nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
De vraag of de Grondwet zich dient uit te spreken over het vraagstuk van
benoeming of verkiezing van de commissaris van de Koning en burgemeester is
eerder bij de voorbereiding van de algehele grondwetsherziening van 1983 aan
de orde geweest.
In 1971 nam de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet
(Commissie Cals-Donner) in meerderheid het standpunt in dat het niet wenselijk
is de oplossing van dit vraagstuk constitutioneel vast te leggen. In de Staatscommissie
was men het er overigens over eens dat in de Grondwet een zelfde gedragslijn
moet worden gevolgd met betrekking tot beide functionarissen. Overwogen werd
dat het vraagstuk in beweging is en het niet raadzaam leek reeds op voorhand
een keuze te doen. Naar het oordeel van de Staatscommissie diende de wetgever
hier te beslissen en de mogelijkheid te hebben om tussen verschillende oplossingen
te kiezen.
In de Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid (Bijlage Hand. II, 1973–1974,
12 944, nr. 2) nam de regering zowel de conclusie als de motivering op
dit punt van de Staatscommissie over en achtte deconstitutionalisering van
de aanstellingswijze van commissaris van de Koning en burgemeester gewenst.
Tijdens de behandeling van deze nota werd door de Tweede Kamer de motie-Tilanus
(Bijlage Hand. II, 1974–1975, 12 944, nr. 24) aanvaard. In deze
motie werd de regering uitgenodigd geen voorstellen bij de Staten-Generaal
aanhangig te maken, die ten doel hebben de bepalingen omtrent de methode van
aanwijzing van de commissaris van de Koning en de burgemeester uit de Grondwet
te verwijderen. De regering heeft bij de grondwetsherziening van 1983 deze
motie uitgevoerd en een artikel voorgesteld dat thans artikel 131 van de Grondwet
vormt.
In de jaren tachtig adviseerde de Staatscommissie van advies inzake de
relatie kiezers-beleidsvorming (Commissie-Biesheuvel) onder meer over de benoeming
van burgemeester en commissaris van de Koning. De Commissie-Biesheuvel heeft
geen voorstellen gedaan om wijziging te brengen in de aanstellingswijze van
de commissaris van de Koning en de burgemeester. Ook werd geen deconstitutionalisering
van de benoemingswijze voorgesteld.
Recent is het vraagstuk van de aanstellingswijze van de burgemeester aan
de orde gesteld in het kader van het rapport van de Bijzondere Commissie Vraagpunten
(Commissie-Deetman). De derde externe commissie Verkiezing/Benoemingsprocedure
Burgemeester (Commissie-Van Thijn) kreeg van de Commissie-Deetman de opdracht
het vraagstuk van benoeming of verkiezing van de burgemeester nader te bestuderen
en de discussie hierover van nieuwe argumenten te voorzien.
In het rapport van de Commissie-Van Thijn (Kamerstukken II, 1992–1993,
21 427, nrs. 34–35) «De burgemeester ontketend» doet
de Commissie onder meer voorstellen ten aanzien van de aanstellingswijze van
de burgemeester. De Commissie constateert dat de realisering van de door haar
onderzochte varianten waarbij de burgemeester niet zal worden benoemd maar
worden gekozen, grondwetswijziging vergt. Artikel 131 van de Grondwet bepaalt
immers dat de burgemeester door de Kroon wordt benoemd.
De Commissie noemt twee mogelijkheden voor de inhoud van een grondwetswijziging
op dit punt. De eerste is dat enigerlei vorm van verkiezing van de burgemeester
in de Grondwet zelf wordt verankerd. De tweede mogelijkheid, die de uitgesproken
voorkeur van de Commissie heeft, is dat artikel 131 van de Grondwet wordt
geschrapt en dat het aan de wetgever wordt overgelaten te regelen hoe de burgemeester
wordt aangesteld. De Commissie wijst er daarbij op dat, welke variant men
ook in de Grondwet vastlegt, men steeds het risico loopt dat een in de loop
van de tijd veranderende visie op de meest wenselijke aanstellingswijze tot
een keuze van een andere variant leidt, hetgeen dan weer tot wijziging van
de Grondwet noopt. Deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de
burgemeester biedt de wetgever de mogelijkheid om op een procedureel minder
omslachtige wijze te reageren op breed gedragen veranderde inzichten ter zake.
Het voorgaande kabinet zond op 11 april 1994 (Kamerstuk II, 1993–1994,
nr. 21 427, nr. 103) een standpunt naar aanleiding van het rapport van
de Commissie-Van Thijn aan de Tweede Kamer. Deze notitie kon echter niet meer
in de vorige kabinetsperiode besproken worden.
Bij het aantreden van het huidige kabinet werd besloten een nadere notitie
aan de Kamer te zenden, nadat daarover ook in de ministeriële commissie
staatkundige vernieuwing van gedachten zou zijn gewisseld. Bedoelde nadere
notitie, die tevens het standpunt bevatte om tot deconstitutionalisering van
de benoemingswijze van de commissaris van de Koning en de burgemeester over
te gaan, werd op 8 november 1995 (Kamerstuk II, 1995–1996, 21 427,
nr. 115) aan de Tweede Kamer gezonden en besproken met de Vaste Commissie
voor Binnenlandse Zaken in het nota-overleg van 1 april 1996.
De regering volgt de Commissie-Van Thijn in haar unanieme aanbeveling
over te gaan tot deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester.
Wij menen voorts dat ten aanzien van de vraag, of de Grondwet zich dient
uit te spreken over het vraagstuk van de verkiezing of de benoeming van de
commissaris van de Koning en de burgemeester, een zelfde gedragslijn moet
worden gevolgd met betrekking tot beide functionarissen.
Wij sluiten hier aan bij het standpunt dat de Staatscommissie Cals-Donner
indertijd terzake heeft ingenomen. Wij achten de methode van aanwijzing van
de burgemeester en de commissaris van de Koning niet van zodanig gewicht dat
deze in de Grondwet moet worden blijven vastgelegd. Weliswaar verschilt de
positie van de burgemeester in de gemeente van de rol van de commissaris in
de provincie, mede gelet op hun verhouding tot de regering (artikel
126 van de Grondwet), maar dit verschil wordt niet zodanig geacht dat om die
reden in deze een verschillende gedragslijn zou moeten worden gevolgd. Deconstitutionalisering
biedt de wetgever de mogelijkheid eenvoudiger en sneller dan de grondwetgever
in te spelen op de toekomstige inzichten omtrent de gewenste aanstellingswijze
van bedoelde functionarissen. Dit neemt uiteraard niet weg dat de wetgever,
indien hem de zaak wordt overgelaten, uiteenlopende oplossingen kan kiezen.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal