Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25615 nr. 33 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25615 nr. 33 |
Vastgesteld 30 maart 1999
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft op 18 maart 1999 overleg gevoerd met minister Hermans van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over het inspectierapport «Afstudeerregelingen doorgelicht: stand van zaken afstudeerregelingen in het hoger onderwijs» en de reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hierop (Kamerstuk 25 615, nr. 28, briefnrs. OCW-98-589 en OCW-99-75).
Van het overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
Mevrouw Hamer (PvdA) was nieuwsgierig te vernemen of de minister de beleidsreactie van zijn voorganger onderschrijft, aangezien zij geen nieuwe reactie heeft ontvangen op het inspectierapport. Vooral de toonzetting in de beleidsreactie was haar opgevallen. Hoewel de minister schrijft dat het beter gaat met de afstudeerregelingen, is de realiteit dat een derde van de instellingen minder dan twintig punten krijgt. De studentenvakbonden zijn ongerust over de afstudeerregelingen en hebben de Kamer laten weten tot een landelijke regeling te willen komen. Als de onrust bij de studenten terecht is, wat is de minister dan voornemens daaraan te doen? Ziet hij een mogelijkheid waardoor alle instellingen kunnen voldoen aan de door de inspectie gehanteerde standaarden?
Mevrouw Hamer merkte op dat veel instellingen nog de dubbele causaliteit hanteren, terwijl dat beslist niet de bedoeling is. De hoogte van de afstudeerregeling staat niet vast, omdat het vaststellen daarvan tot de vrijheid van de instellingen behoort. Op welke wijze kan gestimuleerd worden dat de hoogte van de toelage overeenkomt met de studiefinanciering? Het was haar tevens gebleken dat nogal wat instellingen maatschappelijke activiteiten zoals bestuursactitiviteiten niet als reden accepteren om in aanmerking te komen voor een afstudeerregeling. Hoe denkt de minister dat te veranderen?
Mevrouw Hamer vroeg of de gesprekken met VSNU (Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten), HBO-raad, ISO (Interuniversitair studentenoverleg) en LSVB (landelijke studenten vakbond) over de hoogte van de toelage en over de leenvoorzieningen al hebben plaatsgevonden. Zijn de afstudeerregelingen die niet (geheel) voldoen inmiddels aangepast? Welke sanctie denkt de minister aan de instellingen op te leggen die na de hersteltermijn nog niet voldoen aan de standaarden?
De heer Brood (VVD) deelde de zorg in het rapport dat een aantal instellingen de doelstellingen nog niet bereikt heeft, hoewel vele verbeteringen hebben aangebracht en op de goede weg zijn. Hij maande tot voorzichtigheid bij het advies aan de instellingen om hun beleidsruimte niet in te vullen, maar van geval tot geval een beslissing te nemen.
De heer Brood vroeg zich af hoe lang de hersteltermijn is voor de instellingen om toch te voldoen aan de criteria. Hij beklemtoonde dat studenten die zich maatschappelijk actief betonen, bijvoorbeeld in politieke jongerenorganisaties, ook een beroep moeten kunnen doen op de afstudeerregeling. Van allerlei strenge, wettelijke regelingen zei hij geen voorstander te zijn.
De heer Eurlings (CDA) uitte zijn tevredenheid over het feit dat de gemiddelde kwaliteit van de afstudeerregelingen sterk is toegenomen. Hij vroeg zich wel af hoe het inspectierapport en de beleidsreactie zich verhouden tot de beleidsvoornemens van de minister. Zijn de onduidelijkheid en het grote aantal regels niet debet aan de problemen met de afstudeerregelingen? Die onduidelijkheid geldt met name voor het al dan niet mogen toepassen van dubbele causaliteit, de hoogte van de afstudeertoelage en de definitie van maatschappelijke organisaties.
De heer Eurlings benadrukte de toepassing van dubbele causaliteit principieel ongewenst te vinden. Als de minister deze mening deelt, hoe denkt hij het optreden daarvan tegen te gaan? De heer Eurlings was voorts van mening dat er een duidelijke ondergrens dient te zijn voor de hoogte van de toelage. Omdat het bepalen van het bedrag een beleidsvrijheid is van de instelling, beperkt een groot aantal van de instellingen zich tot het giftgedeelte. Wat is het standpunt van de minister in dezen?
De heer Eurlings achtte het belangrijk dat een maatschappelijke component verweven is in de opleiding van studenten. De beleidslijn is onduidelijk over de erkenning van maatschappelijke organisaties. Hoe denkt de minister het opnemen van maatschappelijke activiteiten in de afstudeerregelingen te bevorderen, daarbij rekening houdend met de eigen identiteit van de verschillende opleidingen?
Aangezien de minister in de nota Flexibilisering studiefinanciering schrijft dat de afstudeerregelingen wellicht kunnen worden afgeschaft, informeerde de heer Eurlings naar de verhouding tot de voorliggende stukken. Wat is de stand van zaken bij de actiepunten uit de beleidsreactie? Een trendbreuk in dezen achtte hij geen slechte zaak. Het leek hem een goede gedachte de discussie over de afstudeerregelingen te koppelen aan de discussie over de flexibilisering van de studiefinanciering. Van een volledige afschaffing van de afstudeerregeling was hij geen voorstander. Hoe denkt de minister na een eventuele afschaffing van de afstudeerregeling om te gaan met studenten die door bijzonder omstandigheden vertraging hebben opgelopen en daardoor hun beursrechten hebben verbruikt?
De heer Eurlings zag meer in het in de wet opnemen van een algemene bepaling inzake een afstudeerregeling. Deze regeling dient zekerheden te bieden aan studenten op cruciale gebieden, zoals de basishoogte van de toelage, het voorkomen van dubbele causaliteit en de mogelijkheid tot het inpassen van maatschappelijke activiteiten. De vorm waarin de regeling gegoten moet worden, dient aan de instellingen overgelaten te worden.
De heer Bakker (D66) wees erop dat afstudeerregelingen nog steeds onvoldoende bekend zijn bij studenten, decanen en instellingen. Voorts was hij van mening dat de inspectie en de minister te optimistisch zijn over de verbeteringen in de regeling. De kwaliteit van de regeling laat op drie punten te wensen over, namelijk op het punt van de dubbele causaliteit, de maatschappelijke organisaties en de hoogte van de toelage.
De heer Bakker refereerde aan het toegezegde overleg met de staatssecretaris van Financiën over de fiscale gelijkstelling. Wat is de stand van zaken? Kan de minister iets zeggen over de hersteltermijn? Welke activiteiten hebben er inmiddels plaatsgevonden?
De heer Bakker neigde ertoe een aantal basisvoorwaarden landelijk te regelen. Hij betrok daarbij de ideeën over de flexibilisering van de studiefinanciering en de ruimte die de minister ziet voor afspraken tussen instellingen en studentenorganisaties. De betreffende nota heeft een heel ander klimaat geschapen, waarin enige ruimte is voor instellingen om te komen tot kwalitatief voldoende afstudeerregelingen. Dat moet wel op korte termijn geregeld worden, waarbij studentenorganisaties nauw betrokken moeten worden. De heer Bakker benadrukte dat als dit binnen een halfjaar niet lukt, er landelijk minimumbepalingen vastgesteld moeten worden.
De heer Rabbae (GroenLinks) memoreerde dat niet alleen ziekte of maatschappelijke activiteiten een reden zijn om een beroep te doen op een afstudeerregeling, maar ook de niet-studeerbaarheid van het onderwijsprogramma. Het viel hem op dat enkele jaren na het van kracht worden van de regeling 19% van de instellingen nog niet voldoet aan de standaarden. Sommige instellingen hanteren nog steeds de dubbele causaliteit.
De heer Rabbae vond het merkwaardig dat hoewel de studiefinanciering niet belastbaar is, de toelage krachtens de afstudeerregeling dit wel is. Hij informeerde naar het overleg dienaangaande met de staatssecretaris van Financiën.
Hoe denkt de minister de leemten in de afstudeerregeling te dichten die in het inspectierapport zijn geconstateerd? De heer Rabbae sloot zich aan bij de wensen van de heer Bakker over de landelijke minimumbepalingen.
De minister merkte op dat toen hij dit dossier voor de eerste keer onder ogen kreeg, hij zich afvroeg hoe het mogelijk is dat de regelgeving op dit terrein zo ingewikkeld is. Om die reden heeft hij in de nota over de studiefinanciering de vraag gesteld of de huidige afstudeerregelingen in de huidige vorm moeten blijven bestaan. In zijn voorstel kan de studiefinanciering immers voor enige tijd stilgezet worden. Universiteiten en hogescholen geven de voorkeur aan een soort hardheidsclausule. Voor studenten in specifieke situaties moeten zij een bijzondere regeling kunnen treffen.
De minister verklaarde niet te zijn doorgegaan op het sanctietraject voor instellingen die niet voldoen aan de afstudeerregelingen, omdat in de toekomst een meer directe verhouding tussen student en instelling tot stand moet komen. In het betreffende artikel van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) staat juist dat de instellingen zelf een regeling moeten vaststellen.
De minister was er geen voorstander van de gevangene te worden van rapporten en steeds nauwkeuriger omschreven voorschriften. Mede in het licht van een nieuw stelsel van studiefinanciering ging zijn voorkeur uit naar een regeling waarin enkele minimumvoorwaarden worden vastgelegd, bijvoorbeeld betreffende de dubbele causaliteit en het gelijkstellen van politieke jongerenorganisaties aan andere maatschappelijke activiteiten. Deze regeling kan in werking treden aan het begin van het nieuwe studiejaar of per 1 januari 2000. Als uit de discussie met de Kamer over de flexibilisering van de studiefinanciering ook over dit punt helderheid ontstaat, kunnen de instellingen beter inspelen op de nieuwe relatie met de studenten, zodat zij over de afstudeerregeling in onderling overleg afspraken kunnen maken.
Aangezien er geen helderheid is over de uniformiteit van de afstudeerregelingen is de minister van Financiën niet bereid daarvoor een generieke regeling te treffen. De ene vorm van afstudeersteun wordt fiscaal wel en de andere niet belast. Ook dit punt dient bij een algemene regeling betrokken te worden. Desgevraagd antwoordde de minister dat het ministerie van Financiën uniformiteit eist ten aanzien van de vorm, grondslag en omvang van toelagen op grond van de regeling. Als daarover helderheid bestaat, kan dat worden doorgegeven aan de instellingen zodat kan worden nagegaan of de afstudeerregeling daaraan voldoet.
De minister zei over de verschillende voorwaarden waaraan de afstudeerregeling moet voldoen, overleg te hebben gepleegd met de HBO-raad en de VSNU. Tijdens dat overleg bleek de HBO-raad tot een modelregeling te willen komen. De VSNU heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen het verbod op dubbele causaliteit. HBO-raad en VSNU moeten de ruimte krijgen om overeenkomstig de wet zelf tot een afstudeerregeling te komen. De politiek dient nu aan te geven, welke belangrijke elementen de regeling dient te bevatten.
Mevrouw Hamer (PvdA) vond het voorstel van de minister sympathiek, hoewel het een beleidswijziging inhoudt. Als een dienovereenkomstig voorstel aan de beleidsreactie was toegevoegd, had zij dat op prijs gesteld. Over de vraag welke criteria in de regeling moeten worden opgenomen, dient nader overleg gevoerd te worden. Daartoe behoren in ieder geval de dubbele causaliteit, de basishoogte van de toelage en het fiscale element. Tevens dienen de studenten betrokken te worden bij de totstandkoming van de regeling.
Zij benadrukte de noodzaak een termijn vast te stellen waarbinnen de voorstellen dienen te zijn uitgewerkt. Welke maatregelen moeten er genomen worden als de afstudeerregelingen niet per instelling vastgesteld kunnen worden? Zij wil de termijn uiterlijk op een aantal weken voor eind april houden.
De heer Brood (VVD) sloot zich aan bij de opmerking van mevrouw Hamer over het ontbreken van een schriftelijk stuk van de minister over diens voorstel. Hij kon zich vinden in het voorstel van de minister, hoewel nader beraad over de criteria nodig is, met name over de positie van studenten. Binnen welke termijn krijgt dit voorstel gestalte?
De heer Brood herhaalde zijn vraag over de risico's die de instellingen lopen als zij het advies opvolgen hun beleidsruimte niet in te vullen, maar van geval tot geval een beslissing te nemen.
De heer Eurlings (CDA) was blij met de lijn die de minister kiest. De betrokkenheid van de studenten bij de regeling is zeer belangrijk. De criteria moeten duidelijk vastgelegd worden. Zo is de term maatschappelijke organisatie breder dan politieke jongerenorganisatie.
De heer Eurlings sloot zich aan bij de opmerkingen van de overige woordvoerders inzake het bijsluiten van een brief over dit voorstel.
De heer Bakker (D66) merkte op dat ook bij een eventuele wijziging van de studiefinanciering behoefte blijft bestaan aan een afstudeerregeling. Hij oordeelde positief over het voorstel van de minister de afstudeerregeling te betrekken bij het debat over de studiefinanciering. De heer Bakker verzocht de minister diens voorstel binnen een week of twee vast te leggen in een brief, zodat deze brief geagendeerd kan worden en erop gereageerd kan worden. De criteria die vastgelegd moeten worden, betreffen de dubbele causaliteit, de maatschappelijke organisaties, de hoogte van de toelage, het medezeggenschapsvereiste en de fiscaliteit.
De heer Rabbae (GroenLinks) stelde vast dat er altijd een afstudeerregeling nodig zal zijn. Hij sloot zich aan bij het verzoek om een brief over de regeling. Als de Kamer de voorstellen voor de verdere gang van zaken goedkeurt, zag hij deze liever in het najaar ingevoerd dan per 1 januari 2000.
De minister zegde toe over een à twee weken een brief aan de Kamer te sturen, waarin hij aangeeft welke elementen in ieder geval in de afstudeerregeling opgenomen moeten zijn, zodat de fracties nog de tijd hebben de verschillende punten te bestuderen. Een afstudeerregeling behoeft dan niet langer te voldoen aan 25 standaarden. Enkele essentiële elementen dienen landelijk te worden vastgesteld. Aan de instellingen en de studenten kan de concrete invulling, die per instelling kan verschillen, worden overgelaten. Hij wees erop dat hoewel de instellingen de taak hebben een afstudeerregeling uit te voeren, het instemmingsrecht van studenten daarvoor noodzakelijk is. Deze nadere voorstellen voor de afstudeerregeling kunnen worden behandeld bij de nota Flexibilisering studiefinanciering.
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Belinfante (PvdA), Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Remak (VVD), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD), Wijn (CDA), Eurlings (CDA).
Plv. leden: Stellingwerf (RPF), Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Passtoors (VVD), Valk (PvdA), De Cloe (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Gortzak (PvdA), Middel (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Spoelman (PvdA), Brood (VVD), Poppe (SP), Arib (PvdA), Blok (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Verhagen (CDA), Visser-van Doorn (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25615-33.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.