nr. 60
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 29 april 1998
In deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS), over verhoogde gehalten aan dioxinen die
zijn aangetroffen in uit Brazilië geïmporteerde partijen citruspulp. Braziliaans citruspulp is een belangrijk bestanddeel van veevoeders
voor met name melkvee.
Op 30 maart jl. ben ik door de Duitse autoriteiten geïnformeerd over
het feit dat in Duitsland een verhoogd gehalte aan dioxinen is aangetroffen
in Braziliaanse citruspulp dat was aangevoerd via de haven van Amsterdam.
Deze verontreinigde Braziliaanse citruspulp werd door de Duitse autoriteiten
gezien als meest waarschijnlijke oorzaak van de incidentele verhogingen van
het dioxinegehalte in melkmonsters. De Duitse autoriteiten hebben zich in
het onderzoek met name gericht op het traceren van de oorzaak.
De bevindingen van de Duitse overheid waren voor mij aanleiding om door
de Algemene Inspectiedienst (AID) van mijn departement een gericht onderzoek
in te laten stellen naar de eventuele verontreiniging met dioxinen van de
in Nederland aanwezige Braziliaanse citruspulp.
Op 3 april jl. heeft het Productschap Diervoeder naar aanleiding van de
Duitse bevindingen het veevoederbedrijfsleven opgeroepen om, in afwachting
de resultaten van het Nederlandse onderzoek, geen Braziliaanse citruspulp
te verwerken of in de handel te brengen.
Dit is mede gebeurd op mijn verzoek.
De eerste Nederlandse onderzoeksresultaten wezen uit dat de onderzochte
Brazilaanse citruspulp in meer of mindere mate verontreinigd was met dioxinen.
De dioxinegehalten van de negen onderzochte monsters varieerden van circa
900 tot ruim 14 000 pg TEQ / kg citruspulp. Naar aanleiding hiervan heeft het Productschap Diervoeder op 11 april jl. alle partijen Braziliaanse
citruspulp formeel vastgelegd, alsmede de mengvoeders waarin dit is verwerkt.
Dit betekent dat verdere verwerking of distributie van deze producten is verboden.
Aanvullend zijn inmiddels een 30-tal monsters Braziliaanse citruspulp onderzocht.
De voorlopige resultaten bevestigen de veronderstelling dat al de Braziliaanse
citruspulp in meer of mindere mate verontreinigd is met dioxinen. Voor dioxinen
in veevoeders en veevoedergrondstoffen zijn geen specifieke wettelijke normen
vastgesteld.
Sinds 18 december 1997 is in Nederland circa 265 000 ton citruspulp
geïmporteerd. Hiervan is circa 30% doorgevoerd naar België, Duitsland,
Zwitserland, Frankrijk, Zweden en Finland.
In Nederland is op dit moment circa 40 000 ton citruspulp vastgelegd,
alsmede circa 9000 ton mengvoeder waarin Braziliaans citruspulp is verwerkt.
Het overige is voor een belangrijk deel reeds vervoederd aan met name melkvee.
Het Rijkskwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwproducten (RIKILT-DLO)
heeft in opdracht van de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) onderzoek verricht
naar het dioxinegehalte in boerderijmelk. In zowel februari als april is een
10-tal monsters boerderijmelk verzameld en onderzocht. Het dioxinegehalte
lag op respectievelijk 0.99 en 0.88 pg TEQ/gram melkvet. De gevonden gehalten
lagen ruimschoots onder de Warenwetnorm van 6.0 pg TEQ/gram melkvet. De afkorting
«pg TEQ/ gram melkvet» is een internationale maat om het dioxinegehalte
weer te geven en staat voor picogrammen toxiciteitsequivalenten per gram melkvet.
Daarnaast zijn afgelopen vrijdag en zaterdag de dioxinegehalten bekend
geworden van melkmonsters die de AID in het kader van het onderzoek gericht
op negen melkveehouderijen heeft verzameld. Deze negen bedrijven hadden alle
mengvoeder gebruikt waarin het verontreinigde Braziliaanse citruspulp was
verwerkt. Het gemiddelde dioxinegehalte in deze melkmonsters was 0.97 pg TEQ/gram
melkvet; de gevonden gehalten varieerden tussen de 0.15 en 2.71 pg gram TEQ/gram
melkvet. Deze gehalten liggen ruim onder de Warenwetnorm van 6.0 pg TEQ /
gram melkvet.
Het onderzoek naar de dioxinegehalten in melk wordt voortgezet. In het
kader van het onderzoek van de AID zal nog een 50-tal monsters boerderijmelk
worden onderzocht.
Daarnaast worden op dit moment in opdracht van VWS door het Rijksinstituut
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) monsters consumptiemelk onderzocht die
in de maanden januari, februari en maart van dit jaar zijn genomen. Voorlopige
resultaten wijzen uit dat er geen sprake is van verhoogde dioxinegehalten
in consumptiemelk.
Hoewel uit onderzoek is gebleken dat de dioxinegehalten in melk ruimschoots
onder de Warenwetnorm blijven, ben ik van mening dat de genomen maatregelen
met betrekking tot de verontreinigde Braziliaanse citruspulp op dit moment
op hun plaats zijn. Deze maatregelen zijn in lijn met het Stappenplan Dioxinen
dat de Regering op 15 april jl. aan het parlement heeft toegezonden. In dit
Stappenplan heeft de regering aangegeven dat zij inzet op een verdere verlaging
van de blootstelling van de consument aan dioxinen door een brongerichte aanpak.
De maatregel van het Productschap Diervoeder past in dit kader.
De Europese Commissie en EU-lidstaten zijn door mij over deze kwestie
geïnformeerd. In het Permanent Comité Diervoeders van 20 april
jl. bleek dat op communautair niveau het vastleggen van de verontreinigde Braziliaanse citruspulp nodig werd geacht met het oog op nader onderzoek.
Er is geen duidelijk standpunt over de wijze waarop met de verontreinigde
Braziliaanse citruspulp moet worden omgegaan. De Europese Commissie heeft
inmiddels het initiatief genomen om de problematiek nader in beeld te brengen
en maatregelen te formuleren. Van Nederlandse zijde zal worden aangedrongen
op een gerichte aanpak van deze bron conform het beleid dat is geformuleerd
in het Stappenplan Dioxinen.
De Braziliaanse autoriteiten zijn dezerzijds geïnformeerd over de
aangetroffen verontreinigingen van citruspulp met dioxinen. Deze hebben aangegeven
de problematiek grondig te zullen onderzoeken. De wijze van drogen van de
citruspulp wordt door de Braziliaanse autoriteiten vooralsnog als meest waarschijnlijke
oorzaak gezien.
Mede op grond van de onderzoeksresultaten en de ontwikkelingen op Europees
niveau zal ik, in nauw overleg met de Staatssecretaris van VWS, bezien of
en zo ja welke aanvullende maatregelen genomen dienen te worden. Gelet op
de verantwoordelijkheden van het bedrijfsleven zal hierover overleg plaatsvinden
met de betrokken organisaties.
De antwoorden op de vragen van het lid Poppe (SP) van 22 april jl. zal
ik u afzonderlijk doen toekomen.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J. J. van Aartsen