Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825618 nr. A

25 618
Wijziging van de Ziektewet, de WAO, de WW en enkele andere wetten in verband met het wegnemen van belemmeringen in sociale verzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof

A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 27 augustus 1997 en het nader rapport d.d. 16 september 1997, aangeboden aan de Koningin door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 21 juli 1997, no. 97.003493, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting, houdende wijziging van de Ziektewet, de WAO, de WW en enkele andere wetten in verband met het wegnemen van belemmeringen in sociale verzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof.

Blijkens de mededeling van de Directeur van uw Kabinet van 21 juli 1997, nr. 97.003493, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende het bovenvermelde voorstel rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies gedateerd, 27 augustus 1997, nr. W12.97.0438 bied ik U hierbij aan.

1. In de tweede alinea van paragraaf 3.3 van de memorie van toelichting wordt vermeld dat het kabinet voorstelt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) zodanig te wijzigen dat de bij de aanvang van de verzekering bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft, indien de arbeidsongeschiktheid bestaat aan het einde van een periode van onbetaald verlof van maximaal zes maanden.

De Raad van State beveelt aan die passage in de memorie van toelichting te verduidelijken door de concrete gevolgen van de bedoelde wijziging van de WAO te belichten die zullen optreden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten die met onbetaald verlof gaan.

1. De positie van werknemers die al bij aanvang van het verlof (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn, is op advies van de Raad van State, in de memorie van toelichting en de wettekst in zoverre verduidelijkt dat de inperking van de weigeringsbevoegdheid van het Lisv en het buiten toepassing laten van het tweede lid van artikel 18 WAO, uitsluitend betrekking hebben op arbeidsongeschiktheid die is ontstaan gedurende de periode van het onbetaald verlof, voorzover dit verlof niet langer dan zes maanden heeft geduurd.

Het tweede lid van artikel 18 WAO bepaalt dat betrokkene bij aanvang van de verzekering slechts verzekerd is voor de rest van de op dat moment nog bestaande verdiencapaciteit. Deze bepaling dient buiten toepassing te blijven indien betrokkene onverzekerd was om reden van onbetaald verlof en tijdens dat verlof (meer) arbeidsongeschikt is geworden. Uiteraard voorzover dit verlof niet langer dan zes maanden heeft geduurd en voorzover er bij aanvang van het verlof niet al reeds sprake was van arbeidsongeschiktheid. De tekst van de wet is op dit punt verduidelijkt.

De inperking van de bevoegdheid van het Lisv om ziekengeld of een arbeidsongeschiktheidsuitkering te weigeren in de situatie dat de ongeschiktheid tot werken bestaat na afloop van het onbetaalde verlof heeft uiteraard eveneens alleen betrekking op die arbeidsongeschiktheid die tijdens het verlof is ontstaan. Arbeidsongeschiktheid die al bij aanvang van het verlof bestond en niet tot aanspraken op ziekengeld of een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft geleid, zal ook na afloop van het verlof niet tot aanspraken kunnen leiden. Ook op dit punt zijn de wettekst en de memorie van toelichting aangepast.

2. In hoofdstuk 6 van de memorie van toelichting wordt ingegaan op de gevolgen voor inkomensafhankelijke regelingen van de voorgestelde regeling inzake onbetaald verlof. De Raad heeft een beschouwing gemist aangaande regelingen met behulp waarvan mede gelet op de hoogte van het inkomen rechten worden opgebouwd, zoals pensioenrechten.

Het college beveelt aan, de laatstbedoelde gevolgen en de maatregelen die met het oog op die gevolgen dienen te worden genomen ten minste in de memorie van toelichting aan de orde te stellen.

2. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad is onder paragraaf 8 van de memorie van toelichting een nadere beschouwing gewijd aan de gevolgen van het opnemen van onbetaald verlof voor de pensioenrechten.

3. In de brief waarmee het wetsvoorstel bij de Raad aanhangig is gemaakt heeft de staatssecretaris de bijzondere aandacht van de Raad gevraagd voor de in de memorie van toelichting geformuleerde overwegingen ten aanzien van de vraag welke dag, krachtens de bepaling in het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet en de WAO, als eerste dag van ongeschiktheid tot werken moet worden gezien.

De daaromtrent in paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting onder Eerste ziektedag opgenomen overwegingen van de regering geven de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

3. De in paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting opgenomen overwegingen ten aanzien van de eerste ziektedag, waarvoor de bijzondere aandacht van de Raad was gevraagd, gaven de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. De memorie van toelichting is op dit punt derhalve ongewijzigd gebleven.

4. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

4. De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn alle overgenomen. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt enkele andere redactionele veranderingen aan te brengen.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overweging geven het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Bijlage bij het advies van de Raad van State van 27 augustus 1997, no. W12.97.0438, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft

Voorstel van wet

– In artikel VII, onderdeel 1°, «Aan het eind van onderdeel b» vervangen door: Aan het eind van onderdeel c.

Memorie van toelichting

– De aanduiding van kamerstukken steeds wijzigen, met inachtneming van aanwijzing 219 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).

– In paragraaf 1 bij de weergave van eerder geformuleerde uitgangspunten, mede gelet op aanwijzing 219 Ar, de vindplaats vermelden

– In paragraaf 2, vierde alinea, aangezien over de periode van onbetaald verlof geen loon door de werkgever betaald dient te worden, «en geen loon van de werkgever wordt ontvangen» vervangen door: en waarover geen loon van de werkgever wordt ontvangen.

– In de slotzin van paragraaf 2, mede gelet op het gebruikte werkwoord «kunnen», «in sommige gevallen» laten vervallen.

– In paragraaf 3.3 «Kabinet» vervangen door: regering.

– Steeds spreken van «socialezekerheidswetten» enz.


XNoot
1

De tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.