nr. 30
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 7 oktober 1998
1. Inleiding
Op 28 september heeft ondergetekende met de Vereniging van Universiteiten
(VSNU) afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak bij de beleidsontwikkeling
voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Met deze brief informeer
ik u over deze afspraken.
De afspraken omvatten 3 elementen:
– de taakstellingen op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs;
– het afzien van het voornemen de tweede geldstroom te versterken
door overheveling van middelen uit de eerste geldstroom;
– een gezamenlijke beleidsagenda, die er op gericht is de universiteiten
beter in staat te stellen zelfstandig in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen.
2. De taakstellingen
De VSNU heeft gewezen op de negatieve effecten van de voorgenomen bezuinigingen
voor de universiteiten en voor de samenleving. Deze bezuinigingen, die oplopen
tot structureel 302.7 miljoen, vloeien rechtstreeks voort uit het Regeerakkoord.
Gegeven de politieke realiteit begrijpt de VSNU dat de bezuinigingen met ingang
van 1999 worden ingeboekt op de budgetten voor de instellingen voor wetenschappelijk
onderwijs en onderzoek. Ik heb toegezegd dat er deze kabinetsperiode geen
verdere kortingen op de eerste geldstroom zullen plaatsvinden, uiteraard onder
de conditie dat zich geen majeure afwijkingen in de financieel-economische
vooruitzichten voordoen. Indien extra middelen aan de begroting van OCenW
worden toegevoegd, zullen het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek een
hoge prioriteit vormen.
3. De overheveling
Ik heb meegedeeld, gegeven de budgettaire situatie van de universiteiten,
af te zien van het voornemen van mijn ambtsvoorganger om de tweede geldstroom
te versterken door overheveling van middelen vanuit de eerste geldstroom.
Versterking van de tweede geldstroom door overheveling zou de universiteiten
onder een te grote budgettaire druk zetten. De overheveling was bedoeld om
meer onderzoeksmiddelen in competitie te brengen en de kwaliteit, de samenhang,
de internationale profilering en de maatschappelijke betekenis van het onderzoek
verder te versterken. Die doelstellingen blijven van kracht. Ik zal daarom,
samen met de VSNU, NWO en de KNAW bezien of er andere manieren zijn om deze
doelstellingen te bereiken.
4. De beleidsagenda
Ik heb met de VSNU afgesproken om in overleg voorstellen uit te werken
om de universiteiten beter in staat te stellen zelfstandig de prioriteiten
voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek uit te voeren. Belangrijk element
daarbij is een onderzoek naar de mogelijkheden tot deregulering van de Wet
op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek. Daarbij valt te denken
aan een sterkere zeggenschap van universiteiten bij de bepaling van het onderwijsaanbod
(ACO/CROHO-procedure), meer invloed van universiteiten op de toelating tot
opleidingen met een numerus fixus, en verdere flexibilisering van de studiefinanciering.
De beleidsagenda omvat verder de volgende elementen:
– De gewenste ontwikkeling van het aantal hoger opgeleiden in de
toekomst en de bijdrage daaraan vanuit een gedifferentieerd stelsel van hoger
onderwijs. Dit valt niet los te zien van internationale ontwikkelingen en
het daarop te voeren beleid.
– Het ontwikkelen van een visie op de gewenste wijze van sturing
van het wetenschappelijk onderzoek en de contouren van een samenhangend stelsel
van kwaliteitszorg onderzoek op nationaal niveau (met KNAW en NWO).
– De stimulering van toponderzoek en de evaluatie van de eerste
ronde van de dieptestrategie (met NWO).
– De financieel-economische positie van de universiteiten.
– De ontwikkeling van een gedragscode voor activiteiten van universiteiten
op de markt.
– Het versterken van de positie van universiteiten op de arbeidsmarkt.
– Een studie naar de mogelijkheid voor universiteiten om zelf de
collegegelden vast te stellen.
Een deel van de resultaten van deze beleidsagenda kan een rol kan spelen
in het ontwerp-HOOP 2000, dat ik in september 1999 zal uitbrengen.
Bij de totstandkoming van het HOOP 2000 zullen voor wat betreft het wetenschappelijk
onderwijs frequent voortgangsbesprekingen met de VSNU plaatsvinden.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L. M. L. H. A. Hermans