het geval blijkt te zijn. Het kan zijn dat een werkgever dacht dat een arbeidsovereenkomst geëindigd was, terwijl later wordt vastgesteld (bijvoorbeeld door een rechtelijke uitspraak) dat dit niet zo was. Ook kan het voorkomen dat werkgever en werknemer er van uitgaan dat er sprake is van een gelijkgestelde arbeidsverhouding zoals thuiswerk (op grond waarvan ziekengeld verstrekt kan worden) terwijl later sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel XXXIV, onderdeel M

De leden van de fractie van de VVD constateren dat het hier gaat om vervanging van bestaande tekst door «dan wel die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de WW». Zij vragen hoe kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk en serieus sprake is van die bereidheid en dat het niet gaat om een formele mededeling zonder echte intenties met het oog op het verkrijgen van deze verzekering.

Het begrip «beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden» geeft naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Dit laatste impliceert dat de vraag of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook de houding en het gedrag van de betrokken werknemer, zal moeten worden beantwoord. Deze beoordeling is mijns inziens geen andere dan die welke diende plaats te vinden met betrekking tot de te vervangen voorwaarde in de bestaande tekst «te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen (....)dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan».

Artikel XLII, onderdeel A

In onderdeel A van artikel XLII wordt een onvolkomenheid in artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering gecorrigeerd. De leden van de VVD-fractie vragen waarom dit 10 jaren heeft moeten duren.

Bij de omvangrijke stelselherziening van 1987 is de onvolkomenheid in de wet geslopen. Dit is onlangs pas gebleken en de Veegwet SZW 1997 is de eerste gelegenheid om «Onze Minister» te vervangen door «de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met onze Minister». De primaire bevoegdheid tot het vaststellen van de maximumpremiegrens Ziekenfondswet berust daarmee bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel XLIII, onderdeel D

De leden van de fractie van de VVD vragen of het echt noodzakelijk is om een aantal regels in te voeren omtrent termijnen ten aanzien van de duur van de uitvoering van ingekochte diensten en of dit niet geheel ingaat tegen het principe van decentrale bevoegdheden.

Ik neem aan dat de vraag van deze leden ziet op artikel XLIII, onderdeel I en merk dienaangaande het volgende op. Doelstelling van de inkoopregeling is dat door middel van inkoop van diensten en inspanningen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de mogelijkheden tot toeleiding van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt worden vergroot. Naast het gegeven dat er op grond hiervan een direct verband moet bestaan tussen genoemde doelstelling van de regeling en de te leveren diensten, zal er daarom ook sprake moeten zijn van een overzienbare termijn tussen de door de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afgesproken diensten en de feitelijke levering en afronding daarvan. Het zal immers moeten gaan om diensten die het concrete uitzicht van de moeilijk plaatsbare op een plaats in het arbeidsproces dichterbij brengt; dit verdraagt zich slecht met een te lange afwikkeling van de gemaakte afspraken. In het verlengde van het voorgaande is tevens – zoals ook in de toelichting bij deze wijziging is aangegeven – onderkend dat het ten behoeve van een beheersbare financiële verantwoording en afwikkeling van de jaarlijkse uitkering aan de gemeenten wenselijk is een meer omlijnd regime voor de financiële afwikkeling tot stand te brengen.

Hiertoe wordt bij lagere regelgeving een horizon aangebracht aan de duur van de uitvoering van de contractueel ingekochte dienstverlening en aan de financiële verantwoording daarover. Zonder een dergelijke horizon in de tijd zou het jaren kunnen duren voordat een budgetjaar verantwoord en afgesloten wordt. Een dergelijke onoverzichtelijkheid is ongewenst.

Ik wil erop wijzen dat met deze te stellen regels geen inhoudelijke inperking van de decentrale beleidsmatige mogelijkheden van de inkoopregelgeving plaatsvindt. Hiermee wordt derhalve geen afbreuk gedaan aan de verantwoordelijkheid van de decentrale autoriteit. Met deze aanpassing wordt beoogd dat er een hechtere afstemming tussen het doel van de regeling en het verantwoordingsregime tot stand komt.

Artikel LVII

Hoewel deze leden geen bezwaar hebben tegen de inhoud van artikel LVII, houdende een wijziging van de artikelen 1 en 2 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, vragen zij zich af of het passend is om een dergelijke bepaling, die naar hun mening meer gerelateerd is aan de positie van de betrokken leden dan aan de socialezekerheid op deze wijze onder te brengen in een veegwet, zonder daarbij in de Memorie van Toelichting enige toelichting te geven.

Hierover merk ik op dat in het bedoelde artikel expliciet wordt geregeld dat leden van de Staten-Generaal en het Europees Parlement niet tevens lid van het bestuur van het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank of het Landelijk instituut sociale verzekeringen kunnen zijn. Het betreft hier bestuursorganen op het terrein van de sociale zekerheid. Omdat de Veegwet SZW 1997 hier eveneens betrekking op heeft is er voor gekozen de betrokken bepaling in deze wet op te nemen. Mede gezien het feit dat de inhoud van de bepaling onomstreden is, hetgeen de leden van de VVD met mij eens zijn, past deze binnen de Veegwet SZW 1997.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave