Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25615 nr. 34 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25615 nr. 34 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 12 april 1999
In het Algemeen Overleg van de Vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op 18 maart jl. (25 615, nr. 33) is mij verzocht de Kamer op korte termijn op de hoogte te stellen van mijn voornemens op het terrein van de afstudeerregelingen in het licht van mijn plannen voor de studiefinanciering. Hierbij heb ik toegezegd met een aantal minimumvoorwaarden voor de afstudeerregelingen te komen.
In 1988 werd door middel van de Harmonisatiewet de verblijfsduur van studenten in het hoger onderwijs beperkt. In verband hiermee werd onder meer de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs gewijzigd. Tevens werd bij deze wijziging voor het eerst een artikel opgenomen betreffende financiële ondersteuning van auditoren, de voorloper van de afstudeersteun.
Met de invoering van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) in 1993 ging de bepaling (art. 7.51) over het auditorenfonds gelden voor het gehele hoger onderwijs. In verband met de invoering van de tempobeurs is een nieuwe voorziening in het leven geroepen, namelijk de tempobeurscompensatie: het niet behalen van de studievoortgangsnorm door bijzondere omstandigheden geeft recht op financiële compensatie (art. 7.51, lid 2 WHW).
Dit artikel is in september 1996 wederom gewijzigd als uitvloeisel van het programma Kwaliteit en Studeerbaarheid. De vervolggeschiedenis wordt gekenmerkt door een stapeling van wetsinterpretaties. Om de nieuwe regelgeving inzichtelijker te maken hebben de instellingen een uitgebreide voorlichtingsfolder ontvangen. In juni 1997 constateerde een commissie van LSVb en ISO (de commissie De Groot) dat de instellingen niet alle wettelijke criteria voor afstudeersteun naleefden. Men deed dit op basis van een toetsingskader, waarin een fors aantal wetsinterpretaties is opgenomen. Hierop is gereageerd door het uitbrengen van een notitie, getiteld «Visie op het toetsingskader van de commissie De Groot», waarin een deel van die interpretaties niet overgenomen is. Daarnaast is de Inspectie van het Onderwijs gevraagd de regelingen te toetsen aan het wettelijk kader. In het inspectierapport, dat verscheen in juni 1998, wordt geconstateerd dat nog steeds veel instellingen niet aan alle vereisten voldoen, maar dat een duidelijke verbetering zichtbaar is. Hierbij werd een referentiekader op basis van 25 eisen, gegoten in de vorm van «standaarden» gehanteerd. Deze standaarden heeft de inspectie gebaseerd op de «Visie». In de beleidsreactie van 13 juli 1998 moest echter worden geconstateerd dat 3 van de 25 standaarden juridisch niet houdbaar zijn.
Deze voorgeschiedenis heeft een onheldere situatie gecreëerd voor zowel studenten als instellingen. Met name de complexiteit van de regelgeving levert veel problemen op. Een belangrijke oorzaak hiervoor is gelegen in de onduidelijke balans tussen beleidsvrijheid voor de instellingen en centrale regelgeving.
2. Gevolgen nota studiefinanciering
In de nota Flexibele Studiefinanciering – Een stelsel dat past (pp. 18–19) wordt uitgebreid ingegaan op de afstudeersteun. Ten eerste betekent de voorgestelde verlenging van de diplomatermijn en verruiming van de herkansing voor de basisbeurs in de propedeuse dat afstudeersteun op grond van het door bijzondere omstandigheden niet halen van de studievoortgangsnormen slechts bij hoge uitzondering zal voorkomen. Om die reden wordt voorgesteld deze vorm van afstudeersteun niet meer over te laten aan de instellingen. Individuele studenten voor wie door bijzondere omstandigheden de diplomatermijn van 10 jaar niet toereikend is, kunnen in de toekomst een beroep doen op de hardheidsclausule voor de studiefinanciering. Momenteel wordt deze vorm van afstudeersteun nog geregeld in art. 7.51, lid 2 van de WHW. Dit deel van het wetsartikel zou kunnen vervallen in de nieuwe situatie.
De andere vorm van afstudeersteun, op grond van art. 7.51, lid 1 van de WHW, is bedoeld voor studenten die door bijzondere omstandigheden langer studeren dan het aantal maanden gemengde studiefinanciering waar zij recht op hebben. De beoogde verruiming van de studiefinanciering, met name de verlenging van de diplomatermijn en de verhoging van de leeftijdsgrens, draagt ertoe bij dat studenten eerder dan voorheen deze bijzondere omstandigheden op zouden kunnen vangen door flexibele studieplanning.
Als studenten voor de eerstgenoemde vorm (thans geregeld in art. 7.51, lid 2, WHW) een beroep kunnen doen op de hardheidsclausule in de wet op de studiefinanciering blijft alleen de afstudeersteun onder art. 7.51, lid 1 over in de WHW. Zowel de huidige situatie als de nieuwe mogelijkheden die de plannen voor de studiefinanciering bieden, maken ook op dit punt herziening van de regelgeving mogelijk en nodig.
Belangrijk uitgangspunt is dat de regelgeving minder ingewikkeld moet zijn dan nu het geval is. De huidige complexiteit draagt niet bij aan de kwaliteit van de instellingsregelingen, noch aan de bekendheid en duidelijkheid van de regelingen bij de studenten. Dit betekent onder andere dat de wet inzichtelijker en minder gedetailleerd moet worden dan nu het geval is.
Bij de vernieuwde vormgeving van financiële compensatie voor studenten kunnen de volgende elementen worden aangemerkt als minimumvoorwaarden:
a) Voorop staat dat een vorm van financiële compensatie blijft bestaan; een vangnetvoorziening voor studenten die dat nodig hebben blijft immers noodzakelijk. Evenals in de huidige situatie dient de instelling financiële steun te bieden aan studenten die, door het zich voordoen van bepaalde bijzondere omstandigheden, langer over hun studie zullen doen dan het aantal maanden gemengde studiefinanciering waar zij recht op hebben. Deze bijzondere omstandigheden omvatten in ieder geval overmachtsituaties, ontstaan door ziekte, functiestoornis, zwangerschap en familieomstandigheden. Daarnaast wordt hieronder bestuurswerk voor aan de instelling gelieerde organisaties of organen gerekend.
b) De student moet zo spoedig mogelijk nadat hij een aanvraag heeft gedaan duidelijkheid krijgen over de toekenning van en de voorwaarden voor steun. Dit kan door de financiële steun direct na of zelfs tijdens die bijzondere omstandigheid uit te keren. Gedurende deze periode schrijft de student zich uit voor de studiefinanciering. Dit zal met het oog op de nieuwe regelgeving beter mogelijk zijn. Op deze manier worden toekomstige onzekerheden van de instellingen over studieprestaties van de student en van de student over het ontvangen van de steun weggenomen. Sommige instellingen doen momenteel al ervaring op met deze werkwijze in de vorm van bestuursbeurzen.
c) Steun voor bestuursleden van maatschappelijke organisaties kan worden ondergebracht bij de regeling die nu bekend staat als landelijke afstudeersteun. Deze voorziening bestaat al enige jaren en vindt zijn grondslag in art. 7.51, lid 5, WHW. De landelijke afstudeersteun biedt thans alleen ruimte aan politieke jongerenorganisaties en organisaties met een onderwijskundig belang. Deze voorziening zou uitgebreid kunnen worden naar maatschappelijke organisaties. Hiermee wordt een minimumvoorziening op landelijk niveau gecreëerd, waardoor de verplichting voor instellingen om steun toe te kennen voor bestuurswerk voor maatschappelijke organisaties kan vervallen.
d) De hoogte van de decentrale steun wordt overgelaten aan de beleidsvrijheid van de instellingen. Deze werkwijze bestaat nu al, in die zin dat instellingen steun ter hoogte van de basisbeurs bieden aan de studenten en bovendien steun ter hoogte van de aanvullende beurs aan studenten die hierop bij de studiefinanciering aanspraak kunnen maken. Een extra reden om niet op landelijk niveau een hoogte vast te stellen is dat de omvang van de bijzondere omstandigheid per individueel geval kan verschillen.
Bezien moet worden of alle vormen van financiële compensatie evenals de studiefinanciering onbelast kunnen zijn. Momenteel geldt dat alleen voor afstudeersteun op grond van art. 7.51, lid 2, WHW, juist de vorm van afstudeersteun die naar verwachting plaats kan maken voor een andere voorziening. Over dit onderwerp wordt overlegd met de staatssecretaris van Financiën.
Over mijn ideeën rondom de afstudeerregelingen wil ik in de komende weken formeel in overleg treden met VSNU, HBO-Raad, ISO en LSVb. Hierover zal ik rapporteren in het nota-overleg van 26 april a.s. Ik verwacht dat de vernieuwde regelgeving kan worden meegenomen met de wetgeving die voortvloeit uit de nota Flexibele studiefinanciering.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25615-34.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.