Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25604 nr. 22 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25604 nr. 22 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Rijswijk, 24 november 1997
Hierbij geef ik u, mede namens de staatssecretaris, een schriftelijke reactie op de op 10 november, 17 november en 19 november jl. ingediende amendementen en moties bij de behandeling van het JOZ en de begroting.
Dit amendement laat zich in twee delen splitsen. In de eerste plaats wordt voorgesteld f 29 miljoen via het zorgvernieuwingsfonds door te sluizen naar de regionale zorgverzekeraar, waarmee een bekorting van de wachtlijsten voor dagbesteding in de intramurale sector wordt beoogd. Daarnaast wordt voorgesteld een bedrag van f 1 miljoen ter beschikking te stellen voor de uitbreiding van de tijdelijke opvang van mensen met een lichamelijke handicap.
In het JOZ 1998 zijn in ruime mate middelen voor gehandicaptenbeleid beschikbaar gesteld. Qua volume-ontwikkeling is sprake van de hoogste groei-sector in het JOZ. Mijns inziens is het zaak nu eerst goed te monitoren hoe de voor 1998 beschikbaar gestelde middelen zullen worden besteed.
Dekking via een amendement op het Belastingplan 1998, in casu een beperking van de verlenging van de tweede schijf leidt tot een verhoging van de voor de budgetdiscipline relevante uitgaven. Het uitgavenkader zoals dat in de ontwerp-begroting is vastgelegd wordt daarmee overschreden. Daarnaast leidt het dekkingsvoorstel tot een lastenverzwaring voor de burgers. Concluderend is er derhalve geen sprake van een adequate dekking.
Al met al moet ik dit amendement ontraden.
Met dit amendement wordt beoogd het budget van de thuiszorg te verhogen met f 37 miljoen, waarmee een verkorting van de wachtlijsten in de thuiszorg zou worden bereikt.
De structurele verhoging van het thuiszorgbudget vanaf 1998 met f 103 miljoen leidt tot een substantiële groei van het thuiszorgvolume. In 1997 is al structureel f 75 miljoen extra toegevoegd.
Voorgesteld wordt om daar nog eens f 37 miljoen aan toe te voegen; ruim 1% van het budget. De vraag is of dat op dit moment een verstandige inzet is. Het zal voor de sector al een forse opgave zijn om de ophoging van het budget dit jaar en volgend jaar op een doelmatige wijze om te zetten in concrete uitbreiding van het aantal productie-uren.
Met betrekking tot de dekking volsta ik met een verwijzing naar eerdere opmerkingen over amendement nr. 19.
Ik ontraad derhalve dit amendement.
Dit amendement beoogt de beschikbare middelen voor het Persoons-Gebonden Budget Verpleging en Verzorging met f 2 miljoen te verhogen. Deze verhoging zou benodigd zijn ter verruiming van de indicatiecriteria, zodat het voor mensen met een lichamelijke handicap mogelijk wordt tijdelijk 24-uurszorg in te kopen.
Tijdens de JOZ-behandeling heb ik aangegeven geen voorstander te zijn van het oprekken van de indicatiecriteria, omdat via de indirecte bekostiging van voorzieningen in feite de huidige capaciteitsplanning zou worden ondergraven.
Zoals eerder bij stuknummer 19 is aangegeven, is mijns inziens ook bij dit amendement geen sprake van een adequate dekking.
Al met al ontraad ik het amendement.
Dit amendement beoogt de Nederlandse Organisatie voor Vrijwilligerswerk (NOV) te subsidiëren met f 0,5 miljoen per jaar ten behoeve van bovenlokale ondersteuning. Daarnaast wordt in 1998 een incidentele bijdrage van f 1,2 miljoen aan het NOV beschikbaar gesteld ten behoeve van achterstallig onderhoud op lokaal niveau.
In de eerste termijn is door mevr. Mulder-Van Dam relatie gelegd tussen ondersteuning mantelzorg en vrijwilligerswerk. Het NOV heeft evenwel geen rol bij mantelzorg. De Landelijke Vereniging voor Thuisverzorgers is ook niet van plan om via NOV activiteiten te ontplooien. Mijn streven is er op gericht om te komen tot één sterke organisatie voor de ondersteuning van het vrijwilligerswerk. Het is mijns inziens te vroeg om, voordat er overeenstemming bestaat over de invulling van een dergelijke taak, daarvoor de instellingssubsidie van het NOV nu te al te verdubbelen.
Dekking ten laste van uitgavenartikel 25.03 «Rijksbijdragen volksgezondheid» leidt tot een verhoging van de voor de budgetdiscipline relevante uitgaven, omdat de uitgavenverlaging van de rijksbijdragen niet relevant is. Het uitgavenkader zoals dat in de ontwerp-begroting is vastgelegd wordt daarmee overschreden. Daarnaast leidt de verlaging van de rijksbijdragen tot een lastenverzwaring voor de burgers. Concluderend is er derhalve geen sprake van een adequate dekking.
Al met al ontraad ik het amendement dan ook.
Met dit amendement wordt beoogd de bijdrage aan de Coördinatie Vrijwillige Thuiszorg (CVT) met structureel f 6 miljoen te verhogen. Dit bedrag zou worden ingezet ten behoeve van een landelijk dekkend netwerk van steunpunten voor mantelzorgers.
Zoals ik heb aangegeven in de eerste termijn en mijn toelichting in de tweede termijn zal een bedrag van circa f 4 miljoen beschikbaar worden gesteld voor de mantelzorg. In die zin zie ik het amendement als een ondersteuning voor het ingezette beleid.
Met betrekking tot de dekking wil ik volstaan met een verwijzing naar mijn reactie op amendement nr. 28.
Gelet op vorenstaande is dit amendement mijns inziens overbodig.
Met deze motie wordt de regering verzocht, de hospice-zorg van een deugdelijke financiering te voorzien.
Op dit moment wordt palliatieve zorg in de terminale fase verleend door veel mensen in veel sectoren, op alle niveau's en vanuit verschillende organisaties. Dat is een goede zaak, maar ook moet erkend worden dat het aanbod van palliatieve zorg en initiatieven daartoe nog te zeer versnipperd zijn.
Om dit nu nog versnipperde aanbod optimaal af te stemmen op de zorgvraag en om de zo verspreid aanwezige kennis en ervaring optimaal te kunnen inzetten, dient palliatieve zorg geïntegreerd te worden binnen de reguliere instellingen. Alleen zo kan in de toekomst een optimale verdeling van en toegang tot palliatieve zorg van voldoende kwaliteit gegarandeerd worden.
Het zou echter niet goed zijn om daar waar er tekorten in het reguliere aanbod ten opzichte van de zorgvraag zijn vastgesteld, nieuwe initiatieven geïsoleerd van die reguliere zorg te ontwikkelen. Enerzijds omdat die initiatieven dan hun eigen tekortkomingen zouden gaan vertonen, maar anderzijds ook omdat de reguliere zorgelementen van de nieuwe initiatieven en benaderingen zouden kunnen leren.
Gelet op bovenstaande ontraad ik deze motie.
Middels deze motie wordt de regering uitgenodigd een Fonds voor de Breedtesport in te stellen.
Juist in een tijd dat sport steeds hoger op de politieke agenda komt en de maatschappelijke waarde van sport meer en meer erkend wordt, lijkt het niet verstandig om grote sommen geld buiten de deur te zetten. Integendeel, de rijksoverheid zou juist van zeer nabij partner van de sport dienen te zijn.
Bovendien is het de vraag of alle gemeenten – als de grootste financier van de breedtesport – hun financiële middelen in de richting van een Fonds zouden willen sturen. De directe relatie tussen gemeenten en verenigingen is van groot belang.
De versterking van de breedtesport kan ook met de bestaande mogelijkheden en in goede samenwerking met alle betrokken partijen worden gerealiseerd.
Gelet op vorenstaande ontraad ik deze motie.
Middels deze motie wordt de regering verzocht in een brief aan de Kamer een inhoudelijke reactie te geven op het rapport van de WRR, daar tevens de rapporten van het RIVM en de Inspectie van de Gezondheidszorg bij te betrekken en daarnaast aan te geven of en zo ja welke beleidsmaatregelen noodzakelijk zijn om risico-solidariteit te waarborgen.
Onder verwijzing naar de door de minister-president over het WRR-rap- port toegezonden brief van 29 september 1997, ontraad ik deze motie.
Met deze motie wordt de regering verzocht gelden te oormerken voor de uitvoering van nieuw beleid ten aanzien van de aanpak van jeugdcriminaliteit onder allochtonen.
Zoals ik reeds eerder heb betoogd, steun ik de overweging achter deze motie van harte. Momenteel vindt reeds interdepartementaal beleidsmatig overleg plaats. Echter, deze motie geeft geen enkele financiële dekking aan.
Derhalve ontraad ik deze motie.
Middels deze motie wordt de regering verzocht een plan van aanpak te ontwerpen ter stimulering van vrijwilligerswerk in de sport onder jongeren.
Vrijwilligerswerk in de sport ondersteun ik van harte. Het dekkingsvoorstel zal ik nader bezien binnen de f 10 miljoen gulden intensiveringsruimte bij Sport.
Ik wacht het oordeel van de Tweede Kamer af.
Met deze motie wordt de regering verzocht – voor de bewoners van alle AWBZ-instellingen – de normen voor zak- en kleedgeld bij te stellen.
Zoals reeds bij de behandeling JOZ is uiteengezet, heeft het kabinet besloten de inkomensverbetering voor de 65+ers ook voor de 65+ers in alle AWBZ-instellingen te laten doorwerken. Dit geldt derhalve niet alleen voor de 65+ers in de verzorgings- en verpleeghuizen. Dit deel van de motie wordt dus reeds uitgevoerd.
Daarnaast beoogt de motie de normen voor zak- en kleedgeld bij te stellen. Deze normen zijn gekoppeld aan de ontwikkelingen in de Algemene Bijstandswet. Uit dien hoofde vindt regelmatig bijstelling plaats. In sommige gevallen is het vrij besteedbaar inkomen hoger dan het zak- en kleedgeld. Dit is afhankelijk van de hoogte van het bijdrageplichtig inkomen dat is gekoppeld aan de omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer.
Gelet op dit tweede element in de motie, ontraad ik deze.
Middels deze motie wordt de regering verzocht af te zien van haar voornemen een eigen bijdrage vanaf de eerste dag in te voeren bij opname in algemene psychiatrische ziekenhuizen en psychiatrische algemene ziekenhuizen.
Voor de reactie op deze motie verwijs ik naar de reactie op de JOZ-motie, stuknummer 10 aangaande de opheffing van de eigen bijdrage in de GGZ.
Al met al ontraad ik deze motie.
Middels deze motie wordt de regering verzocht een onderzoek in te stellen naar de gevolgen van marktwerking en budgetbeperking voor de positie en arbeidsomstandigheden van personeel in de zorg.
Er is reeds bestaand/lopend onderzoek over arbeidsomstandigheden in de zorgsector en de ontwikkelingen daarin op het punt van ervaren werkdruk.
Daarbij doelde ik op onderzoek dat door de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) wordt uitgevoerd. In dit zgn. panelonderzoek worden elke twee jaar gegevens verzameld. De metingen in het kader van dit panelonderzoek hebben al een aantal malen plaatsgehad. Op deze manier kan op basis van de resultaten van de panels een beeld gekregen worden van de situatie op de arbeidsmarkt naar diverse aspecten en van ontwikkelingen in de tijd. De samenstelling van deze panels is zodanig dat specifiek voor de zorg een beeld geschetst kan worden terwijl tevens een vergelijking van de gesignaleerde trends met ontwikkelingen in andere sectoren te maken is.
Het meest recente trendrapport «Vraag naar Arbeid in de zorgsector» (OSA-publicatie Z19, mei 1997) is in mei 1997 uitgekomen. In dit Trendrapport Vraag naar Arbeid in de zorgsector wordt op basis van de resultaten van dit panel-onderzoek een apart hoofdstuk gewijd aan het cluster arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en ziekteverzuim.
De OSA is voornemens het volgende trendrapport in 1998 op te stellen.
In het Integrerend OSA-rapport 1997 dat bij brief d.d. 1 oktober 1997 aan de Tweede Kamer is aangeboden komt dit aspect eveneens aan de orde.
Al met al acht ik deze motie overbodig.
Met deze motie wordt beoogd de voorgestelde eigen bijdrage in de GGZ (tot maximaal f 1 085 per maand) niet in te voeren, maar voor de GGZ een eigen bijdrage in te voeren die aansluit bij de voor de ziekenhuizen geldende eigen bijdragen.
Binnen het kabinet is voor de sector geestelijke gezondheidszorg een taakstelling opgelegd van f 40 miljoen. Mede om die reden heb ik besloten om een eigen bijdrage in te voeren per 1 juli 1998 gedurende het eerste jaar psychiatrische ziekenhuiszorg met een totale opbrengst van f 40 miljoen. Op dit moment wordt voor psychiatrische ziekenhuiszorg in het geheel geen eigen bijdrage geheven.
De invoering van deze bijdrage zal moeten meelopen in het AWBZ-eigen-bijdrage-systeem, omdat het uitgangspunt van het kabinet is dat de eigen-bijdrage-regeling in de AWBZ voor alle verzekerden geharmoniseerd moeten zijn.
Gelet op de taakstelling en vorenstaande ontraad ik deze motie.
Met deze motie wordt beoogd de financiële beperking van de verstrekking logopedie met f 10 miljoen geen doorgang te laten vinden. Door deze financiële beperking zal er rechtsongelijkheid worden gecreëerd, doordat de beperking eerst per 1 januari 1999 haar beslag krijgt in de WTZ.
Toegang tot de logopedie moet voor een ieder die dit nodig heeft gewaarborgd blijven. Wel kan waarschijnlijk de behandelduur korter worden ingesteld, danwel eerder worden afgebroken.
Met de beroepsgroep moet nog worden overlegd; pas daarna kom ik tot een bepaald voornemen. Dit voornemen leg ik aan de Kamer voor alvorens hierover te besluiten.
Aangezien het voornemen tot pakketbeperking in de WTZ pas per 1 januari 1999 kan worden geëffectueerd, zal sprake zijn van een besparingsverlies van f 3 miljoen. Daarnaast zal uitvoering van dit voornemen in de ZFW niet meer in kunnen gaan per 1 januari 1998, maar later. Het incidentele besparingsverlies wordt vooralsnog geraamd op f 2 miljoen. De totale opbrengst in 1998 bedraagt derhalve nog f 5 miljoen.
Rekening houdende met het bovenstaande adviseer ik om deze motie te heroverwegen.
Met deze motie wordt beoogd om meer middelen beschikbaar te stellen voor dagbesteding in de gehandicaptensector; te beginnen met de middelen uit de onderuitputting 1997.
In overleg met alle OVA-partijen is besloten hoe de extra middelen voor «meer handen aan het bed» besteed zouden worden. De «Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN)» – waarmee ook overeenstemming is bereikt – was slechts één van de partijen bij dit OVA-overleg.
Het kan nu niet zo zijn om met alleen de VGN de afspraken open te breken – en meer middelen voor dagbesteding beschikbaar te stellen – en de andere partijen wel aan deze afspraken te houden.
Ik ontraad derhalve deze motie.
Met deze motie wordt beoogd om een jaarlijks percentage van de groei (later ingevuld als zijnde 10%) in de caresectoren beschikbaar te laten komen voor het PGB.
Gezien de uitwerking van het PGB wordt een verdere groei door mij wenselijk geacht. Het is goed om deze groei structureel te verankeren. Wel moet er via de evaluatie van de regeling worden nagegaan op welke wijze deze kan worden verbeterd en gestroomlijnd.
Ik wacht het oordeel van de Kamer af.
Met deze motie wordt beoogd om een voldoende capaciteit van huisartsen te waarborgen. De regering moet hiervoor o.a. in overleg treden met de LHV en in dit overleg aan de orde stellen dat het huidige stagejaar in het ziekenhuis weinig toegevoegde waarde heeft.
Tijdens de JOZ-behandeling heb ik aangegeven het van belang te vinden de capaciteit aan te passen aan de toekomstige noden en behoeften. Ik probeer hier dan ook overeenstemming over te bereiken met de LHV. Samen met de LHV streef ik er naar een opleidingsduur van drie jaar te handhaven, echter wel onder de conditie dat wij het derde jaar waardevol kunnen maken. Als dat niet lukt, moet opnieuw worden bezien of er een aantal maanden van af kunnen
Deze motie wordt door mij gezien als ondersteuning van het thans door mij gevoerde beleid.
Met deze motie wordt beoogd om sommige geneesmiddelen (die niet op bijlage 1a of 1b van het GVS zijn geplaatst) via een voorlopige vergoeding beschikbaar te stellen voor bepaalde patiënten.
Tijdens de JOZ-behandeling heb ik reeds toegezegd om hieromtrent overleg te plegen met de patiëntenvereniging.
Gezien het bovenstaande is deze motie overbodig geworden.
Met deze motie wordt beoogd nog in deze regeringsperiode een adequaat plan van aanpak – met taakstellende invoeringsdata – voor de dagbesteding voor zwaar gehandicapten op te stellen.
Tevens moeten de hiervoor benodigde budgetten beschikbaar worden gesteld.
Een plan van aanpak voor een meerjarentraject voor de dagbesteding heb ik tijdens de JOZ-behandeling aangekondigd. De effecten van een dergelijk plan zijn echter pas te zien na deze kabinetsperiode. Tevens zullen dan de gelden besteed moeten worden.
Ik ontraad derhalve deze motie.
Met deze motie wordt beoogd een formele erkenning en structurele financiering van taal/spraakdiagnostiek aan de audiologische centra te verlenen en het daartoe benodigde bedrag van f 10 miljoen gefaseerd over drie jaar ter beschikking te stellen.
Het verlenen van een formele erkenning aan de audiologische centra voor het verlenen van taal/spraakdiagnostiek is niet nodig. De audiologische centra mogen deze taken thans reeds verrichten.
Tijdens de JOZ-behandeling heb ik reeds gezegd dat ik f 2 miljoen beschikbaar gesteld heb voor het opstarten van de aanpak van taal-/spraakstoornissen.
Derhalve ontraad ik deze motie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25604-22.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.