25 608
Voortgangsrapportage wetenschapsbeleid

25 615
Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1998

nr. 19
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 december 1998

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft op 3 december 1998 overleg gevoerd met minister Hermans van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over:

– de brief van de minister van OCW d.d. 10 april 1998 betreffende vraag van de Tweede Kamer tijdens het AO voortgangsrapportage wetenschapsbeleid (25 608, nr. 11);

– de brief van de minister van OCW d.d. 21 april 1998 betreffende strategisch plan TNO 1999–2002 en het kabinetsstandpunt daarover (25 608, nr. 12);

– de brief van de minister van OCW d.d. 29 mei 1998 betreffende reactie AWT-advies over de grote technologische instituten (GTI's) (OCW-98-502);

– de brief van de minister van OCW d.d. 9 juni 1998 betreffende kabinetsstandpunt bij «Alpha-gamma-advies» (25 615, nr. 24);

– de brief van de staatssecretaris van OCW d.d. 17 juni betreffende W&T-indicatorenrapport (OCW-98-573);

– de brief van de minister van OCW d.d. 22 juni 1998 inzake kabinetsstandpunt over de evaluatie van het platform wetenschap en ethiek (25 608, nr. 14);

– de brief van de minister van OCW d.d. 14 september 1998 betreffende werkprogramma AWT (Adviesraad wetenschap en technologie) en het TOF-overzicht (totale onderzoek financiering 1999) (OCW-98-729);

– de brief van de minister van OCW d.d. 17 september 1998 betreffende «Financiële schema's» 1999–2003 (OCW-98-760);

– de brief van de minister van OCW d.d. 3 november 1998 inzake samenwerkingsverband internationaal Landbouwuniversiteit Wageningen (SAIL) (OCW-98-849).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Hamer (PvdA) bracht naar voren dat het wetenschappelijk onderzoek een belangrijk onderdeel is van de kennisinfrastructuur. Het wetenschapsbeleid mag niet ondergesneeuwd raken. Burgers dienen met behulp van wetenschap en technologie inzicht in de leefomgeving te ontwikkelen. Her-, om- en bijscholing zijn noodzakelijke complementen van het wetenschaps- en technologiebeleid.

Met betrekking tot de maatschappelijke relevantie en de kwaliteit van wetenschap en technologie moet er naar nieuwe verbindingen tussen en concentratie van instituten gestreefd worden, zoals clustervorming van onderzoekscentra op topniveau in nauwe samenwerking met externe partijen. Aandachtspunten hierbij zijn een aanmerkelijke heroriëntatie, een inhoudelijke vernieuwing en een sterke uitstraling op de regionale economie.

De hoge kwaliteit maakt het Nederlands onderzoeksbestel aantrekkelijk. Er zijn vele mogelijkheden om kennisproductie in andere landen af te tappen. Het citaatniveau van het Nederlands wetenschappelijk onderzoek blijkt zeer hoog te zijn, namelijk circa 20% boven het mondiale gemiddelde. Het streven moet erop gericht zijn dit nog verder te verhogen.

De voortschrijdende internationalisering leidt tot een optimale toegang tot kennisbronnen, zowel Europees als mondiaal. In 1995 en 1996 was Nederland goed voor 1,9% van de mondiale onderzoeksartikelen in wetenschappelijke tijdschriften. Dit hoge percentage was vooral het resultaat van coproducties met wetenschappers van andere landen. De internationale samenwerking moet verder worden uitgebouwd, ook bilateraal.

Wil de minister nagaan op welke wijze het Nederlands bedrijfsleven meer betrokken kan worden bij economische toepassing van wetenschap en technologie? Kan de wisselwerking tussen kennis en economie versterkt worden? Zijn de ICES-middelen in dit kader goed besteed? Hoe wordt op dit gebied de vinger aan de pols gehouden?

Op welke wijze denkt de minister de doelstellingen van de overhevelingsoperatie te realiseren? Welke garanties heeft hij daarvoor? Op welke termijn wordt de Kamer van de resultaten van het overleg met VSNU en NWO op de hoogte gebracht? Ziet de minister mogelijkheden voor versterking van de tweede geldstroom in de toekomst?

Nederland kan zijn mogelijkheden vergroten via samenwerking en taakverdeling in Beneluxverband. Zijn er voorstellen ontwikkeld om de hiervoor beschikbare EG-middelen aan te vragen?

De nota Kennis in beweging heeft het ingrijpende vernieuwingsproces bij TNO heeft een belangrijke impuls gegeven. Het overschakelen op meer vraaggerichte sturing heeft veel succes. Ziet de minister mogelijkheden voor TNO om zich meer op maatschappelijk relevant onderzoek te richten? Op welke manier wil de minister invulling geven aan de randvoorwaarde dat winst moet worden gebruikt voor investeringen in kennis en onderzoek? Welke gevolgen heeft het traject «markt en overheid» voor TNO? Wat is de betekenis van de waarschuwing die in het kabinetsstandpunt is opgenomen?

Hoe wil de minister de synergie en de doelmatigheid binnen de kennisinfrastructuur bevorderen? Heeft TNO al meer inzicht gegeven in de realisatie van de ambities op het terrein van ICT? Mevrouw Hamers onderschreef met nadruk de doelstelling van TNO om het midden- en kleinbedrijf extra te ondersteunen.

In het AWT-rapport over de GTI's wordt onderscheid gemaakt tussen marktgerichte en taakgerichte organisaties. De vorige minister wees dat af. Hoe denkt de huidige bewindsman daarover?

De AWT meent dat universiteiten te weinig aandacht hebben voor de bevordering van alpha- en gammakennis in de bètasectoren. Het kabinet meent dat de AWT onvoldoende op de hoogte is van de ontwikkelingen. Kan de minister dit toelichten?

Tot slot merkte mevrouw Hamers op, dat haar fractie in principe steun geeft aan een reddingsplan voor NewMetropolis.

De heer Cherribi (VVD) wees erop dat de minister bekend staat als iemand die weet te luisteren en rust in de organisatie brengt. Aan beide kwaliteiten is behoefte. Na acht jaar wetenschapsbeleid is duidelijk dat reorganisatie roest en dat reorganisatie om de reorganisatie dubbel roest. De rigoureuze voorstellen van de vorige kabinetsperiode kwamen neer op roofbouw. Het heen en weer schuiven van gelden dreigde uit te lopen op een aantasting van de infrastructuur.

De nieuwe minister heeft de overheveling van 500 mln. van de universiteiten naar NWO terecht teruggedraaid. Hierdoor zijn de universiteiten in staat, de bezuinigingsoperatie van 300 mln. uit te voeren. Een onbedoeld neveneffect is dat Economische Zaken niet meer gebonden is aan de matchingstoezegging van 40 mln. ten behoeve van technische wetenschappen. Komt het ministerie van EZ wel over de brug met zijn aandeel in de stimulering van het wetenschapsbudget van 15 mln.?

Het probleem van de aansturing van onderzoeksselectie en van besteding van de middelen is nog steeds onopgelost. Op welke wijze wil de minister de relatie tussen VSNU, KNAW, NWO en COS ontwikkelen dan wel herontwikkelen? Is de minister bereid, in het HOOP/Wetenschapsbudget 2000 een standpunt over de aansturing van de onderzoeksmiddelen op te nemen?

De heer Cherribi had geen behoefte meer aan een nieuwe NWO-wet. Het gaat veeleer om een aantal praktische aanpassingen, zoals de vervanging van de periodieke aanvraagtermijnen door flexibele termijnen om het reactievermogen van NWO te vergroten.

Kan de regie over de ICES-gelden versterkt worden teneinde synergie en efficiency te bevorderen? Terecht zijn de middelen voor het MKB-onderzoek in het vijfde kaderprogramma verdubbeld. Het is tijd dat wordt nagedacht over de prioriteiten van het zesde kaderprogramma. Onderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van de vergrijzing kan zo'n prioriteit zijn.

De Nederlandse R&D-uitgaven zijn ten opzichte van 1996 verder gestagneerd door het achterblijven van investeringen van het bedrijfsleven. Voor handhaving van het toenmalige investeringsniveau is in 1999 2 mld. extra vereist. Wil de minister dit bij het bedrijfsleven aan de orde stellen? Of past deze krimp in het streven naar een beperkter maar hoger gekwalificeerd onderzoek, het zogenaamde toponderzoek?

Is de minister bereid samen met zijn collega van Landbouw een oplossing te zoeken voor de plantentuin in Hilversum?

Hebben de GTI's een overheids- of een marktmissie? In ieder geval mag er geen gesubsidieerde competitie ontstaan.

Door NewMetropolis kunnen komende generaties al op jonge leeftijd in aanraking komen met de wonderen van wetenschap en vernuft. Popularisering loont, maar is moeilijk. Nederland blameert zich als NewMetropolis de deuren moet sluiten. In samenwerking met EZ, OCW, de gemeente Amsterdam en liefst ook de EU moet er een reddingsplan worden opgesteld. Een reddingsoperatie is echter alleen zinvol als er een sluitende begroting wordt opgesteld. De heer Cherribi kondigde aan met de collega's van PvdA, CDA en D66 een amendement terzake te zullen indienen.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) wees erop dat Nederland weer minder uitgeeft aan wetenschaps- en technologiebeleid. In 1999 is dit gedaald tot 2% BBP. Uit het TOF-overzicht blijkt dat ook de overheidsuitgaven op dit terrein stagneren. De budgetten van diverse ministeries lijken wel hoger, maar dit betreft vooral optische bijstellingen. De stijging bij LNV wordt veroorzaakt door het BTW-plichtig worden van dit ministerie en de stijging bij OCW is het gevolg van een opwaartse aanpassing van de R&D-coëfficiënten met als doel, de cijfers in overeenstemming te brengen met de realisatiecijfers die jaarlijks worden gepubliceerd. Daarnaast geldt ook de arbeidsproductiviteitskorting voor het wetenschapsbeleid. Dit alles leidt tot minder geld, dus tot minder onderzoek. De ICES-gelden zijn bestemd voor kortlopende projecten en kunnen niet ingezet worden voor het meer tijd kostende fundamenteel onderzoek. Wat is de visie van de minister op het wetenschapsbeleid? Welke criteria hanteert hij daarbij? Wat bedoelt de minister met zijn voornemen om de tweede geldstroom te versterken door meer onderzoeksmiddelen in competitie te brengen. Wijkt het beleid op dit punt af van dat van zijn voorganger?

Kennisontwikkeling door nieuw onderzoek krijgt minder prioriteit ten gunste van toegepast onderzoek. De korting bij de universiteiten is op het onderwijs gericht en niet op het onderzoek, maar dit wordt er wel door geraakt. De toename van het aantal studenten en het vervallen van het fonds Kwaliteit en studeerbaarheid leiden tot bijstellingen in de onderzoekspoot.

Hoe wil de minister de kwaliteit bevorderen? De visitaties worden niet verbeterd en er komt niet meer ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. NWO en de tweede geldstroom worden niet versterkt. Moet er kennis «gekocht» worden of moet er sprake zijn van kennisontwikkeling op hoog niveau? Nederland moet in onderzoeksprogramma's meedoen om iets te bieden te hebben.

Hoe moeten de beschikbare onderzoeksbudgetten bij de departementen beter gericht worden op fundamenteel strategisch onderzoek? De AWT komt tot de conclusie dat bij de alpha- en gammawetenschappen het probleem niet ligt bij de kennisproductie, maar bij het gebruikmaken van de kennis. Op welke wijze kan dit opgelost worden?

Het werkprogramma van het Rathenau-instituut is goed, maar de minister ziet graag een nadere precisering van de activiteiten en de doelstellingen. Wordt de Kamer van de ontwikkelingen op de hoogte gehouden? Overigens lijkt het programma inzake parlementair technology assessment ook voor de Kamer zeer interessant.

De minister wil zelf een agenda voor de verkenningen op het terrein van wetenschap en technologie laten opstellen. Hoe verhoudt deze wens zich tot het huidige verkenningenproces dat in het jaar 2001 uit moet monden in een advies inzake prioriteiten en posteriteiten? Wil de minister in de zomer van 1999 de Kamer zijn visie op het wetenschapsbeleid voorleggen? Kan vooruitlopend daarop een korte tussenrapportage worden uitgebracht, waarin wordt aangegeven op welke onderdelen het beleid afwijkt van dat van de voorganger van de minister?

Er zijn inmiddels zes toponderzoeksscholen van start gegaan. Wordt dit beleid gecontinueerd en komt er een tweede tranche? Is er in de tweede tranche ruimte voor kleinere onderzoeksscholen, zodat ook de alpha- en gammarichtingen meer mogelijkheden krijgen? De schaal mag geen doorslaggevend criterium zijn. Dit geldt ook voor de technologische topinstituten.

Een nieuwe NWO-wet is niet nodig. Aanpassing is wellicht nodig. Eerst moet duidelijk worden in hoeverre de aanbevelingen uit het rapport-Rinnooy Kan uitgevoerd kunnen worden. Wil de minister een en ander in een brief aan de Kamer verduidelijken?

Mevrouw Van der Hoeven wees op de noodzaak van samenwerking in Beneluxverband bij wetenschappelijk onderzoek en R&D. Kan de samenwerking tussen de universiteiten van Maastricht, Diepenbeek en Luik met de daartoe beschikbare EG-middelen gefacilieerd en gestructureerd worden?

Onderschrijft de minister de stelling dat het TNO-onderzoek naar maatschappelijke veiligheid goed aansluit bij de nota Wetenschap en politie? Ter overbrugging van de kloof tussen wetenschap, technologie en samenleving dienen de sciencecentra verder ontwikkeld te worden. Het is goed dat er ook regionale, kleinschalige centra zijn, zoals sterrenwachten en musea.

Ten aanzien van de GTI's moet eerst nagegaan worden of de nieuwe ZBO-wetgeving wellicht mogelijkheden biedt voordat eventueel de aanbevelingen uit het rapport-Cohen worden gevolgd.

Tot slot sprak mevrouw Van der Hoeven steun uit voor een reddingsplan voor NewMetropolis.

Mevrouw Lambrechts (D66) vroeg zich af of de minister nieuwe verkenningen laat uitvoeren of dat hij voortbouwt op de rapportages uit 1996 en 1997. Eens in de vier jaar wordt het wetenschapsbudget vastgesteld. Om de voortgang te kunnen controleren, is het goed, de Kamer jaarlijks een tussenrapportage te doen toekomen. De cijfers van de investeringen in R&D blijken verschillend geïnterpreteerd te worden. De teruggang van 2,12% BBP in 1986 naar 2% nu is op zichzelf niet verontrustend, want in dezelfde periode is het onderwijsbudget van 8% teruggelopen tot 5,4%. Overigens geven de cijfers een vertekend beeld, want de onderzoekscomponent in de eerstelijnsbekostiging en de fiscale maatregelen worden vaak niet meegerekend. Is het mogelijk een «geschoond» overzicht van de R&D-investeringen te geven?

De ICES-middelen bieden gelukkig wat extra ruimte. Welke rol spelen de GTI's daarbij? Kunnen toekenning en uitvoering van de projecten door een onafhankelijke instantie beoordeeld worden? Is het weglekken van R&D-uitgaven naar het buitenland te voorkomen en, zo ja, op welke wijze? Wat is de taak van de GTI's in dezen?

In de praktijk blijkt er een zekere animositeit te zijn tussen onderzoek en onderwijs. Optisch is het wel goed geregeld, omdat de eerste geldstroom ook een budget voor onderzoek bevat. Projecten worden beoordeeld op het aantal publicaties, citaten, octrooien en dergelijke. De fractie van D66 vraagt de minister te bekijken of het niet mogelijk is wetenschappers en projectaanvragen ook te beoordelen op hun bijdrage aan het doorgeven van kennis aan het onderwijs. De relatie wetenschap/Economisch Zaken krijgt goed gestalte door de ontwikkeling van de technocentra, de technobedrijfjes.

De trend is om veel aandacht te geven aan kortdurend onderzoek. De politiek, maar ook het bedrijfsleven willen snel resultaat zien. De vorige minister heeft de nadruk gelegd op de maatschappelijke relevantie. Vallen er als gevolg hiervan geen gaten in het onderzoeksveld?

Mevrouw Lambrechts stemde in met het terugdraaien van de overheveling van universiteiten naar NWO. Het is echter wel de bedoeling dat dit geld wordt ingezet in het kader van onderzoek. In de toekomst zullen meer middelen in competitie moeten worden verworven. Daarop gelet, moet nu al nagedacht worden over mogelijkheden om de tweede geldstroom te versterken. Een dergelijke systematiek dwingt betrokkenen, duidelijkheid te geven over werkwijze en doel. Er dient ruimte te zijn voor maatschappelijk relevant, maar ook voor fundamenteel onderzoek. In andere landen heeft men goede ervaringen opgedaan met deze werkwijze.

De hoorzitting heeft duidelijk gemaakt dat er ten aanzien van de toponderzoeksscholen een zorgvuldige procedure wordt gevolgd. De minister heeft terecht toegezegd te bezien of alpha- en gammaonderzoek meer ruimte moet krijgen. Randvoorwaarde blijft uiteraard dat het toponderzoek moet zijn. De meerwaarde ten opzichte van gewone onderzoeksscholen moet duidelijk aangetoond worden. Is overigens altijd een brede opzet noodzakelijk?

Is er sprake van een zodanige verslechtering van het onderzoeksklimaat in Nederland dat de beste onderzoekers wegtrekken en, zo ja, wat kan daaraan gedaan worden?

Ook mevrouw Lambrechts steunde het idee van een eenmalige bijdrage om NewMetropolis te redden. Zij vroeg om een soortgelijke reddingsoperatie voor Pinetum Blijdenstein, samen met LNV en VROM, vanwege het grote belang voor de biodiversiteit in Nederland van deze tuin.

Mevrouw Lambrechts sloot af met de opmerking dat er een impuls gegeven moet worden aan de internationalisering van het onderzoek.

De heer Rabbae (GroenLinks) sloot zich aan bij de opmerkingen over NewMetropolis en Pinetum Blijdenstein.

Wetenschappelijk onderzoek krijgt steeds meer te maken met marktontwikkelingen. De tijden zijn veranderd. Niemand kijkt er meer van op als de universiteit van Amsterdam onderzoek voor Defensie verricht. Voorkomen moet worden dat universiteiten zich door een te krappe financiering te veel richten op het bedrijfsleven. Marktwerking is niet vies, maar er is wel een grens aan. Toegepast onderzoek is goed, maar het is bepaald ongewenst dat dit dient om werkzaamheden van een bedrijf te legitimeren.

Er moet sprake zijn van een evenwicht tussen fundamenteel en toegepast onderzoek. Er kan een vruchtbare wisselwerking tussen bedrijfsleven en universiteit ontstaan, maar men moet oppassen voor schadelijke neveneffecten. In de VS is er een goede samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid en universiteiten. Echter, een conjuncturele terugslag heeft dan ook gevolgen voor de budgetten. De overheid hoeft niet alle gaten te dichten, maar de onderzoeksinfrastructuur binnen de universiteiten moet wel in stand blijven. In Nederland zijn de meeste Nobelprijzen gewonnen toen het onderzoek nog «vrij» was.

Minister Ritzen legde vooral de nadruk op topuniversiteiten, toponderzoeksscholen, toponderzoek en toponderzoekers. Wellicht ontstaat er onder zijn opvolger meer ruimte voor de basis. Toponderzoekers zijn de krenten uit de pap. Hoe breder de opleidingen – dus hoe meer pap – des te groter is de kans op goede krenten. Voor de ontwikkeling van de talenten is het van belang dat ook het onderzoek onder topniveau ruimte krijgt.

Minister Hermans heeft aangegeven, de doelstellingen van zijn voorganger over te willen nemen. Geldt dit ook voor het benadrukken van de maatschappelijke relevantie van het onderzoek? De sociale wetenschappen kunnen een positieve bijdrage leveren aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Bij de bètawetenschappen ligt aansturing vanuit een oogpunt van maatschappelijke relevantie veel minder voor de hand.

Er zijn nu zes onderzoeksscholen. De heer Rabbae onderschreef in dit opzicht het principe «klein maar fijn». De selectieprocedure was echter onvoldoende transparant. Ook stond men nogal onder tijdsdruk. Het is van belang dat er in de toekomst zorgvuldiger wordt geopereerd. Ook niet-bètaopleidingen moeten aandacht krijgen.

Het antwoord van de regering

De minister merkte op dat hij vier maanden na zijn aantreden noodgedwongen moet volstaan met het schetsen van de algemene lijnen van het wetenschapsbeleid. Volgend jaar zal in het kader van het wetenschapsbudget een fundamentele discussie gevoerd kunnen worden over het beleid in de komende vier jaar. De minister was de Kamer er erkentelijk voor, dat zij haar gedachten over een aantal ontwikkelingen op tafel heeft gelegd.

De betekenis van kennis voor de samenleving neemt met de dag toe. OCW heeft bepaald niet het patent op kennis. Op het gebied van de kennisinfrastructuur speelt de overheid een rol naast andere instituties en organisaties. De minister was zeer blij met de liberale opvatting van de fractie van GroenLinks terzake. De overheid moet uitermate terughoudend zijn op het punt van de aansturing van het publieke onderzoek. Dit onderzoek is alleen mogelijk op grond van een bottom-upbenadering gesteund door een breed draagvlak onder de betrokkenen. De overheid kan wel accenten plaatsen ten aanzien van het fundamenteel onderzoek. De rol van de overheid moet worden gekenmerkt door een goede balans tussen stimulerend optreden en het vrij laten van de universiteiten.

De overheveling is teruggedraaid omdat zij, bovenop de bezuinigingen van 300 mln., tot een te grote aanslag op de universiteiten leidde. Het moet mogelijk zijn om in een meer afstemmend dan bepalend overleg met VSNU, NWO, KNAW en COS een goede verdeling van de middelen te bereiken. Met het oog hierop moeten de afspraken over de tweede geldstroom en over de verhouding tussen fundamenteel en toegepast onderzoek de komende maanden verder geconcretiseerd worden. Het komend voorjaar moet een en ander zijn afgerond. In mei 1999 zal hierover aan de Kamer gerapporteerd worden. Dit betekent dat de gevraagde tussenbalans eigenlijk overbodig is. Het is duidelijk dat deze afspraken consequenties zullen hebben voor het HOOP dat in september van dat jaar wordt uitgebracht.

De minister bracht naar voren dat het huidige budget uitgangspunt is. Hij was uiteraard bereid na te gaan of er extra middelen beschikbaar kunnen komen, maar de kans daarop is klein. Mocht dit toch lukken, dan heeft het HBO de hoogste prioriteit en daarna komt het WO. De discussie over de hoogte van het budget is zeker boeiend, maar de vraag wat ermee wordt gedaan, is veel interessanter.

Met ICES-middelen wordt ook geïnvesteerd in de kennisinfrastructuur. Het gaat in eerste instantie om toegepast onderzoek, maar dit zal een uitstraling hebben op het fundamenteel onderzoek. Dit laat natuurlijk onverlet dat er apart aandacht moet zijn voor deze laatste categorie.

De minister wees erop dat hij vaker heeft gezegd, waardering te hebben voor het beleid van zijn voorganger en dat geldt ook voor de doelstellingen in verband met de overheveling. De criteria kwaliteit, samenwerking, maatschappelijke relevantie en versterking van de internationale positie gelden nog steeds. Alleen op het punt van de methodiek is er een verschil van mening.

De minister had waardering voor de opmerking van de heer Rabbae over de krenten in de pap, maar constateerde tevens dat toponderzoeksscholen bijdragen aan de versterking van de positie van Nederland. Zij zijn ook van belang om het weglekken van kennis naar het buitenland tegen te gaan. In de tweede tranche zal er aandacht zijn voor de alpha- en gammawetenschappen.

Eens in de vier jaar wordt het wetenschapsbudget vastgesteld. Jaarlijks zal er een voortgangsrapportage worden uitgebracht. Als ieder jaar de keuzes op hoofdlijnen wordt bevestigd dan wel bijgesteld, krijgt het wetenschapsbeleid ook de aandacht die het verdient.

De minister zegde toe met minister Jorritsma in overleg te treden over de rol van de private partijen in de R&D-investeringen. De uitgaven op dat terrein dienen zo nauwkeurig mogelijk in beeld te worden gebracht. Politieke keuzes hebben soms ook consequenties. Wanneer bepaald onderzoek om ethische redenen wordt afgewezen, zullen de desbetreffende onderzoekers verhuizen naar gebieden waar dit onderzoek wel mogelijk is. Het vorige kabinet heeft getracht, de inspanningen op het gebied van R&D van het bedrijfsleven te verhogen. Er is de laatste jaren een zeker groei te constateren, maar BNP is nog veel sterker gegroeid. Bij kleinere bedrijven en in de dienstensector nemen de uitgaven ten behoeve van R&D sterker toe dan in andere sectoren. De Kamer zal nader geïnformeerd worden over de sectoren waarin geïnvesteerd wordt, over de aard van het onderzoek en over de stand van zaken ten opzichte van het buitenland.

In het kabinetsstandpunt inzake het strategisch plan 1999–2002 van TNO is aangegeven dat er sprake is van een hoog ambitieniveau. Via jaarverslagen en middellangetermijnplanningen zal gerapporteerd worden over voortgang en eventuele bijsturingen. De minister wees erop dat de raad van toezicht in eerste instantie verantwoordelijk is voor controle op de uitvoering. De overheid is als waarnemer in deze raad vertegenwoordigd.

Maatschappelijke veiligheid is één van de veertien kernterreinen van TNO. Een en ander dient vooral via basis- en doelfinanciering bekostigd te worden. Er is geen extra geld voor beschikbaar gesteld. Het is zeer lastig om publieke en private taken van TNO te scheiden. Het is een sterk hybride organisatie. De TNO-activiteiten die voor de markt worden uitgevoerd, hebben ook een publiek aspect. In het rapport-Cohen over markt en overheid wordt de kennisinfrastructuur uitgezonderd van de aanbevelingen. In het kader van het HOOP zal gesproken worden over de positie van de universiteiten in dit spanningsveld. In principe geldt de uitzondering voor de gehele kennisinfrastructuur, dus ook voor de universiteiten.

De plantentuin te Hilversum levert geen substantiële bijdrage aan de biodiversiteit in Nederland. Zij voegt niets toe aan hetgeen andere instellingen op dit terrein te bieden hebben. Er wordt dan ook niet overwogen hieraan steun te geven.

Ten aanzien van NewMetropolis moet eerst een sluitend businessplan op tafel komen voordat over eventuele subsidie gesproken kan worden. Als er duidelijk sprake is van een deugdelijke commerciële exploitatie, kan bezien worden of samen met EZ een bijdrage voor de overbruggingsperiode kan worden verleend. Iedere gulden die daaraan wordt uitgegeven, gaat echter ten koste van de eerder aangegeven prioriteiten. In dat licht bezien, behoort een bijdrage van 10 mln. à 15 mln. zeker niet tot de mogelijkheden.

De minister sloot zijn beantwoording in eerste termijn af met de mededeling dat de vragen waaraan hij niet was toegekomen, schriftelijk zullen worden beantwoord.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Hamer (PvdA) constateerde dat de minister nog geen alternatief voor de overhevelingsoperatie heeft gepresenteerd. Zij nam aan dat de Kamer daarover in mei ook duidelijkheid zal krijgen.

Het is de bedoeling dat de resultaten van het TNO-onderzoek inzake maatschappelijke veiligheid ten goede komen aan de desbetreffende sectoren. In de kabinetsreactie op het strategisch plan is een aantal randvoorwaarden opgenomen, bijvoorbeeld controle op de wijze waarop de winst wordt besteed. Hiermee kan niet alleen de raad van toezicht worden belast. Wil de minister de Kamer een brief sturen waarin hij deze randvoorwaarden nader uitwerkt?

De heer Cherribi (VVD) wees erop dat in het aangekondigde amendement wordt voorgesteld, NewMetropolis voor drie jaar met 2,5 mln. te steunen. Hierbij moet uiteraard aan alle genoemde voorwaarden voldaan zijn. Een en ander dient gestalte te krijgen in overleg met EZ en de gemeente Amsterdam.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) bracht naar voren dat de Kamer alleen kan beoordelen of amendering nodig is als de minister uiterlijk de laatste week voor het kerstreces een voorstel over NewMetropolis doet, namelijk voordat er over de begroting is gestemd.

De manier waarop minister Hermans zijn werk is begonnen, deed mevrouw Van der Hoeven sterk denken aan de werkwijze van ex-minister Wijers. Deze laatste is er uiteindelijk in geslaagd meer geld voor zijn beleid te verwerven en wellicht lukt dat minister Hermans ook.

Mevrouw Van der Hoeven herinnerde aan haar vragen over het veertiende kennisgebied en het NWO-project. Zij kwam ook terug op haar pleidooi voor samenwerking tussen de universiteiten van Maastricht, Diepenbeek en Luik.

Tot slot kondigde mevrouw Van der Hoeven een amendement aan terzake van Pinetum Blijdenstein.

Mevrouw Lambrechts (D66) kreeg graag nadere informatie over de positie van de wetenschappers en over de relatie tussen wetenschap en onderwijs. Er wordt gekozen om via de universiteiten te werken. In dit verband kan de eis worden gesteld om wetenschappelijke bevindingen zo snel mogelijk door te geven aan het onderwijs. Kan hieraan in de toegezegde rapportage aandacht worden besteed?

Voor NewMetropolis moet een oplossing gevonden worden. Mevrouw Lambrechts betreurde het dat er ten aanzien van de plantentuin in Hilversum verwachtingen zijn gewekt. Als er werkelijk geen sprake is van een substantiële bijdrage aan de biodiversiteit had dit ook twee jaar geleden gemeld kunnen worden. Klaarblijkelijk is de zaak minder simpel dan de minister doet voorkomen.

De heer Rabbae (GroenLinks) juichte het toe dat de minister jaarlijks zal rapporteren over het wetenschapsbeleid. Hierdoor wordt duidelijk dat naast het onderwijs ook het onderzoek een belangrijk item is.

De heer Rabbae sprak zijn steun uit voor het aangekondigde amendement inzake de plantentuin.

Staat de minister nog steeds op het standpunt dat de positie van de AIO's en OIO's een zaak van de universiteiten is?

Kennis is belangrijk voor Nederland. Hoe staat de minister tegenover het idee van de vestiging van hoogwaardig technologische bedrijven rondom de universiteiten naar analogie van silicon valley?

De minister bracht naar voren dat hij in die zin een andere methodiek hanteert dan zijn voorganger dat hij kiest voor overleg in plaats van voor het opleggen van een overheveling.

Voorwaarden voor steun aan NewMetropolis zijn een goed bussinesplan en een exploitant die bereid is dat uit te voeren. De hoogte van het bedrag mag ook niet zodanig zijn dat andere prioriteiten in het gedrang komen. De minister kon met het oog op de onderhandelingen niet zeggen op welke termijn een beslissing verwacht kan worden. Bij de opzet van het instituut heeft OCW er trouwens al 9 mln. in geïnvesteerd. In principe was de minister bereid de Kamer op dit punt te volgen.

Uit het rapport van de KNAW blijkt niet dat de plantentuin in Hilversum van zodanige waarde is voor de wetenschap dat geen steun nodig is. De staatssecretaris van LNV heeft ook al aangegeven dat er onvoldoende aanleiding is voor subsidiëring.

Er worden in toenemende mate technologische projecten door universiteiten ondersteund. Met de ICES-middelen wordt daarop ingespeeld. Deze ontwikkelingen moeten zeker gesteund worden. De kennisinfrastructuur moet regionaal gespreid zijn. Er moet een duidelijk relatie zijn tussen de regio en de instellingen voor hoger onderwijs, maar dat geldt ook voor het voortgezet onderwijs en het basisonderwijs.

De minister was bereid het samenwerkingsverband tussen de universiteiten van Maastricht, Diepenbeek en Luik te steunen, maar de instellingen moeten zelf het initiatief nemen. Voorwaarde is wel dat het kwaliteitsniveau gewaarborgd is.

De voorzitter van de commissie,

Rehwinkel

De waarnemend griffier van de commissie,

Teunissen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Reitsma (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Belinfante (PvdA), Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Remak (VVD), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD) en Wijn (CDA).

Plv. leden: Stellingwerf (RPF), Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Visser-van Doorn (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Passtoors (VVD), Valk (PvdA), De Cloe (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Gortzak (PvdA), Middel (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Spoelman (PvdA), Brood (VVD), Poppe (SP), Arib (PvdA), Blok (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rijpstra (VVD) en Verhagen (CDA).

Naar boven