Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825641 nr. 5

25 641
Nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten en enige andere wetten, houdende wijziging/intrekking van de Wet Werkloosheidsvoorziening, eenvormige definiëring van de term gezamenlijke huishouding en technische alsmede enige andere wijzigingen (Veegwet SZW 1997)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 28 oktober 1997

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van het wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Indien de regering de vragen en opmerkingen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging genoegzaam voorbereid.

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het grote aantal voorstellen tot verbetering van technische onvolkomenheden. Heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid plannen om wetgevingstrajecten in de toekomst beter op elkaar af te stemmen, zodat fouten zoveel mogelijk worden voorkomen.

De leden van de fractie van D66 hebben met instemming kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij constateren dat bij wet van 21 december 1995, de Veegwet SZW 1996, knelpunten en misverstanden zijn opgelost die zijn ontstaan door de grote wetgevende operaties die met name in de jaren 1993, 1994 en 1995 hun beslag hebben gekregen. Het Lisv heeft op 14 mei 1997 aandacht gevraagd voor de problematiek van situaties van samenloop van een AAW/WAO- en met een WW-uitkering. De problemen zijn verergerd met de invoering van de Wet TBA. De uitvoering ondervindt veel hinder van de onduidelijkheden in de wet en regelgeving, die tot verschillende interpretaties en uitkomsten kunnen leiden. Rechtsgelijkheid en rechtszekerheid komen daardoor in opspraak. Naar uitkeringsgerechtigden toe is nauwelijks aan te geven wat hun rechten zijn. Het Lisv heeft geconstateerd dat de problemen niet via een eenvoudige (technische) ingreep zijn op te lossen en doet een aantal aanbevelingen: alle uitvoeringsinstelling informeren over de problematiek en de daarbij aangedragen oplossingsrichtingen, aanpassing van artikel 14 van de dagloonregels IWS als oplossing voor de middellange termijn. Wijziging van artikel 14 is wellicht overbodig als de lange termijn oplossing wordt gerealiseerd (introductie van een inkomenssuppletie regeling, waarbij de duur gelijk wordt gesteld aan de bij het eerste WW-recht vastgestelde uitkeringsduur) of indien gekozen wordt voor een geheel nieuwe wijze van dagloonvaststelling. Wil de regering hierop reageren ?

Ook vragen de leden van de D66-fractie of de regering van mening is, mede gelet op de toezeggingen bij de behandeling van de TBA-wetgeving, dat er altijd een compensatie vanuit de WW dient plaats te vinden bij een (gedeeltelijke) afschatting als gevolg van een herbeoordeling.

2. Wijziging/intrekking van de WWV

Waarom kan regering geen datum noemen waarop de laatste nabetalingen en terugvorderingen plaatsvinden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

In het wetsvoorstel is onder meer de gedeeltelijke intrekking van de WWV geregeld. Hoewel de leden van de VVD-fractie daartegen in beginsel geen bezwaar hebben, vragen zij zich wel af waarom de WWV niet gewoon in zijn geheel had kunnen blijven bestaan om dan ook in het geheel op de voorziene datum te worden ingetrokken. Waarom al deze extra, overbodig lijkende inspanning?

3. Gezamenlijke huishouding

De leden van de PvdA-fractie kunnen op vele punten instemmen met dit wetsvoorstel, echter niet met de manier waarop in dit wetsvoorstel met het begrip «gezamenlijke huishouding» wordt omgegaan.

Zij hebben met verbazing kennisgenomen van het voornemen van de regering om ten behoeve van de bepaling van het partnerbegrip in de sociale verzekeringswetten de definitie uit de Algemene Bijstandswet te hanteren. Immers, het partnerbegrip in de Abw (de IOAW en de IOAZ zijn daarvan afgeleid en vigeren onder de werking van de Abw) heeft een andere en meer specifieke werking dan die in andere wetten, vanwege de vangnetfunctie van de bijstand. De bijstandsuitkering wordt wel individueel uitgekeerd, maar het recht op uitkering en de hoogte daarvan is afhankelijk van de woonsituatie en daarmee van de inkomenspositie van derden, indien daarmee een woning gedeeld wordt. Op blz. 4 van de MvT wordt aangegeven dat, indien eenmaal voor een van de sociale zekerheidswetten een gezamelijke huishouding is vastgesteld, deze zonder de mogelijkheid van verweer ook voor andere sociale zekerheidswetten geldt. Door het verbrede begrip van partner («als ware zij gehuwd»: zie de toelichting op artikel 3 Abw) van de bijstandswet te transponeren op andere sociale zekerheidswetten, zal de kring van rechthebbenden voor bijvoorbeeld een overlijdensuitkering in de sociale zekerheids-/verzekeringswetten zeer veel groter zijn dan thans. Ook samenwonenden in een kostganger-hospita-relatie en samenwonende bloedverwanten in de tweede graad worden dan rechthebbenden bij een overlijdensuitkering. Welke zijn de kosten die daaruit voortvloeien, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

Daarnaast zullen de uitvoeringsorganen van sociale wetten eenzelfde verificatieorganisatie moeten opzetten als de gemeentelijke sociale diensten om het recht op uitkering te kunnen vaststellen. Te denken valt aan het aantonen van feitelijk gemaakte kosten terzake van de samenwoning, huisbezoek, etc. Is dit werkelijk de bedoeling van de regering, zo vragen deze leden.

Deze vérstrekkende aanpassing van sociale zekerheids- en verzekeringswetten, die aanzienlijke consequenties heeft, behoort ook niet in een veegwet te zijn opgenomen, zo menen deze leden. Welke reden heeft de regering dit hoofstuk in de veegwet op te nemen? Waarom geen aparte behandeling van dit onderwerp in een afzonderlijk wetsvoorstel ?

De leden van de CDA-fractie vragen aandacht voor de situatie waarin broers en/of zussen samenwonen en elk een bijdrage leveren aan het huishouden, een gezamenlijke huishouding voeren, maar waar volgens het Burgerlijk Wetboek geen onderhoudsverplichting tussen beiden bestaat. Deze leden vragen zich af welke problemen dan bij voorbeeld bij het aanvragen van een bijstandsuitkering kunnen ontstaan en hoe deze opgelost kunnen worden.

Bovendien vragen deze leden voor welke groepen deze wijziging financiële consequenties heeft. Broers en zussen die samwenwonen worden onder de huidige regeling niet als een gezamenlijke huishouding worden gezien.

In het wetsvoorstel wordt voorzien in een identieke wijze van het instellen van cassatie tegen uitspraken van de CRvB ten aanzien van de gezamenlijke huishouding, zo constateren de leden van de fractie van de VVD. Tot nu toe bestond die mogelijkheid er slechts in een beperkt aantal gevallen. Kan worden aangegeven of en zo ja, waarom in het verleden in die situaties waarin cassatie niet was voorzien, daarvoor toen bewust is gekozen? Waarom wordt cassatiemogelijkheid nu ingevoerd en wat zijn daarvan de gevolgen wat betreft tijdsbeslag, bureaucratie, juridisering en kosten?

Artikelsgewijze opmerkingen

Artikel XXXIII, onderdeel D

Waarom wordt er voor gekozen om de circulaire van 30 september 1992, AUB/14218 niet als circulaire te laten voortbestaan en deze nu wettelijk vast te leggen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Artikel XXXIII, onderdelen F en G, onder 1

De leden van de fractie van D66 kunnen instemmen met de verlenging van de termijn van ziekmelding van twee naar vier dagen, maar vragen waarom de termijn op vier dagen is gesteld en niet op drie of vijf dagen.

Artikel XXXIII, onderdeel F, onder 2

De leden van de fractie van D66 constateren dat het Lisv meer beleidsruimte krijgt voor wat betreft de op te leggen boete aan een werkgever op grond van artikel 38, vierde lid ZW. Zij vragen hoe ruim de beleidsruimte is in het individuele geval.

Artikel XXXIII, onderdeel K

Dezelfde leden vragen of een voorbeeld kan worden gegevan een geval waarin sprake kan zijn van twijfels na toekenning van ziekengeld of betrokkene in plaats van dat ziekengeld aanspraak heeft op loon jegens zijn werkgever.

Artikel XXXIV, onderdeel M

De leden van de fractie van de VVD constateren dat het hier gaat om vervanging van bestaande tekst door «dan wel die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in art 16,1,b van de WW». De vraag die daarbij kan worden gesteld is hoe kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk en serieus sprake is van die bereidheid en dat het niet gaat om een formele mededeling zonder echte intenties met het oog op het verkrijgen van deze verzekering.

Artikel XLII, onderdeel A

Waarom heeft het 10 jaren moeten duren voordat deze correctie aan de orde kwam, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Artikel XLIII, onderdeel D

In dit onderdeel wordt een aantal regels ingevoerd omtrent termijnen ten aanzien van duur van uitvoering van ingekochte diensten. Het verbaast de leden van de VVD-fractie dat daar waar er sprake is van decentralisering en een van de kenmerken van het gedecentraliseerde inkoopmodel nu juist is dat de verantwoordelijkheid bij de decentrale autoriteit is neergelegd, er hier toch weer detaillistisch overkomende regelgeving tot stand moet worden gebracht. Is dit echt noodzakelijk en gaat het niet geheel in tegen het principe van decentrale bevoegdheden?

Artikel LVII

Hoewel de leden van de VVD-fractie geen bezwaar hebben tegen de inhoud van dit artikel, vragen zij zich af of het passend is om een dergelijke bepaling, die meer gerelateerd is aan de positie van parlementsleden dan aan de sociale zekerheid, op deze wijze onder te brengen in een veegwet, zonder daarbij bovendien in de memorie enige toelichting te geven.

De voorzitter van de commissie,

Wolters

De griffier van de commmissie,

Van Dijk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Wolters (CDA), voorzitter, Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en R. A. Meijer (Groep Nijpels).

Plv. leden: Terpstra (CDA), Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Sterk (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), G. de Jong (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Oudkerk (PvdA), Apostolou (PvdA), Heeringa (CDA), Van Boxtel (D66), vacature CD, J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD) en Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels).