Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825641 nr. 3

25 641
Nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten en enige andere wetten, houdende wijziging/intrekking van de Wet Werkloosheidsvoorziening, eenvormige definiëring van de term gezamenlijke huishouding en technische alsmede enige andere wijzigingen (Veegwet SZW 1997)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Bij wet van 21 december 1995, Stb. 691, tot nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (Technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen), hierna te noemen de veegwet 1996, zijn knelpunten en misverstanden opgelost die zijn ontstaan door de grote wetgevende operaties die in, met name, de jaren 1993, 1994 en 1995 hun beslag hebben gekregen. In dat verband ging het met name om de wet van 26 februari 1992, Stb. 82, houdende wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede een regeling voor het overheidspersoneel in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen (terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume), de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (wet TBA), de Wet terugdringing ziekteverzuim (Wet TZ) en de wet van 22 december 1994, Stb. 955, houdende wijziging van de Werkloosheidswet en enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW), hierna te noemen de Wet aanscherping referte-eisen WW).

Sindsdien is er weer een aantal wetten tot stand gekomen die ingrijpende wijzigingen hebben aangebracht in de socialezekerheidswetgeving. Ik wijs daarbij met name op de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz), de wet van 25 april 1996, Stb. 248, tot wijziging van de sociale zekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan, verder te noemen de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Daarnaast zijn er ook allerlei andere wetten wier invoering doorwerkt in de socialezekerheidswetten, zoals de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) en de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996.

Met name het – gedeeltelijk – gelijktijdig naast elkaar lopen van wetgevingstrajecten heeft een aantal technische onjuistheden en misverstanden veroorzaakt. Daarnaast is door het feit dat de daadwerkelijke uitvoering van een aantal wetten inmiddels – geheel of gedeeltelijk – ter hand is genomen een aantal technische onvolkomenheden naar voren gekomen. Deze onvolkomenheden zijn door het toenmalige Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) en de Sociale Verzekeringsbank (SVb) naar voren gebracht.

Er is voor gekozen om, in navolging van de veegwet 1996, de wijzigingen, die op wetsniveau noodzakelijk zijn om vorenbedoelde knelpunten op te lossen, middels één wet tot stand te brengen. Bedoelde wijzigingen zijn opgenomen in hoofdstuk IV van het wetsvoorstel. Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in dit wetsvoorstel ook enkele andere wijzigingen onder te brengen. Enerzijds is dit de wijziging en de intrekking op een later tijdstip van de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) en daarmee verband houdende wijzigingen in andere wetten. Anderzijds is dit een aanpassing van de bepalingen inzake het voeren van een gezamenlijke huishouding in de socialeverzekeringswetten. Deze wijzigingen zijn opgenomen in respectievelijk de hoofdstukken I, II en III.

Zoals aangegeven zijn de hier voorgestelde wijzigingen overwegend technisch van aard. Zij doorkruisen dan ook niet de evaluatie die in het kader van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid zal plaatsvinden.

De opbouw van deze memorie is als volgt. In de paragrafen 2 en 3 wordt kort ingegaan op de inhoud van respectievelijk de hoofdstukken I, II en III. Tot slot volgt de artikelsgewijze toelichting op dit wetsvoorstel.

2. Wijziging/intrekking WWV

In artikel 3, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) is bepaald dat vanaf 1 januari 1987 geen nieuw recht op WWV-uitkering kan ontstaan. Wel is in artikel 5 van de IWS voorzien in het voortbestaan van het recht op WWV-uitkering voor (een deel van) de personen die op 31 december 1986 recht hadden op WWV-uitkering. Voorts is in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de IWS voorzien in de mogelijkheid van herleving van de WWV-uitkering die op die datum was onderbroken door werkaanvaarding of door een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of 14, eerste lid, van de WWV. Vorenbedoelde herleving kon slechts plaatsvinden indien de omstandigheid die tot de onderbreking van het recht op WWV-uitkering had geleid voor 1 januari 1989 ophield te bestaan. Indien betrokkene op 31 december 1986 geen recht op WWV-uitkering had omdat dat niet was ontstaan omdat zijn werkgever het loon onverminderd doorbetaalde kon dat recht, ingevolge artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de IWS nadien alsnog ontstaan. In de in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de IWS bedoelde situatie kan geen recht op WWV-uitkering meer ontstaan vanaf 1 juli 1987.

In verband met de aanpassing van de WWV aan de Derde EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid (richtlijn nr. 79/7/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PbEG 79 L 6)) kwam per 23 december 1984 de tot dan toe bestaande kostwinnerseis in de WWV te vervallen. Ondanks de beperkende bepalingen in de IWS bleef het wel mogelijk om vroegere, door het vervallen van de kostwinnerseis ontstane, rechten op WWV-uitkering na 1 januari 1987 geldend te maken. Bij de wet van 6 juni 1991, Stb. 318, die op 1 juli 1991 in werking trad, is deze mogelijkheid met ingang van 1 januari 1992 beëindigd, zodat uiterlijk op 31 december 1991 nog een vroeger recht op WWV-uitkering geldend gemaakt kon worden. Als gevolg hiervan vindt thans nog slechts in enkele gevallen, met name bij toekenningen met terugwerkende kracht na een uitspraak van de beroepsrechter, een nabetaling plaats. Ook ontvangen de gemeenten in een aantal gevallen van uitkeringsgerechtigden nog WWV-gelden terug als gevolg van terugvordering van destijds ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkeringen.

Nu de WWV praktisch is uitgewerkt, kan het merendeel van de bepalingen van de WWV gevoeglijk vervallen. Artikel I strekt hiertoe. Op grond van artikel LXXII treedt dit artikel in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de Veegwet SZW 1997 wordt geplaatst.

Met het oog op een goede financiële afwikkeling blijven de hoofdstukken VII en VIII van de WWV voorlopig nog van kracht. Dit houdt verband met het feit, dat de gemeenten nog een titel nodig hebben om de eventuele uitgaven (uitkeringen) en inkomsten (uit terugvordering) en de daaraan verbonden uitvoeringskosten met het Rijk te kunnen verrekenen. Op grond van artikel 40 van de WWV vergoedt het Rijk namelijk aan de gemeenten uitvoerings- en uitkeringskosten, verbonden aan deze wet. Het van kracht blijven van hoofdstuk VII van de WWV biedt hiertoe de mogelijkheid.

Het handhaven van de inlichtingenplicht, neergelegd in hoofdstuk VIII van de WWV, wordt wenselijk geacht met het oog op die gevallen waarin nog terugvordering plaatsvindt.

Voorts is in artikel XV van het wetsvoorstel al voorzien in de intrekking van de WWV. Op grond van artikel LXXII treedt dit artikel in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit omdat thans niet vaststaat, op welk moment de laatste nabetalingen plaatsvinden c.q. in welk jaar alle nog openstaande bedragen ter zake van terugvordering zijn betaald.

3. Gezamenlijke huishouding

In de socialeverzekeringswetten zijn op dit moment reeds bepalingen opgenomen waarin twee personen die ongehuwd zijn in geval zij een gezamenlijke huishouding voeren toch als gehuwd worden aangemerkt. Kort gezegd wordt in deze wetten (met ingang van 1 januari 1997) mede als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren tenzij tussen deze personen een bloedverwantschap in de eerste graad bestaat. Van een gezamenlijke huishouding is slechts sprake indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Op het terrein van de wetgeving inzake leefvormen zijn op dit moment diverse ontwikkelingen gaande.

Ten eerste zijn nieuwe aanwijzingen voor de regelgeving vastgesteld tot harmonisatie van de wettelijke bepalingen over ongehuwd-samenlevenden ter verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaving daarvan. Deze aanwijzingen vinden hun oorsprong in het rapport van een interdepartementale werkgroep over harmonisatie van leefvormbepalingen in de regelgeving. (Kabinetsstandpunt van 14 augustus 1996, kamerstukken II 1995/96, 22 700, nr. 21). Het advies van de werkgroep en de daarop gebaseerde aanwijzingen voor de regelgeving sluiten inhoudelijk grotendeels aan bij hetgeen reeds is vastgelegd in de in 1996 in werking getreden Algemene bijstandswet (Abw) en in de Anw. Deze nieuwe aanwijzingen voor de regelgeving nopen tot aanpassing van de socialeverzekeringswetten. Op één punt wijkt de tekst van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen af van die zoals opgenomen in de aanwijzingen: Personen die hetzelfde woonverblijf hebben en die bij een uitvoeringsorgaan op grond van een registratie worden aangemerkt als personen die een gezamenlijke huishouding voeren, worden, zonder mogelijkheid van verweer, geacht ook voor de toepassing van andere wetten een gezamenlijke huishouding te voeren.

Deze uitzondering is noodzakelijk om te voorkomen dat personen zich afhankelijk van te behalen voordelen ten behoeve van de ene socialeverzekeringswet wel en de andere niet als gezamenlijke huishouding laten registreren (het zogenaamde regelwinkelen).

Een tweede ontwikkeling is de voorgenomen wijziging van het Burgerlijk Wetboek (BW) en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met opneming daarin van bepalingen voor de registratie van een samenleving (kamerstukken II, 1993/94, 23 761). Kort samengevat wordt in dit wetsvoorstel de samenleving van personen die hun samenleving hebben laten registreren bij de burgerlijk stand op een groot aantal punten gelijkgesteld met het huwelijk. De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel noopt ook tot aanpassing van alle socialeverzekeringswetten op dit punt. De wijzigingen voortvloeiende uit dit wetsvoorstel zullen bij separate interdepartementale aanpassingswet (die thans nog in voorbereiding is) in de diverse socialeverzekeringswetten worden ingevoerd.

In verband hiermee, alsmede in verband met de aanpassing van de bepalingen die betrekking hebben op het voeren van een gezamenlijke huishouding, heeft een heroverweging plaatsgevonden met betrekking tot de vraag op welke plaats in een wet de definiëring van geregistreerd partnerschap en gezamenlijke huishouding nu dient te worden opgenomen. Dit was tot op heden in de diverse socialeverzekeringswetten niet op eenduidige wijze geregeld. In een aantal wetten is de definitie van gezamenlijke huishouding in de bepaling inzake de overlijdensuitkering opgenomen terwijl in andere wetten hiertoe een definitiebepaling is opgenomen in een van de eerste artikelen van de wet.

In de aanpassingen van de socialeverzekeringswetten in dit hoofdstuk is gekozen voor de laatste aanpak. Het opnemen van definities aan het begin van de wet omtrent geregistreerd partnerschap respectievelijk het voeren van een gezamenlijke huishouding zal de duidelijkheid omtrent de reikwijdte van een wet ten goede komen. Gelet op de directe samenhang tussen de eerder genoemde aanpassingswet in verband met het geregistreerd partnerschap en de aanpassingen in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding, met name in verband met vernummeringen in artikelleden die dit tot gevolg heeft, is er in deze wet voor gekozen de wijzigingen in wetten die zien op het voeren van een gezamenlijke huishouding in één hoofdstuk bij elkaar te behandelen.

Tenslotte wordt in dit hoofdstuk van de gelegenheid gebruik gemaakt op identieke wijze te voorzien in de mogelijkheid tot het instellen van beroep in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot (kort samengevat) het al dan niet aanmerken van situaties als het voeren van een gezamenlijke huishouding. Tot op heden bestond deze mogelijkheid slechts in een beperkt aantal wetten (bijvoorbeeld Toeslagenwet (TW) en Algemene Ouderdomswet (AOW)).

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

HOOFDSTUK I WIJZIGING WET WERKLOOSHEIDSVOORZIENING EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE WIJZIGINGEN IN ANDERE WETTEN

Artikel I

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de toelichting

Artikelen II tot en met XII

In deze artikelen worden verwijzingen naar de WWV die in andere wetten voorkomen, geschrapt.

Artikel XIII

Dit artikel voorziet in een wijziging van de wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten met het oog op de opneming in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen inzake het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen aan wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen), indien deze in werking treedt. De aanpassing van de WWV, neergelegd in artikel XII van die wet, is dan, gelet op de wijziging van de WWV bij artikel I van deze wet, niet meer nodig.

Artikel XIV

In artikel 5 van hoofdstuk 9 van het op 18 juni 1997 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van wetgeving aan de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Aanpassingswet geregistreerd partnerschap; kamerstukken II 1996/97, 25 407) wordt de WWV gewijzigd. Indien de Aanpassingswet geregistreerd partnerschap op hetzelfde tijdstip of op een later moment tot wet wordt verheven dan deze veegwet is deze wijziging van de WWV niet opportuun meer. Dit artikel voorziet daarom in de intrekking van dat artikel van de Aanpassingswet.

HOOFDSTUK II INTREKKING WET WERKLOOSHEIDSVOORZIENING EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE WIJZIGING VAN DE BEROEPSWET

Artikel XV

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel XVI

In verband met eventuele lopende beroepszaken komt de vermelding van de WWV in onderdeel C van de bijlage bij de Beroepswet te vervallen tegelijk met de intrekking van de WWV. Een en ander is geregeld in artikel LXXII, eerste lid.

HOOFDSTUK III GEZAMENLIJKE HUISHOUDING

Artikelen XVII tot en met XXXII

Voor een toelichting op de in deze artikelen opgenomen wijzigingen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het algemeen deel van de toelichting.

De artikelen XVII, onderdelen A tot en met C, XVIII, onderdelen A tot en met C, XIX, onderdelen A en B, XX, onderdeel A, XXI, XXII, onderdeel A, XXIII, onderdelen A tot en met C, XXIV, de onderdelen A en B, XXVIII, onderdeel A, XXX, onderdelen A tot en met C, en XXXI, onderdelen A en B, betreffen de wijzigingen met betrekking tot het al dan niet aanmerken als gehuwd van personen die een gezamenlijke huishouding voeren dan wel de aanpassingen van de daarop betrekking hebbende bepalingen.

De artikelen XVII, onderdeel D, XVIII, onderdeel D, XIX, onderdeel C, XX, onderdeel B, XXII, onderdeel B, XXIII, onderdeel D, XXIV, onderdeel C, XXV tot en met XXVII, XXVIII, onderdeel B, XXX, onderdeel D, en XXXI, onderdeel C, voorzien in het instellen van beroep in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot de hiervoor vermelde bepalingen inzake gezamenlijke huishouding.

De wijziging die door artikel XXVIII, onderdeel A, onder 1, in de Wet voorzieningen gehandicapten wordt aangebracht, kan in bepaalde samenwoningssituaties ertoe leiden dat, gezien het gezinsinkomen, een hogere eigen bijdrage wordt gevraagd. In het geval dat voor een bepaalde voorziening een inkomensgrens wordt gehanteerd (bijvoorbeeld voor een vervoersvoorziening), kan de wijziging tot gevolg hebben dat de cliënt met zijn gezinsinkomen boven die grens uitkomt en daardoor het recht op de voorziening verliest. De in artikel XXIX opgenomen overgangsbepaling verzacht de negatieve financiële gevolgen van de wijziging enigszins door betrokkenen minimaal een jaar (afhankelijk van de publicatie van deze wet) de tijd te geven zich op de nieuwe situatie in te stellen.

Indien artikel II van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen in werking treedt vóór deze veegwet, komt op grond van artikel XXXII artikel XIX (Algemene Arbeidsongeschiktheidswet; AAW) te vervallen, omdat bij artikel II van genoemde invoeringswet de AAW wordt ingetrokken.

HOOFDSTUK IV ANDERE WIJZIGINGEN

Artikel XXXIII (Ziektewet)

Onderdeel A, onder 1

In artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet (ZW), zoals dit lid ingaande 1 maart 1996 bij de Wulbz is komen te luiden, is bepaald, dat in beginsel geen recht op ziekengeld bestaat indien recht bestaat op loon als bedoeld in artikel 1638c van Boek 7A (thans artikel 629 van Boek 7) van het BW. Uitzondering hierop vormen de artikelen 29a ZW (zwangerschap en bevalling) en 29b ZW (herintredende uitkeringsgerechtigden op grond van de AAW en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)) van de ZW. Ten onrechte is hierbij niet genoemd artikel 29, tweede lid, onderdeel e, van de ZW. Op grond van dit onderdeel komt ook de orgaandonor, hoewel hij recht heeft op loon, in aanmerking voor ziekengeld. Deze omissie wordt hierbij met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 1996 hersteld.

Onderdeel A, onder 2

Op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, heeft degene die op grond van artikel 7 van de ZW (werkloze) als werknemer wordt beschouwd, recht op ziekengeld vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. In dit onderdeel had ook artikel 8a van de ZW (WAO-uitkeringsgerechtigde) behoren te worden genoemd, voorzover er sprake is van een reïntegratie-uitkering op grond van artikel 63 van de WAO (proefplaatsing). Uit artikel 21 volgt namelijk, dat een persoon op proefplaatsing – die overigens geen recht heeft op loondoorbetaling op grond van het BW – recht heeft op ziekengelduitkering. Voor deze gevallen kan echter formeel de datum van ingang en de hoogte van het ziekengeld niet worden vastgesteld, omdat een daartoe strekkende bepaling in artikel 29, tweede lid, ontbreekt.

De op dit punt aangebrachte wijziging strekt ertoe voor deze personen de datum van ingang van het ziekengeld vast te stellen. Uit het zesde lid van artikel 29 van de ZW vloeit vervolgens voort dat de hoogte van de ZW-uitkering 70% van het dagloon is. Wel zullen in verband hiermee de door de minister vast te stellen dagloonregels nog dienen te worden aangepast, teneinde voor deze personen de hoogte van het dagloon te kunnen bepalen. Deze wijziging dient eveneens terugwerkende kracht te krijgen tot en met 1 maart 1996, zijnde de datum waarop de Wulbz in werking is getreden.

Onderdeel A, onder 3

Vóór de inwerkingtreding per 1 maart 1996 van de Wulbz werden voor het toepassen van de wachtdagen tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgden. Bij een nieuwe uitval binnen vier weken na het einde van een vorige ziekteperiode werden de wachtdagen dan ook slechts eenmaal in aanmerking genomen. Een dergelijke bepaling komt sindsdien wel voor in artikel 1638c van boek 7A van het BW (thans artikel 629 van Boek 7), doch ontbreekt in artikel 29 ZW, zoals dit bij de Wulbz is komen te luiden. Zonder nadere voorziening zou dit betekenen, dat bij iedere uitval, dus ook bij uitval binnen vier weken na het einde van een vorige ziekteperiode, een nieuwe wachtperiode geldt. Dit is uiteraard niet de bedoeling. In verband hiermee is aan deze wijziging terugwerkende kracht verleend tot en met 1 maart 1996.

Onderdelen B en C

Bij de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Wet amber) is verzuimd de anticumulatieregeling op grond van de ZW aan te passen aan de bij die wet ingevoerde artikelen 29a/32a van de AAW en 39a/43a van de WAO. Het gevolg van het uitblijven van deze aanpassing was, dat in geval van toepassing van genoemde artikelen in de AAW en de WAO samenloop kon ontstaan van ziekengeld met AAW/WAO-uitkering. Beide uitkeringen konden dan ongekort worden uitbetaald. Aangezien een dergelijke ongekorte betaling van uitkeringen in deze situaties duidelijk niet voor de hand ligt, is in onderdeel B in artikel 32 van de ZW een anticumulatieregeling opgenomen in geval van toepassing van de artikelen 29a van de AAW en 39a van de WAO en in een nieuw artikel 32a van de ZW in geval van toepassing van de artikelen 32a van de AAW en 43a van de WAO.

Onderdeel D en de artikelen XXXIV, onderdeel K, XXXV, onderdeel K, XXXVI, onderdeel J, XXXVII, onderdeel E, XXXVIII, onderdeel D, XXXIX, onderdeel G, XL, onderdeel I, XLIII, onderdeel E, XLIV, onderdeel B, XLV, onderdeel C, LVIII, onderdeel E, en LIX, onderdeel D

Voor wat betreft wijziging van de Abw, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) betreft het een formalisering van een reeds bestaande praktijk die gebaseerd is op de circulaire van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 september 1992 (nr. AUB/14 218). In deze circulaire is voor de gemeenten bepaald dat zij de beleidsvrijheid hebben om bij geringe bedragen niet tot terugvordering in rechte over te gaan. In de brief van 27 november 1995 aan de Tweede Kamer (kamerstukken II 1995/96, 23 909, nr. 24), heeft het kabinet medegedeeld, dat voornoemde circulaire ook na invoering van de Wet Boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid, zijn rechtskracht zal behouden. Het kabinet kiest er voor om dit nu wettelijk vast te leggen.

Met de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid zijn de terugvorderingsbepalingen in de sociale zekerheid geharmoniseerd. Het kabinet kiest er voor de harmonisatie van de terugvorderingsbepalingen in de sociale zekerheidswetten te handhaven. In het verlengde van de wijziging in de Abw, de IOAW en de IOAZ worden ook de sociale verzekeringswetten overeenkomstig aangepast.

Onderdeel E

Bij artikel III, onderdeel A, van de wet van 20 december 1995, Stb. 696, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten is artikel 35 van de ZW met ingang van 1 januari 1997 in zijn geheel vervangen. Bij de verwijzingen naar artikel 29 ZW in de nieuwe tekst van artikel 35, tweede en zevende lid, was nog geen rekening gehouden met de wijzigingen in artikel 29 van de ZW, zoals dit artikel bij de Wulbz is komen te luiden. Dit onderdeel strekt daartoe.

Onderdeel F, onder 1, en G, onder 1

Voorgesteld wordt de termijn voor melding van ziekte/herstel te verruimen van twee dagen tot vier dagen. De situatie is veranderd sinds de termijn van twee dagen voor melding van arbeidsongeschiktheid en herstel werd ingevoerd in de ZW. Toen ging de communicatie direct van werkgever naar bedrijfsvereniging. Met het invoeren van de loondoorbetalingsplicht van de werkgever tijdens ziekte, en de verplichte aansluiting bij een arbodienst, kiezen met name kleinere werkgevers er vaak voor, de administratie in verband met verzuimgevallen via de arbodienst te laten lopen. Het resultaat is dat de termijn van twee dagen thans vaak te krap is.

Onderdelen F, onder 2,

Op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel c, wordt aan een verzekerde wiens dienstbetrekking binnen het tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken eindigt, ziekengeld uitgekeerd vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken na het einde van die dienstbetrekking. In artikel 38, tweede lid, is bepaald, dat die werkgever bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) aangifte doet van de ongeschiktheid van een dergelijke verzekerde op de laatste dag voordat de dienstbetrekking eindigt. In deze gevallen bestaat er in de wet voor de werkgever geen prikkel tot tijdige ziekmelding. In verband hiermee wordt in dit onderdeel voorgesteld om ook deze werkgever, indien hij die verplichting tot ziekmelding niet of niet behoorlijk is nagekomen, een boete op te leggen.

Voor wat betreft de boete die een werkgever op grond van artikel 38, vierde lid, van de ZW opgelegd kan krijgen wordt het systeem van vaste boetes verlaten. Gebleken is dat in de praktijk onvoldoende rekening kan worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid en de ernst van het verzuim in individuele gevallen. De toevoeging van de zinsnede «ten hoogste» schept in deze meer beleidsruimte voor de uitvoering.

Voorts is de laatste volzin van het vierde lid van artikel 38 van de ZW aangepast aan de vernummering van leden van dat artikel bij de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (IOsv 1997).

Onderdeel G, onder 2

In artikel 38a van de ZW is de ziek- en hersteldmelding geregeld van verzekerden die aanspraak maken op ziekengeld.

Op grond van het tweede lid van dat artikel is de werkgever, na een door hem ontvangen ziekmelding van een verzekerde, verplicht zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, aan het Lisv te melden.

Wanneer de werkgever deze termijn voor ziekmelding overschrijdt, heeft dit voor die werkgever geen gevolgen. In deze gevallen bestaat er in de wet voor de werkgever geen prikkel tot tijdige ziekmelding. In verband hiermee is in het nieuwe derde lid van artikel 38a ZW bepaald, dat als de werkgever, jegens wie de werknemer aanspraak heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte, die melding op een later tijdstip doet, het ziekengeld niet eerder ingaat dan met ingang van de datum van die melding. Gedurende de periode waarover als gevolg van de latere ziekmelding door de werkgever, geen ziekengeld wordt betaald, kan het door hem te betalen loon dan niet worden verminderd met het bedrag van het ziekengeld. Voor de verzekerde heeft deze bepaling geen gevolgen. Deze heeft, ongeacht of de werkgever de melding tijdig doet, immers recht op loondoorbetaling.

In het nieuwe vierde en vijfde lid van artikel 38a ZW is de hersteldmelding geregeld. Tot nu toe lag de verplichting tot hersteldmelding uitsluitend bij de verzekerde, ook in die gevallen waarin de werkgever de verzekerde bij het Lisv had ziekgemeld. Voor de gevallen waarin de verzekerde geen werkgever (meer) heeft, is het vanzelfsprekend dat de verplichting tot hersteldmelding bij de verzekerde ligt. In de gevallen waarin de verzekerde die aanspraak heeft op ziekengeld, wel een werkgever heeft (zwangere, herintredende AAW/WAO-er, orgaandonor) ligt het meer voor de hand dat de werkgever die de ziekmelding heeft gedaan, ook de hersteldmelding verzorgt. Gelet hierop, is voor de wijze van hersteldmelding aangesloten bij de bepalingen die op grond van het eerste en tweede lid van artikel 38a gelden voor de ziekmelding. Het Lisv heeft er belang bij, dat niet langer uitkering wordt verstrekt dan noodzakelijk is. In verband hiermee wordt op grond van het zesde lid van artikel 38a van de ZW bij niet tijdige hersteldmelding door de werkgever, jegens wie de werknemer geen aanspraak heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte, aan hem een boete van ten hoogste f 1000,– opgelegd. Dit is in lijn met de boete die de werkgever op grond van artikel 38, vierde lid, van de ZW krijgt opgelegd indien hij de aldaar bedoelde verplichting tot hersteldmelding niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Onderdeel H, onder 1

Op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel d, weigert het Lisv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de verzekerde het in artikel 38a, eerste en derde lid (na de wijziging in onderdeel G vierde lid), neergelegde voorschrift inzake ziek- en hersteldmelding niet heeft opgevolgd. Terzake van de late ziekmelding ligt een maatregel voor de hand. Terzake van een te late hersteldmelding is echter geen maatregel mogelijk. Een maatregel kan immers pas opgelegd worden vanaf het moment waarop de overtreding is begaan. Vanaf dat moment bestaat er echter geen recht meer op ziekengeld, waardoor een maatregel als bovenbedoeld niet toepasbaar is. In verband hiermee wordt in onderdeel d de verwijzing naar het derde lid van artikel 38a geschrapt.

Onderdeel H, onder 2

Op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel e, weigert het Lisv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien een verzekerde zich niet houdt aan de hem op grond van artikel 30 opgelegde verplichtingen. Deze sanctie kan echter vervallen, omdat in artikel 30 bij het zonder deugdelijke grond weigeren van passende arbeid een korting van het ziekengeld is geregeld. Zo tevens een maatregel zou worden opgelegd, dan betekent dat voor de verzekerde feitelijk een dubbele sanctie. In verband hiermee wordt in onderdeel e de verwijzing naar artikel 30 geschrapt.

Onderdelen H, onder 3, en I, artikelen XXXIV, de onderdelen A en C, XXXV, de onderdelen B en D, XXXVI, de onderdelen F, onder 2, en G, XXXVII, de onderdelen B en C, XXXVIII, de onderdelen A en B, XXXIX, de onderdelen D, onder 2, en E, XL, de onderdelen E en F, LVIII, de onderdelen B en C, en LIX, de onderdelen B en C

In het Boetebesluit en het Maatregelenbesluit van het Lisv is geregeld, dat het opleggen van een boete of maatregel achterwege dient te blijven indien ten aanzien van de overtreding van het betreffende voorschrift geen verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) is die bepaling in strijd met de wettelijke bepalingen waarin is voorgeschreven dat het enkele feit dat het voorschrift is overtreden, gevolgd dient ter worden door het opleggen van een boete of maatregel. In de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is een relatie aangebracht tussen de hoogte van de boete of maatregel en de mate van verwijtbaarheid. Indien de verwijtbaarheid ontbreekt, zou de sanctie naar mijn mening tot nul gereduceerd moeten worden. Deze opvatting is destijds – met betrekking tot de boete – ook weergegeven in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 1994/95 23 909, nr. 7). Daarbij is onder meer gesteld, dat een boete alleen mag worden opgelegd, indien de belanghebbende de voor hem geldende informatieverplichting heeft geschonden en hem daarvan verwijt kan worden gemaakt. De opvatting van het Ctsv, dat voornoemde bepaling in de hiervoor aangehaalde besluiten contra legem is, is voor discussie vatbaar. Om echter buiten twijfel te stellen dat geen boete of maatregel kan worden opgelegd, indien ten aanzien van de overtreding van het betreffende voorschrift geen verwijt kan worden gemaakt, is dit in de onderscheiden bepalingen in de socialeverzekeringswetgeving inzake boeten en maatregelen met zoveel woorden neergelegd. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen die op dit punt reeds zijn voorgesteld in de artikelen 14 en 14a van de Abw bij het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met de preventie en bestrijding van armoede en van sociale uitsluiting (Kamerstukken I 24 772, nr. 101).

Onderdeel J, de artikelen XXXIV, onderdeel D, onder 1, XXXV, onderdeel E, onder 1, XXXVII, onderdeel D, XXXVIII, onderdeel C, XXXIX, onderdeel F, XL, onderdeel G, LVIII, onderdeel D, en LXX

Met de wijziging van bovenstaande artikelen wordt er in voorzien dat bij de tenuitvoerlegging van een boete- of terugvorderingsbeschikking voor in het buitenland wonenden het bijzondere regime voor de vaststelling van de beslagvrije voet van artikel 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.

In artikel LVIII, onderdeel D, wordt een wijziging aangebracht in artikel 54, negende lid, van de WAZ. In artikel XXII, onderdeel O, van het bij koninklijke boodschap van 21 juni 1997 ingediende voorstel van wet (Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen; Kamerstukken II, 1996/97, nr. 25 415) wordt het negende lid van artikel 54 van de WAZ gewijzigd in achtste lid. Artikel LXX voorziet in een aanpassing van artikel LVIII, onderdeel D, aan deze vernummering.

Onderdeel K

Op grond van een aantal socialeverzekeringswetten kan de uitkering bij wege van voorschot betaalbaar worden gesteld. Tot op heden ontbrak in de ZW een dergelijke voorschotbepaling. Dit onderdeel strekt ertoe ook mogelijk te maken, dat het ziekengeld bij wege van voorschot betaalbaar wordt gesteld, indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van het ziekengeld of de hoogte van het te betalen bedrag aan ziekengeld. Het is echter niet de bedoeling dat ook een voorschot wordt verleend ingeval van twijfel over de vraag of een betrokkene recht heeft op loon of onder de «vangnetvoorziening» valt. Dit zou niet aansluiten bij de gedachte achter Wulbz om in gevallen waarin onzekerheid bestaat over het recht op loondoorbetaling tijdens ziekte, geen voorschotbevoegdheid te geven. In verband hiermee is in het tweede lid van het voorgestelde artikel 47a van de ZW bepaald, dat het Lisv in die gevallen geen voorschot betaalt.

In de AAW en de WAO is geregeld dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering kan worden opgeschort of geschorst indien het Lisv van oordeel is of vermoedt dat tot intrekking of verlaging van de uitkering moet worden overgegaan. Ook de Werkloosheidswet (WW) en de TW kennen een schorsings- en opschortingsbevoegdheid. In de ZW is nog geen expliciete bepaling opgenomen om de uitbetaling van een eenmaal toegekend ziekengeld te schorsen, indien onduidelijk is of (nog) recht bestaat op ziekengeld.

Een dergelijke bepaling wordt sinds de totstandkoming van de Wulbz ook in de ZW wenselijk geacht, nu na toekenning van ziekengeld twijfels kunnen ontstaan over de vraag of de betrokkene in plaats van ziekengeld aanspraak heeft op loon jegens zijn werkgever. Ingevolge de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid wordt de uitkering ingetrokken indien onder meer door het niet nakomen van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat of dat anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag ziekengeld is toegekend. Met een schorsings- en opschortingsbevoegdheid kan worden voorkomen, dat, in afwachting van het bekend worden van voldoende gegevens om tot een definitieve beslissing te komen, de uitkering onnodig wordt doorbetaald en derhalve moet worden teruggevorderd. Hoewel op grond van jurisprudentie ook zonder expliciete bepaling stopzetting van betaling mogelijk is, gelet op het karakter van daguitkering van het ziekengeld, wordt een heldere wettelijke basis wenselijk geacht. Een en ander is geregeld in het derde lid van het voorgestelde artikel 47a van de ZW.

Onderdeel L

Bij artikel IV, onderdeel R, van de Wulbz is onder meer het derde lid van artikel 64 van de ZW komen te vervallen, terwijl voorts bij artikel XVI, onderdeel C, van het huidige wetsvoorstel het zesde lid van dat artikel komt te vervallen. In verband hiermee dient nog een vernummering plaats te vinden van het vierde en vijfde lid in derde en vierde lid.

Onderdeel M

Bij artikel I, onderdeel P, van de veegwet 1996 is in artikel 70 ZW bepaald, dat het ziekengeld van de vrijwillig verzekerde die geen aanspraak kan maken op betaling van loon, wordt uitgekeerd vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken. Hoewel dit niet met zoveel woorden in de tekst van artikel 70 ZW tot uiting komt, wordt met het aldaar gebezigde begrip «loon» gedoeld op loon uit een arbeidsovereenkomst, derhalve op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het BW en niet op het loonbegrip zoals dat in artikel 14 ZW is gedefinieerd. Dit moge onder meer blijken uit de memorie van toelichting, waarbij is gesteld, dat door die wijziging voor vrijwillig verzekerden die een aanspraak op loon hadden (waarbij onder meer werd gedacht aan de directeuren/ grootaandeelhouders van een besloten vennootschap) een wachtperiode van zes onderscheidenlijk twee weken kwam te gelden zoals ook sinds de inwerkingtreding van de wet TZ in het kader van de verplichte verzekering gold. Deze bedoeling kan ook worden afgeleid uit de Wulbz, waarbij in artikel XLI, onderdeel C, deze wijziging is voorgesteld in artikel 70 ZW, voor het geval de veegwet 1996 later in werking zou treden dan de Wulbz. Daarbij is verzuimd eenzelfde wijziging in artikel 70 ZW aan te brengen voor het geval de veegwet eerder in werking zou treden dan de Wulbz. In verband hiermee wordt voorgesteld in artikel 70 ZW thans uitdrukkelijk te vermelden dat het gaat om loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het BW.

Onderdeel N

Met de introductie van een nieuw derde lid in artikel 87a ZW wordt uitwerking gegeven aan een toezegging, gedaan door mijn ambtsvoorganger bij de behandeling van het wetsvoorstel Wulbz in de Eerste Kamer (zie hiervoor ook de Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr. 22, blz 2 en 3). Bij die gelegenheid is aangegeven dat de ZW zal worden verduidelijkt op het punt van de opzegging van «Wulbz-verzekeringen» door de werkgever, in de uitzonderlijke situatie dat – bij wijze van noodvoorziening – de (vangnet)ZW voor al zijn personeel, vanaf de eerste ziektedag, van kracht wordt.

Ingevolge artikel 87a ZW kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat in afwijking van de hoofdregel van loondoorbetaling bij ziekte, ziekengeld op de voet van de (vangnet)ZW wordt uitgekeerd, aan werknemers van bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen werkgevers. Materieel komt dit neer op herinvoering van de ZW voor de desbetreffende werkgevers en werknemers. Voor werkgevers die onder de reikwijdte van deze noodmaatregel zouden komen te vallen, bestaat geen enkele noodzaak (meer) voor het continueren van een particuliere verzekering tegen het risico van loondoorbetaling bij ziekte: hierin wordt dan immers voorzien door de ZW. Het is wenselijk dat een werkgever in dat geval een eventuele «Wulbz-verzekering» op korte termijn en zonodig eenzijdig kan beëindigen, teneinde geen situatie van «dubbele verzekering» te laten ontstaan of onnodig te laten voortbestaan. Het nieuwe derde lid van artikel 87a voorziet daarin. Op grond van dit artikellid kan de werkgever desgewenst de verzekeringsovereenkomst opzeggen met ingang van de dag waarop de noodmaatregel van kracht wordt. Dit betekent dat eventuele opzegbepalingen in de verzekeringsovereenkomst die voorzien in een langere opzegtermijn in het specifieke geval van de bedoelde noodmaatregel door artikel 87a, derde lid, opzij worden gezet. Door de opzegging vervalt de plicht tot premiebetaling (werkgever) en vanzelfsprekend ook de verplichting tot vergoeding van de loonschade (verzekeraar). De eventuele vooruitbetaalde premie dient door de verzekeraar tijdsevenredig te worden terugbetaald.

Artikel XXXIV (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)

Onderdelen B en D, onder 2, artikelen XXXV, onderdelen C en E, onder 2, en XL, onderdeel D

Per 1 augustus 1996 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid in werking getreden. Gebleken is, dat in een aantal socialezekerheidswetten de kring van personen aan wie een boete kan worden opgelegd niet geheel overeenkomt met de kring van personen, op wie de inlichtingenverplichting betrekking heeft.

Bij de AOW, de Anw en de TW kan, bij niet nakomen of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een boete behalve aan de belanghebbende (en zijn echtgenoot) ook aan de wettelijke vertegenwoordiger worden opgelegd.

Bij de WAO en de AAW heeft de wettelijke vertegenwoordiger van de belanghebbende wel een inlichtingenplicht, terwijl aan die vertegenwoordiger geen boete kan worden opgelegd. In verband hiermee wordt in laatstgenoemde wetten bepaald, dat ook aan een wettelijke vertegenwoordiger een boete kan worden opgelegd.

Het uitgangspunt dat de kring van personen op wie de inlichtingenverplichting betrekking heeft en aan wie een boete kan worden opgelegd, per wet met elkaar dient overeen te komen, lijdt uitzondering ten aanzien van de instelling waaraan de uitkering wordt uitbetaald. Deze instellingen hebben wel een inlichtingenverplichting, maar daaraan kan geen boete worden opgelegd. Hiervoor is destijds bewust gekozen. In de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontbreekt bij de bepaling die de inlichtingenverplichting regelt (artikel 15), echter abusievelijk de instelling waaraan de kinderbijslag wordt betaald. Onderdeel D van artikel XL strekt ertoe ook de instelling waaraan kinderbijslag wordt betaald, onder de inlichtingenverplichting te brengen.

Onderdeel E en de artikelen XXXV, onderdeel F, LVIII, onderdeel A, en LIX, onderdeel A

In het achtste lid van de artikelen 34 van de WAO, 35 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en 28 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en het zevende lid van artikel 24 van de AAW wordt aan het Lisv de bevoegdheid gegeven om ambtshalve een uitkering toe te kennen of voort te zetten. Voorwaarde is wel dat het tot een kennelijk hardheid zou leiden indien het derde lid (bij de WAZ en Wajong het vierde lid) zou worden toegepast.

In het derde lid (bij de WAZ en Wajong het vierde lid) is bepaald dat indien een belanghebbende voor een uitkering in aanmerking wil komen, hij binnen negen maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid een aanvraag voor een uitkering moet doen of, indien hij wil dat de uitkering wordt voortgezet, deze aanvraag moet doen binnen drie maanden voor het verstrijken van een tijdvak als bedoeld in het eerste lid.

Met name ten aanzien van psychotische en schizofrene mensen kan zich de situatie voordoen dat de betrokkene geen uitkering aanvraagt of weigert een uitkering aan te vragen. Dit kan ondermeer het gevolg zijn van het feit dat de betrokkene zijn ziekte ontkent. Met name voor degenen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, en dus meerderjarig zijn, kan deze opstelling er toe leiden dat zij niet of niet meer voor een uitkering op grond van deze wet in aanmerking kunnen komen. Immers deze personen hebben in eerste instantie geen wettelijk vertegenwoordiger die de aanvraag voor hen kan doen.

Het niet (willen) aanvragen van de uitkering of voortzetting van de uitkering door de betrokkene, is te beschouwen als het gevolg van de ziekte waaraan de betrokkene lijdt.

Het zou niet terecht zijn indien deze personen hierdoor niet in aanmerking zouden kunnen komen voor een uitkering op grond van deze wet. Ondermeer met het oog op deze groep is in het achtste lid van deze artikelen aan het Lisv de bevoegdheid gegeven om ambtshalve een uitkering toe te kennen dan wel ambtshalve voort te zetten.

Alvorens te besluiten tot een ambtshalve toekenning van een uitkering op grond van de Wajong dient door het Lisv wel te kunnen worden vastgesteld dat de ziekte van de betrokkene zich heeft geopenbaard voordat men de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, dan wel in de periode dat de betrokkene als studerende zoals gedefinieerd in artikel 5 van die wet, kon worden aangemerkt.

Voorts is het de bevoegdheid van het Lisv om te bepalen in welke andere situaties een uitkering ambtshalve kan worden toegekend. Daarbij dient het Lisv evenwel altijd te toetsen of toepassing van het derde lid (bij de WAZ en Wajong het vierde lid) zou leiden tot een kennelijke hardheid.

Onderdeel F, onder 1, en LXI, eerste lid

Artikel 40 van de WAO bepaalt, dat indien terzake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsmede toekenning van ZW-uitkering heeft plaatsgevonden, het WAO-dagloon, na 52 weken van ongeschiktheid tot werken, opnieuw wordt vastgesteld, mits dit tot een hoger dagloon of vervolgdagloon leidt. Een nieuwe dagloonvaststelling moet ook mogelijk zijn indien de werkgever op grond van artikel 1638c, eerste lid, van Boek 7A van het BW (vanaf 1 april 1997 artikel 629 van Boek 7 van het BW) bij ziekte gedurende 52 weken het loon heeft doorbetaald. Bij de totstandkoming van de Wulbz is de aanpassing van artikel 40 van de WAO op dit punt abusievelijk achterwege gebleven. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 april 1997, zijnde de datum waarop de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in werking is getreden en indirect (via artikel LXI, eerste lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van de Wulbz).

Onderdeel F, onder 2

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Amber heeft het kabinet toegezegd om regels te stellen op grond van artikel 40 lid 4 WAO. Op grond van deze regels kan aan de WAO-uitkeringsgerechtigde, wiens uitkering is gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon, bij toegenomen arbeidsongeschiktheid opnieuw een loondervingsuitkering worden toegekend, mits betrokkene op het moment van de toename van de arbeidsongeschiktheid WAO-verzekerde werkzaamheden verrichtte.

De achterliggende gedachte bij de mogelijkheid om regels te stellen was de volgende. Bij de WAO geldt het principe van één uitkering per uitkeringsgerechtigde. Dit impliceert dat zolang de betrokkene arbeidsongeschikt blijft (ook al is het maar 15–25%) hij geen nieuw recht op een loondervingsuitkering kan krijgen, ook niet indien hij zijn resterende verdiencapaciteit benut. Indien betrokkenes gedeeltelijke WAO-uitkering inmiddels naar het WAO-vervolgdagloon wordt berekend, ontstaat bij toename van de arbeidsongeschiktheid derhalve slechts recht op herziening van de uitkering op basis van het vervolgdagloon, waarbij voor de berekening van de hoogte van dit vervolgdagloon de leeftijd op de eerste WAO-dag bepalend blijft. In het geval van uitkeringsgerechtigden, die hun nog bestaande resterende verdiencapaciteit waarmaken en geruime tijd na de toekenning van de WAO-uitkering toegenomen arbeidsongeschikt raken is dit een onbillijke consequentie, aangezien vergelijkbare niet-uitkeringsgerechtigde personen die op latere leeftijd (opnieuw) arbeidsongeschikt raken gelet op artikel 21a WAO mogelijk recht hebben op een langere loondervingsuitkering dan voornoemde groep personen. Het ligt derhalve in de rede om ook ten aanzien van laatstgenoemde groep personen de leeftijd op moment van toename van de arbeidsongeschiktheid bepalend te laten zijn voor de vraag of alsnog gedurende een bepaalde periode recht op een loondervingsuitkering bestaat.

Bij nader inzien is besloten het vorenstaande niet neer te leggen in een ministeriële regeling op grond van artikel 40, vierde lid, van de WAO, maar om een en ander in de wet zelf vast te leggen. Om de uitkeringsrechten van voornoemde groepen met elkaar in overeenstemming te brengen wordt, mede gelet op het advies van de toenmalige Sociale Verzekeringsraad over de Wet TBA, de volgende regeling voorgesteld met betrekking tot de hierbedoelde groep personen die tijdens het ontvangen van een WAO-vervolguitkering WAO-verzekerde werkzaamheden verricht en vervolgens toegenomen arbeidsongeschikt wordt.

Op grond van het voorgestelde nieuwe derde lid ontstaat, indien de leeftijd op moment van toename van de arbeidsongeschiktheid recht zou geven op een langere loondervingsuitkering dan de loondervingsuitkering die betrokkene reeds heeft genoten, voor het restant van die duur alsnog recht op een loondervingsuitkering. Uiteraard mits betrokkene op het moment van de toename van de arbeidsongeschiktheid WAO-verzekerde werkzaamheden verrichtte. Teneinde te voorkomen, dat de lopende vervolguitkering en de nieuwe loondervingsuitkering onverkort naast elkaar kunnen worden genoten, is bepaald, dat tijdens de duur van die loondervingsuitkering geen recht op vervolguitkering bestaat. Ook voor het berekenen van de aansluitende vervolguitkering wordt ingevolge het voorgestelde vierde lid uitgegaan van het laatstgenoten dagloon, alsmede van de leeftijd op het moment van toename van de arbeidsongeschiktheid.

De inhoud van het oude derde lid is thans opgenomen in het voorgestelde vijfde lid.

Onderdeel G en de artikelen XXXV, onderdeel H, en LXI, tweede lid

Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en AAW vindt op aanvraag of ambtshalve plaats. Op grond van artikel 41, tweede lid, van de WAO en artikel 30, tweede lid, van de AAW vindt verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid in elk geval ambtshalve plaats als de betrokkene aansluitend aan het ziekengeld voor een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt. Het is wenselijk, dat in ieder geval ook ambtshalve verhoging kan plaatsvinden na afloop van het tijdvak van 52 weken ongeschiktheid tot werken waarover de werkgever op grond van artikel 1638c, eerste lid, van Boek 7A van het BW (vanaf 1 april 1997 artikel 629 van Boek 7 van het BW) bij ziekte het loon heeft doorbetaald. De bij deze onderdelen in artikel 41 van de WAO en 30 van de AAW aangebrachte wijzigingen strekken hiertoe. Ook deze wijzigingen werken terug tot en met 1 april 1997, zijnde de datum waarop de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in werking is getreden en indirect (via artikel LXI, tweede lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van de Wulbz).

Onderdeel H en artikel XXXV, onderdeel I

Bij artikel XLV, vierde lid, van de veegwet 1996 is een nieuw artikel 43b in de WAO opgenomen.

Bij de Wulbz is eveneens een artikel 43b in de WAO opgenomen. In dit onderdeel wordt het bij de Wulbz tot stand gekomen artikel 43b vernummerd tot artikel 43c. In laatstgenoemd artikel komt nog een verwijzing voor naar artikel 1638c, eerste lid, tweede zin, van Boek 7A van het BW, evenals in artikel 32b van de AAW.

Bij de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) zijn de afdelingen 1 tot en met 5A van de zevende titel A van Boek 7A van het BW vervangen door een nieuwe titel Arbeidsovereenkomst die de tiende titel vormt van boek 7 van het BW. Daarmee is per 1 april 1997 onder meer artikel 1638c van het BW vervangen door artikel 629 van boek 7 van het BW. In verband hiermee is de verwijzing in het tot artikel 43c vernummerde artikel 43b van de WAO en in het in onderdeel I van artikel XXXV opgenomen artikel 32b van de AAW met terugwerkende kracht tot en met 1 april 1997 aangepast.

In het nieuwe artikel 43c WAO is na «arbeidsongeschiktheidsuitkering» de zinsnede ingevoegd «onderscheidenlijk de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van herziening van die uitkering op grond van de artikelen 38 en 39a». Hiermee wordt bereikt, dat de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van genoemde artikelen na 4 of na 52 weken bij te late ziekmelding eerst wordt uitbetaald na het verstrijken van een tijdvak dat gelijk is aan het tijdvak dat de werkgever te laat was met de ziekmelding.

Onderdeel I en artikel XXXV, onderdeel G

Bij de Wet amber is in artikel 29a, eerste lid, AAW bepaald, dat ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, herziening van de uitkering plaatsvindt zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Op grond van het tweede lid van dat artikel worden voor het bepalen van genoemde periode van vier weken perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. Dit spoort niet met de wijziging van de termijn van een maand in een termijn van vier weken die bij de veegwet 1996 in de artikelen 28 en 29 AAW tot stand is gekomen. Hetzelfde geldt voor de termijn van een maand, genoemd in artikel 32a AAW en de artikelen 44, tweede lid, en 47, eerste lid, WAO. In verband hiermee wordt voorgesteld de termijn van een maand, genoemd in de artikelen 44, tweede lid, en 47, eerste lid, WAO en 29a en 32a AAW te wijziging in een termijn van vier weken. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt, dat de termijn van een maand, genoemd in de artikelen 39a, tweede lid, en 43a, tweede lid, van de WAO, reeds bij de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is gewijzigd in een termijn van vier weken.

Onderdeel J en artikel XXXV, onderdeel J

Op grond van artikel 39a van de WAO en 29a van de AAW wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien met een termijn van 4 weken na een toekenning of herziening, ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen 5 jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. Deze artikelen voorzien niet in een dergelijke termijn van 4 weken in de situatie van toeneming van de arbeidsongeschiktheid bij degene wiens uitkering, na een eerdere intrekking, is heropend. Afhankelijk van de individuele situatie kan een herzieningstermijn van 52 weken gelden.

Ook in de artikelen 38, derde lid, en 39, eerste lid, onderdeel c, van de WAO en 28, derde lid, en 29, eerste lid, onderdeel c, van de AAW zijn bepaalde situaties neergelegd waarin herziening in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid plaatsvindt na een eerdere herziening. In de artikelen 48, tweede lid, van de WAO en 39, tweede lid, van de AAW is geregeld dat, voor de toepassing van die artikelen, met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Aldus gelden de in de artikelen 38 en 39 van de WAO en 28 en 29 van de AAW geldende herzieningstermijnen (4 weken respectievelijk onmiddellijke herziening) ook in bepaalde situaties van toeneming van arbeidsongeschiktheid na een eerdere intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het is gewenst om deze gelijkstelling ook te laten gelden voor de toepassing van de artikelen 39a van de WAO en 29a van de AAW. Aldus wordt bereikt dat, als een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken en vervolgens heropend, een herzieningstermijn geldt van 4 weken als er toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen 5 jaar na de intrekking en de toeneming voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten.

Onderdeel L, onder 1

In artikel 71a, eerste lid, van de WAO is aan de werkgever de verplichting opgelegd om, tegelijk met de aangifte van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, aan het Lisv een reïntegratieplan over te leggen ten behoeve van de herintreding van de werknemer in het arbeidsproces.

Dit plan bestaat uit een voorlopig en een volledig reïntegratieplan en eventueel noodzakelijke vervolgplannen. Van een voorlopig plan is sprake wanneer de werkgever/arbodienst verwacht dat de werknemer uiterlijk vier maanden voor het einde van de wachttijd WAO volledig zal hervatten bij de eigen werkgever. De werkgever krijgt dan uitstel voor het indienen van een volledig reïntegratieplan. In de overige gevallen wordt een volledig reïntegratieplan ingediend.

Op grond van het eerste lid formuleert het Lisv minimumeisen waaraan deze reïntegratieplannen moeten voldoen, hetgeen is gebeurd met het Besluit minimumeisen reïntegratieplan. Vanwege de in dit besluit opgenomen bepalingen inzake deze plannen wordt het wenselijk geacht met zoveel woorden in de wet neer te leggen dat het Lisv regels stelt inzake het voorlopige en het volledige reïntegratieplan en eventueel noodzakelijke vervolgplannen.

Onderdeel L, onder 2

Het thans geldende artikel 71a van de WAO ziet uitsluitend op werknemers die geen recht hebben op ziekengeld, omdat zij jegens de werkgever aanspraak hebben op doorbetaling van loon tijdens ziekte. In artikel 71a van de WAO is echter geen reïntegratieplan verplicht gesteld voor werknemers die ondanks dat zij jegens de werkgever aanspraak hebben op doorbetaling van loon tijdens ziekte, toch recht hebben op ziekengeld. Hiertoe behoren vrouwen die in aansluiting op het bevallingsverlof wegens klachten verband houdende met de zwangerschap of de bevalling aanspraak maken op ziekengeld, herintredende AAW/WAO-ers en orgaandonoren. Aangezien deze personen ook een arbeidsovereenkomst met de werkgever hebben, berust op die werkgever ook ten aanzien van hen primair de reïntegratieplicht. Weliswaar is in het model ziekengeldreglement van het Lisv een regeling opgenomen, die voorziet in het overleggen van een reïntegratieplan voor deze personen, maar op het niet nakomen van deze verplichtingen is het wettelijk sanctiekader niet van toepassing. Teneinde te voorkomen dat er een verschil in behandeling is van de verplichtingen van de werkgever voor twee groepen werknemers ten aanzien van wie hij een gelijke reïntegratieverplichting heeft, wordt in het tweede en derde lid van artikel 71a met betrekking tot deze personen door middel van een verwijzing naar het begrip werkgever als bedoeld in artikel 38a, derde lid, een regeling opgenomen inzake indiening van een reïntegratieplan nadat de ongeschiktheid van die personen 13 weken heeft geduurd respectievelijk nadat de ongeschiktheid van de vrouw in aansluiting op het bevallingsverlof 13 weken heeft geduurd.

Voor de goede orde wordt opgemerkt, dat de verplichting tot het overleggen van een reïntegratieplan niet geldt voor werkgevers die een met een arbeidsovereenkomst gelijkgestelde arbeidsverhouding hebben met een werknemer. Deze werkgevers hebben ten aanzien van hen ingeval van ziekte geen loondoorbetalingsplicht. Voor deze werknemers is indiening van een reïntegratieplan niet nodig, omdat niet gezegd kan worden, dat zij een verzuimbegeleidingstaak hebben ten aanzien van die werknemers.

Onderdeel L, onder 3

Evenals in artikel 38, vierde lid, van de ZW wordt ook hier het systeem van vaste boetes verlaten. Gebleken is dat in de praktijk onvoldoende rekening kan worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid en de ernst van het verzuim in individuele gevallen. De toevoeging van de zinsnede «ten hoogste» schept in deze meer beleidsruimte voor de uitvoering.

Onderdeel L, onder 4

De laatste volzin van het tot zevende lid vernummerde vijfde lid van artikel 71a van de WAO is aangepast aan de vernummering van leden van dat artikel bij de IOsv 1997.

Onderdeel M

Op grond van artikel 81, eerste lid, onderdeel a, van de WAO, is het Lisv verplicht tot de vrijwillige verzekering toe te laten degene wiens verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen, dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn, dan wel dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan. In dat artikelonderdeel wordt de zinsnede «dan wel dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan» vervangen door: dan wel die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet. Met deze wijziging wordt beoogd duidelijk te maken, dat eenieder aan wie een WW-uitkering wordt geweigerd, maar die wel beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, tot de vrijwillige WAO-verzekering wordt toegelaten. Hiermee wordt een tijdens de behandeling van het wetsvoorstel boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid op 23 april 1996 in de Eerste Kamer toegezegde wijziging van artikel 81 van de WAO (Handelingen I, 23 909, EK 30, blz. 5018) gerealiseerd.

Artikel XXXV (Algemene Arbeidsongeschiktheidswet)

Onderdeel A

Bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is in de in artikel IV, onderdeel A, van die wet opgenomen wijziging van artikel 6, achtste lid, van de AAW de zinsnede «42 of 44 van de Ziektewet» abusievelijk vervangen door «42, 44 en 45 van de Ziektewet». Dit had moeten zijn: 42, 44 of 45 van de Ziektewet. Deze fout wordt in dit onderdeel hersteld.

Artikel XXXVI (Werkloosheidswet)

Onderdeel A

Bij de wet aanscherping referte-eisen WW is in artikel 17b, zesde lid, onderdeel c, van de WW een verwijzing opgenomen naar artikel 9, vierde en vijfde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Ten onrechte is daarbij geen rekening gehouden met de Wet invoering franchise ZFW-premie, waarbij in verband met de invoeging van een nieuw vierde lid (inmiddels is bij de wet van 20 december 1995, Stb. 686, tot invoering van een franchise Werkloosheidswet het vierde lid vervangen) het bestaande vierde en vijfde lid van de CSV zijn gewijzigd in vijfde en zesde lid. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

Onderdelen B, C, D, onder 1, H, I, M, N, Q, onder 2, en R

Deze onderdelen bevatten aanpassingen van verschillende artikelen van de WW, die verband houden met de invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997).

Onderdeel D, onder 2

Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Lisv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitkering.

Bij een strikt formele toepassing van de wettelijke bepalingen dient een uitkeringsgerechtigde ook aan deze inlichtingenverplichting te voldoen, indien er sprake is van een blijvende gehele weigering van de WW-uitkering. In de memorie van antwoord Eerste Kamer op het wetsvoorstel boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Kamerstukken I 1995/96, 23 909, nr. 114b) is onder meer gesteld, dat hoewel degene van wie de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd onder het regime van de wet blijft vallen, het opleggen van een boete niet aan de orde zal zijn in situaties waarin de uitkering blijvend geheel geweigerd is omdat de inlichtingenplicht (mededeling doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitkeringsvaststelling) nauwelijks inhoud zal hebben.

Gelet op het feit dat de inlichtingenplicht enerzijds formeel van toepassing blijft in de situatie van een blijvend gehele weigering doch anderzijds geen enkel doel dient, is het ongewenst dat een eventuele boete-oplegging theoretisch mogelijk blijft. In verband hiermee is in punt 2 van dit onderdeel vastgelegd, dat iemand wiens uitkering blijvend geheel is geweigerd, niet hoeft te voldoen aan de inlichtingenplicht.

Onderdeel E en de artikelen XLIII, onderdeel G, XLIV, onderdeel C, en XLV, onderdeel D

Op grond van de artikelen 26, eerste lid, onderdeel d, van de WW, 113, eerste lid, onderdeel b, van de Abw en 35, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW en IOAZ is de uitkeringsgerechtigde verplicht zich als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in te laten schrijven en die inschrijving tijdig te doen verlengen. Met ingang van 1 september 1995 is echter artikel 61 van de Arbeidsvoorzieningswet (thans artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996) gewijzigd, met als gevolg dat vreemdelingen die niet meer beschikken over een geldig verblijfsdocument, maar wel met instemming van Justitie in Nederland verblijven, niet het recht hebben zich als werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren (en in het verlengde daarvan: te laten bemiddelen). Aan de verplichting op grond van de WW, Abw, IOAW en IOAZ om zich als werkzoekende te laten inschrijven kan dus niet worden voldaan door voornoemde vreemdelingen. Het niet nakomen van voornoemde verplichting kan evenwel niet worden bestraft middels een maatregel, omdat dit betrokkene niet kan worden verweten. Door middel van de hierbij voorgestelde onderdelen wordt de afstemming tussen de WW, Abw, IOAW en IOAZ enerzijds en de Arbeidsvoorzieningswet 1996 anderzijds verbeterd. De verplichting om zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren wordt gekoppeld aan het in artikel 69 van Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervatte recht op registratie.

Onderdeel F, onder 1

De situatie kan zich voordoen dat de werknemer – buiten zijn schuld – werkloos dreigt te raken en, voordat de werkloosheid daadwerkelijk is ingetreden, nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt, met welke arbeid de werkloosheid niet of in mindere mate zou intreden. Zonder de in artikel 27 van de WW in te voegen zinsnede kan in die situatie geen maatregel worden opgelegd. Dit levert een onwenselijk verschil op met de situatie waarin de werknemer die reeds een recht op WW-uitkering heeft dezelfde overtreding begaat. In die situatie dient immers de WW-uitkering blijvend geheel te worden geweigerd over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn beëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

Onderdeel K

In de socialezekerheidswetten is een bepaling opgenomen die voorziet in een bevoegdheid van de uitvoeringsinstanties om de uitkering die op grond van de in die wetten opgenomen bepalingen inzake het zonder machtiging uitbetalen van de uitkering aan derden, aan een inrichting of gemeente werd uitbetaald, na het overlijden van de betrokkene tot en met de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvond, uit te betalen aan die inrichting of gemeente. Bij de veegwet 1996 is in de WW een artikel van gelijke strekking ingevoegd, te weten artikel 39a.

In de wet van 21 december 1995, Stb. 696, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten is vastgelegd, dat deze bepalingen met ingang van 1 januari 1997 komen te vervallen. Daarbij is verzuimd het in de veegwet 1996 opgenomen artikel 39a WW eveneens te laten vervallen. Onderdeel K strekt hiertoe.

Onderdeel L

De situatie kan zich voordoen dat een recht op WW-uitkering ontstaat of herleeft, dat samen met een reeds bestaand recht op WW-uitkering een groter aantal uren omvat dan de werknemer (ooit) heeft gewerkt. In de WW zijn verschillende bepalingen opgenomen die bewerkstelligen dat die rechten dan worden gemaximeerd: de artikelen 20, eerste lid, onderdeel c, 52b, derde lid, 52c en 52d, derde lid, van de WW. Deze bepalingen voorzien niet in een maximering in de situatie dat eerst een kortdurende uitkering ontstaat en vervolgens een loongerelateerde uitkering of vervolguitkering herleeft, en beide rechten samen zijn berekend naar meer uren dan de betrokkene heeft gewerkt. Het thans voorgestelde vierde lid van artikel 52d van de WW voorziet wel in een maximering in laatstgenoemde situatie.

Onderdelen O, onder 1 en 2, en Q, onder 2, en artikel LXI, derde, vijfde en zevende lid

In artikel 89 van de WW is geregeld wat ten gunste van een wachtgeldfonds en in artikel 90, wat ten laste van een wachtgeldfonds komt.

Zo is in artikel 90, eerste lid, onderdeel g, bepaald, dat de kosten van een second opinion over het bestaan van ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997 ten laste van het wachtgeldfonds komen. Het Lisv kan voor dit onderzoek op grond van artikel 40, tweede lid, van laatstgenoemde wet aan de werkgever of werknemer die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen, kosten in rekening brengen. Niet is echter geregeld dat de bijdrage in die kosten die door de werkgever of werknemer wordt betaald, ten gunste van het wachtgeldfonds komt. De wijziging van onderdeel O, onder 1, strekt hiertoe. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 maart 1997, zijnde de datum waarop de Osv 1997 in werking is getreden en indirect (via artikel LXI, derde lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van artikel VIII, onderdeel C, van de Wulbz).

Bij de op 1 augustus 1996 in werking getreden Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is bepaald dat de opbrengst van de boete die wordt opgelegd op grond van artikel 45a van de ZW ten gunste wordt gebracht van de reserves ex artikel 63 van de ZW. Deze bepaling is onjuist nu dat artikel per 1 maart 1996 bij de inwerkingtreding van de Wulbz is vervallen. Door het toenmalige Tica is aan de bedrijfsverenigingen geadviseerd de opbrengst van de boete ex artikel 45a van de ZW ten goede te laten komen aan het wachtgeldfonds. Logischer is echter om boeten die verband houden met ziekengelduitkeringen die ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) komen zoals ziekengeld ter zake van zwangerschap en bevalling, herintredende AAW/WAO-ers en orgaandonoren, eveneens ten laste van het AWf te doen komen. De in onderdeel O, onder 2, en in onderdeel Q, onder 2, neergelegde wijziging van artikel 89 onderscheidenlijk 92 van de WW strekken hiertoe. Aan deze wijziging wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 maart 1997, zijnde de datum waarop de Osv 1997 in werking is getreden en indirect (via artikel LXI, vijfde en zevende lid) tot en met 1 augustus 1996.

Onderdeel P en artikel LXI, zesde lid

Er bestaat enige onduidelijkheid over de wijze van financiering van uitvoeringskosten die het gevolg zijn van de Wulbz. In het kader van de ZW moet het Lisv (tot 1 maart 1997 de bedrijfsverenigingen) beperkte activiteiten verrichten voor werknemers voor wie de werkgever een loondoorbetalingsplicht heeft op grond van artikel 1638c, eerste lid, van Boek 7A van het BW (vanaf 1 april 1997 artikel 629 van Boek 7 van het BW). Dit betreft onder meer het geven van toestemming aan een werkgever voor het bieden van passend werk aan een zieke werknemer bij een andere werkgever en in voorkomende gevallen het opleggen van een boete als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de ZW (niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting tot hersteldmelding) en het verrichten van werkzaamheden in het kader van artikel 39 van de ZW (sancties bij inadequate verzuimbegeleiding). Aangezien het hier om een bedrijfstakafhankelijk risico gaat, wordt voorgesteld de uitvoeringskosten van het Lisv/de bedrijfsverenigingen voor de zogenaamde loondoorbetalingsgevallen ten laste van het wachtgeldfonds te brengen. Dit onderdeel strekt daartoe. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 april 1997, zijnde de datum waarop de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in werking is getreden en indirect (via artikel LXI, zesde lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van de Wulbz).

Onderdeel Q, onder 1

Bij de op 1 augustus 1996 in werking getreden Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is in de in artikel I, onderdeel N, opgenomen wijziging van artikel 92 van de WW een zinsnede in onderdeel c van laatstgenoemd artikel vervangen. Deze wijziging kan echter niet worden geëffectueerd, aangezien bij artikel V, onderdeel F, van de Wulbz, onder wijziging van de aanduiding van onderdeel c in d, een nieuw onderdeel c aan artikel 92 van de WW is toegevoegd. In verband hiermee wordt in punt 1 van dit onderdeel voorgesteld de bij de wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen wijziging van artikel 92, onderdeel c, van de WW thans met terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1996 op te nemen in onderdeel d van dat artikel.

Artikel XXXIX (Algemene nabestaandenwet)

Onderdelen A en D, onder 1

De wijzigingen in artikel 1, onderdelen c en d en het eerste lid van artikel 38 hebben betrekking op de invoering van de Osv 1997, waarbij is verzuimd de Anw op deze punten aan te passen.

Onderdeel B

Door de bestaande redactie van artikel 22, tweede lid, van de Anw wordt voor het recht op en de hoogte van de halfwezenuitkering het begrip «nabestaande» nader gedefinieerd. Personen die geen nabestaanden zijn in de zin van hoofdstuk 1, zijn niettemin toch nabestaanden voor het recht op halfwezenuitkering, indien er sprake is van ouderschap ten aanzien van de halfwees of zorg dragen voor een halfwees als ware men ouder. De toepassing van dit begrip «nabestaande» is echter ten onrechte louter beperkt tot de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 1, paragrafen 3 en 4, van de Anw. Daarmee omvat deze omschrijving bijvoorbeeld niet de met dat recht samenhangende rechten en verplichtingen, zoals de verplichting tot het verstrekken van alle voor het recht op halfwezenuitkering relevante informatie. Met de voorgestelde gewijzigde redactie van artikel 22, tweede lid, Anw, wordt bereikt dat de personen die op grond van dat artikellid recht op halfwezenuitkering hebben tevens de rechten en verplichtingen, verbonden aan dat recht, hebben.

Onderdeel H en artikel LII

Bij de Overgangswet verzorgingshuizen is de Anw op enige punten foutief gewijzigd. Bij het op 2 oktober 1996 in werking getreden artikel 46 van de Overgangswet verzorgingshuizen heeft abusievelijk een wijziging plaats gevonden van artikel 57, eerste lid, van de Anw. Deze wijziging had echter niet in het eerste lid maar in het tweede lid plaats dienen te vinden. In de in onderdeel H voorgestelde wijziging van de Anw is met terugwerkende kracht tot 2 oktober 1996 de oude tekst van artikel 57, eerste lid, hersteld en is de beoogde wijziging, als gevolg van de inwerkingtreding van de Overgangswet verzorgingshuizen, van artikel 57 van de Anw in het tweede lid verwerkt. Tevens is het begrip pensioen dat op deze wijze abusievelijk in de Anw terecht is gekomen, vervangen. Voor alle duidelijkheid zijn beide leden in hun geheel vervangen. Ook in het – nog niet in werking getreden – artikel 68 van de Overgangswet verzorgingshuizen is een wijziging aangebracht in artikel 57, eerste lid, van de Anw. Deze wijziging had eveneens in het tweede lid plaats dienen te vinden. In artikel LII wordt deze fout hersteld.

Artikel XL (Algemene Kinderbijslagwet)

Onderdelen A en J

In het tweede lid van artikel 1 van de AKW wordt bepaald wanneer iemand voor de toepassing van die wet als gehuwd of als echtgenoot wordt aangemerkt. Deze bepaling kan gevoeglijk vervallen, omdat dit voor de toepassing van die wet niet relevant is. In de wet komen de termen «gehuwd» en «echtgenoot» immers niet voor. Onderdeel A strekt hiertoe. Artikel 31, eerste lid, van de AKW dient aan het vervallen van het tweede lid van artikel 1 te worden aangepast (onderdeel J).

Onderdeel B

Zowel artikel 7, tweede lid, onderdeel b als het derde lid, onderdeel a, onder ii van de AKW hebben betrekking op, kort gezegd, zieke kinderen. De criteria hiervoor zijn echter thans niet identiek terwijl geen onderscheid wordt beoogd. Dit onderdeel strekt ertoe die criteria wel gelijk te stellen in beide genoemde artikelleden.

Onderdeel C

De verwijzing in artikel 11, derde lid, van de AKW naar de overige artikelen of artikelleden zijn niet meer juist. De kosten van onderhoud en het eigen inkomen zijn niet langer geregeld in artikel 10, doch in artikel 9 van die wet. Dit onderdeel strekt ertoe het derde lid van artikel 11 van de AKW aan de gewijzigde bepalingen aan te passen.

Onderdeel H

Ingevolge artikel 20 van de AKW kunnen, indien voor hetzelfde kind kinderbijslag kan worden betaald ingevolge de AKW en ingevolge een rechtens geldende regeling in een ander land, bij ministeriële regeling nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld ter voorkoming van dubbele kinderbijslag.

In dit onderdeel wordt het mogelijk gemaakt ook nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen, indien voor hetzelfde kind kinderbijslag kan worden betaald ingevolge een regeling van een volkenrechtelijke organisatie. Ter toelichting diene het volgende.

In Nederland zijn 20 volkenrechtelijke organisaties gevestigd. Het personeel in dienst van deze organisaties is niet verzekerd voor de Nederlandse sociale verzekeringen. Ook de gezinsleden zijn op grond van artikel 13 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 in beginsel niet verzekerd. Echter, wanneer een gezinslid in Nederland arbeid verricht of een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt, is dit gezinslid op grond van genoemd artikel 13 wel verzekerd en kan dan aanspraak maken op Nederlandse kinderbijslag voor een kind. De partner heeft, indien deze voor de volkenrechtelijke organisatie werkt, echter ook recht op kinderbijslag voor dat kind van die volkenrechtelijke organisatie. Door een regeling van een volkenrechtelijke organisatie met zoveel woorden in artikel 20 van de AKW op te nemen, kan middels een ministeriële regeling in die gevallen samenloop van kinderbijslaguitkeringen worden voorkomen.

Artikel XLI (Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid)

De kopjesregeling, neergelegd in de artikelen 24 en 48 van de IWS heeft tot doel te voorkomen dat uitkeringen op grond van de socialeverzekeringswetten (WW, AAW en WAO) op netto basis lager zijn dan het relevante sociaal minimum. Uitgaande van deze doelstelling wordt in bepaalde situaties de bruto uitkering verhoogd (met een kopje). Het relevante sociaal minimum is afgeleid van de bedragen die worden gehanteerd in het kader van de Abw.

Op een tweetal punten wordt, mede naar aanleiding van een eind 1994 door de voormalige Sociale Verzekeringsraad uitgebracht advies, de kopjesregeling aangepast. Dit betreft

1. de afbakening van de doelgroep

De huidige omschrijving van de doelgroep («die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt aangemerkt») is te ruim. Er zijn namelijk groepen werknemers die thans – in tegenstelling tot de bedoeling van de regeling – recht hebben op de verhoging met een kopje. Binnen de groep werknemers die voor de toepassing van de TW niet als gehuwd worden aangemerkt, hebben met name werknemers die een kind in belangrijke mate verzorgen (volgens de criteria voor de AKW), of werknemers die een gezamenlijke huishouding voeren met een bloedverwant in de eerste graad, in bepaalde situaties thans recht op een verhoging van hun uitkering, als zij vanwege de tariefgroepindeling voor de loonbelasting, door de hogere belastingvrije som, zonder kopje reeds een netto uitkering hebben die hoger ligt dan het relevante sociaal minimum. Het kabinet is van mening, dat aanscherping van de formulering van de doelgroep wenselijk is, teneinde genoemde werknemers van het recht op toepassing van de kopjesregeling uit te sluiten.

In onderdeel A, onder 1, en onderdeel B (de artikelen 24, eerste lid, en 48, eerste lid, van de IWS) wordt de formulering van de doelgroep daartoe aangescherpt. De oude formulering bevat te weinig nuances om deze groepen werknemers uit te sluiten. De nieuwe formulering sluit groepen werknemers die in tegenstelling tot de bedoeling van de kopjesregeling nu recht hebben op een verhoging van hun uitkering uitdrukkelijk uit, door een relatie te leggen tussen de doelgroep van de kopjesregeling en tariefgroep 2 voor de heffing van de loonbelasting.

2. de toepassing van de kopjesregeling indien de werknemer meer dan één recht op WW-uitkering heeft

Artikel 24, tweede lid, van de IWS bepaalt dat het recht op verhoging van de uitkering moet worden beoordeeld per uitkeringsrecht. Dit brengt mee, dat ingevolge de WW voor ieder uitkeringsrecht een (eigen) dagloon wordt vastgesteld, hetgeen betekent dat per uitkeringsrecht een toetsing voor de kopjesregeling plaats moet vinden. Dit kan betekenen dat een WW-uitkeringsgerechtigde meer dan één recht op toepassing van de kopjesregeling heeft. Dit is een niet bedoelde toepassing van de kopjesregeling, omdat het tot gevolg heeft dat een dubbele verhoging wordt toegekend, die tweemaal zo hoog is als het beoogde garantiebedrag. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke toepassing zich duidelijk niet verdraagt met de bedoeling van de regeling. Het kabinet is van mening, dat de kopjesregeling op een zodanige wijze moet worden aangepast, dat bij de toepassing daarvan het volledige uitkeringsbedrag WW wordt betrokken.

Hiertoe is in onderdeel A, onder 2, artikel 24, tweede lid, van de IWS aangepast.

Artikel XLII (Coördinatiewet Sociale Verzekering)

Onderdeel A

Bij de stelselherziening sociale zekerheid is ingaande 1 januari 1987 in de CSV Onze Minister (van Sociale Zaken en Volksgezondheid) gewijzigd in Onze Minister (van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). De primaire bevoegdheid tot het vaststellen van de maximumpremiegrens Ziekenfondswet dient echter bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) te berusten. Met betrekking tot artikel 9, tweede lid, CSV is daarom «Onze Minister» vervangen door «de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport». In verband met de onderlinge afstemming van grondslagen voor de premieheffing wordt deze bevoegdheid van de Minister van VWS uitgeoefend in overeenstemming met Onze Minister.

Onderdeel B

In dit onderdeel wordt artikel 15a, eerste lid, van de CSV aangepast aan de Osv 1997. Ingevolge artikel LXXII, derde lid, werkt dit onderdeel terug tot en met 1 maart 1997, zijnde de datum waarop de Osv 1997 in werking is getreden.

Artikel XLIII (Algemene bijstandswet)

Onderdeel A

Bij de inwerkingtreding van de Anw is in artikel 1 van de Abw abusievelijk een verwijzing naar wezenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) blijven staan. Dit artikel strekt ertoe deze term aan te passen aan de Anw.

Onderdeel B

In dit onderdeel wordt artikel 14f van de Abw aangepast aan de Osv 1997. Ingevolge artikel LXXII, derde lid, werkt dit onderdeel terug tot en met 1 juli 1997, zijnde de datum waarop artikel IX van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid in werking is getreden.

Onderdeel C en de artikelen XLIV, onderdeel A (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), XLV, onderdeel A (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen) en LXIII (Wet inkomensvoorziening kunstenaars)

Per 1 januari 1996 is voor de toepassing van de Abw niet meer de gemeente aangewezen waar de belanghebbende zich bevindt, maar de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het BW. De woonplaats bevindt zich daar waar de belanghebbende zijn woonstede heeft; ontbreekt de woonstede, dan geldt de plaats van het werkelijk verblijf (artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het BW).

Ingevolge artikel 12 van Boek 1 van het BW hebben de minderjarige, de onder curatele- of onder bewind gestelde, een afgeleide woonplaats. Zo volgt de minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent en de onder curatele gestelde de woonplaats van de curator. Wanneer iemands goederen onder bewind staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van het bewind betreft, de woonplaats van de bewindvoerder.

Uitgangspunt van de Abw is dat de hoogte van de bijstand op lokaal niveau wordt afgestemd en het ligt dan ook voor de hand dat dit ook geldt voor minderjarigen en voor personen die onder bewind of curatele staan. De onderhavige wijziging beoogt ten aanzien van de Abw, de IOAW, de IOAZ en het voorstel van wet inkomensvoorziening kunstenaars (kamerstukken II 1996/97, 25 053), de in Titel 3 van Boek 1 van het BW opgenomen «afgeleide-woonplaats-bepalingen» niet meer te laten gelden.

Ingevolge artikel LXXII, derde lid, werkt de wijziging van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars terug tot en met de datum waarop het betreffende wetsvoorstel in werking is getreden.

Onderdeel D

In dit onderdeel wordt artikel 75 van de Abw aangepast aan de Osv 1997. Ingevolge artikel LXXII, derde lid, werkt dit onderdeel terug tot en met 1 maart 1997, zijnde de datum waarop de Osv 1997 in werking is getreden.

Onderdeel I en de artikelen XLIV, onderdeel E (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers) en XLV, onderdeel F (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen)

Bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 per 1 januari 1997 zijn de artikelen 137a van de Abw, 59a van de IOAW en 59a van de IOAZ ingevoegd. Deze artikelen hebben tot doel de effectiviteit van de (publieke) arbeidsbemiddeling van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden te bevorderen door gemeenten de taak en de middelen te geven om voor deze doelgroep scholing en bemiddeling in te kopen. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt hiertoe ten laste van 's Rijks schatkist aan gemeenten extra geld beschikbaar. Vooralsnog is het beschikbare budget alleen bedoeld voor inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

De in onderdeel I en de artikelen XLIV, onderdeel E, en XLV, onderdeel F, voorgestelde bepalingen maken het in de eerste plaats mogelijk dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur termijnen kunnen worden gesteld waarbinnen de diensten en de bijzondere inspanningen, die door de betrokken gemeente bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden ingekocht, moeten zijn verleend. Voortschrijdend inzicht met betrekking tot een beheersbare financiële verantwoording en afwikkeling van de jaarlijkse uitkering aan de gemeenten heeft tevens geleid tot de onderkenning dat een meer omlijnd regime wenselijk is voor de financiële afwikkeling. Het wordt wenselijk geacht een horizon aan te brengen aan de duur van de uitvoering van de contractueel ingekochte dienstverlening en aan de financiële verantwoording daarover. Zonder deze horizon in de tijd zou het jaren kunnen duren voordat een budgetjaar verantwoord en afgesloten wordt. Een dergelijke onoverzichtelijkheid is ongewenst. Bij de nadere regeling wordt daarom gedacht aan een begrenzing waarbij de uitvoering van contracten afgesloten in het jaar T mag doorlopen tot en met het jaar T+2. De verantwoording daarover kan uiterlijk geschieden in de jaaropgave over het jaar T+3 (die in het jaar T+4 gedaan wordt).

De voorgestelde bepalingen richten zich tot de gemeenten en niet rechtstreeks tot de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De gemeenten dienen zich dan ook jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te verzekeren van een tijdige uitvoering. Bij een niet tijdige uitvoering kan gehele of gedeeltelijke terugvordering van de door het Rijk verstrekte uitkering plaatsvinden.

Artikel XLV (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen)

Onderdeel B

Bij artikel 28 van de IOsv 1997 is in artikel 20f, vierde lid, van de IOAZ het begrip «bedrijfsvereniging» per abuis vervangen door «uitvoeringsinstelling» in plaats van door het Landelijk instituut sociale verzekeringen, zoals bij de IOAW wel is gebeurd.

Artikel XLVI (Jeugdwerkgarantiewet)

Onderdeel A

In het kader van de per 29 december 1995 in werking getreden veegwet 1996 zijn in de artikelen XXXV en XLVII wijzigingen opgenomen van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG). Daarbij is in verschillende artikelen van die wet verwezen naar hoofdstuk IIA van de per 28 december 1995 inwerkinggetreden Wet tegemoetkoming studiekosten. Bij de publicatie van deze laatste wet is hoofdstuk IIA vernummerd tot hoofdstuk III. Dit onderdeel strekt ertoe met terugwerkende kracht tot en met 29 december 1995 de nodige aanpassingen in de JWG aan te brengen.

Onderdeel B

In artikel 2, derde lid, onderdeel h, van de JWG komt een verwijzing voor naar artikel 26 van de AKW. Bij de veegwet 1996 is artikel 26 van de AKW, welk artikel bijzondere bepalingen bevatte voor kinderen, die vóór 1 oktober 1986 zijn geboren, vervallen. In verband daarmee kan onderdeel h van artikel 2, derde lid, van de JWG eveneens met terugwerkende kracht tot en met 29 december 1995 vervallen.

Artikel XLVII (Wet van 24 april 1996, Stb. 248)

Onderdeel A

Bij artikel V, onderdeel H, van de op 1 augustus 1996 in werking getreden Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is een wijziging gebracht in het eerste en tweede lid van artikel 26 van de TW. Daarbij is er ten onrechte geen rekening mee gehouden, dat bij artikel VII, onderdeel D, van de veegwet 1996 het tweede lid van artikel 26 van de TW is komen te vervallen. In verband hiermee wordt in dit onderdeel met terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1996 onderdeel H van artikel V van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid vervangen.

Onderdeel B

In dit onderdeel wordt een aantal onnauwkeurigheden in artikel XX van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid met terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1996 verbeterd.

Artikel XLVIII (Burgerlijk Wetboek), LIII, LV, onderdeel A, en LXVI

Onderdelen A en B

De wijzigingen hebben betrekking op het vervallen van de bedrijfsverenigingen als uitvoeringsinstanties. Conform de systematiek in de Osv 1997 neemt het Lisv de plaats in van de bedrijfsverenigingen. De wijzigingen werken terug tot 1 april 1997, de inwerkingtredingsdatum van de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst).

Onderdeel C

Bij de wet van 21 december 1995, Stb. 696, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten zijn met ingang van 1 januari 1997, onder andere, alle socialeverzekeringswetten, de Abw, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en het BW gewijzigd. Een van de doelstellingen van de eerstgenoemde wet was in onder andere de genoemde wetten, de duur van de zogenaamde overlijdensuitkering ten behoeve van bepaalde nabestaanden, van gemiddeld twee en een halve maand na de dag van het overlijden van een rechthebbende te beperken tot een maand na de dag van overlijden. In die wet is in verband hiermee ook artikel 1639l, tweede lid van het BW gewijzigd. Echter bij de inwerkingtreding van de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) is dit artikel met ingang van 1 april 1997 komen te vervallen. Abusievelijk is verzuimd in artikel 674, tweede lid van titel 10 van boek 7 van het BW dat voor genoemd artikel 1639l, tweede lid in de plaats komt, deze wijziging ook door te voeren. Aangezien het onwenselijk is de duur van de overlijdensuitkering in het BW te laten afwijken van die in onder andere de socialeverzekeringswetten, wordt deze omissie in dit artikel, onderdeel C, onder 1, gecorrigeerd.

Ten aanzien van onderdeel C, onder 2, zij opgemerkt dat zich hierbij een vergelijkbaar probleem voordoet nu echter in relatie tot de toevoeging in het vierde lid van artikel 1639l van de zinsnede «en krachtens de Toeslagenwet». Deze toevoeging is gemaakt in de veegwet 1996.

In verband met de rechtszekerheid kan aan de inwerkingtreding van dit onderdeel echter geen terugwerkende kracht worden verleend tot het moment van inwerkingtreding van titel 7.10 van het BW. Op het moment van inwerkingtreding van deze wet zullen immers al overlijdensuitkeringen zijn uitbetaald waarbij geen rekening is gehouden met het vorenstaande.

Artikelen LIII, LV, onderdeel A, en LXVI

De Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) heeft de afdelingen 1 tot en met 5A van de zevende titel A van Boek 7A van het BW vervangen door een nieuwe titel Arbeidsovereenkomst die de tiende titel vormt van boek 7 van het BW. Daarmee zijn de artikelen 1637s en 1637z van de tweede afdeling van de zevende titel A van Boek 7A van het BW en artikel 1638c van de derde afdeling van die titel vervangen door respectievelijk de artikelen 631, 615 en 629 van titel 10 van boek 7 van het BW.

In het Besluit fondsen en spaarregelingen wordt uitvoering gegeven aan artikel 1637s, tweede lid, onder c en d, van boek 7A van het huidige BW. Die bepaling wordt vervangen door artikel 631, derde lid, onderdelen c en d, van titel 7.10 van het BW. In artikel LIII wordt bepaald dat het Besluit fondsen en spaarregelingen voortaan berust op laatstgenoemde bepaling.

In artikel 615 van titel 10 van boek 7 van het BW wordt bepaald dat de bepalingen van titel 10 van boek 7 niet van toepassing zijn ten aanzien van personen in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, tenzij deze, hetzij vóór of bij de aanvang van dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard. Met de in LV, onderdeel A, voorgestelde wijziging van de artikelen 7, 22 en 35 van de Osv 1997 worden de bepalingen van titel 10 van boek 7 van het BW bij wet van toepassing verklaard op de arbeidsovereenkomst van het personeel van het Ctsv, de SVb en het Lisv.

In artikel LXVI wordt de verwijzing in artikel 2, tweede lid, van de wet van 3 april 1985, Stb. 215, houdende overgangsmaatregel met betrekking tot loonbetalingen tijdens ziekte en aanvullingen op de wettelijke ziekengelduitkering (overgangsmaatregel bovenwettelijke uitkeringen) naar artikel 1638c, eerste lid, van het BW vervangen door een verwijzing naar artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het BW.

De artikelen LIII, LV, onderdeel A, en LXVI werken terug tot 1 april 1997, de inwerkingtredingsdatum van de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst).

Artikel XLIX (Wet van 19 december 1996, Stb. 665)

In artikel V van de wet van 19 december 1996, Stb. 665, houdende wijziging van de Organisatiewet sociale verzekeringen en enkele andere wetten, is abusievelijk bepaald, dat de artikelen 75b, 75c en 75d van de IOsv 1997 vervallen. Deze wijziging kan niet worden geëffectueerd, omdat de IOsv 1997 genoemde artikelen niet bevat. In verband daarmee kan in artikel V van de wet van 19 december 1996, Stb. 665, de zinsnede die naar deze artikelen van de Invoeringswet verwijst, vervallen.

Artikel L (Wet premieregime marginale arbeid)

De wijzigingen beogen in de Wet premieregime bij marginale arbeid op gelijke wijze als in andere socialeverzekeringswetten de afwijkingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te regelen. In het derde lid van artikel 3 was al voorzien in een afwijking van de beslistermijnen op een aanvraag. Geregeld was, dat zo spoedig mogelijk beslist moest worden op de aanvraag. Volgens de toelichting hield dit in spoediger dan binnen acht weken, de maximale termijn waarvan de Awb uitgaat. De termijn was niet ingevuld om de uitvoering ruimte te bieden daaraan zelf inhoud te geven. Omdat er enerzijds bij de uitvoering behoefte blijkt te bestaan aan expliciete regeling van een termijn en anderzijds de beslistermijnen voor de andere socialeverzekeringswetten in één algemene maatregel van bestuur (Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten) zijn geregeld, is in onderdeel A het derde lid in die zin aangepast, dat voor de beslistermijn wordt verwezen naar de regeling in dat Besluit beslistermijnen. Voorts ontbrak een regeling van de termijn waarbinnen op een bezwaarschrift beslist moet worden, terwijl op dit punt in de andere socialeverzekeringswetten wel een afwijkende bepaling is opgenomen. Daarin wordt nu in onderdeel B voorzien met het nieuwe artikel 9a op gelijke wijze als in die andere socialeverzekeringswetten.

Artikel LI (Arbeidsvoorzieningswet 1996)

Met de inwerkingtreding op 1 juli 1997 van een deel van de Wet boeten en maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid wordt ook de redactie gewijzigd van artikel 14 van de Abw, artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ. De verwijzingen naar de artikelleden van die artikelen in artikel 7 van de Arbeidsvoorzieningswet zijn daarmee niet mee in overeenstemming. Het is daarom noodzakelijk dat artikel 7 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997, gewijzigd wordt. Dit artikel strekt daartoe.

Artikel LIV (Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen)

Onderdeel A

In de wet van 21 december 1995, Stb. 696, tot wijziging van der Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten is in onder andere alle socialeverzekeringswetten een nieuwe definitie met betrekking tot de term «gezamenlijke huishouding» opgenomen (tot 1 januari 1997 waren bloedverwanten in de tweede graad uitgezonderd van deze definitie; thans niet meer) en is de duur van de zogenaamde overlijdensuitkering beperkt tot één maand na de dag van het overlijden. Bij het opstellen van genoemde wet is echter verzuimd beide wijzigingen ook in de wet TBA aan te brengen.

Onderdeel B

Bij de toepassing van de anticumulatieregeling, neergelegd in artikel 33 van de AAW en 44 van de WAO, wordt uitgegaan van algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Op grond hiervan zou iedereen bij de inwerkingtreding van de wet TBA per 1 augustus 1993 moeten zijn herbeoordeeld op het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium. Ingevolge het tweede lid van artikel XIX van de wet TBA is bij wijze van overgangsregeling het oude arbeidsongeschiktheidscriterium, al dan niet blijvend, van toepassing gebleven op personen op wie vóór die datum één van de oude anticumulatieregelingen van toepassing was.

Daarbij is er geen rekening mee gehouden dat ten aanzien van de personen die onder die overgangsregeling vallen, zich de situatie kan voordoen dat artikel 33 van de AAW en 44 van de WAO pas na 1 augustus 1993 voor het eerst toepassing vindt en voorts dat tijdens de in die artikelen genoemde termijn van drie jaar de betrokken arbeid als passende arbeid moet worden aangemerkt. Daarnaast is – voor beide situaties – over het hoofd gezien, dat die arbeid niet alleen tijdens die termijn van drie jaar als passende arbeid moet worden beschouwd, maar ook na ommekomst van die termijn, zodat de betrokkene ook op die arbeid kan worden geschat. De in dit artikel neergelegde wijziging van de wet TBA strekt daartoe.

Artikel LV (Organisatiewet sociale verzekeringen 1997)

Onderdelen B en C

Bij de inwerkingtreding van artikel 18 van de Osv 1997, waarin het aantal bestuursleden van de SVb wordt bepaald, is vergeten dit artikel op een later tijdstip in werking te laten treden, dit in verband met het op grond van artikel 67, eerste lid, van de IOsv 1997 tot 1 januari 1999 laten voortbestaan van artikel 22 uit de oude Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv). In verband hiermee komt in onderdeel B artikel 18 van de Osv 1997 met terugwerkende kracht tot 1 maart 1997 te vervallen. Het in onderdeel C voorgestelde nieuwe artikel 18 Osv 1997, met een overigens gelijke inhoud als het vervallen artikel 18, moet pas met ingang van 1 januari 1999 van kracht worden. De datum van inwerkingtreding van onderdeel C is derhalve bij artikel LXXII, eerste lid, op 1 januari 1999 gesteld.

Onderdeel D, onder 1

De reden van deze wijziging is dat de verwijzing in artikel 38, eerste lid onderdeel c, van de Osv 1997 naar artikel 1, onderdeel i, niet correct is. Er had naar subonderdeel 9 van onderdeel h van artikel 1 verwezen moeten worden. Punt 1 van onderdeel D strekt hiertoe.

Onderdeel D, onder 2, en artikel LXI, vierde lid

In onderdeel D, onder 2, wordt voorgesteld de taak van het Lisv op een tweetal punten uit te breiden. Op grond van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek 7 van het BW heeft de werknemer geen recht op loon, indien hij zonder deugdelijke grond weigert arbeid te verrichten bij een door de werkgever met toestemming van het Lisv aangewezen derde. Dit impliceert dat het Lisv de wettelijke taak heeft de werkgever toestemming te verlenen om zijn werknemer bij een bepaalde door hem aangewezen derde arbeid te laten verrichten. Noch in de Osv 1997 noch in de ZW is echter voorzien in een opdracht aan het Lisv om de werkgever een dergelijke toestemming te verlenen. In verband hiermee is het verlenen van deze toestemming in artikel 38, onderdeel j, expliciet als taak van het Lisv opgenomen. De daaraan verbonden uitvoeringskosten worden op grond van artikel XXXVI, onderdeel P (wijziging artikel 90 van de WW) ten laste van het wachtgeldfonds gebracht. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 april 1997, zijnde de datum waarop de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in werking is getreden en indirect (via artikel LXI, vierde lid) tot en met 1 maart 1997 (datum inwerkingtreding Osv 1997).

In onderdeel k wordt voorgesteld de taak van het Lisv uit te breiden met het uitvoeren van door Onze Minister aangewezen algemene maatregelen van bestuur en door Onze Minister aangewezen ministeriële regelingen. Een dergelijke bepaling is ook opgenomen in de taakomschrijving van de SVb. Verzuimd is echter om deze bepaling ook in de taakomschrijving van het Lisv op te nemen.

Onderdelen E tot en met G

Artikel 52 van de Osv 1997 bevat thans uitsluitend de regeling inzake de van rechtswege aansluiting alsmede de bevoegdheid van het Lisv om met betrekking tot de aansluiting van een of meer categorieën van werkgevers afwijkende regels te stellen.

Artikel 53, eerste en tweede lid, van de Osv 1997 bevatten de regels inzake de aan- en afmelding van de werkgevers. Deze regels zijn thans opgenomen in artikel 52, derde en vierde lid, van de Osv 1997.

In het voorgestelde artikel 53, derde lid, is bepaald dat het Lisv zo spoedig mogelijk aan de werkgever meedeelt vanaf welke datum hij bij een betreffende sector is aangesloten. Indien deze mededeling afwijkt van hetgeen de werkgever heeft gemeld of ten onrechte heeft nagelaten te melden, dient de mededeling van het Lisv te worden aangemerkt als een beschikking. In dat geval immers neemt het Lisv een beslissing over zowel de sector, waarbij de werkgever moet worden ingedeeld, als over het tijdstip van aansluiting en zijn aan deze beslissing voor de werkgever rechtsgevolgen verbonden. Tegen deze beschikking kan de werkgever bezwaar maken bij het Lisv en vervolgens beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Voor 1 maart 1997 hadden zowel de bedrijfsverenigingen als het Tica de bevoegdheid om primaire besluiten te nemen over de aansluiting van werkgevers. Na inwerkingtreding van de Osv 1997 is uitsluitend nog het Lisv bevoegd deze beslissingen te nemen. In verband hiermee kunnen de bepalingen inzake de overschrijving van werkgevers (artikel 52, vijfde lid, Osv 1997) en de bevoegdheid van het Lisv om, indien nodig, primaire aansluitingsbeslissingen af te geven (artikel 53, tweede lid, Osv 1997) komen te vervallen. Zowel de overschrijving als de bevoegdheid om in afwijking van de melding van de werkgever de werkgever in te delen bij een sector, vloeien automatisch voort uit de taak die het Lisv met betrekking tot de indeling heeft en behoeven niet meer apart in de wet te worden neergelegd.

De bevoegdheid van het Lisv om ambtshalve of op verzoek de werkgever in afwijking van artikel 52, tweede lid, bij een andere sector in te delen is wel gehandhaafd en thans opgenomen in artikel 53, vierde lid.

Hoewel beoogd was om de afwijkende beroepsgang te laten gelden voor alle besluiten inzake de aansluiting, is de in artikel 55 van de Osv 1997 opgenomen opsomming van indelingsbesluiten niet volledig gebleken. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

Onderdeel H

In artikel 65, eerste lid, van de Osv 1997 wordt verwezen naar verkeerde leden van artikel 74. Deze fout wordt in dit onderdeel hersteld.

Onderdeel I

In artikel 1, onderdeel i, worden onder de definitie van «uitvoeringskosten» mede begrepen «de kosten van uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel 43». Laatstbedoelde kosten behoeven daarom niet afzonderlijk vermeld te worden in artikel 80, derde lid. De desbetreffende zinsnede wordt in punt 1 van dit onderdeel geschrapt.

Het Lisv maakt bij de inning van premies op grond van de Ziekenfondswet kosten die ten laste van de Algemene Kas van de Ziekenfondsraad worden gebracht. Voorts maakt het Lisv kosten bij de inning van heffingen op grond van de Wet op de ondernemingsraden die bij de Sociaal-Economische Raad in rekening worden gebracht. Deze kosten zijn kosten van uitvoering van wetten door het Lisv en moeten derhalve worden aangemerkt als uitvoeringskosten in de zin van artikel 1, onderdeel i, van de Osv 1997. Omdat deze uitvoeringskosten worden toegerekend aan de Ziekenfondsraad en de Sociaal-Economische Raad worden deze instanties in punt 2 van dit onderdeel toegevoegd aan artikel 80, derde lid, van de Osv 1997.

Onderdeel J

Met deze wijziging wordt de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om regels te stellen ten aanzien van het eerste lid, uitgebreid tot het eerste en tweede lid. Deze bevoegdheid zal onder meer worden gebruikt om nadere regels te stellen aan de informatieverstrekking aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het Lisv en de SVb zijn op grond van de Wet op de Economische Statistieken verplicht om alle informatie te verstrekken die het CBS nodig heeft voor zijn taak. Op dit moment worden geen nadere regels gesteld aan de inhoud en de specificaties van de te verstrekken informatie. Zoals in de memorie van toelichting bij de Osv 1997 is gesteld, heeft het de voorkeur om de nadere regeling van informatieverstrekking aan het CBS ook in de ministeriële regeling informatievoorziening sociale verzekeringen op grond van artikel 87 Osv 1997 op te nemen. Dit heeft als voordeel dat het aan alle betrokkenen meer zekerheid en meer duidelijkheid verschaft. De nu voorgestelde wijziging van artikel 87 Osv 1997 creëert de wettelijke basis om dergelijke regels te stellen.

Onderdeel K

Het in artikel 101, eerste lid, onderdeel c, opgenomen vereiste dat de geregistreerde toestemming moet geven voor gegevensverstrekking, heeft alleen betrekking op de in dat onderdeel bedoelde gegevens. Het is niet beoogd dat de toestemming ook betrekking dient te hebben op de in onderdeel a en b genoemde gegevensverstrekking. Voor deze gegevensverstrekkingen geldt immers geen toestemmingsvereiste.

Onderdeel M

In artikel 107 van de Osv 1997 is abusievelijk overtreding van artikel 89 (verplichting tot het geven van inlichtingen) niet strafbaar gesteld. Dit artikel strekt ertoe deze omissie te herstellen.

Artikel LVI (Wijziging van de ZW, WAO, AAW, AOW en Anw in verband met wetsvoorstel Wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten)

De wijzigingen in de onderdelen a en b hebben betrekking op het vervallen van de bedrijfsverenigingen als uitvoeringsinstanties. Conform de systematiek in de Osv 1997 neemt het Lisv de plaats in van de bedrijfsverenigingen. Deze wijzigingen werken terug tot en met de datum waarop het wetsvoorstel Wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten in werking is getreden.

De wijziging in onderdeel c heeft betrekking op de Anw. In het reeds genoemde wetsvoorstel wordt aan artikel 1 van de Anw een onderdeel h toegevoegd. Inmiddels bestaat reeds een onderdeel h. Door de vernummering in onderdeel c wordt het aldaar voorgestelde onderdeel h, geletterd onderdeel i.

Artikel LVII (Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement)

In dit artikel wordt de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement zodanig gewijzigd dat als onverenigbaar met de functie van bestuurder van het Ctsv ook het lidmaatschap van de Staten-Generaal en het Europees Parlement wordt gerekend.

Artikel LX (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers)

De in dit artikel opgenomen wijziging van de IOAW strekt er toe een kennelijke misstelling te corrigeren in artikel XVIII van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (kamerstukken I 1996/97, 24 233, nr. 76). Deze wijziging werkt terug tot en met de datum waarop het wetsvoorstel Wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten in werking is getreden.

Artikel LXII (Organisatiewet sociale verzekeringen)

Bij brief van 18 september 1996 (kamerstukken II 1996/97, 25 000, nr. 4) is het kabinetsstandpunt met betrekking tot het aanvaarden op 23 februari 1995 van de motie-Giskes c.s. aan de Tweede Kamer medegedeeld. In die brief zijn de hoofdlijnen geschetst van het kabinetsstandpunt voor een, per 1 januari 1997, te treffen specifieke regeling, waarbij aan ouders van thuiswonende meervoudig gehandicapte dan wel ernstig lichamelijk gehandicapte of chronisch zieke kinderen in de leeftijd van 3–18 jaar een financiële tegemoetkoming zal worden verstrekt vanwege de hogere algemene kosten van levensonderhoud in verband met de handicap van dat thuiswonende kind. Bij de Wet tot vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 1997 is hiertoe een begrotingsvoorziening getroffen. De regeling is inmiddels gepubliceerd in de Staatscourant van 8 april 1997, nr. 67. De regeling zal worden uitgevoerd door de SVb.

Anders dan de andere door de SVb uit te voeren wetten wordt deze regeling niet gefinancierd uit een fonds maar uit de algemene middelen. De per 1 maart ingetrokken Osv voorziet in hoofdstuk VI slechts in uitvoering van wetten die worden gefinancierd uit een fonds. Het voorgestelde artikel voorziet in een delegatiebepaling op grond waarvan ten aanzien van hetgeen in hoofdstuk VI is bepaald met betrekking tot fondsen bij ministeriële regeling kan worden geregeld indien door de SVb regelingen worden uitgevoerd die worden gefinancierd door het Rijk. Deze bepaling is nodig, omdat in de Osv geen basis aanwezig was voor de met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 ter zake te treffen ministeriële regeling.

Artikel LXIV (Wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten)

In artikel XXIII van het wetsvoorstel Wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten is abusievelijk een verwijzing opgenomen naar de Algemene Bijstandswet. Dit had de (nieuwe) Algemene bijstandswet moeten zijn. Deze fout wordt in dit artikel hersteld. De wijziging werkt terug tot en met de datum waarop het wetsvoorstel Wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten in werking is getreden.

Artikel LXV (Wet houdende bepalingen in verband met de aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen per 1 januari 1996)

De wet houdende bepalingen in verband met de aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen per 1 januari 1996 bevat wijzigingen van de Organisatiewet sociale verzekeringen die is ingetrokken. Voorts bevat de wet een bepaling die, aangepast aan de Osv 1997, is opgenomen in de IOsv 1997. De wet houdende bepalingen in verband met de aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen per 1 januari 1996 heeft derhalve geen enkele zelfstandige betekenis en dient daarom te worden ingetrokken.

Artikel LXVIII (Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies)

Bij de inwerkingtreding van de Anw is in artikel 24 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies abusievelijk een verwijzing naar wezenpensioen op grond van de AWW blijven staan. Dit artikel strekt ertoe deze term aan te passen aan de Anw.

Artikel LXIX

Gebleken is, dat in artikel 30 (wijziging Algemene Kinderbijslagwet) van het bij koninklijke boodschap van 28 november 1996 ingediende voorstel van Wet regeling voor de totstandkoming van een gemeentelijk werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het arbeidsproces van langdurig werklozen en jongeren (Wet inschakeling werkzoekenden) (Kamerstukken 25 122) nog enige onjuiste verwijzingen naar artikelleden voorkomen. Dit artikel voorziet in de nodige aanpassingen.

Artikel LXXI (Overgangsrecht in verband met artikel LV)

Hoewel het merendeel van de indelingsbeslissingen genomen zal worden op grond van een van de bepalingen waarvoor de afwijkende beroepsgang geldt, kan niet worden uitgesloten, dat in incidentele geschillen toch de rechtbank bevoegd is. Zoals bij artikel LV, de onderdelen E tot en met G, reeds werd uiteengezet, is dit een niet beoogd gevolg van een omissie in artikel 55 Osv 1997. Teneinde een dergelijk verschil in behandeling van beroep niet langer te laten voortbestaan dan strikt nodig, is in het overgangsrecht bepaald dat de rechtbank bij inwerkingtreding van deze wet de betreffende beroepen overdraagt aan de Centrale Raad van Beroep. Indien echter de behandeling van het beroep door de rechtbank zover is gevorderd, dat partijen inmiddels zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen danwel partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van een onderzoek ter zitting, dan wordt een overdracht niet zinvol meer geacht en dient deze achterwege te blijven. Indien overdracht van de behandeling van het beroep plaatsvindt, zal de rechtbank partijen hierover informeren.

HOOFDSTUK V SLOTBEPALINGEN

Artikel LXXII (Inwerkingtreding)

Voor zover bepaalde artikelen of (sub)onderdelen daarvan op een andere datum in werking treden dan met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en voor zover aan bepaalde artikelen of (sub)onderdelen daarvan terugwerkende kracht is verleend, is daarop ingegaan bij de toelichting op die artikelen c.q. (sub)onderdelen daarvan.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert