Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25616 nr. 9 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25616 nr. 9 |
Vastgesteld 17 december 1997
De vaste commissies voor Binnenlandse Zaken1 en Justitie2 hebben op 20 november 1997 overleg gevoerd met de ministers Dijkstal van Binnenlandse Zaken en Sorgdrager van Justitie over het standpunt over het onderzoek «Onder schot»(25 016, nr. 27).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Gabor (CDA) merkte op dat het rapport een goed inzicht geeft in het gebruik van het geweldswapen door de politie. Het is echter gewenst dat de Kamer ook inzicht krijgt in het geweld tegen de politie. Is het kabinet bereid om terzake een breder onderzoek te laten verrichten dan ten aanzien van aanbeveling 15 wordt aangekondigd?
De heer Gabor onderschreef het voornemen om artikel 17 van de ambtsinstructie – het melden van het gebruik van geweld – opnieuw te redigeren. Doel is een duidelijk systeem waarin iedere vorm van geweldsgebruik wordt gemeld.
De thans geldende juridische normering van het vuurwapengebruik en de jurisprudentie bieden nauwelijks een behoorlijke leidraad. Er is grote spanning tussen de meldingsplicht aan de ene kant en het zwijgrecht in het strafrechtelijk onderzoek aan de andere kant. Is de regering voornemens om de instructies op dit punt aan te passen?
Er wordt op dit moment nagegaan op welke wijze het uit voorzorg ter hand nemen van het wapen teruggedrongen kan worden. Op dit terrein gebeuren de meeste ongelukken. De heer Gabor was vooralsnog van mening dat dit in alle gevallen onder de meldingsplicht moet vallen.
Het kabinet wil het «trekken» van het vuurwapen en het «gericht houden» daarvan in één artikel onderbrengen. De heer Gabor nam aan dat hierdoor automatisch elke actie die leidt tot het trekken van het vuurwapen onder de meldingsplicht komt te vallen.
De heer Gabor was het over het algemeen eens met de omschrijving van de begrippen «ernstig misdrijf» en «grove aantasting van de rechtsorde». Hij zag echter graag dat dit laatste begrip iets exacter wordt geformuleerd, met name op het punt van de toelichting. Uit de literatuur blijkt dat er nauwelijks goede criteria zijn ten aanzien van proportionaliteit en subsidiariteit. Kan hieraan aandacht worden besteed bij de verdere uitwerking van de geweldsinstructie? Wat vinden de bewindslieden van het standpunt van enkele politiebonden dat het gebruik van het vuurwapen bij aanhoudingen afgeschaft moet worden?
De heer Gabor was blij met het uitgebreide meldingsformulier en de voorgestelde registratiesystematiek. Onderschrijft de regering het standpunt van de procureurs-generaal om de hoofdofficieren van justitie te blijven belasten met het toezicht in verband met de uniformiteit? De jaarlijkse rapportage – aanbeveling 8 – is een uitstekend voorstel.
Het is bekend dat niet iedere politieman of -vrouw met evenveel enthousiasme deelneemt aan de schiettrainingen. Op dit punt is zeker verbetering nodig. Is het wapen van degenen die onvoldoende oefenen al ingenomen? Het streven moet uiteraard zijn dat alle politiemensen een wapen kunnen dragen.
In het rapport wordt gesteld dat verboden moet worden dat politiemensen hun wapen mee naar huis nemen. De heer Gabor steunde de mening van het kabinet dat dit mogelijk moet blijven, maar dat ten aanzien van het opbergen van het wapen duidelijke instructies moeten gelden. Ook buiten diensttijd is een politieman of -vrouw kwetsbaar en moet hij of zij zich kunnen verdedigen.
De heer Gabor vroeg de regering, de regels voor het gebruik van munitie die in oorlogstijd verboden is, te heroverwegen. Hij was de regering erkentelijk voor de weliswaar wat laat toegezonden nadere toelichting. Op bepaalde terreinen blijkt een versnelling mogelijk te zijn. In welke Europese landen worden middelen zoals pepperspray reeds toegepast?
Mevrouw Oedayraj Singh Varma (GroenLinks) wees erop dat uitgangspunt is dat de politie zo min mogelijk geweld toepast. Het is goed dat het gebruik van geweld centraal wordt geregistreerd, waarbij terecht een scheiding tussen melding en verantwoording is aangebracht. Geweld is echter een rekbaar begrip. Is duidelijk wanneer het meldingsformulier en het verantwoordingsformulier moeten worden ingevuld? Er is een groot gat tussen het niet reageren en het instellen van een strafrechtelijke vervolging. Daarom is het van belang dat er nu een richtlijn wordt opgesteld, zodat het OM eenduidig kan reageren. Is altijd duidelijk wie een maatregel oplegt, de korpschef of de officier van justitie? Wordt na een bepaalde periode nagegaan of iemand die een dergelijke maatregel is opgelegd, zijn gedrag heeft gewijzigd? Blijft dit in zijn of haar dossier staan?
Het is goed dat casuïstiek en jurisprudentie voor alle afdelingen beschikbaar komen. Wellicht kunnen op grond hiervan de criteria centraal worden aangescherpt. Kan ook geregistreerd worden op welke wijze zonder geweld crises zijn opgelost? Op deze wijze kan een leidraad voor praktijk en opleiding ontwikkeld worden.
Politiemensen voelen zich soms onveilig in een samenleving waarin het geweld toeneemt. Gelukkig is de politie nuchter genoeg om te constateren dat het gebruik van geweld ook weer geweld oproept. Door trainingen – tijdens de opleiding, maar ook nadien – moet meer nadruk gelegd worden op andere methoden om problemen op te lossen. Om de hoeveel tijd worden er schietoefeningen gehouden? Er blijkt niet voldoende tijd voor de periodieke trainingen te zijn. Welke prioriteit wordt eraan gegeven?
Mevrouw Varma onderschreef het standpunt van het politie-instituut dat het gebruik van pepperspray vooralsnog afwijst. Slachtoffers behoeven nazorg en er moet geïnvesteerd worden in de opleiding. Het gevaar voor de gezondheid maakt het gebruik ervan in feite onverantwoord. Hoe meer wapens er gebruikt kunnen worden, hoe meer afwegingen en criteria nodig zijn.
Mevrouw Varma was bezorgd over de actie van de politiemensen van bureau Warmoesstraat naar aanleiding van het in voorlopige hechtenis nemen van hun collega. Deze is pijnlijk voor de nabestaanden van het slachtoffer en geeft een verkeerd beeld van de politie. Vanuit een gevoel van machteloosheid vindt men het gebruik van disproportioneel geweld kennelijk toch gerechtvaardigd. Politieagenten moeten beter worden getraind op het gebied van psychosociale vaardigheden.
Uit het rapport van de commissie politieklachten blijkt dat politiemensen tijdens de Eurotop in Amsterdam in veel gevallen gebruik hebben gemaakt van disproportioneel geweld en arrestanten rechten hebben onthouden. Worden de betrokkenen hier nog op aangesproken? Miscommunicatie in een gespannen klimaat bleek tot overdreven reacties te leiden. Wordt dit politieoptreden geëvalueerd? De politie moet te allen tijde realistisch blijven. Een psychologische training voor het optreden tijdens dergelijke gebeurtenissen is gewenst.
De munitie die door de bijzondere bijstandseenheden wordt gebruikt, is in oorlogstijd verboden. Is het gebruik daarvan in vredestijd wel verantwoord?
De heer Van Heemst (PvdA) bracht naar voren dat uit Onder schot blijkt dat in de periode 1978–1995 het vuurwapengebruik van de politie 52 doden en 244 gewonden tot gevolg had. In de begeleidende brief worden andere rapporten genoemd, zoals Stoppen met doorgaan, Arrestatieteams onder de loep, Wijze en stijl van conflicthantering door de politie, Geweld in de interactie politie–publiek en Werken met pistool uit de holster. Komen deze rapporten, met een standpunt van de regering, ter beschikking van de Kamer? Daarnaast wordt er nog onderzoek verricht naar de medische gevolgen van het gebruik van pepperspray en wordt een inventarisatie gemaakt van de geweldsmiddelen die het gat tussen wapenstok en vuurwapen kunnen opvullen.
De heer Van Heemst wees erop dat het noodzakelijk is, het geweldsmonopolie zodanig in te kaderen dat er met grote terughoudendheid gebruik van wordt gemaakt. Van uitermate groot belang is het garanderen van een zorgvuldige verantwoording van ieder wapengebruik. Het gaat om de veiligheid van de agent in kwestie, om de veiligheid van zijn collega's, om de veiligheid van omstanders en voorbijgangers en om de veiligheid van de verdachte. Bedacht moet worden dat een politieman of -vrouw die van zijn of haar wapen gebruik heeft moeten maken, daar behoorlijk last van kan hebben. Duidelijke regels, een goede verslaglegging en goede beoordeling kunnen een ruggensteun zijn voor de betrokkene.
De zorgvuldige verantwoording kan in de praktijk de nodige spanningen oproepen, omdat de betrokken politieagent op z'n minst het gevoel kan krijgen dat hij ook verdachte is. De nadruk dient dan ook gelegd te worden op het feit dat dit onderdeel is van een professionele kijk op het beroep. In de Politiewet wordt vuurwapengebruik aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit gekoppeld. Bovendien moet dit altijd in verhouding staan tot het beoogde doel, hetgeen inhoudt dat het redelijk en gematigd moet zijn.
In aanbeveling 16 wordt gewezen op de noodzaak, stringente regels op te stellen voor het schieten op rijdende voertuigen, waarop ongeveer een kwart van het aantal gevallen van vuurwapengebruik betrekking heeft. Dit blijkt overigens zelden een effectief middel te zijn. Krijgt de Kamer het rapport hierover – Stoppen met doorgaan – voorzien van de conclusies van de regering te zijner tijd toegezonden?
De training in alle beroepsvereisten is van zeer groot belang; van sociale vaardigheden tot aan schietvaardigheid. Een goede politievrouw of -man beschikt over een breed scala van middelen om zich in lastige situaties staande te houden en om aanvaardbare oplossingen te bereiken. Er is per korps een zeer grote variatie als het gaat om de tijd die aan dit soort trainingen wordt besteed. Wat is hier de oorzaak van?
De heer Van Heemst was niet erg onder de indruk van de voorbeelden die in de brief ter illustratie van de ambtsinstructie worden gegeven, zoals het gebruik van het vuurwapen bij de aanhouding op heterdaad van een notoire XTC-leverancier aan jongeren. Deze handelaar kan, na observatie, ook later aangehouden worden. Ook het voorbeeld van een serie autokraken overtuigde de heer Van Heemst niet. Hij kon zich meer vinden in het voorbeeld van de serie woninginbraken in een buurt. Wil de regering hier nader op ingaan?
De heer Van Heemst achtte het gewenst dat de Kamer eenmaal per jaar een rapportage krijgt over het geweldsgebruik bij de politie. Daartoe moeten de bewindslieden beschikken over een compleet en analytisch inzicht in de materie. Hij zou het op prijs stellen als de rijksrecherche in alle voorkomende gevallen een geweldsverslag opmaakt, waarin aandacht is voor structurele tekortkomingen. Op die wijze kan de regering de volksvertegenwoordiging toereikend informeren. De aanbevelingen 13 en 32 zijn wat dat betreft onvoldoende. De hoofdofficier van justitie stelt alleen een vrij summier ambtsbericht op over de beslissing om tot vervolging over te gaan. Die werkwijze levert geen materiaal op dat voor de Kamer bruikbaar is. Doel van de rapportages is verbetering van opleiding en training. Zij kunnen ook bijdragen aan een meer professionele opvatting over het gebruik van geweld.
Er is nader onderzoek nodig naar de praktische ervaring met het dienstpistool en de holster. Linkshandigen en mensen met kleine handen schijnen het pistool moeilijk te kunnen hanteren. Zijn er nu eindelijk uniforme voorschriften voor de holsters? Er is op dat gebied sprake van een zekere wildgroei, met alle risico's voor de veiligheid van dien?
Er is ook nader onderzoek nodig naar de werkdruk en taakverdeling van arrestatieteams. De drie regio's die nog over z'n team beschikken, lijken geneigd te zijn om dit eerder in te zetten dan volgens de instructies is toegestaan. Geeft het rapport Arrestatieteams onder de loep aanleiding om hierop terug te komen?
De heer Van Heemst was benieuwd naar de omvang, de inzet en de aansturing van de bijzondere bijstandseenheden (BBE's) en daarmee vergelijkbare teams. Dit zijn zwaar getrainde eenheden, die gespecialiseerd zijn in de meest vergaande vormen van geweld door de politie. Is gewaarborgd dat men elkaar niet voor de voeten loopt?
De heer Van Heemst sloot zich ten slotte aan bij de opmerkingen over de legitimiteit van het gebruik van de stopkogel. De formele grondslag daarvan is nog onduidelijk.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) merkte op dat politieambtenaren slechts in het uiterste geval bevoegd zijn om hun dienstpistool te trekken en een schot af te vuren ter aanhouding of ter verdediging. Gebruik van geweld is een zeer grote inbreuk op de lichamelijke integriteit. Uit het aantal doden en gewonden als gevolg van politiegeweld kan worden afgeleid dat er sprake is van enige terughoudendheid bij het vuurwapengebruik, al is iedere dode en iedere gewonde er één te veel. Ongewilde schoten – reflex-, klungel- of worstelschoten – zouden eigenlijk niet mogen voorkomen.
Mevrouw Scheltema wees erop dat in de onderzoeksperiode – 1978–1995 – ten minste 12 doden en 60 gewonden niet werden gemeld. Dit toont aan dat er nog iets schort aan het reële inzicht het vuurwapengebruik en het dreigen daarmee. De registratie is onvoldoende. Er zijn grote verschillen tussen de korpsen. De doorzending van gegevens naar het OM en de ministers laat te wensen over. Ook de rijksrecherche rapporteert maar mondjesmaat aan de ministers. In 1993 bleek slechts de helft van het aantal gevallen te worden doorgegeven. Bovendien bleken er veel rapporten van de rijksrecherche zoek te raken en verzuimden de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten hun wettelijke rapportageplicht volledig. Vuurwapengebruik staat haaks op de grondrechten bescherming van leven en lichamelijke integriteit. Uitermate grote zorgvuldigheid is dus vereist, zowel bij de toepassing als bij de controle. Nauwkeurige jaarlijkse rapportage is nodig om het oog te kunnen houden op de ontwikkelingen. De ministers moeten die gegevens hebben, maar ook het parlement. Zullen de voorgestelde aanscherpingen de grote verschillen in rapportages tussen de korpsen verkleinen?
Steeds meer wordt geklaagd over het toenemend geweld tegen de politie. De politie wordt op vele manieren bedreigd. Is de minister bereid, dit in kaart te brengen?
De praktijk wijst uit dat de schietvaardigheid te wensen overlaat. In antwoord op vragen van de heren Cornielje en Korthals heeft de minister aangekondigd dat de inspectie een onderzoek zal instellen. Wanneer is dat gereed? Meer en vooral regelmatiger training is gewenst. Is het aantal schietbanen daartoe wel toereikend?
De noodzaak van conclictbeheersing in meer algemene zin blijft onderbelicht. De stabiliteit, het incasseringsvermogen en het vermogen om rustig te blijven van de politieman of -vrouw bepalen voor een groot deel of het noodzakelijk is, naar het vuurwapen te grijpen. Dit vraagt psychosociale training. Een agent moet instinctmatig kiezen voor een andere oplossing dan voor de inzet van het wapen. Moet deze training niet worden geïntensiveerd?
De vervolging na schietincidenten blijkt uiterst beperkt. Bovendien zijn er zeer grote verschillen in afdoening. Er mag geen sprake zijn van een verschil in tolerantie. Centrale advisering kan de eenvormigheid bevorderen. Ook is het nuttig dat casuïstiek en jurisprudentie worden gebundeld. Wat bedoelen de ministers met hun reactie op aanbeveling 5? Het lijkt erop dat zij in dit verband kiezen voor een decentrale invalshoek. Het is niet nodig dat ieder korps zijn eigen wiel gaat uitvinden.
Al zes of zeven jaar wordt gesproken over de modificatie van de Walther P5. Is die nu eindelijk voltooid? Hoe verhoudt de constatering dat dit pistool lastig is te hanteren voor mensen met kleine handen zich tot het emancipatiestreven? Uit de praktijk blijkt dat vooral vrouwen moeite hebben met dit wapen. Is het niet mogelijk een kleiner, beter te hanteren pistool beschikbaar te stellen?
Tussen wapenstok en pistool ligt een grijs gebied. In een aantal landen wordt de gasspuitbus gebruikt. Mevrouw Scheltema bracht naar voren dat haar fractie hiertegen is zolang de gezondheidsrisico's onverminderd groot blijven. Er is een wapen nodig dat kan worden ingezet tegen bedreigingen van de politie met steekwapens of door groepsvandalisme.
Het is opvallend dat ruim de helft van het vuurwapengebruik plaatsvindt tijdens achtervolgingen van voertuigen, terwijl het effect daarvan gering is. Hoe is dit te verklaren? Mevrouw Scheltema kondigde aan, graag met de minister van gedachten te willen wisselen over Stoppen met doorgaan.
Uit de stukken komt een zeer positief beeld van de arrestatieteams naar voren. Zij bestaan uit zeer gekwalificeerde mensen die weinig brokken maken. De IRT-enquête toont aan dat arrestatieteams niet alleen worden ingezet bij de aanhouding van vuurgevaarlijke verdachten maar ook bij andersoortige operaties. Is dit een gewenste ontwikkeling?
De heer Korthals (VVD) sloot zich aan bij de vragen naar Stoppen met doorgaan en Arrestatieteams onder de loep. Ook kon hij de vragen onderschrijven over de omvang, inzet en sturing van de BBE, over het schieten op rijdende voertuigen, over de uniforme voorschriften voor de holster en over het onderzoek naar werkdruk en taakverdeling van arrestatieteams.
Er wordt over het geheel te weinig geoefend, al gebeurt dit in de ene regio bepaald meer dan in de andere. Kunnen er geen algemene richtlijnen gegeven worden? Het is van belang dat er kwaliteitsnormen gelden voor de faciliteiten en de instructeurs.
Er moet bij de politie, evenals bij de marechaussee, gericht op fysieke vaardigheid worden getraind. Dit geeft de agent meer zelfvertrouwen. De heer Korthals vond dat nagegaan moet worden of de pepperspray voor de politie bruikbaar is. Een definitief oordeel over de inzet van andere wapens kan pas worden gegeven als de twee rapporten terzake zijn verschenen.
De terminologie van de ambtsinstructie kan soms aanleiding geven tot verwarring. Algemene termen zijn niet altijd te vermijden, maar op enkele punten kan er wel verduidelijking worden aangebracht.
Er zijn wel veel gegevens over het wapengebruik door te politie, maar te weinig over de bedreiging en het geweld waaraan de politie blootstaat. De heer Korthals sloot zich aan bij de vraag van de heer Gabor over aanbeveling 15. De rapporten van de rijksrecherche moeten worden gebruikt voor opleiding, vorming en instructie. Is het landelijke meldingsformulier al in gebruik en, zo nee, waar wacht men dan nog op?
De minister van Justitie wees erop dat het beroep van politieagent zeer moeilijk is. Er is sprake van geweld door en geweld tegen de politie. Dit geeft aan in welk moeilijk spanningsveld men moet opereren. Politiemensen moeten zich realiseren dat geweld ook geweld uitlokt. Er worden hoge eisen aan de politieopleiding gesteld. Men moet goed getraind worden in puur technische vaardigheden, maar ook in psychosociale technieken.
De minister betreurde de opmerkingen van mevrouw Varma over het politieoptreden tijdens de Eurotop. Over het algemeen is dit goed verlopen, alleen is hier en daar, incidenteel, te hardhandig opgetreden. De evaluatie zal duidelijk maken op welke punten verdere verbetering kan worden aangebracht. De korpsbeheerder zal op grond van de uitkomsten van de evaluatie beslissingen nemen ten aanzien van individuele functionarissen.
Het is verontrustend dat het verbale en het fysieke geweld tegen de politie toeneemt. Ook voor politiemensen geldt dat een confrontatie met geweld psychische gevolgen heeft. Op dit moment is een onderzoek gaande inzake geweldsgebruik door en tegen de politie in de regio's Rotterdam-Rijnmond en Gelderland-Midden. Daarin wordt onder andere ingegaan op nut en effectiviteit van methoden en technieken van geweldbeheersing. De minister zegde toe na te zullen gaan op welke wijze er een beter overzicht kan worden verkregen van het geweld tegen de politie.
De meldingsplicht wordt niet altijd even correct nageleefd. Men loopt de kans als een verdachte te worden aangemerkt en dat is ook voor een politieman bedreigend. Dit neemt niet weg dat de instructies moeten worden opgevolgd. Een professionele beroepsopvatting betekent ook een open houding ten opzichte van hetgeen men heeft gedaan. Wanneer men eenmaal als verdachte is aangemerkt, kan men een beroep doen op het zwijgrecht. De minister wees erop dat dit uit een oogpunt van beroepsuitoefening bepaald ongewenst is. De invalshoeken strafvordering en beheer staan in dit geval haaks op elkaar.
De begrippen «ernstig misdrijf» en «grove aantasting van de rechtsorde» uit de ambtsinstructie moeten inderdaad beter worden omschreven. Het geven van voorbeelden blijkt niet goed te werken, zoals blijkt uit de genoemde zaak tegen de XTC-handelaar. Er zal geprobeerd worden, de begrippen duidelijker te formuleren, waarbij voorbeelden achterwege moeten blijven. Het is wellicht goed om bepaalde categorieën misdrijven uit te sluiten. Voor de overblijvende categorieën zullen de omstandigheden bepalend moeten zijn.
De begrippen «trekken» en «uit voorzorg ter hand nemen» zijn niet op één lijn te stellen. Als men een wapen uit voorzorg ter hand neemt, doet men verder niets. Als men het wapen trekt, wordt het vaak ook op iemand gericht. Dan wordt er nog niet geschoten, maar er gaat wel een dreiging van uit. Het «trekken» valt onder het gebruik van een vuurwapen en dient dus gemeld te worden.
In de ambtsinstructie zal opgenomen worden dat het schieten op rijdende voertuigen ernstig wordt ontraden. Een algeheel verbod is niet mogelijk, maar in de praktijk blijkt dat dit schieten in het overgrote deel van de gevallen niet effectief is. De minister merkte op dat in bijzondere omstandigheden ook bij aanhouding een vuurwapen gebruikt mag worden, bijvoorbeeld als het om vuurgevaarlijke verdachten gaat. De meldingen moeten zo uniform mogelijk getoetst worden. Het is ongewenst dat er grote verschillen bestaan tussen regio's en zeker binnen regio's.
Op het punt van het mee naar huis nemen van het dienstwapen is de wijziging van de bewapeningsregeling nog niet geheel afgerond. Dit moet in principe mogelijk blijven. Als de betrokkene snel ergens heen moet, moet voorkomen worden dat hij eerst langs het bureau moet om zijn pistool op te halen. Er dienen uiteraard duidelijke richtlijnen te gelden ten aanzien van het opbergen ervan.
De legitimiteit van de munitie die gebruikt wordt door de BBE's berust op de vredesconferentie van 1899. Een BBE wordt ingezet voor situaties waarvan wordt aangenomen dat er geschoten moet worden. De munitie wordt gebruikt door scherpschutters die van grote afstand met een gericht schot iemand moeten uitschakelen. Het gaat daarbij om één of hooguit twee schoten. Daarvoor is specifieke munitie nodig die helaas sterk verwondend en vervormend is. Bedacht moet worden dat er sprake is van zeer specifieke omstandigheden. In het overgrote deel van de gevallen waarin een BBE wordt ingezet, hoeft men uiteindelijk niet daadwerkelijk te schieten. Voor het leger gelden andere regels, omdat daar op een andere manier geschoten wordt.
De divisie logistiek van de KLPD levert de standaardholster voor de Walther P5. De korpsen zijn vanwege decentralisatie en marktwerking niet verplicht om die holster bij de KLPD aan te schaffen. In oktober jl. heeft de KLPD opdracht gekregen, na te gaan of inderdaad wel de beste holster geleverd wordt. Dit onderzoek zal over een halfjaar afgerond zijn.
Er is aan de vakorganisaties gevraagd om de klachten over de Walther P5 te bundelen en te concretiseren. Dat is nog niet gebeurd. Het blijkt overigens dat mensen die problemen hebben met dit pistool – degenen met kleine handen of linkshandigen – via een andere wijze van hanteren de klachten kunnen verhelpen. Als werkelijk blijkt dat de Walther P5 voor sommigen onbruikbaar is, moet er wellicht voor hen een ander pistool worden aangeschaft.
De specifieke taken van de arrestatieteams zijn het verrichten van planmatige aanhoudingen, het bewaken en beveiligen van politieambtenaren, het verlenen van assistentie bij bewaken en beveiligen van transport van gedetineerden en het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten. Er is een aantal criteria opgesteld voor de inzet van AT's. Daar moet uiteraard de hand aan worden gehouden. De minister zegde toe, na te zullen gaan of in bepaalde regio's de grenzen voor de inzet van het eigen AT worden opgerekt. Het was de minister wel bekend dat AT's zonder hun specifieke bewapening voor arrestaties worden ingezet. In dat geval is een AT een aanhoudingseenheid.
De minister was bereid om een overzicht te laten opstellen van de meldingen van gebruik van geweld en van de afdoeningen. Niet elk geweldsincident wordt echter door de rijksrecherche onderzocht, dus via die weg is geen goed overzicht te verkrijgen. Uiteraard moeten rapporten van cruciale incidenten gebruikt worden bij de instructie.
De minister van Binnenlandse Zaken wees erop dat er zeer terughoudend moet worden omgegaan met het gebruik van geweld en zeker met vuurwapens. Sleutelwoord in dit verband is professionaliteit. Daarop gelet, dient maximaal geïnvesteerd te worden in de selectie, de opleiding, de nascholing en de begeleiding. Iedere politieman of -vrouw moet begrijpen dat het afleggen van verantwoording over het gebruik van geweld essentieel is. Daarbij moet het geheel met zoveel zekerheden zijn omgeven dat men op een goede wijze met de onvermijdelijk optredende spanning om kan gaan.
Bij het gebruik van geweld en vuurwapens zijn legitimiteit, subsidiariteit en proportionaliteit cruciaal. In dit verband zijn een strikte melding en een zorgvuldige registratie van belang. De minister zag geen enkel probleem om de Kamer jaarlijks van het geweldsgebruik op de hoogte te stellen. Dit kan onderdeel worden van het jaarlijks overzicht. Er zijn overigens grote verschillen tussen de korpsen op het punt van de registratie.
Het is wellicht goed om niet alleen de ministers en de Kamer dit overzicht te verstrekken, maar ook de regionale colleges en de gemeenteraden. De politie werkt decentraal en dan is het de vraag waarom niet aan de gemeenteraden wordt gerapporteerd. Volgens de wet moet daaraan primair verantwoording worden afgelegd. Dit staat overigens los van de vraag of voor beleidsmatige doeleinden de informatie landelijk gebundeld moet worden. Van groot belang is dat informatie uit de korpsen daarbinnen gebruikt wordt met het oog op verbetering van het functioneren. Uiteraard moeten er landelijk uniforme regels ten aanzien van het gebruik van geweld gelden. Desgevraagd wees de minister erop dat naar eenvormigheid van de rapportage gestreefd wordt. Dit kan bijvoorbeeld in het kader van het jaarverslag gestalte krijgen.
De opleiding en training zijn onder meer gericht op het vergroten van het probleemoplossend vermogen in een breed scala van potentiële gevaarlijke of onveilige situaties. Een belangrijk gedeelte van de vaardigheden wordt getraind binnen de module geweldbeheersing. De vuurwapenopleiding is daar een onderdeel van. Uitgangspunt is de attitude gericht op het voorkomen dan wel op het beheersen van geweld. Vervolgens komen de begrippen «legitimiteit», «proportionaliteit» en «subsidiariteit» aan de orde. Duidelijk moet zijn dat het gebruik van geweld een ultimum remedium is.
Naast de beoordeling van de schietvaardigheid en de schietwaardigheid, richt de opleiding zich steeds meer op het hanteren van kennis en vaardigheden die verband houden met het gebruik van de overige aan de politie ter schikking staande fysieke en verbale instrumenten. Aan de aanpassing van de eindtermen van het onderwijsprogramma geweldsbeheersing wordt nu gewerkt. Dit zal direct doorwerken in de toets inzake schietvaardigheid in de voortgezette opleiding in de regiokorpsen. De basisopleiding is al zeer breed, maar de vervolgopleiding kan in dat opzicht verbeterd worden. De complexiteit van de functie houdt in dat men terughoudend moet zijn met het verlagen van de selectiecriteria. Dit staat los van de overwegingen ten aanzien van surveillanten, toezichthouders en vrijwillige politie.
Terecht is gewezen op het grote belang van de training op fysieke vaardigheden. In de opleiding wordt hier voldoende aandacht aan besteed. Door de werkdruk kan men echter na de aanstelling niet genoeg tijd geven aan het op peil houden van deze vaardigheden. Om een en ander te garanderen, zal een voorziening moeten worden getroffen. Er wordt op dit ogenblik een periodieke toets geweldsbeheersing ontwikkeld. Doel daarvan is een test van de kennis en de vaardigheden van de politieambtenaren om in voorkomende situaties voor zichzelf en anderen veilig, verantwoord, effectief en planmatig op te treden in potentieel gevaarlijke situaties en daarop te kunnen anticiperen. Er wordt vier keer per jaar geoefend op de schiettoets en er wordt enkele keren per jaar geoefend in het kader van de geweldsbeheersing. De schiettoets vindt twee keer per jaar plaats. Daarmee wordt ook duidelijk of eventueel eerder geconstateerde tekorten zijn opgeheven. Begin januari zal het rapport terzake worden uitgebracht, waarna overleg met de vakorganisaties zal volgen.
De inspectie verricht een themaonderzoek naar de schietvaardigheid van de politie. Door veldonderzoek wordt getracht, inzicht te krijgen in de mate waarin de politie voldoet aan de voorgeschreven oefenen toetsverplichtingen en de toepasbaarheid van de desbetreffende regeling. In dit kader dient ook de vraag beantwoord te worden of de regeling bijdraagt aan verbetering van de schietvaardigheid. De eindrapportage wordt begin volgend jaar verwacht. De voorlopige conclusie is dat er sprake is van onvoldoende discipline inzake de verplichte oefeningen en toetsen. Overigens lijkt er landelijk geen gebrek te zijn aan schietaccommodaties. In het tijdelijke tekort wordt door nieuwbouw voorzien.
Het huidige meldingsformulier voldoet niet omdat er sprake is van een meervoudige functie. Het moet een verantwoording door de politieambtenaar van zijn geweldsgebruik tegenover de korpsbeheerder bevatten. Daarnaast moet het dienen als bron voor het beleid inzake geweldbeheersing op regionaal en centraal niveau. Het formulier moet tevens geschikt zijn als basisinformatie voor de officier van justitie met het oog op zijn beoordeling van de rechtmatigheid van het geweldsgebruik. Vóór de zomer van volgend jaar moeten de werkzaamheden ten behoeve van het nieuwe meldingsformulier zijn afgerond.
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat elk korps afzonderlijk de casuïstiek en jurisprudentie registreert. Deze informatie moet op een centraal punt verzameld worden. Het ministerie zal het NPI vragen, zich hiermee bezig te houden.
De minister had moeite met de opmerkingen van mevrouw Varma over de tragische gebeurtenis in de Warmoesstraat. Binnen de Amsterdamse politiek maakt men zich even grote zorgen over dit incident als in Kamer. Het is echter begrijpelijk dat men zich afvraagt of er ten aanzien van de desbetreffende collega's andere maatstaven worden gehanteerd dan ten aanzien van anderen. Tot op zekere hoogte is dit overigens onvermijdelijk. De minister maakte duidelijk dat de Amsterdamse politie er vanaf het begin op heeft aangedrongen dat deze zaak werd uitgezocht. Het is echter volstrekt legitiem dat daarbij gewezen wordt op de omstandigheden waaronder politiemensen hun werk moeten doen. In de opleiding wordt aandacht besteed aan het omgaan met mensen die sterk afwijkend en moeilijk te hanteren gedrag vertonen. Dit is echter niet alleen een taak van de politie. Andere disciplines moeten zich ervan bewust worden dat de problemen telkens weer worden afgeschoven op de frontlijnorganisatie, namelijk de politie. De minister wees erop dat de media zich met grote snelheid en gretigheid op dit incident hebben gestort. Er was geen enkele compassie met het slachtoffer en zijn nabestaanden. Evenmin was er compassie met de betrokken politieman. Hij was al veroordeeld op het moment dat de kranten uitkwamen.
Tot slot gaf de minister een overzicht van de stand van zaken van de genoemde onderzoeken. De resultaten van het onderzoek naar het gebruik van pepperspray (TNO) zijn in juli 1998 te verwachten. Het rapport over het geweld tegen de politie (VU) zal eind volgend jaar verschijnen. Het onderzoek Uit voorzorg ter hand nemen (PIOV) is gereed. De inventarisatie van alternatieve geweldsmiddelen (LSOP en KLPD) zal in het voorjaar van 1998 verschijnen. Het rapport Geweld in de interactie politie–publiek (Erasmusuniversiteit) zal de Kamer binnenkort ontvangen. De onderzoeken van de raad van hoofdcommissarissen, Stoppen met doorgaan en Arrestatieteams onder de loep, zijn in concept klaar. Verder zijn er drie werkgroepen ingesteld, namelijk inzake de ambtsinstructie, de meldingsformulieren en de eindtermen vuurwapenonderwijs. Zij zullen vóór de zomer respectievelijk begin volgend jaar rapporteren. Het inspectieonderzoek zal ook begin 1998 gepubliceerd worden.
De heer Gabor (CDA) herinnerde aan zijn pleidooi voor een meldingsplicht van alle gevallen waarin het wapen uit voorzorg ter hand wordt genomen. Het terughoudend zijn met het vuurwapengebruik ten aanzien van rijdende voertuigen mag er niet toe leiden dat een verdachte die in een auto stapt een vrijbrief krijgt.
Mevrouw Oedayraj Singh Varma (GroenLinks) vroeg aandacht voor de training in fysieke vaardigheden. Het schijnt dat in sommige korpsen gezegd wordt dat men dit maar in zijn vrije tijd moet doen. Zij kwam ook terug op de crisisopvang door de politie. Er zal rekening mee moeten worden gehouden dat dit zich in de toekomst vaker zal voordoen. Dit lijkt een nieuwe taak te worden.
De heer Van Heemst (PvdA) had zeer veel bewondering voor de houding van de honderden politiemensen die met gezond verstand en een beetje doorzettingsvermogen oplossingen weten te vinden voor de maatschappelijke ellende waar de politie mee wordt opgescheept.
Hij constateerde dat de bewindslieden zich nauwgezetter aansluiten bij de aanbevelingen 1, 13, 32 en 33. Hij bracht vervolgens zijn vraag over omvang, inzet en aansturing van de BBE's in herinnering. Verder wees hij nog op het belang van kwalitatief goede instructeurs op schietbanen. Er zullen kwaliteitsnormen voor de instructeurs en de schietbanen moeten worden opgesteld.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) was benieuwd naar de stand van zaken in verband met de modificatie van de Walther P5. Vervolgens wilde zij nog weten of de minister het aanvaardbaar vindt dat een AT voor andere taken wordt ingezet.
De minister van Justitie bracht naar voren dat zij het uit voorzorg ter hand nemen zeker nu nog niet onder de meldingsplicht wilde brengen, omdat dit toch iets anders is dan het trekken van het wapen. Naar aanleiding van een PIOV-onderzoek zal de regering in januari a.s. een oordeel geven.
Er is geen sprake van dat een verdachte die in een auto stapt een vrijbrief krijgt. Er zijn echter zoveel omstandigheden denkbaar waarin er niet geschoten kan worden, dat het gevolg wel eens kan zijn dat de verdachte kan wegrijden.
Er zijn drie BBE's, namelijk een eenheid van Defensie, een eenheid van de marechaussee en een eenheid van de reguliere politie. De uiteindelijke inzet wordt bepaald door de minister van Justitie. Een AT mag alleen als zodanig optreden als aan de criteria wordt voldaan. De leden van een dergelijk team mogen wel op andere wijze ingezet worden, bijvoorbeeld voor een – uiteraard geoorloofde – inkijkoperatie.
De modificatie van de Walther P5, bestaande uit vervanging van de hamerpin, is vrijwel afgerond.
De minister van Binnenlandse Zaken wees erop dat er gesprekken worden gevoerd met de inspectie volksgezondheid inzake de maatschappelijke problematiek. Samen met Volksgezondheid en andere betrokkenen wordt geprobeerd, hier een oplossing voor te vinden.
De instructeurs op schietbanen moeten over het vereiste diploma beschikken. De schietbanen moeten ook aan normen voldoen.
Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Koekkoek (CDA), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Essers (VVD), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA), Wessels (D66). Plv. leden: Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Jeekel (D66), Duivesteijn (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Feenstra (PvdA), Verhagen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), Korthals (VVD), Luchtenveld (VVD), Assen (CDA), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Oven (PvdA), Bakker (D66).
Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van Heemst (PvdA), Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Rabbae (GroenLinks), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD), Van Boxtel (D66), O. P. G. Vos (VVD), Van Vliet (D66).
Plv. leden: Smits (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Feenstra (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Apostolou (PvdA), Meyer (groep-Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Biesheuvel (CDA), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Wessels (D66), Van der Heijden (CDA), Leerkes (Unie 55+), Van den Doel (VVD), Roethof (D66), Weisglas (VVD), De Koning (D66).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25616-9.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.