25 600 XVI
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 1998

nr. 68
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 10 juni 1998

De VVD-fractie en de D66-fractie uit de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 hebben een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksproducten.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Van der Vlies

De griffier van de commissie,

Teunissen

Vragen van de VVD-fractie

1

Is het waar dat de International Agency for research on Cancer (IARC) een studie heeft afgerond over de effecten van passief roken op de gezondheid, maar dat de WHO waarvan de IARC een onderdeel is besloten heeft het rapport niet naar buiten te brengen alvorens het in een wetenschappelijk tijdschrift is gepubliceerd?

Antwoord

Het International Agency for research on Cancer (IARC) heeft een onderzoek gecoördineerd naar de relatie tussen longkanker en passief roken. De uitkomsten zijn neergelegd in een wetenschappelijk artikel. Dit artikel is twee keer voor publicatie aan een wetenschappelijk tijdschrift aangeboden, maar is in beide gevallen geweigerd. De redenen daartoe waren dat het onderzoek van onvoldoende omvang was en dat het geen nieuwe feiten toevoegt, dan die welke reeds door andere omvangrijkere onderzoeken zijn aangetoond. De onderzoekers concluderen dat, in overeenstemming met andere recente onderzoeken, opnieuw duidelijke aanwijzingen zijn gevonden voor een relatie tussen longkanker bij niet-rokers en het roken door de partner. In het onderzoek werden geen aanwijzingen gevonden dat andere risicofactoren dan passief roken een verklaring zouden kunnen geven voor de gevonden relatie. Verder kon geen relatie worden vastgesteld tussen longkanker en passief roken gedurende de jeugdjaren.

Dat er geen nadere mededelingen over de inhoud van het rapport worden gedaan alvorens het in een wetenschappelijk tijdschrift is gepubliceerd, is een volstrekt normale procedure en geen kwestie van geheimhouding.

2

Beschikt de Nederlandse regering als lid van de WHO over het onder punt 1 genoemde onderzoek? Zo ja, bent u bereid de studie ter beschikking te stellen aan de Tweede Kamer?

Antwoord

Ik beschik niet over de totale uitslag van het onderzoek. Als de Kamer behoefte zou hebben aan het rapport, is het WHO Centrum in Bilthoven bereid om het ter beschikking te stellen.

3

Indien de Nederlandse regering niet over het onderzoek beschikt, bent u bereid bij de WHO op beschikbaarstelling aan te dringen, mede met het oog op het beleid dat u wilt gaan voeren ten aanzien van het passief roken?

Antwoord

Gelet op het feit dat het rapport geen nieuwe feiten aan het licht heeft gebracht over passief roken, voegt het ook geen meerwaarde toe aan het tabaksontmoedigingsbeleid. Om die reden heb ik het rapport niet opgevraagd bij de WHO.

4

Kan worden aangegeven waarom in artikel 3, tweede lid onder e, de openbare onderwijsinstellingen zijn vervallen?

Antwoord

Het is geenszins de bedoeling geweest om de openbare onderwijsinstellingen te laten vervallen. Deze slip of the pen die mij inmiddels ook was opgevallen, is intussen weer rechtgezet.

Vragen van de D66-fractie

5

Bij de debatten rond de Tabaksnota van 1996 is de verbetering van het toezicht op de naleving en het instellen van sancties, maar ook uitbreiding en aanscherping van het rookverbod op korte termijn in het vooruitzicht gesteld. Uit de nota van toelichting blijkt dat de besluitvorming daaromtrent wordt verschoven naar de volgende kabinetsperiode. Waarom is er vertraging opgetreden ten aanzien van de handhaafbaarheid en sancties/ welke sancties heeft de regering voor ogen?

Antwoord

Anders dan de nota van toelichting misschien doet vermoeden heb ik nimmer de intentie gehad om nadere besluitvorming over (onderdelen van) het tabaksontmoedigingsbeleid te verschuiven naar de volgende kabinetsperiode. Het is altijd mijn bedoeling geweest om de wijziging van het Besluit beperking verkoop en gebruik van tabaksproducten en de wijziging van de Tabakswet in de zittende periode af te ronden. Door de lange trajecten die gevolgd moesten worden heb ik wel rekening gehouden met mogelijke vertragingen, – die achteraf gezien – inderdaad zijn opgetreden. Ik streef ernaar om deze kwesties zo spoedig mogelijk af te ronden.

Bij de beantwoording op 13 maart 1998 van vragen uit de Tweede Kamer over het tabaksontmoedigingsbeleid (297 980 80900) heb ik uiteengezet waarom vertraging is opgetreden rond dit dossier.

In mijn brief aan de Kamer van 28 mei 1996 heb ik reeds aangegeven dat ik in de Tabakswet een sanctie richting beheerders wil opnemen, via het instrument van bestuurlijke boetes. In mijn brief aan de Tweede Kamer over het Handhavingsplan consumentenleeftijdsgrenzen alcohol, tabak en kansspelautomaten van 7 april 1998, is dit opgenomen in paragraaf 6.3 Sanctionering.

6

Wat wordt er verstaan onder «maatregelen waaruit een negatief oordeel over het roken valt op te maken»?

Antwoord

Hiermee worden maatregelen bedoeld die worden genomen omdat wetenschappelijk is aangetoond dat roken schadelijk is voor de gezondheid van niet-rokers en van de rokers zelf. Die maatregelen passen zoals verder in de toelichting staat vermeld binnen de thans heersende maatschappelijke opvattingen over roken en mee-roken.

7

In hoeverre mogen de instellingen waar een algeheel rookverbod geldt toch een ruimte ter beschikking stellen aan rokers of wordt dit geheel verboden? Zo ja, aan wat voor mogelijkheden wordt gedacht?

Antwoord

De uitzonderingen op het rookverbod zijn geregeld in artikel 2, tweede, derde en vierde lid van het Besluit beperking verkoop en gebruik van tabaksproducten. Het derde en vierde lid vervallen omdat ze niet te handhaven zijn. De uitzonderingen volgens het tweede lid blijven gehandhaafd.

Het treffen van rookverboden is voor openbare gebouwen verplicht, het maken van uitzonderingen niet. Het wordt aan het bevoegde orgaan overgelaten om uitzonderingen te maken op het rookverbod.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), fungerend voorzitter, Vliegenthart (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Rouvoet (RPF), B.M. de Vries (VVD), Van Boxtel (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Gortzak (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA), Buijs (CDA), Kortram (PvdA), Ravestein (D66), Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Kant (SP) en Hermann (GroenLinks).

Plv. leden: Ybema (D66), Swildens-Rozendaal (PvdA), Eurlings (CDA), Koenders (PvdA), J. M. de Vries (VVD), Van de Camp (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Remak (VVD), Schutte (GPV), Essers (VVD), Schimmel (D66), Hoogervorst (VVD), Orgü (VVD), Dijksma (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Verburg (CDA), Hamer (PvdA), Bakker (D66), Meijer (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP) en Harrewijn (GroenLinks).

Naar boven