25 608
Voortgangsrapportage Wetenschapsbeleid

nr. 20
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 30 september 1999

Op 17 december 1998 heeft uw Kamer unaniem de motie van het lid Lambrechts (Kamerstukken II 1998/1999, 25 608, nr. 16) aanvaard waarin de ministeries van OCenW, LNV en VROM worden opgeroepen om, door middel van een éénmalige financiële impuls van 1 miljoen gulden, het voortbestaan van het Pinetum Blijdenstein te Hilversum veilig te stellen. De drie ministeries zouden hieraan in gelijke mate moeten bijdragen.

Mede namens de minister van VROM en de staatssecretaris van LNV kan ik u meedelen dat wij bereid zijn om deze motie uit te voeren.

In de coniferencollectie van het Pinetum Blijdenstein zijn 35 van de 50 bedreigde coniferensoorten aanwezig. De relevantie voor het Nederlandse biodiversiteitsbeleid is echter gering. Dit beleid is gericht op het behoud en duurzaam gebruik van biologische diversiteit en de eerlijke verdeling van de baten die daar uit voortkomen. Het Pinetum Blijdenstein kan hieraan slechts marginaal bijdragen. Het Overlevingsplan Pinetum Blijdenstein is ook niet gericht op deze beleidsdoelstellingen. De versterking van de recreatieve (en culturele) functie staat in dit plan voorop. De instandhouding van het Pinetum Blijdenstein vanuit dit oogmerk is niet primair een taak van de rijksoverheid. De ministeries stellen zich dan ook op het standpunt dat deze éénmalige steunverlening geen precedent kan zijn voor ondersteuning van andere collecties dood of levend biologisch materiaal, tenzij nadrukkelijk de relevantie voor het Nederlandse biodiversiteitsbeleid is aangetoond.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

Naar boven