nr. 60
NADER GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID LANSINK TER VERVANGING
VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 41
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
De artikelen 28 tot en met 31 worden vervangen door de volgende vier artikelen:
Artikel 28
1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is verplicht aan
een afnemer die daarom verzoekt, dan wel aan een leverancier die ten behoeve
van een afnemer daarom verzoekt, een aanbod te doen om elektriciteit te transporteren
vanuit een ander land naar deze afnemer die de desbetreffende elektriciteit
zelf zal verbruiken, indien:
a. deze afnemer jaarlijks meer elektriciteit verbruikt dan een bij ministeriële
regeling aangegeven hoeveelheid of
b. deze afnemer, gesteld dat hij gevestigd zou zijn in dat andere land,
op grond van het recht van dat land zou worden beschouwd als een in aanmerking
komende afnemer als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de richtlijn.
2. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is verplicht aan
een leverancier die daarom verzoekt, een aanbod te doen om elektriciteit te
transporteren vanuit een ander land naar deze leverancier, indien deze leverancier
een vergunninghouder is en hij, gesteld dat hij gevestigd zou zijn in het
andere land, op grond van het recht van dat land zou worden beschouwd als
een in aanmerking komende afnemer als bedoeld in artikel 19, derde lid, van
de richtlijn.
3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is verplicht aan
degene die daarom verzoekt, een aanbod te doen om elektriciteit te transporteren,
indien op grond van artikel 31 een ontheffing is verleend voor het gevraagde
transport van elektriciteit of de Commissie van de Europese Gemeenschappen
op grond van artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, van de richtlijn aan de
netbeheerder de verplichting oplegt om het gevraagde transport van elektriciteit
uit te voeren.
4. Bij ministeriële regeling worden afnemers, leveranciers, overeenkomsten of landen aangewezen ten aanzien waarvan het eerste lid of
het tweede lid van toepassing is.
5. Indien het andere land geen lid-staat is van de Europese Unie, wordt
onder een in aanmerking komende afnemer verstaan een afnemer of leverancier
die op grond van het recht van dat land in staat is om elektriciteit uit een
ander land af te nemen.
Artikel 29
Indien de afnemer of de leverancier, bedoeld in artikel 28, eerste en
tweede lid, in het andere land niet zou worden beschouwd als een in aanmerking
komende afnemer als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de richtlijn, is
het de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verboden een aanbod
te doen om elektriciteit te transporteren vanuit dat land naar de desbetreffende
afnemer of leverancier. Dit verbod geldt niet in de gevallen, bedoeld in artikel
28, eerste lid, onder a, en derde lid.
Artikel 30
1. De afnemer of leverancier die verzoekt om elektriciteit te transporteren
als bedoeld in artikel 28, eerste of tweede lid, verstrekt de netbeheerder
de inlichtingen die deze nodig heeft om te beoordelen of en zo ja, in welke
mate, de in Nederland gevestigde afnemer of leverancier op grond van het recht
van het andere land zou worden beschouwd als een in aanmerking komende afnemer.
In ieder geval geeft hij aan in welk land de desbetreffende elektriciteit
is opgewekt en, voor zover het betreft de afnemer, bedoeld in artikel 28,
eerste lid, de hoeveelheid elektriciteit die hij jaarlijks verbruikt.
2. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet benut bij de beoordeling,
bedoeld in het eerste lid, de gegevens en alle andere informatie, bedoeld
in artikel 19, vierde lid, van de richtlijn.
Artikel 31
1. Onze Minister kan op aanvraag van een afnemer of een leverancier ontheffing
verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 29, indien aannemelijk is dat
het desbetreffende transport van elektriciteit niet leidt tot een verstoring
van het evenwicht op de elektriciteitsmarkten, mede gelet op de bij ministeriële
regeling te bepalen gegevens die de aanvrager dient te verstrekken.
2. Bij de beoordeling van de aanvraag om een ontheffing houdt Onze Minister
rekening met de vraag of een verbod om het desbetreffende transport van elektriciteit
uit te voeren noodzakelijk en proportioneel is in het licht van het doel ervan,
alsmede met de vraag of het verbod de ontwikkeling van het handelsverkeer
zou beïnvloeden in een mate die strijdig is met het belang van de Gemeenschap,
bedoeld in artikel 3, derde lid, van de richtlijn.
II
In artikel 63, onderdeel 1, wordt «28, eerste en derde lid, 31»
vervangen door: 29, 30, eerste lid.
Toelichting
Het moet allereerst mogelijk zijn elektriciteit in te voeren, indien het
betreft Nederlandse afnemers die de in artikel 19, eerste en tweede lid, van
de richtlijn bedoelde aandelen vertegenwoordigen, dat wil zeggen dat zij als
in aanmerking komende afnemers zijn aangewezen met het oog op het bereiken
van de vereiste mate van marktopenstelling (in eerste instantie
25,37 %). Voorts moet elektriciteit worden ingevoerd indien sprake is van
reciprociteit, indien een ontheffing is verleend of indien de Europese Commissie
daartoe opdracht geeft. Als geen sprake is van reciprociteit, is het de landelijk
netbeheerder verboden om elektriciteit in te voeren.
Voor de beoordeling of sprake is van reciprociteit is maatgevend of de
afnemer die zelf elektriciteit invoert of ten behoeve van wie een leverancier
elektriciteit invoert, dan wel een vergunninghoudende leverancier in een ander
land als een in aanmerking komende afnemer wordt beschouwd. Bij ministeriële
regeling wordt geëxpliciteerd in welke gevallen reciprociteit steeds
gegarandeerd is. Het zal dan onder meer gaan om een land waarin de Nederlandse
vrije afnemers en leveranciers (vergunninghouders daarbij inbegrepen) in alle
gevallen in aanmerking komende afnemers zouden zijn. Ook moeten sommige overeenkomsten
ongehinderd worden uitgevoerd, zoals de overeenkomsten voor internationale
bijstand in het kader van de UCPTE.
Als geen sprake is van reciprociteit, kan een afnemer of een leverancier
een ontheffing van het invoerverbod vragen. Daarvoor moet aannemelijk worden
gemaakt dat de invoer niet leidt tot een verstoring van het evenwicht op de
elektriciteitsmarkten. De Minister van Economische Zaken moet bij de behandeling
van de aanvraag rekening houden met de noodzakelijkheid en de proportionaliteit
van een eventueel verbod alsmede met het effect op de ontwikkeling van het
handelsverkeer.
Met de wijziging van het voorgestelde artikel 31 wordt bereikt dat de
minister bij de ontheffingsaanvraag moet letten op de omstandigheden, genoemd
in het nieuwe eerste en het (vernummerde) tweede lid. De aanvrager moet op
grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de gegevens
en bescheiden verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn
en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Lansink