Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25600-XVI nr. 66 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25600-XVI nr. 66 |
Vastgesteld 18 mei 1998
De vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 en voor Binnenlandse Zaken2 hebben op 8 april 1998 overleg gevoerd met minister-president Kok, minister van Algemene Zaken en minister van Buitenlandse Zaken ad interim, en staatssecretaris Terpstra van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:
– de brief van 2 februari 1998 van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de voorzitter van het IOC inzake de benoeming van prins Willem Alexander tot lid van het IOC;
– de antwoorden op de schriftelijke vragen van de heer Marijnissen (aanhangsels van de Handelingen, vergaderjaar 1997–1998, nrs. 697 en 710).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Rosenmöller (GroenLinks) maakte duidelijk dat de instemming van het kabinet met het lidmaatschap van het Internationaal olympisch comité (IOC) van de kroonprins ook na de nader verkregen informatie een aantal vragen oproept, waarbij het hem overigens niet te doen was om de kroonprins als persoon. De kroonprins kan immers op tal van maatschappelijke terreinen, en zeker bij de sport, een belangrijke rol voor Nederland spelen. Een en ander kan ook van belang zijn voor een aanloop naar het koningschap. De heer Rosenmöller gaf aan bewust niet te refereren aan de in januari en februari van dit jaar ontstane commotie. Ook buiten deze perikelen om is het echter zinvol om een gesprek te voeren over de ontstane situatie. Dat moet een volwassen democratie aan kunnen.
De heer Rosenmöller stelde de kwestie centraal van de ministeriële verantwoordelijkheid in relatie tot het lidmaatschap van de kroonprins van het IOC. Deze relatie maakt de positie van de kroonprins anders dan die van de andere Nederlandse kandidaten voor deze positie.
De hoofdvraag is of de risico's voldoende afgewogen zijn en of de consequenties voldoende te overzien zijn om te voorkomen dat de kroonprins in een netelige of onmogelijke situatie komt te verkeren. Iedereen die onder meer de boeken van Simpson en Jennings of de documentaire van CBS heeft gezien, moet immers tot de conclusie komen dat de wijze van opereren van het IOC niet altijd boven alle twijfel is verheven. Deelt de regering de opvatting dat er kanttekeningen te plaatsen zijn bij het functioneren van het IOC?
De voorzitter van het IOC, de heer Samaranch, is tot het einde een actieve steunpilaar geweest van het Francoregime. De heer Rosenmöller toonde zich echter geschokt over het feit dat de heer Samaranch nog steeds trots is op zijn verleden. Deelt de regering de verontrusting op dit punt?
Wat verwacht Nederland overigens van een tweede Nederlands lid van het bestuur van het IOC, wetende dat noch de Nederlandse regering noch het parlement deze persoon benoemt? Kan in deze situatie en bij deze organisatie niet het best iemand neergezet worden die krachtig stelling kan nemen tegen een cultuur die niet boven elke twijfel is verheven, in plaats van een persoon die onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt en dus per definitie beperkt zal zijn in zijn rol?
De minister-president heeft op 20 februari 1998 in een interview met Paul Witteman gezegd dat men tijd genoeg heeft gehad om een afweging te maken inzake de ministeriële verantwoordelijkheid. Hoeveel tijd is er verlopen tussen de benadering door de heer Samaranch van de kroonprins met het verzoek tot het IOC toe te treden en de openbaarmaking van het besluit? In datzelfde interview heeft de minister-president gezegd dat er waarschuwingen zijn geweest. Wie heeft de minister-president waarvoor gewaarschuwd? De minister-president heeft ook gezegd dat er sprake was van een weging. Kan hij de argumenten voor en tegen op dit punt geven?
Meer formeel gesproken is het overigens de vraag of het lidmaatschap in feite wel mogelijk is. De kroonprins wordt lid van een organisatie waarbij er volgens de statuten sprake is van deelname zonder last of ruggespraak. De kroonprins is in staatsrechtelijke zin echter altijd daarin beperkt door de ministeriële verantwoordelijkheid.
Het kabinet heeft publiekelijk duidelijk gemaakt dat de zaak goed is kortgesloten, onder verwijzing naar de brief van 2 februari 1998 van mevrouw Terpstra aan de heer Samaranch. In die brief wordt duidelijk gemaakt dat de kroonprins zich afzijdig houdt van deelname aan IOC-besluitvorming bij zaken die een duidelijk politiek karakter dragen. De kroonprins zou dan in feite de vergadering moeten verlaten. Als er twijfel is over de politieke betekenis van een besluit van het IOC zal de kroonprins de minister van Buitenlandse Zaken consulteren. Sport en politiek hebben immers veel met elkaar te maken, net als sport en commercie. Hoe zal dit in de praktijk verlopen?
De heer Rosenmöller vroeg de minister-president te reageren op drie voorbeelden. Het IOC heeft dit jaar een beroep gedaan op de Verenigde Naties om geen gewelddadig ingrijpen in Irak te laten plaatsvinden tijdens de Olympische winterspelen in Nagano. Wat zou daarbij de situatie van de kroonprins zijn geweest? Nederland heeft in 1980 de Olympische spelen in Moskou geboycot. Het IOC liet de spelen doorgaan. Zou de kroonprins in een dergelijk geval blijven zitten en zich afzijdig houden van het besluit? Stel, tijdens de Olympische spelen in Sydney vallen er doden onder sporters door een terroristische aanslag. Nederland vindt dat de spelen moeten stoppen. Het IOC zegt dat de spelen moet doorgaan. Wat is dan de positie van de kroonprins?
Tussen sport en commercie bestaat een sterke relatie. Het is steeds meer zo dat steden de Olympische spelen lijken te kopen. Kan de kroonprins in de huidige situatie krachtig stelling nemen tegen dit probleem?
De heer Rosenmöller rondde zijn betoog af met de volgende vragen. Wie treedt er af als er onverhoopt een fout wordt begaan? De staatssecretaris van Sport, die de brief heeft geschreven, de minister van Buitenlandse Zaken, omdat die in het contact met de kroonprins geen juist besluit heeft genomen, of de minister-president, omdat die de primaire ministeriële verantwoordelijkheid draagt voor de kroonprins?
Zaken als deze kunnen niet zonder veel schade worden teruggedraaid. Dat stelt dus eisen aan de controlerende taak van het parlement inzake de ministeriële verantwoordelijkheid. De Kamer moet daarom geïnformeerd zijn. Wil het kabinet de Kamer schriftelijk informeren op het moment dat er een politiek besluit genomen wordt waarbij de kroonprins zich afzijdig moet houden en op het moment dat er consultatie plaatsvindt tussen de kroonprins en de minister van Buitenlandse Zaken over een besluit met politieke strekking?
De Kamer moet medeverantwoordelijkheid dragen voor het besluit van het kabinet dat raakt aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat betekent een controlerende taak van de Kamer. Het betekent tevens dat de Kamer moet worden geïnformeerd.
De heer Van Middelkoop (GPV) vond het bericht van staatssecretaris Terpstra aan de heer Samaranch een vreemd briefje. Niet iedereen begint immers een brief aan een voorzitter van een sportbond met de aanhef «Your Excellency». De in het Engels gestelde brief verraadt bovendien door het taalgebruik dat het door een Nederlander is geschreven.
Waarom is deze brief geschreven door de staatssecretaris van Sport, zeker omdat de ministeriële verantwoordelijkheid aan de orde komt? Was dat niet de taak van de minister-president? Is hij niet de eerstverantwoordelijke voor het doen en laten van het Koninklijk Huis? Had ondertekening door de minister-president ook niet wat meer gewicht aan de brief gegeven?
Het aantal politiek gevoelige situaties zal waarschijnlijk niet al te groot zijn. Dat neemt niet weg dat het verstandig is om de ministeriële verantwoordelijkheid in één hand te houden. Dat betekent dat de minister-president degene is die de kroonprins adviseert. Er ligt sowieso een bijzondere verantwoordelijkheid van de minister-president.
De heer Van Middelkoop constateerde dat in de brief buitengewoon summier wordt gesproken over de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat had iets uitvoeriger gekund. Uit de brief valt op te maken dat de kroonprins zich zal onthouden van het deelnemen aan besluitvorming met een duidelijk politieke inhoud. Bij twijfel hierover zal de minister van Buitenlandse Zaken worden geconsulteerd. Waar gaat het dan over? De kroonprins treedt immers op zonder last of ruggespraak. Wordt in dat geval bekeken of er sprake moet zijn van onthouding van het besluitvormingsproces?
De minister-president werd door de heer Van Middelkoop uitgenodigd om zich niet in de door de heer Rosenmöller genoemde casusposities te begeven. Het is niet van belang om nu duidelijk te maken wat precies politiek gevoelige zaken zijn. Het zijn immers vooral politici die met herkenbare gretigheid de sport politiseren.
Er moet overigens niet al te bekrompen gesproken worden over de armslag van de kroonprins in deze functie. Het feit van de ministeriële verantwoordelijkheid wil niet zeggen dat een kroonprins onzichtbaar moet zijn of moet verworden tot een zielloze marionet. Er moet vertrouwen zijn in het vermogen van de kroonprins om eigen afwegingen te maken.
De hamvraag bij dit alles is of het verstandig is dat kroonprins Willem Alexander lid wordt van het IOC. De heer Van Middelkoop gaf te kennen daarbij gemengde gevoelens te hebben. In deze kringen kan men immers enige bijzondere mensenkennis opdoen. Hopelijk houdt de kroonprins genoeg tijd over om ook gewone mensenkennis op te doen.
De heer Rijpstra (VVD) vroeg of er wel reden voor het overleg was geweest als er aan het begin van dit jaar geen commotie was ontstaan over het interview in de Volkskrant met de inmiddels ex-voorzitter van het NOC*NSF. Er ligt daarnaast echter een belangrijke vraag voor, namelijk wanneer men wel of niet verantwoording moet afleggen aan het parlement. Zo heeft de kroonprins eerder gepleit voor vakleerkrachten gymnastiek in het basisonderwijs. Is dat een uitspraak waarvoor de minister van OCW naar de Kamer moet worden geroepen?
Het IOC bestaat uit 118 leden, waarvan sommigen voor het leven zijn benoemd. Voor het merendeel zijn het volstrekt onbekende mensen, al komen er gelukkig steeds meer ex-sporters bij. Van die 118 leden komen er drie uit Nederland: Anton Geesink, Hein Verbruggen en de Prins van Oranje. Er zijn overigens nog meer koninklijke hoogheden in het IOC te vinden. Is het kabinet bekend of de problemen die vandaag besproken worden zich ook voordoen in andere landen die leden van een koninklijk huis in het IOC hebben?
De beslotenheid en handelwijze van het IOC alsook het verleden van de heer Samaranch zijn bekend. De trots op zijn verleden is ook iedereen bekend. Waarom is dat een probleem? Waarom stonden er in dat geval zoveel andere Nederlanders te trappelen om IOC-lid te worden? Kennelijk is er hier toch sprake van een uitdaging.
De heer Rijpstra wees erop dat prins Willem Alexander altijd grote betrokkenheid bij de sport en het bewegen heeft getoond. Hij is niet voor niets beschermheer van het NOC*NSF, met een daadwerkelijke inbreng. Ook voor jeugd en beweging doet hij het nodige. Het koningshuis moet daarnaast niet steriel opereren. Maatschappelijke betrokkenheid moet worden toegejuicht. Modern koningschap vereist een menselijk gezicht en maatschappelijke betrokkenheid, zoals prins Claus en Pieter van Vollenhove dat laten zien.
Deelname aan een maatschappelijke activiteit brengt altijd enig risico met zich. De prins heeft echter adviseurs, staat in contact met het kabinet en bezit een gezond verstand. Tot slot kan het parlement te allen tijde de minister of staatssecretaris ter verantwoording roepen.
De heer Rijpstra was van oordeel dat het kabinet duidelijk heeft aangegeven wat de mogelijkheden zijn van de prins in het IOC. Daar bestaat vertrouwen in. De kroonprins is zich volledig bewust van zijn functie. Er bestaan dan ook geen bezwaren tegen het lidmaatschap van de kroonprins van het IOC. Dat betekent dat het beleid van het kabinet wordt gesteund door de VVD-fractie.
Mevrouw Sterk (PvdA) toonde zich blij met een koningshuis waarvan de leden zich maatschappelijk roeren. Protocol is mooi, maar nuttig zijn is vaak iets belangrijker. Zo valt de rol van prins Claus bij ontwikkelingssamenwerking en die van prinses Margriet als beschermvrouwe van het Rode Kruis te waarderen. Het toetreden van prins Willem-Alexander tot het IOC is tegen deze achtergrond een logische stap. De daarover ontstane ophef valt dan ook te betreuren.
Het is een complicerende factor dat de kroonprins valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarmee is echter voldoende rekening gehouden, gezien de brief van het kabinet aan voorzitter Samaranch en diens antwoord. Bij zuiver politieke kwesties zal de kroonprins zich van een stellingname onthouden. Hij krijgt echter geen instructies mee. Bij twijfel zal hij overleggen met de minister van Buitenlandse Zaken. Daarmee is de kous af.
Mevrouw Sterk noemde het algemeen bekend dat het democratische gehalte van het machtigste sportcollege op aarde naar Noordwest-Europese tradities te wensen overlaat. Benoeming door coöptatie is immers iets anders dan gekozen worden door middel van inspraakprocedures. Daarnaast is het zo, dat bijvoorbeeld het aanwijzen van de olympische stad wel op democratische wijze totstandkomt.
Het «Olympic charter» is het uitgangspunt van het IOC. Daarin valt te lezen dat men met de sport een positieve bijdrage moet leveren aan de ontwikkeling van de maatschappij. Daar is toch niets mis mee? Daarnaast moet men bedenken dat in de «Olympic board» onderwerpen aan de orde komen als de olympische beweging en haar toekomst, olympische solidariteit, sport en ontwikkelingssamenwerking, olympische regels, de hedendaagse atleet en sport en de media. Deze board overlegt overigens maar twee keer per jaar: het meeste werk wordt gedaan in de legio subcommissies.
In het IOC is ook een voorvechter in de strijd tegen apartheid en een voormalig president van het Internationaal gerechtshof te vinden. Het verleden van een paar andere prominenten is daarentegen niet om over naar huis te schrijven. Zelfs het IOC blijkt dus gedeeltelijk een afspiegeling van de samenleving te zijn.
Mevrouw Sterk concludeerde dat de ministeriële verantwoordelijkheid goed is geregeld wat betreft de PvdA-fractie. De prins wordt door haar fractie dan ook succes gewenst bij al wat hij voor de sport zou kunnen betekenen.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) noemde het een totale verrassing dat de kroonprins in februari genomineerd werd voor het IOC. De wijze waarop blijkt achteraf niet de schoonheidsprijs te verdienen. Er waren zes Nederlandse kandidaten die tot het IOC wilden toetreden; het walhalla van de internationale sport. Het was bovendien een lobby op zijn Hollands: veel inspraak en in gezelschap van een enthousiaste staatssecretaris. De keuze voor kroonprins Willem-Alexander kan echter gezien worden als een elegante oplossing van een duidelijk probleem.
Een en ander heeft wat gebutste ego's en beschaamde verwachtingen opgeleverd. Interessanter is echter om duidelijker zicht te krijgen op de voorgeschiedenis enerzijds en op de risico's die de kroonprins loopt bij deelname aan het IOC en de maatregelen op dat punt anderzijds. Daarop wil haar fractie het kabinet aanspreken, daar immers op deze punten verantwoording dient te worden afgelegd.
Mevrouw Scheltema-de Nie stelde het kabinet de volgende vragen over de voorgeschiedenis. Wist de minister-president van de afspraken die de kroonprins met het NOC heeft gemaakt inzake het IOC bij de aanvaarding van het beschermheerschap? Is hierover vooroverleg met de minister-president geweest? Waarom is over de kandidatuur van de kroonprins niet tijdig vooroverleg met het NOC gepleegd? Had dit niet veel commotie en schade kunnen voorkomen? Heeft de staatssecretaris vooroverleg gepleegd over haar eigen kandidatuur met het NOC?
De fractie van D66 had bij het zoeken naar een passende functie voor de kroonprins niet direct gedacht aan het IOC. Bij watermanagement stelt men zich immers iets anders voor dan de mondiale watersport. Al met al zijn er echter geen fundamentele bezwaren. Wel zijn er een aantal praktische problemen, ondanks de afspraak dat de kroonprins uit de wind kan blijven als er politiek getinte besluiten aan de orde komen en dat er bij politiek gevoelige zaken vooroverleg kan worden gepleegd met het kabinet.
Wat gebeurt er als de hoofdstad van Nigeria, Abuja, dreigt te worden aangewezen als plaats voor de Olympische zomerspelen? Hoe vrij is de kroonprins dan in zijn stemgedrag? Wordt dan voorafgaande aan de stemming de kroonprins de tijd gegund om met het kabinet te overleggen? Houdt dat in dat het stemgedrag van de kroonprins daarmee wordt goedgekeurd door het kabinet, of zal het kabinet in een dergelijk vooroverleg de kroonprins hooguit adviseren om tijdens de stemmingen afwezig te zijn?
Het IOC-lidmaatschap staat bekend als een lidmaatschap voor het leven. Het lidmaatschap van de kroonprins eindigt toch op het moment dat hij de Nederlands troon zal opvolgen? Zijn er over de duur van het lidmaatschap ook andere afspraken gemaakt? Is tevens aan een evaluatie na verloop van enige tijd gedacht? Wat gebeurt er als het IOC onverhoopt toch een netwerk van intriges of een wespennest blijkt te zijn?
De heer Van der Vlies (SGP) haalde de zinsnede in de brief van 2 februari aan: «He is absolutely the right man in the right place». Er is inderdaad sprake van de juiste man, maar ook de juiste plaats? Daarover kan men van mening verschillen. De ongelukkige verwikkelingen rond de bekendwording van het verzoek aan de kroonprins om toe te treden tot het IOC zijn overigens een gepasseerd station. Ook de eigen verantwoordelijkheid, de eigen afweging en eigen kwaliteiten van de kroonprins staan uitdrukkelijk buiten de discussie. De kroonprins bereidt zich intensief voor op het koningschap door middel van een brede oriëntatie. Daarbij zijn ongetwijfeld prioriteiten te stellen. Een discussie over de vruchtbaarheid daarvan is echter niet aan de orde.
De kernvraag bij dit alles is die van de ministeriële verantwoordelijkheid. In de brief van mevrouw Terpstra aan het IOC wordt het knelpunt duidelijk aangegeven. Er wordt begrip voor gevraagd dat de kroonprins zich bij zaken die duidelijk politiek van aard zijn zal onthouden van deelneming aan de besluitvorming. In gevallen van twijfel zal hij de minister van Buitenlandse Zaken consulteren. Hoe houdbaar of duurzaam zijn deze afspraken echter? Het is toch onmiskenbaar dat er gevoelige kwesties rond het IOC spelen of kunnen spelen? Genoemd worden vragen als: waar en met wie gaat men spelen? Hoe houdbaar is dan de positie van de kroonprins? Zal er nimmer sprake zijn van compromittering? Ook als zaken zich plotsklaps voordoen?
De heer Van der Vlies zag dat er risico's zijn. Die zullen naar beste vermogen van alle kanten worden getracht te vermijden. Het zou echter jammer zijn als de kroonprins alsnog terechtkomt in een situatie die hem nagedragen zal worden. De heer Van Middelkoop sprak van gemengde gevoelens bij het lidmaatschap van het IOC van de kroonprins. De heer Van der Vlies onderschreef dat.
De heer Koekkoek (CDA) herinnerde eraan dat zijn fractie positief heeft gereageerd op het nieuws van het lidmaatschap van de Prins van Oranje van het IOC, vanwege het belang voor de sport en vooral vanwege het belang van de ervaring die de kroonprins daarbij kan opdoen. Over de voorbereiding leeft overigens wel een belangrijke vraag: wanneer was de minister-president ervan op de hoogte dat de voorzitter van het IOC het verzoek tot toetreding aan de kroonprins zou doen?
De brief van staatssecretaris Terpstra aan de heer Samaranch maakt duidelijk dat de Nederlandse Grondwet bepaalt dat de handelingen van de kroonprins onderworpen zijn aan de ministeriële verantwoordelijkheid. De formulering in de brief is nogal kort door de bocht. De Grondwet maakt ministers verantwoordelijk voor het handelen van de Koning. Krachtens ongeschreven staatsrecht bestaat voor leden van het Koninklijk Huis een afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid. Ministers zijn verantwoordelijk voor het handelen van deze leden, voorzover dat handelen het openbaar belang raakt. Het uitgangspunt is dus de vrijheid voor leden van het Koninklijk Huis om maatschappelijke functies te aanvaarden, al wordt die begrensd door het openbaar belang. Bij de kroonprins bestaat dat openbaar belang eruit dat hij zich onthoudt van politieke stellingnames door het IOC. Meer in het algemeen is het goed gebruik dat de kroonprins in gevallen van twijfel overleg pleegt. Het ligt daarbij voor de hand dat dit overleg plaatsvindt met de minister-president in plaats van met de minister van Buitenlandse Zaken. De minister-president is immers de eerstverantwoordelijke inzake de leden van het Koninklijk Huis. Is het niet beter als de minister-president het aanspreekpunt wordt voor de kroonprins inzake het optreden in het IOC? Raakt de ministeriële verantwoordelijkheid op dit punt niet wat in het ongerede als de minister-president zijn eerste verantwoordelijkheid niet kan waarmaken?
De heer Koekkoek maakte ronduit duidelijk geen behoefte te hebben steeds geïnformeerd te worden wanneer de Prins van Oranje zich heeft onthouden van deelneming aan de besluitvorming van het IOC. Ook bestaat er geen behoefte om steeds te horen wanneer de kroonprins overleg heeft gepleegd met de minister-president. In deze zin wil de CDA-fractie niet medeverantwoordelijk zijn. De ministers zijn verantwoordelijk. Als er vragen rijzen, weet de Kamer de ministers altijd te vinden om hen ter verantwoording te roepen.
De minister-president constateerde dat de voorgeschiedenis dateert uit 1994. De kroonprins had toen geen actieve belangstelling om lid te worden van het IOC. Het directe verzoek van de voorzitter van het IOC aan de kroonprins om lid te worden heeft daarin verandering gebracht. Van dat verzoek heeft de minister-president vrij snel nadat het was gedaan kennis genomen. Het was overigens mogelijk geweest dat de heer Samaranch direct contact had opgenomen met de minister-president. Dat was echter niet nodig, omdat er geen sprake was van een «fait accompli».
De Prins van Oranje heeft op 13 of 14 januari aan de minister-president meegedeeld dat hij voor het lidmaatschap van het IOC was benaderd. De kroonprins was direct enthousiast over deze aantrekkelijke mogelijkheid om zijn betrokkenheid bij de sport te tonen en uit te breiden. Het lidmaatschap van het IOC blijft beperkt tot het moment dat het koningschap aanvangt. De kogel ging overigens niet direct door de kerk; er was immers een afweging nodig, ook na contacten met de staatssecretaris van VWS en de minister van Buitenlandse Zaken.
Bij de ministeriële verantwoordelijkheid moet een onderscheid gemaakt worden tussen die voor het staatshoofd en die voor de andere leden van het Koninklijk Huis. In dit geval gaat het echter om de oudste zoon van de Koningin, die straks op enig moment voor het koningschap geroepen kan zijn. Vandaar dat op dit punt uiteraard in zeer bijzondere mate de ministeriële verantwoordelijkheid geldt. Ook is er gekeken naar het feit dat de statuten van het IOC duidelijk maken dat een lid daarvan zonder last of ruggespraak stellingen bekleedt, omdat daar immers een spanningsveld te zien is met de ministeriële verantwoordelijkheid.
De minister-president zag een duidelijke rol weggelegd voor de minister van Buitenlandse Zaken. Enkele politieke kwesties die in de afwegingen van het IOC naar voren komen, kunnen immers van buitenlandpolitieke aard zijn. Het ligt dus volstrekt voor de hand dat naast de algemene verantwoordelijkheid van de minister-president de verantwoordelijk van de vakministers meespeelt. Het gaat dan, bijvoorbeeld, bij specifieke sportonderwerpen om de staatssecretaris van VWS, en bij kwesties de buitenlandse politiek betreffend om de minister van Buitenlandse Zaken. Met hen maakt de kroonprins dan afspraken of pleegt consultaties, hetgeen overigens de verantwoordelijkheid van de minister-president onverlet laat.
Als het om werkelijk gevoelige zaken gaat, kan men er gevoeglijk van uitgaan dat de minister-president en de betrokken vakministers volgens afspraak een gezamenlijk beraad zullen houden. Er bestaan werkafspraken met de afzonderlijke vakministers. De eindverantwoordelijkheid wordt echter gedragen door de minister-president. Daarnaast blijft het de hoofdlijn dat de kroonprins een bijzonder lid van het IOC is. In het algemeen en vooral bij politiek gevoelige situaties geldt voor hem immers niet dat hij functioneert zonder last of ruggespraak. Het IOC is gevraagd daarmee rekening te houden en ermee in te stemmen. De brief van voorzitter Samaranch maakt duidelijk dat het IOC de beperkingen van de ministeriële verantwoordelijkheid op het functioneren van de kroonprins volledig accepteert.
Met inachtneming van deze beperking kunnen er toch kwesties dienen die naar mening van de kroonprins, een van de vakministers of de minister-president in aanmerking doen brengen voor een nader contact of een nadere consultatie. Als het daarbij om een onderwerp van enig gewicht gaat, zal er in samenspraak met de betrokken ministers over worden besloten. Voor andere leden van het Koninklijk Huis, die verder van de Koningin afstaan in de lijn van de troonopvolging, bestaan er overigens vergelijkbare afspraken. Het bestaan van deze werkafspraken staat overigens in de weg dat de regering ingaat op allerlei casusposities. Binnen een kritische beoordeling van risico's is het voorleggen daarvan overigens niet onredelijk. Juist gelet op de gemaakte afspraken vroeg de minister-president er begrip voor dat niet op de inhoud van deze voorbeelden wordt ingegaan, ook al gaat het om situaties die zich reeds hebben voorgedaan. Aan hardop repeteren bestaat bij hem geen behoefte. Dergelijke invuloefeningen zijn immers niet opportuun. De Kamer moet in het verkeer tussen de kroonprins en de regering ruimte laten voor afwegingen binnen de gemaakte afspraken.
Meer in het algemeen is het overigens aan de Kamer om te besluiten welke minister verantwoording af zal moeten leggen. Bij twijfel zal dat waarschijnlijk de minister-president zijn.
In het geval de kroonprins wordt aangeraden om niet deel te nemen aan de besluitvorming binnen het IOC op grond van een expliciet standpunt van de Nederlandse regering komt hij overigens niet met lege handen te staan. Op dat moment heeft de Nederlandse regering de normale kanalen en instrumenten om invloed uit te oefenen op de gedragingen van het IOC vanuit de eigen politieke verantwoordelijkheid. Als het IOC een Nederland onwelgevallig besluit neemt, zal het waarschijnlijk om extreme kwesties gaan.
Alles afwegend heeft de regering zich op het standpunt gesteld dat er geen bezwaar bestaat tegen het lidmaatschap van de kroonprins van het IOC. Ten eerste zal het lidmaatschap ophouden op het moment dat de kroonprins de troon overneemt. Ten tweede is er een inbreuk gemaakt op het zonder last of ruggespraak deelnemen aan het IOC. Ten derde is er voor controversiële politieke situaties de werkafspraak dat de kroonprins geadviseerd wordt door de verantwoordelijke vakministers en in voorkomende gevallen door de minister-president. Dit zijn voldoende bakens om verantwoord op te kunnen varen.
De staatssecretaris gaf aan dat er in feite geen noodzaak was voor tijdig overleg met NOC*NSF over de voorwaarden waaronder de Prins van Oranje lid zou worden van het IOC. De te maken afwegingen lagen immers niet binnen de competentie van het NOC*NSF. Het ging vooral om het in het «Olympic charter» vastgelegde punt van zonder last of ruggespraak opereren. Daarover heeft de minister-president al het nodige gezegd. Daarnaast staat in het olympisch manifest dat de leden van het IOC qualitate qua lid zijn van het Nationaal olympisch comité, in dit geval het NOC*NSF. Deze voorwaarde wordt door alle nationale olympische comités gewaardeerd. Staatsrechtelijk gezien ontstaat dan de ongewenste situatie dat de kroonprins als lid van het bestuur van het NOC*NSF medeverantwoordelijk is voor de belangenbehartiging bij de Nederlandse regering. Ook hiervoor moest dus een uitzondering worden gecreëerd. De toestemming hiervoor komt echter formeel niet van het NOC*NSF, maar van het IOC. De nieuwe rol van de Prins van Oranje na zijn beschermheerschap bij het NOC*NSF is overigens nog onderwerp van een gesprek. Daar is, gezien de bestuurlijke veranderingen binnen het NOC*NSF, nog geen tijd voor geweest.
De voorgeschiedenis van de zaak laat zien dat zich velerlei kandidaten hebben aangediend. Formeel gesproken is het echter niet zo dat welk land dan ook kandidaten aandraagt voor lidmaatschap van het IOC. Op dit punt gelden de internationale regels van coöptatie. Het IOC maakt dus een eigen keuze om haar moverende reden.
De staatssecretaris wist niet hoe de heer Samaranch op het idee is gekomen om de kroonprins te vragen om lid te worden van het IOC. De Prins van Oranje heeft tijdens de Olympische spelen van Atlanta regelmatig contact gehad met de heer Samaranch, die zich onder de indruk toonde van de sportkennis en grote betrokkenheid van de kroonprins bij allerlei aspecten van de sport, zoals antidiscriminatie, antigeweld en antidoping. Dit zal de heer Samaranch ongetwijfeld hebben laten zien dat de kroonprins een zeer waardevol lid van het IOC kan zijn. De staatssecretaris gaf aan op dit punt echter geen hint aan de heer Samaranch te hebben gegeven.
De staatssecretaris maakte duidelijk dat er geen sprake is geweest van een kandidatuur van haar kant. Zij heeft met het NOC*NSF desgevraagd gecommuniceerd dat haar huidige functie niet verenigbaar is met het lidmaatschap van het IOC. Zij was dus geen kandidaat, ook als zij de post van staatssecretaris na de verkiezingen zou verliezen. Er was formeel ook geen sprake van een kandidatuur van de Prins van Oranje. De kroonprins is zelf uitgenodigd door het IOC, niet als kandidaat maar als lid. De ontstane commotie heeft dus veel te maken met onduidelijkheid.
Het is overigens moeilijk om dergelijke ontwikkelingen te voorkomen. Bovendien is in het Nederlandse staatsrecht het verkeer tussen de ministers en de leden van het Koninklijk Huis een punt waarop niet wordt ingegaan. Dat betekent dat het de staatssecretaris niet vrij was om over de uitnodiging met derden te communiceren.
De staatssecretaris was tot slot van mening dat de Prins van Oranje op veel terreinen een zeer waardevolle bijdrage kan leveren, bijvoorbeeld bij de «Olympic solidarity», het verstevigen van de sport in ontwikkelingslanden, fair play, antidiscriminatie en het antidopingsconvenant. Het formele tijdsbeslag van dit alles is twee vergaderingen per jaar. Het gaat dan om de algemene vergaderingen van het IOC. Verder zijn er commissies waarin men, naar gelang de eigen belangstelling en mogelijkheid, meer of minder tijd kan besteden. Dit alles zal ongetwijfeld in goed overleg tussen de Prins van Oranje en het IOC geregeld kunnen worden.
Het is overigens niet zo dat het kabinet zich gaat bemoeien met het feitelijke werk van de kroonprins in het IOC en de subcommissies. Dit laat men over aan de eigen interesses en het gezonde verstand van de Prins van Oranje. Er is dus geen sprake van dat hij aan de hand genomen wordt door het kabinet.
De heer Rosenmöller (GroenLinks) herhaalde dat het lidmaatschap wat GroenLinks betreft niet had gehoeven. De regering heeft echter een afweging gemaakt, vooral waar het gaat om de kritische opmerkingen die er te maken zijn over de ministeriële verantwoordelijkheid. Onduidelijk blijft echter of bij deze afweging ook het karakter van het IOC, hoe men het ook kwalificeert, een zelfstandig argument is geweest. Kan de staatssecretaris dit alsnog verduidelijken?
Hij betreurde het dat de minister-president niet wil ingaan op de genoemde casusposities. Wel is duidelijk geworden dat de minister-president half januari op de hoogte is gesteld van een en ander door de kroonprins. Er zijn dus een paar weken geweest voor intern beraad van de regering.
Een ander onopgelost punt moet direct opgehelderd worden. Bij de ministeriële verantwoordelijkheid geldt dat de Kamer in staat moet zijn om deze te controleren. Welke informatie krijgt de Kamer echter om die functie te kunnen vervullen? Als niet bekend wordt op welke momenten de kroonprins zich heeft moeten onthouden van besluitvorming of wanneer er contact is geweest met de minister van Buitenlandse Zaken, is de Kamer niet in staat om te controleren. Dat is een slechte zaak. Het parlement is dan afhankelijk geworden van de journalistiek en de controle wordt daarmee ad hoc. Moet de rol van de Kamer als controleur van de regering niet worden gewaarborgd? Er moet toch sprake kunnen zijn van een inhoudelijk debat over de door de kroonprins ingenomen standpunten in het IOC?
De heer Van Middelkoop (GPV) gaf te kennen dat er formeel geen enkele reden was voor de staatssecretaris de vragen over de geschiedenis met de verschillende kandidaten te beantwoorden. Over het lidmaatschap van een puur particuliere sportbond bestaat er immers geen politieke verantwoordelijkheid van welk lid van het kabinet dan ook.
Over het handelen bij politiek gevoelige zaken is iets meer duidelijkheid gekomen. Het gaat dan om vrij extreme situaties volgens de minister-president, zodat het ondenkbaar is dat het buiten hem om gaat. Dat betekent dat de bedoelde zin in de brief iets anders had moeten luiden. In plaats van «he will consult the Netherlands Minister of Foreign Affairs» had er moeten staan «he will consult the Government of the Netherlands» of woorden van gelijke strekking. De heer Van Middelkoop herhaalde overigens de stelling dat de brief aan de heer Samaranch door de minister-president geschreven had moeten worden.
Er bleef voor de heer Van Middelkoop een kwetsbare kant zitten aan het lidmaatschap van de Prins van Oranje van het IOC. Elke keer dat er een vermoeden bestaat van een politiek gevoelige zaak, loopt men het risico dat een Kamerlid terecht de vraag stelt of het kabinet geconsulteerd is door de kroonprins. Het risico van het in opspraak komen van de kroonprins is daarmee jammer genoeg niet irreëel.
De heer Rijpstra (VVD) vond dat er een voldoende heldere uitleg is verstrekt door de regering. Er zal altijd enig risico verbonden zijn aan welke maatschappelijke deelname dan ook van de Prins van Oranje. De heer Rijpstra sprak daarnaast de hoop uit dat de staatssecretaris in goed overleg met het NOC*NSF zal afspreken welke rol de kroonprins zal vervullen binnen deze organisatie.
Mevrouw Sterk (PvdA) gaf aan dat de fractie van de PvdA er reeds van overtuigd was dat de zaken staatsrechtelijk goed afgedekt waren. De duidelijkheid over de speciale rol van de kroonprins bij het IOC onderschrijft dat alleen maar.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) erkende dat het staatsrechtelijk niet gebruikelijk is om te communiceren over het verkeer tussen kabinet en koningshuis. Wel moet het mogelijk zijn dat de Kamer ter controle van de minister de informatie krijgt om die controle uit te voeren. Er moet dus informatie komen of er al dan niet overleg is geweest en waarom. Daarbij kan overigens de inhoud niet ter sprake komen.
Het is daarnaast heel duidelijk dat bij politiek gevoelige zaken de kroonprins zich van deelname aan de besluitvorming van het IOC onthoudt. Er is dus, omgekeerd, ook geen sprake van goedkeuring van de regering.
Een en ander laat zien dat de rol van de prins een kwetsbare situatie kan opleveren. Dat betekent niet dat die uit de weg moet worden gegaan. Het is daarom wellicht goed om de situatie na een tijdje te evalueren.
Mevrouw Scheltema-de Nie constateerde tot slot het ontstaan van een spiegelbeeld bij de ontwikkelingen: in november 1994 werd de Prins van Oranje beschermheer van het NOC en maakte daarbij de afspraak geen lid van het IOC te worden, terwijl hij in 1998 lid wordt van het IOC en geen lid meer is van het NOC. Is er in 1994 vooroverleg geweest met het kabinet over dit alles?
De heer Van der Vlies (SGP) stipte aan dat de topsport niet vaak positief gewaardeerd wordt door de fractie van de SGP. Het gebruik van de zondag voor topsport, het overaccentueren van prestaties en misplaatste bewondering spelen daarbij een rol.
De ministeriële verantwoordelijkheid bij het werk van de kroonprins voor het IOC is duidelijker geworden. Er blijft sprake van risico's, al zijn die volgens de minister-president hanteerbaar bij zijn eigen verantwoordelijkheid en in het verkeer met de Staten-Generaal. Al met al blijft er echter sprake van gemengde gevoelens.
De heer Koekkoek (CDA) toonde zich verheugd over de verschafte opheldering. De minister-president heeft gezegd dat de verantwoordelijkheid voor de kroonprins materieel genomen hetzelfde is als die voor het staatshoofd. Dat gaat echter te ver. Er geldt onverkorte ministeriële verantwoordelijkheid voor de Koning. Waar het de kroonprins betreft, gaat die alleen op voorzover er een openbaar belang in het geding is. Dat onderscheid moet gemaakt worden. Om zich niet te veel op de hals te halen, moet de minister-president dat ook maar zo laten.
De minister-president erkende het door de heer Koekkoek gemaakte onderscheid. De verantwoordelijkheid voor de kroonprins is niet hetzelfde als die voor de Koning, maar komt daar materieel echter dicht bij in de buurt. De bijzondere ministeriële verantwoordelijkheid voor het staatshoofd wordt in het geval van de kroonprins sterker benaderd dan bij andere leden van het koningshuis. Dat vraagt in de te maken afweging om een grote mate van zorgvuldigheid.
Er is daarnaast inderdaad sprake van risico's bij de te maken keuzen. Dat geldt echter in het algemeen. De ministeriële verantwoordelijkheid brengt dat in een open maatschappij met zich. De leden van het Koninklijk Huis nemen daarbij immers deel aan maatschappelijke activiteiten en geven blijk van hun belangstelling. Dit alles levert een steeds wisselende gevoeligheidsgraad op. Daarom is er altijd sprake van een afweging.
Er is naar voren gebracht dat de regering enkele weken de tijd heeft gehad om in dit geval een afweging te maken. Dat betekent echter niet dat de regering wekenlang koortsachtig in beraad is geweest. Niet alle betrokkenen waren steeds beschikbaar voor overleg in Den Haag. Men heeft er echter serieus naar gekeken.
De ondertekening van de brief aan de heer Samaranch door staatssecretaris Terpstra heeft geen diepere gedachte. Het was van belang dat duidelijk werd hoe er afspraken zouden worden gemaakt tussen leden van de regering en de kroonprins. Hoe dat vervolgens wordt gecommuniceerd met het IOC is een ander punt. Bij dit alles staat immers de inhoud voorop. Dat slaat ook op de passage over de consultatie van de minister van Buitenlandse Zaken.
De gevraagde evaluatie vormt reeds een onderdeel van de afspraken die gelden in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid.
De minister-president maakte tot slot duidelijk dat er in 1994 geen sprake was van een afspraak van de kroonprins met het NOC*NSF over geen lidmaatschap van het IOC. In 1994 heeft de prins slechts de uiting gedaan dat hij geen ambities had om deel uit te maken van het IOC.
Er is gevraagd om informatie over de consultaties van het kabinet door de kroonprins, zodat de Kamer kan controleren. Op deze wijze werkt de ministeriële verantwoordelijkheid echter niet. Die verantwoordelijkheid heeft betrekking op het staatshoofd. Er kan geen sprake van zijn dat het verkeer tussen leden van het Koninklijk Huis of het staatshoofd en het kabinet in de vorm van mededelingen aan de Kamer controleerbaar wordt gemaakt. De Kamer spreekt de regering of de minister-president aan op de wijze waarop de ministeriële verantwoordelijkheid inhoud wordt gegeven. Informatie over wat zich in het verkeer tussen kabinet en staatshoofd voordoet, kan niet aan de Kamer worden verstrekt. De belangstelling hiervoor is overigens goed voorstelbaar. Toch biedt de uitoefening van de ministeriële verantwoordelijkheid en de onschendbaarheid van de Koning daar geen ruimte voor.
De heer Rosenmöller (GroenLinks) constateerde dat als de Kamer de regering wenst te controleren op een besluit dat omtrent een bepaalde kwestie is genomen en dat raakt aan de ministeriële verantwoordelijkheid voor de kroonprins, deze taak blijkbaar niet uitgeoefend kan worden op basis van informatie die de regering verstrekt. Die informatie moet dus elders worden opgedaan. Dat betekent toch dat het parlement materieel buiten spel staat bij de controle op dit punt? Men kan immers de regering ter verantwoording roepen, maar het antwoord zal het kabinet dan altijd schuldig blijven.
De minister-president zette uiteen dat het parlement het kabinet altijd kan aanspreken op de wijze waarop inhoud wordt gegeven aan de ministeriële verantwoordelijkheid voor de kroonprins.
De heer Koekkoek (CDA) vulde aan dat de minister-president gemakkelijk kan weigeren de vraag te beantwoorden of hij ergens overleg over heeft gevoerd met de Koningin. De vraag of de minister-president over het optreden van de kroonprins in het IOC met hem overleg heeft gevoerd kan hij echter wel beantwoorden. Op dat punt bestaat er een verschil in positie.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) maakte een ander onderscheid. De vraag aan de minister-president of hij overleg heeft gevoerd met Hare Majesteit kan hij beantwoorden. Over de inhoud zal hij er echter het zwijgen toe moeten doen.
De minister-president constateerde dat er veel gevraagd kan worden. Er gelden echter beperkingen aan de te geven antwoorden. Die beperkingen zijn onder meer ter beoordeling van de minister-president. Het oordeel van de Kamer over het optreden van de Prins van Oranje is daarnaast belangrijker dan het antwoord van de minister-president op de vraag of er op een bepaalde dag over een bepaalde kwestie overleg is geweest. Het optreden van de kroonprins staat ter beoordeling en daarop kan men de minister-president aanspreken.
Er lijkt op dit punt overigens sprake van een misverstand. Het feit dat de kroonprins niet zonder last of ruggespraak in het IOC opereert, betekent niet dat hij de boodschappen of opvattingen van de Nederlandse regering moet verwoorden. Er is sprake van een beperking, maar niet in de zin van een bijzondere politieke boodschap.
De staatssecretaris herhaalde dat er na het verzoek van de heer Samaranch binnen het kabinet is overlegd of er staatsrechtelijke bezwaren zouden zijn tegen het lidmaatschap van het IOC van de Prins van Oranje. Omdat er binnen de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen niet wordt ingegaan op het verkeer tussen leden van het Koninklijk Huis en de regering, was men vanaf dat moment niet meer vrij om dit onderwerp met het NOC*NSF te bespreken. Toen de heer Samaranch in antwoord op de brief van het kabinet de gestelde twee beperkingen bewilligde, ontstond er een nieuwe situatie. De voorzitter van het IOC vond het daarop verstandiger om eerst de twee in Nagano verblijvende Nederlandse IOC-leden te informeren alvorens het besluit naar buiten te brengen. Deze hoffelijkheid is vanzelfsprekend. Dat maakte wel dat er opnieuw geen vrijheid bestond voor overleg met het NOC*NSF. Op het moment dat de zaak in de openbaarheid kwam, is onmiddellijk contact met hen opgenomen.
Tot slot deelde de staatssecretaris mee dat bij de gemaakte afweging ook de kwalitatieve beoordeling van het IOC is meegewogen. Net als bij vele andere grote internationale organisaties zijn er zaken bij het IOC die wat de regering betreft anders geregeld zouden kunnen worden. Er is in de afweging echter geen sprake van een abjecte organisatie waar de Prins van Oranje geen lid van zou mogen zijn.
Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Schutte (GPV), Van Nieuwenhoven (PvdA), voorzitter, Van der Heijden (CDA), ondervoorzitter, Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), M.M.H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Middel (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Fermina (D66), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Oudkerk (PvdA), Cherribi (VVD), Sterk (PvdA), Van Boxtel (D66), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD) en Wessels (D66).
Plv. leden: Heeringa (CDA), Van der Vlies (SGP), Lilipaly (PvdA), Meijer (CDA), Rijpstra (VVD), Voûte-Droste (VVD), Smits (CDA), Dijksma (PvdA), Koenders (PvdA), Beinema (CDA), M.M. van der Burg (PvdA), Rouvoet (RPF), Meyer (groep-Nijpels), Van Waning (D66), Sipkes (GroenLinks), G. de Jong (CDA), Passtoors (VVD), Apostolou (PvdA), J.M. de Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Bremmer (CDA), Bakker (D66), Hoogervorst (VVD) en Van den Bos (D66).
Samenstelling: Leden: V.A.M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Koekkoek (CDA), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), H.G.J. Kamp (VVD), Essers (VVD), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA) en Wessels (D66).
Plv. leden: Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Jeekel (D66), Duivesteijn (PvdA), Feenstra (PvdA), Verhagen (CDA), M.M. van der Burg (PvdA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), Korthals (VVD), Luchtenveld (VVD), Assen (CDA), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Oven (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA) en Bakker (D66).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25600-XVI-66.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.