Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25615 nr. 32 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25615 nr. 32 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 17 november 1998
Hierbij zend ik u mijn reactie op het rapport van de Inspectie van het Onderwijs inzake studeerbaarheid in het hoger onderwijs.
BELEIDSREACTIE STUDEERBAARHEIDSRAPPORTAGE INSPECTIE
In het in juni 1995 verschenen rapport van de Stuurgroep Kwaliteit en Studeerbaarheid is afgesproken dat de Inspectie van het Onderwijs jaarlijks verslag doet van de ontwikkeling van de studeerbaarheid in het hoger onderwijs. Het rapport Studeerbaarheid in het hoger onderwijs 1998 is u onlangs door de inspectie toegezonden. Onderstaand is mijn beleidsreactie op dit rapport geformuleerd.
Het inspectierapport schetst een gunstig beeld van de studeerbaarheid in het hoger onderwijs. De inspectie concludeert dat de opleidingen in het hoger onderwijs over het algemeen als studeerbaar kunnen worden aangemerkt. Zij heeft geen ernstige algemeen voorkomende studiebelemmerende factoren gevonden. De instellingen hebben waar nodig de studeerbaarheid van hun opleidingen verbeterd.
Op bepaalde punten is de inspectie echter kritisch. Zo zijn in het wo studieduur en rendementen voor verbetering vatbaar. Tegelijkertijd stelt de inspectie dat het macro-rendement binnen het hoger onderwijs niet onredelijk is. Voor het hbo geldt de studielast als een belangrijk aandachtspunt. Tot slot is de inspectie kritisch over de thans beschikbare verslagen van projecten die zijn gefinancierd uit het Studeerbaarheidsfonds.
Met dit rapport heeft de inspectie gedegen werk geleverd; de analyse van de inspectie verdient veel waardering. De studeerbaarheid van het hoger onderwijs is een onderwerp dat niet eenvoudig te onderzoeken is. Desondanks is de inspectie erin geslaagd met een belangwekkend rapport over de studeerbaarheid in het hoger onderwijs te komen, waarin een helder beeld van de stand van zaken wordt gegeven.
In het rapport formuleert de inspectie een aantal aanbevelingen waarop ik als volgt reageer.
2.1 Kengetallen en studeerbaarheid
De inspectie hanteert kengetallen met betrekking tot studierendement en studieduur als indicatoren voor de studeerbaarheid in het hoger onderwijs. De inspanningen gericht op verbetering van het onderwijs zullen op termijn tot uitdrukking moeten komen in deze indicatoren.
Wat betreft verbetering van het rendement is met name de ontwikkeling van het hoofdfaserendement van belang. Het oriënterende en selecterende karakter van de propedeuse, en de «vertekening» van het totaalrendement door deze functie van de propedeuse maken propedeuserendement en totaalrendement minder geschikt als indicator. Overigens laat de inspectie met name voor het wo een bescheiden, maar overwegend gunstige ontwikkeling zien voor zowel propedeuse- als totaalrendement. In het inspectierapport is het hoofdfaserendement echter niet afzonderlijk zichtbaar gemaakt.
Tot slot dient te worden benadrukt dat studeerbaarheid slechts één van de factoren is die van invloed zijn op rendement en studieduur. Daarom kunnen deze kwantitatieve gegevens slechts iets zeggen over de studeerbaarheid van een opleiding wanneer zij in een bredere context worden geplaatst. Binnen de thans nog korte periode sinds de start van het project Kwaliteit en Studeerbaarheid kunnen kengetallen nog geen goed beeld geven. Zoals reeds eerder aangegeven in de beleidsreactie op het vorige inspectierapport betreffende studeerbaarheid, kunnen maatregelen ter verbetering van de studeerbaarheid pas op langere termijn zichtbaar zijn in veranderingen ten aanzien van studieduur en studierendement. Ik verwacht dat de rapportage in 2002 (zie § 3) een vollediger beeld zal kunnen geven.
Met name ten aanzien van het hbo maakt de inspectie melding van indicaties die wijzen op een studielast die onder de wettelijke norm zou liggen. Een lagere studielast dan de wettelijke (1680 uur per jaar) maakt volgens de inspectie de discussie over de studeerbaarheid van desbetreffende programma's «hachelijk». De inspectie vraagt zich af of in het hbo de relatief gunstige rendementen en studieduur worden veroorzaakt door een te geringe studielast. Zij is van oordeel dat het laten voortbestaan van deze situatie ongewenst is. De inspectie is van oordeel dat hetzij maatregelen moeten worden genomen om de naleving van de wet af te dwingen, hetzij studielast op een toetsbare wijze moet worden geherformuleerd.
Signalen over een te lage studielast moeten serieus worden genomen. Ik acht het wenselijk om met de hogescholen en universiteiten in overleg te treden en eventueel nadere afspraken te maken over de meting en ijking van de studielast. Daarnaast dient het stelsel van kwaliteitszorg de bewaking van de studielast te omvatten. Dit betekent dat de studielast een van de onderwerpen moet zijn bij de interne kwaliteitszorg, de zelfevaluatie en bij de visitatie en dat de inspectie in het kader van de bestuurlijke hantering beziet of de instelling zijn verantwoordelijkheid op dit punt waarmaakt. Verder zal ik de inspectie vragen een nadere analyse te maken van de studielast in het hoger onderwijs.
De wettelijke bepalingen omtrent de studielast zijn gebaseerd op de assumptie dat een gemiddelde student 40 uur per week gedurende 42 weken per jaar aan zijn studie besteedt. De inspectie constateert dat dit bij veel opleidingen in het hoger onderwijs niet het geval is. De vraag die de inspectie opwerpt is of het onderwijs van een instelling/opleiding als ontoereikend moet worden beschouwd als deze er niet in slaagt de gemiddelde student ertoe te «verleiden» 40 uur per week in de studie te steken.
Terecht wees de inspectie er in haar vorige rapportage over dit onderwerp reeds op dat studeerbaarheid meer zou moeten zijn dan de afwezigheid van studiebelemmerende factoren. Ook bevordering van studie-inzet is een relevante factor. In de beleidsreactie op dat rapport uit 1997 is opgemerkt dat dit onmiddellijk tot een vervolgvraag leidt: in welke mate hebben instellingen de taak om studie-inzet van studenten te realiseren? Geconstateerd werd dat de opleiding hieraan veel kan doen, maar dat studenten ook zelf een verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van hun studiegedrag. Het antwoord op de vraag over toereikendheid van het onderwijs hangt hier sterk mee samen. Omdat instellingen niet de volledige eindverantwoordelijkheid kunnen dragen voor de feitelijke tijdsbesteding van studenten, kan van instellingen onmogelijk geëist worden dat zij de gemiddelde student ertoe «verleiden» 40 uur per week aan zijn studie te besteden. Hiervoor is de rol van de student zelf te groot.
De opmerkingen over studie-inzet in dit inspectierapport hebben het sterkst betrekking op het wo. De inspectie constateert dat de studie-inzet van studenten daar vaak aanzienlijk minder is dan 40 uur per week. Tegelijkertijd constateert de inspectie echter dat opleidingen werken aan bevordering van studie-inzet, onder andere door meer begeleiding en meer controle. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de instellingen op deze ingeslagen weg voortgaan. Onder meer kan verwezen worden naar het grote aantal studeerbaarheidsprojecten dat zich juist richt op studiebevorderende maatregelen. Derhalve kan worden gesteld dat de universiteiten op dit punt hun verantwoordelijkheid aan het nemen zijn.
2.4 Verslaglegging studeerbaarheidsprojecten
De inspectie is kritisch over de tot nu beschikbare verslagen van projecten die zijn gefinancierd uit het Studeerbaarheidsfonds. Veel projectverslagen voldoen niet aan alle vereisten voor een heldere beoordeling door de inspectie. Bedacht moet echter worden dat instellingen pas uiterlijk in 2002 (in het jaarverslag over 2001) definitief verslag dienen uit te brengen over de afzonderlijke studeerbaarheidsprojecten. De bevindingen van de inspectie kunnen dan ook nog slechts van voorlopige aard zijn. Het signaal van de inspectie stemt echter wel tot enige zorg. Ik zal de inspectie daarom vragen instellingen, waarvan de verslaglegging van studeerbaarheidsprojecten vooralsnog niet voldoende lijkt te zijn, hierover te informeren.
3. Verdere studeerbaarheidsrapportages door de inspectie
De inspectie stelt de vraag of het zinvol is om jaarlijks een aparte rapportage uit te brengen over studeerbaarheid. Ik kan mij deze vraag goed voorstellen. De verbetering van de studeerbaarheid in het ho heeft een langetermijnkarakter. In een jaarlijkse rapportage komt dit te weinig tot uitdrukking. Een volgende afzonderlijke rapportage over studeerbaarheid lijkt pas weer zinvol in 2002, wanneer de jaarverslagen over (uiterlijk) 2001 een verantwoording over studeerbaarheidsprojecten moeten bevatten. Voor de jaren 1999 tot en met 2001 zal ik de inspectie vragen in het jaarlijkse Onderwijsverslag in het kader van het algemene kwaliteitsbeleid aandacht te besteden aan de studeerbaarheid van het hoger onderwijs.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25615-32.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.