nr. 31
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VERKEER EN WATERSTAAT EN VAN VOLKSHUISVESTING,
RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 5 februari 1998
1. Inleiding
Bij brief van 21 januari 1997 hebben wij u het rapport met de evaluatie
van de Tracéwet doen toekomen. Mede op grond van dit rapport hebben
wij geconcludeerd, dat de wet op een aantal punten wijziging behoeft. Deze
wijzigingen betreffen deels voorstellen tot versnelling en vereenvoudiging
van huidige procedures, deels voorstellen van andere aard.
Gelet op de complexiteit van de voorgenomen wetswijziging en de wens om
het project HSL-zuid zo spoedig mogelijk na het Tracébesluit te kunnen
realiseren, is de gedachte ontstaan de wetswijziging te splitsen in twee tranches.
De eerste tranche bevat dan elementen die gericht zijn op versnelling en vereenvoudiging
van procedures, die geheel of grotendeels (zie hieronder bij punt 3) mede
ten goede kunnen komen aan de HSL-zuid. De tweede tranche behelst de overige
punten, waarbij in het bijzonder een regeling inzake nadeelcompensatie genoemd
kan worden.
2. Inhoud eerste tranche
De eerste tranche zal de volgende onderdelen bevatten:
1. rechtstreekse doorwerking Tracébesluit in ruimtelijke
plannen
Volgens de geldende Tracéwet zijn gemeenten en provincies bij het
geven van planologische medewerking inhoudelijk gebonden aan het Tracébesluit.
De inspraak en de beroepen in het kader van bestemmingsplannen c.a. kunnen
geen betrekking hebben op datgene wat in het Tracébesluit al is geregeld.
Daarom is het proces met betrekking tot de planologische medewerking in feite
vaak een herhaling van zetten en dus ondoelmatig. Het wetsvoorstel strekt
er daarom toe dat het Tracébesluit als rechtsgevolg heeft dat bepalingen
in streek- en bestemmingsplannen buiten toepassing blijven voor
zover zij zich niet verdragen met het Tracébesluit. Het wijzigen van
planologische plannen is niet meer noodzakelijk. Het is dan niet meer nodig
om bij het Ontwerp-Tracébesluit planologische medewerking aan andere
overheden te vragen; ook de inzet van het instrument van de aanwijzing komt
in dit kader te vervallen. Het een en ander maakt het mogelijk het karakter
van het Ontwerp-Tracébesluit als ontwerp-besluit beter tot zijn recht
te laten komen. Met de ingebrachte reacties (waaronder die van mede-overheden)
kan ten volle worden rekening gehouden bij het voorbereiden van het Tracébesluit
zelf.
2. Stroomlijning vergunningsprocedures
Er bestaat dringend behoefte aan wettelijke voorzieningen die erop zijn
gericht het proces van het doorlopen van de onderscheidende vergunningsprocedures
beter te beheersen. Hierbij gaat het om coördinatie en parallelschakeling
van de vergunningsprocedures, het volgen van dezelfde procedures en het concentreren
van de rechtsbescherming ten aanzien van de aldus tot stand gekomen beslissingen.
De Minister van Verkeer en Waterstaat zal daarbij de regie voeren en de coördinatie
op zich nemen.
3. Termijn voor behandeling beroepen door Afdeling bestuursrechtspraak
Raad van State
De termijn waarbinnen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State tot een uitspraak op beroepen tegen het TRACÉBESLUIT komt, is
niet wettelijk gelimiteerd. Wij stellen voor om, in lijn met de termijnstellingen
die ook in andere fasen van het besluitvormingsproces wenselijk worden geacht,
de periode waarin de Afdeling bestuursrechtspraak tot een uitspraak komt,
aan een termijn te binden.
4. Onteigeningsrechtelijke voorzieningen
Het voornemen bestaat om met het oog op bespoediging van de (gerechtelijke)
onteigeningsprocedure de mogelijkheid om in verzet te gaan tegen een onteigeningsvonnis
van de rechtbank te schrappen. Voorts wordt overwogen om het vonnis van de
rechtbank direct gezag van gewijsde te geven, ook in de gevallen dat beroep
in cassatie bij de Hoge Raad wordt ingesteld.
Verder kan wettelijk buiten twijfel worden gesteld dat reeds vóór
het onherroepelijk worden van het Tracébesluit mag worden begonnen
met de gerechtelijke onteigeningsprocedure.
5. Rol Minister VROM in eerste fasen
Bezien zal worden op welke wijze kan worden voorzien in een intensievere
betrokkenheid van de minister van VROM in de strategische fase van de besluitvorming
inzake Tracéwetprojecten.
3. Relatie eerste tranche en het project HSL-zuid
Gelet op de fase waarin het project HSL-zuid verkeert (het Ontwerp-Tracébesluit
HSL-zuid is in november 1997 uitgebracht, en in maart 1998 zal naar verwachting
het Tracébesluit tot stand komen), zien wij aanleiding om de eerste
tranche reeds op korte termijn bij de Tweede Kamer in te dienen. De wetswijziging
kan dan immers ook worden toegepast ten behoeve van de verdere besluitvorming
met betrekking tot het project HSL-zuid.
Met betrekking tot het eerste punt, de rechtstreekse doorwerking van het
Tracébesluit in de ruimtelijke plannen van gemeenten en provincies,
houden wij echter thans een slag om de arm. Bij de voorbereiding van de eerste
tranche zal onderzocht worden of de daarop betrekking hebbende regeling nog
toegepast kan worden in de dan reeds lopende procedures. Omdat de beantwoording
van die vraag haar beslag zal moeten krijgen in het wetsvoorstel, zullen wij
er te zijner tijd ook met de beide Kamers der Staten-Generaal over van gedachten
kunnen wisselen.
Het is ons voornemen het wetsvoorstel voor de bovengenoemde eerste tranche
voor de geplande verkiezingen van mei a.s. bij de Tweede Kamer aan te bieden.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
M. de Boer