Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1997-1998
Kamerstuk 25600-X nr. 2

Gepubliceerd op 3 oktober 1997
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



25 600 X
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 1998

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE:

  Blz.:
   
INLEIDING3
   
HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET DEFENSIEBELEID5
1.1.Evaluatie van de internationale veiligheidssituatie5
1.2.Internationale samenwerking7
1.2.1.Algemeen7
1.2.2.Navo8
1.2.3.Partnerschap voor de Vrede10
1.2.4.Bilaterale samenwerking met Midden- en Oost-Europese landen10
1.2.5.De West-Europese Unie11
1.3.Wapenbeheersing11
1.3.1.Het CSE-verdrag11
1.3.2.Landmijnen12
1.3.3.Chemische wapens12
1.4.Proliferatie NBC-wapens en overbrengingsmiddelen13
1.5.Vredesoperaties en humanitaire hulp13
1.5.1.Algemeen13
1.5.2.Militaire aansturing CDS15
1.5.3.Evaluatie Ifor16
1.5.4.Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties17
1.5.5.Voormalig Joegoslavië18
1.5.6.Andere vredesoperaties19
   
HOOFDSTUK 2: ACTUALISERING PRIORITEITENNOTA22
2.1.Evaluatie Prioriteitennota22
2.2.Ervaringen23
2.3.De actualisering bij de Koninklijke marine24
2.4.De actualisering bij de Koninklijke landmacht24
2.4.1.Algemeen24
2.4.2.Herschikking binnen de divisie25
2.4.3.Genie26
2.4.4.Korps commandotroepen27
2.4.5.Consequenties voor de sterkte van de Koninklijke landmacht27
2.5.De actualisering bij de Koninklijke luchtmacht27
2.6.De actualisering bij de Koninklijke marechaussee28
2.7.Explosieven- en mijnenruiming29
2.8.Consequenties van de actualisering30
   
HOOFDSTUK 3: DE KRIJGSMACHT32
3.1.Algemeen32
3.1.1Zorg voor het personeel32
3.1.2.Militaire bijstand en steunverlening32
3.1.3.De Nederlandse Antillen en Aruba32
3.2.Koninklijke marine33
3.2.1.Algemeen33
3.2.2.Internationale samenwerking33
3.2.3.Voortgang herstructurering34
3.2.4.Materieelprojecten34
3.2.5.Samenwerking Korps mariniers/Korps commandotroepen35
3.3.Koninklijke landmacht35
3.3.1.Algemeen35
3.3.2.Internationale samenwerking36
3.3.3.Voortgang herstructurering36
3.3.4.Materieelprojecten37
3.4.Koninklijke luchtmacht38
3.4.1.Algemeen38
3.4.2.Internationale samenwerking39
3.4.3.Voortgang herstructurering39
3.4.4.Materieelprojecten39
3.5.Koninklijke marechaussee41
3.5.1.Algemeen41
3.5.2.Voortgang herstructurering militaire politiedienst41
3.5.3.Taakuitvoering voor andere ministeries41
3.5.4.Materieelprojecten42
3.6.Defensie interservice commando43
3.6.1.Algemeen43
3.6.2.Voortgang reorganisaties43
3.6.3.Defensie Telematica Organisatie43
3.6.4.Ontwikkeling besturingsmodel44
   
HOOFDSTUK 4: HET PERSONEELSBELEID45
4.1.Inleiding45
4.2.Voortgang herstructurering45
4.2.1.De gewenste sterkte45
4.2.2.Overtolligheid46
4.2.3.Personeelsvoorziening46
4.3.Personeelsreductie46
4.3.1.Reductiebeleid46
4.3.2.Overzicht van de personeelsreductie47
4.4.Arbeidsvoorwaarden algemeen49
4.5.Beleid voor postactieven49
4.5.1.Pensioenen en sociale zekerheid49
4.5.2.Ziektekosten50
4.5.3.Veteranenbeleid50
4.6.Geestelijke verzorging51
4.7.Algemene militaire opleiding51
4.8.Emancipatiebeleid52
   
HOOFDSTUK 5: HET MATERIEELBELEID53
5.1.Inleiding53
5.2.Defensie Materieelkeuze Proces54
5.3.Keuze- en verwervingsbeleid54
5.4.Internationale materieelbetrekkingen55
5.5.Defensie-industrie56
5.6.Verbetering materiële functiegebied56
5.7.Onroerend goed56
5.8.Afstoting57
5.9.Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling58
5.10.Luchtvaartcluster58
   
HOOFDSTUK 6: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU60
6.1.Ruimtelijke ordening60
6.2.Milieu60
6.3.Geluidszonering60
6.4.Bodemsanering61
   
HOOFDSTUK 7: FINANCIËN62
7.1.Financieel kader62
7.2.Overzicht reële ontwikkeling defensiebudget62
7.3.Verdeling over de bestedingscategorieën 1996–1998 63
7.4.Financiële aspecten afstoting defensiegoederen64
7.5.Financiële aspecten ingebruikgeving/medegebruik64
7.6.Valutamanagement64
7.7.Doelmatigheidsoperatie65
7.8.Beleid Bedrijfsvoering Defensie66
7.9.Begrotingsindeling 199868
7.10.Stand van zaken ramingskengetallen69
7.11.Financiering vredesoperaties70
7.11.1.Financiering vredesoperaties70
7.11.2.Rapport Algemene Rekenkamer70
7.11.3.Begrotingen 1997 en 199870
7.11.4.Claims bij de VN71
7.12.Financieel beleid en beheer71
7.12.1.Administratieve organisatie71
7.12.2.Financiële informatiesystemen72
7.12.3.Accountantscontrole72
7.12.4.Subsidiebeleid73
7.13.Budgetteringsafspraak 199873
7.14.Project Herinrichting informatievoorziening Defensie74
7.15.Millenniumprobleem75
7.16.Archivering75
   
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING76
   
Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)76
Inleiding76
Beleidsterrein Algemeen114
Beleidsterrein Pensioenen en Uitkeringen115
Beleidsterrein Koninklijke marine121
Beleidsterrein Koninklijke landmacht159
Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht195
Beleidsterrein Koninklijke marechaussee223
Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten235
Beleidsterrein Defensie Interservice Commando250
   
Wetsartikel 2 (ontvangsten)287
Beleidsterrein Algemeen287
Beleidsterrein Pensioenen en Uitkeringen290
Beleidsterrein Koninklijke marine293
Beleidsterrein Koninklijke landmacht298
Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht301
Beleidsterrein Koninklijke marechaussee305
Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten307
Beleidsterrein Defensie Interservice Commando309
   
Wetsartikel 3 (agentschapbegrotingen)311
3.1.Defensie Telematica Organisatie311
3.2.Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen321
   
Bijlagen 1 t/m 17 

INLEIDING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

Defensie ondergaat een gedaanteverwisseling door een proces van vergaande herstructurering en verkleining en een breed opgezette doelmatigheidsoperatie. De veranderingen werden ingegeven door historische ontwikkelingen op internationaal gebied, in het bijzonder de val van de Muur, de ontbinding van het Warschaupact en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Een andere, met het voorgaande samenhangende, drijfveer voor vergaande ingrepen in de organisatie was de lange reeks van bezuinigingen, die de defensie-uitgaven ingrijpend en structureel heeft verminderd. De internationale veranderingen en de bezuinigingen deden zich niet tegelijkertijd voor, maar gespreid over de jaren. Dit betekende dat ook het defensiebeleid stapsgewijs moest worden aangepast aan steeds weer nieuwe feiten. Mijlpalen in dit aanpassingsproces waren de Defensienota van 1991, de Prioriteitennota van 1993 en de Novemberbrief van 1994.

Resultaten van dit veranderingsproces zullen zijn:

– een krijgsmacht die niet meer vrijwel uitsluitend is toegesneden op de algemene verdedigingstaak in Europa, maar die ook is toegerust voor vredesoperaties in Europa en elders;

– drastische reducties in een aantal categorieën zwaar materieel ten gevolge van de herstructurering en van wapenbeheersingsafspraken, naast nieuwe investeringsprojecten, eveneens als gevolg van de herstructurering;

– een ingrijpend gewijzigd personeelsbestand, in het bijzonder door de omschakeling naar een beroepskrijgsmacht en door de verkleining;

– een doelmatiger organisatie, onder meer door de vorming van interservice eenheden en de verkleining van de centrale organisatie.

In deze memorie van toelichting wordt de balans van de herstructurering opgemaakt en de Prioriteitennota geactualiseerd. Daartoe wordt in hoofdstuk 1 de evaluatie van de internationale veiligheidssituatie, opgesteld in 1995, opnieuw bezien. Op het internationale toneel doen zich belangrijke ontwikkelingen voor, in het bijzonder de uitbreiding van de Navo. De algemene beoordeling van de internationale veiligheidssituatie is echter in grote lijnen dezelfde als twee jaar geleden. Daaruit vloeien geen veranderingen voort voor de omvang, de structuur en het optreden van de Nederlandse krijgsmacht.

De actualisering van de Prioriteitennota berust op een evaluatie van de resultaten van de herstructurering en de verkleining en van de ervaringen in vredesoperaties. Net als bij de Defensienota en de Prioriteitennota ondergaat ook nu de Koninklijke landmacht de belangrijkste veranderingen. Langdurige inzet in vredesoperaties stelt hoge eisen aan het voortzettingsvermogen. Om dat te verbeteren, worden binnen de divisie van de Koninklijke landmacht drie gelijksoortige, gedeeltelijk parate brigades gevormd. Deze herschikking van de gevechtskracht gaat gepaard met de opheffing van de 52e Gemechaniseerde brigade, ook wel de vijfde mobilisabele brigade genoemd. Uit informele informatieve gesprekken met de Navo blijkt dat de eerste reacties op de Nederlandse voornemens positief zijn.

Bij deze actualisering van de Prioriteitennota passen twee algemene kanttekeningen:

– over het algemeen verlopen de reorganisaties van de afgelopen jaren voorspoedig. Wel vergen ze veel van het incasseringsvermogen van het personeel en van de organisatie als geheel. Het is daarom belangrijk dat de komende jaren worden besteed aan de voltooiing en consolidatie van de reorganisaties. Het zal zeker nog enkele jaren duren voordat deze ook op de werkvloer zijn uitgekristalliseerd;

– sinds de Defensienota-1991 is drastisch ingegrepen in de omvang en de uitrusting van de krijgsmacht. Tijdens de actualisering van de Prioriteitennota is naar voren gekomen dat voor enkele delen van de organisatie de personeelsreductie te ambitieus was vastgesteld. De personeelssterkte wordt daarom hier en daar enigszins minder gereduceerd. De kosten van deze en andere aspecten van de actualisering worden binnen de defensiebegroting opgevangen.

Ondertussen heeft het werk bij Defensie niet stilgelegen. Dat geldt vooral de deelneming aan vredesoperaties. De daling in het aantal uitgezonden militairen ten opzichte van vorig jaar is onder meer het gevolg van de ontwikkelingen in het voormalige Joegoslavië, waar de door de Navo geleide implementatiemacht (Ifor) is opgevolgd door de kleinere stabilisatiemacht (Sfor). Onder andere met het oog op de uitvoering van vredesoperaties zijn nieuwe afspraken voor internationale samenwerking gemaakt, in het bijzonder met België, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Ook de samenwerking met Midden- en Oost-Europese landen krijgt veel aandacht.

Op 5 december 1996 publiceerde de Adviesraad Vrede en Veiligheid zijn laatste advies: «Van collectieve verdediging naar collectieve veiligheid? – De aanpassing en uitbreiding van de Navo». Sinds zijn oprichting, in 1985, heeft de Raad 21 adviezen en commentaren uitgebracht. De adviezen en aanbevelingen van de Raad vervulden een nuttige rol bij de beleidsvoorbereiding. Daarnaast droeg de Adviesraad bij tot de vorming en instandhouding van een zekere consensus over het veiligheidsbeleid. Een uitvloeisel van de herijking van het buitenlandse beleid is de vorming van een nieuwe Adviesraad Internationale Vraagstukken, met het oog op een geïntegreerde advisering voor het gehele buitenlandse beleid. De nieuwe Raad kent vier permanente commissies, waaronder de Commissie Vrede en Veiligheid.

De toegenomen aandacht voor vredesoperaties in het werk van de krijgsmacht zal ook tot uitdrukking komen in de Grondwet. De bepalingen inzake de verdediging worden herzien en gemoderniseerd. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is in mei 1997 bij de Tweede Kamer ingediend.

Sinds de Novemberbrief is gewerkt aan een raamwerk voor een verbeterd economisch beheer. Dit bevordert de doelmatigheid. Zoals in hoofdstuk 7 is uiteengezet, heeft dit ook gevolgen voor de begrotingsindeling. Deze begroting bevat nieuwe artikelen Personeel en materieel, waarin de ramingen voor een aantal ressorts zijn uitgesplitst.

De ramp met het Belgische Hercules-vliegtuig op de vliegbasis Eindhoven wierp een schaduw over Defensie. In onderzoeken is veel aandacht besteed aan het functioneren van Defensie als geheel en van afzonderlijke medewerkers. Dat is ook gebeurd bij de asbest-problematiek. Een en ander onderstreept het belang van een zorgvuldige toepassing van regels en procedures en van openheid, ook wanneer het gaat om tragische of pijnlijke gebeurtenissen. Die openheid betreft de communicatie binnen de defensie-organisatie, maar ook de contacten met betrokken personen, het Georganiseerd Overleg, de voorlichting aan de media en de parlementaire verantwoording.

HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET DEFENSIEBELEID

1.1 Evaluatie van de internationale veiligheidssituatie

Het laatste decennium van de twintigste eeuw kenmerkt zich door grote veranderingen in de veiligheidssituatie in Europa en daarbuiten. De Koude Oorlog is voorbij. Het communisme is niet langer een heersende staatsideologie. De gevolgen hiervan voor het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid zijn uiteengezet in de Defensienota en de Prioriteitennota. De diffuse en minder voorspelbare veiligheidssituatie, die zowel kansen als risico's met zich meebrengt, blijft de aandacht vragen. Zij is immers in hoge mate bepalend voor de richting waarin het defensiebeleid zich dient te ontwikkelen. Als supplement bij de begroting voor 1996 is dan ook, overeenkomstig de motie-Van Vlijmen/Koffeman (Kamerstukken II 1992/93, 22 975, nr. 21), een uitvoerige evaluatie gevoegd van de internationale veiligheidssituatie (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 3). Deze evaluatie is mede onder verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken uitgebracht. De conclusies hiervan zijn in hoofdlijnen nog steeds geldig. Voor het defensiebeleid kan dan ook worden voortgebouwd op de bevindingen zoals verwoord in de genoemde evaluatie. Op het noordelijk halfrond ontwikkelen de structuren die de stabiliteit en de veiligheid dienen te waarborgen zich voorzichtig in de goede richting. De contouren van de Euro-Atlantische veiligheidsstructuur van de 21e eeuw krijgen vorm. Elders in de wereld is echter sprake van een veel grotere mate van instabiliteit en onzekerheid.

De Navo en Rusland hebben door de ondertekening van de «Stichtingsakte betreffende wederzijdse betrekkingen, samenwerking en veiligheid tussen de Navo en de Russische Federatie» kenbaar gemaakt samen de verantwoordelijkheid te willen dragen voor de stabiliteit en de veiligheid in Europa. De Russische regering gaat door met het hervormingsproces, dat, onder andere door interne oppositie en de beperkte financiële middelen, moeizaam verloopt. Het is van belang dat de voorstanders van samenwerking met het Westen nog steeds het regeringsbeleid bepalen. De grote economische problemen hebben vèrstrekkende gevolgen voor de Russische krijgsmacht. De kosten van de instandhouding van de huidige krijgsmacht van meer dan 1,5 miljoen militairen zijn zó hoog, dat verdere vermindering van het Russische conventionele militaire vermogen onvermijdelijk is. Een structurele reductie van de omvang van de strijdkrachten lijkt daarom geboden. Een begin met de modernisering van de krijgsmacht is pas mogelijk over een aantal jaren, als er sprake is van een samenhangend en realistisch defensiebeleid en economisch herstel. Daarom zal de Russische Federatie lange tijd niet in staat zijn een krijgsmacht op te bouwen die een strategisch offensief tegen de Navo kan voeren. Op grond van de Stichtingsakte kan ook worden vastgesteld dat het Russische beleid niet op confrontatie maar op samenwerking is gericht. Overigens blijft de Russische Federatie beschikken over een groot arsenaal massavernietigingswapens. Deze erfenis van de Koude Oorlog stelt Rusland voor grote organisatorische, financiële en ecologische problemen. De vermindering van dit arsenaal houdt de aandacht van de Navo-landen.

De bescherming van de integriteit van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied blijft een hoofdtaak van de krijgsmacht, ook in een situatie waarin geen sprake is van directe veiligheidsrisico's. Crises en conflicten in Europa en elders onderstrepen het belang van vredesoperaties en humanitaire taken als andere hoofdtaak van de krijgsmacht.

De veiligheidssituatie in Bosnië is sinds de ondertekening van de overeenkomst van Dayton (1995) en de ontplooiing van een door de Navo geleide vredesmacht belangrijk verbeterd. Hervatting van het gewapende conflict is uitgebleven en er is een begin gemaakt met de economische wederopbouw en met de opbouw van gemeenschappelijke instellingen. Desondanks laat de uitvoering van belangrijke civiele aspecten van de Dayton-overeenkomst nog veel te wensen over. Het is voor het bereiken van een duurzame vrede onder meer van groot belang dat verdachten van oorlogsmisdaden voor het VN-Tribunaal worden berecht. Wordt het komende jaar in het vredesproces geen wezenlijke vooruitgang geboekt, dan blijft de kans op een nieuwe oorlog groot. Voortzetting van de internationale militaire aanwezigheid na afloop van het mandaat van Sfor in juni 1998 is in dat geval noodzakelijk.

In Klein-Joegoslavië is de positie van het regime-Milosevic enigszins verzwakt door de overwinning van de oppositie in de plaatselijke verkiezingen van november 1996. De autoriteiten zagen zich na wekenlange demonstraties en sterke internationale druk gedwongen de verkiezingsresultaten te erkennen. Desondanks is een werkelijke democratisering vooralsnog uitgebleven. President Milosevic heeft zijn greep op de belangrijke sectoren van de staat behouden. De situatie in de zuidelijke provincie Kosovo, waar de Albanese meerderheid wordt onderdrukt, blijft zorgwekkend en kan de regio destabiliseren.

De problemen op de Balkan zijn het afgelopen jaar nog eens onderstreept door de ontwikkelingen in Bulgarije en in Albanië. Een falend economisch hervormingsbeleid heeft geleid tot een diepe sociaal-economische crisis in Bulgarije. In het voorjaar van 1997 zijn parlementsverkiezingen gehouden. Het beleid van de nieuwe regering biedt uitzicht op verbetering. In Albanië heeft het falen van de staatsstructuren geleid tot anarchie. In de zomer zijn parlementsverkiezingen gehouden, waarna president Berisha is afgetreden. De nieuwe regering beschouwt het herstel van de openbare orde en van de economie als haar voornaamste taken. Het is duidelijk dat Albanië nog een lange weg te gaan heeft naar een democratische rechtsorde en economische opleving.

Ook de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn voor ons van groot belang. Zo is de groeiende militaire samenwerking van Iran met de Russische Federatie en met China een bron van zorg. Op het terrein van wapenbeheersing is in deze regio nog weinig vooruitgang geboekt. Een aantal landen heeft ambitieuze programma's op het gebied van chemische en biologische wapens.

De risico's van de verspreiding van nucleaire, chemische en biologische (NBC-)wapens en hun overbrengingsmiddelen zijn de afgelopen twee jaar eens te meer duidelijk geworden. De aanslag met gifgas op de metro in Tokio bevestigde dat terroristische groeperingen bereid en in staat zijn chemische wapens te gebruiken. De dreiging van biologische wapens staat hoog op de internationale politieke agenda. Vooral de informatie die onlangs openbaar is geworden over de omvang van het Iraakse programma voor biologische wapens heeft hieraan bijgedragen. Gelukkig zijn er op het terrein van de NBC-wapens ook positieve ontwikkelingen te melden, zoals de inwerkingtreding van het verdrag over chemische wapens en de verwijdering van nucleaire wapens van het grondgebied van Oekraïne en Wit-Rusland. De «Defence Group on Proliferation» van de Navo heeft goede voortgang gemaakt met initiatieven om de verdediging tegen deze wapens te versterken. Op de ontwikkelingen bij Defensie terzake wordt ingegaan in paragraaf 1.4.

De regering streeft naar modernisering van het CSE-verdrag, opdat de omvang van de conventionele bewapening op het Europese continent verder wordt beperkt. Bijzondere aandacht verdient het vraagstuk van de landmijnen, die tijdens, maar vooral na afloop van gewapende conflicten talloze burgerslachtoffers eisen. De regering zet zich in voor de spoedige totstandkoming van een internationaal verdrag dat de productie, de opslag, de export en het gebruik van anti-personeelmijnen volledig verbiedt. De initiatieven op het terrein van de humanitaire mijnenruiming zijn een voorbeeld van wat de evaluatie van 1995 de «nieuwe uitdagingen» van de krijgsmacht noemt. In paragraaf 2.7 wordt hierop uitgebreid ingegaan.

Het Nederlandse veiligheidsbeleid kan alleen in internationaal verband slagen. Het is dan ook van groot belang dat de bestaande internationale organisaties voor hun taak zijn berekend. In de veranderde veiligheidssituatie is het noodzakelijk de internationale organisaties aan te passen aan de uitdagingen en de taken van nu. De besluiten van de topbijeenkomst van de Navo in Madrid zijn dan ook van groot belang. De overeenkomst tussen de Navo en Rusland, de uitnodiging aan drie landen lid te worden van de Navo, het versterkte Partnerschap voor de Vrede, de overeenkomst tussen de Navo en de Oekraïne, de bevestiging dat de Navo open staat voor nieuwe leden en de intensivering van de Middellandse Zee-dialoog zijn bouwstenen voor de stabiliteit en de veiligheid in Europa. Zij bieden een kader waarbinnen de Navo kan fungeren als de belangrijkste veiligheidsorganisatie in Europa. De slagvaardigheid van de Navo moet daarom ook in de nieuwe situatie behouden blijven. De Weu versterkt de banden met zowel de Navo als de Europese Unie. De afgelopen periode hebben de Weu en de Navo afspraken gemaakt over het gebruik van Navo-middelen voor operaties onder Europese leiding. Door het verdrag van Amsterdam wordt de band tussen de Weu en EU nauwer. Het operationele vermogen van de Weu is gaandeweg versterkt. De rol van de Verenigde Naties is onverminderd van belang. De Veiligheidsraad kan de uitvoering van vredesoperaties delegeren aan een ad hoc coalitie of aan een regionale organisatie. Europa beschikt daartoe over goed gestructureerde veiligheidsorganisaties, in het bijzonder de Navo. In andere delen van de wereld zullen de VN meestal zelf de hoofdrol moeten spelen. De regering zal blijven bevorderen dat de lidstaten de VN ook de middelen en de mogelijkheden geven om hun taak uit te voeren.

1.2 Internationale samenwerking

1.2.1 Algemeen

Een belangrijk uitgangspunt van het regeringsbeleid is dat Nederland voor zijn veiligheid nauw verbonden is met zijn bondgenoten. In dat beleid past intensieve samenwerking met de krijgsmachten van andere landen. Overeenkomstig de herijking van het buitenlandse beleid is de samenwerking in Navo-verband meer gericht op de buurlanden. Ook de samenwerking met Midden- en Oost-Europese landen krijgt veel aandacht.

Het afgelopen jaar is met Groot-Brittannië overeengekomen de samenwerking tussen de beide landmachten, vooral ter voorbereiding op vredesoperaties, te intensiveren. Eind 1997, begin 1998 volgt de ondertekening van een ministeriële verklaring waarin de plannen nader worden uitgewerkt. Deze samenwerking is een aanvulling op die met Duitsland in het Duits-Nederlandse legerkorps. Een aantal Nederlandse officieren zal staffuncties in Franse staven gaan vervullen. Op deze en andere initiatieven op internationaal terrein wordt nader ingegaan in hoofdstuk 3.

Nederland neemt ook deel aan multinationale samenwerkingsprojecten. Het interservice project Milsatcom moet voorzien in de behoefte aan satellietcommunicatie voor militair gebruik. Het project bestaat uit een grond- en een ruimtesegment. Een alternatief voor het ruimtesegment is deelneming aan het internationale samenwerkingsprogramma Trimilsat, een project van Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, gericht op nieuwe satellietcapaciteit voor militair gebruik. Andere multinationale projecten komen in hoofdstuk 3 aan de orde.

Nederland neemt ook deel aan de Navo-studie naar grondwaarnemingscapaciteit: «Alliance Ground Surveillance (AGS) Capability». Het gaat om vliegende systemen die onder andere voertuigen en laag vliegende objecten op grote afstand kunnen signaleren en volgen. In het najaar van 1997 wordt besloten over de operationele behoefte aan AGS-capaciteit van de Navo.

1.2.2 Navo

De interne aanpassing van de Navo omvat enkele onderling samenhangende aandachtsgebieden:

– de commandostructuur;

– het CJTF-concept;

– de Europese veiligheids- en defensie-identiteit;

– de proliferatie van NBC-wapens en de overbrengingsmiddelen (zie 1.4).

De huidige Navo-commandostructuur telt vier commandoniveaus. In de nieuwe structuur zullen er twee commandoniveaus zijn in het Atlantische deel van het verdragsgebied en drie in het Europese. Binnen het Atlantische deel blijven er drie regio's; binnen het Europese deel wordt het aantal regio's verminderd tot twee.

In het Europese deel van het Navo-gebied zal het strategische hoofdkwartier in Bergen (België) gehandhaafd blijven. Het zal twee regionale hoofdkwartieren onder zich hebben: één in Brunssum voor Noord-Europa en één in Napels voor Zuid-Europa. Deze regionale hoofdkwartieren gaan op hun beurt leiding geven aan enkele «Joint Subregional Commands», met als voornaamste taak de sturing van operaties, en «Component Commands», vooral voor de regionale coördinatie van de zee- en luchtstrijdkrachten. De 65 hoofdkwartieren uit de Navo-commandostructuur worden verminderd tot maximaal 20. Om de samenhang en solidariteit binnen het bondgenootschap te versterken, hebben de Navo-landen zich verplicht mee te werken aan een volledig multinationale bezetting van de hoofdkwartieren. Over de nieuwe commandostructuur zullen waarschijnlijk tijdens de ministeriële vergaderingen in december 1997 definitieve besluiten worden genomen. De volledige deelneming van Spanje aan de nieuwe structuur zal daarna haar beslag kunnen krijgen. Frankrijk heeft tot nu toe nog geen besluit over herintreding in de commandostructuur genomen.

Tijdens de Navo-top in Madrid is de uitwerking van het concept van de «Combined Joint Task Force» (CJTF) goedgekeurd. Een aantal Navo-hoofdkwartieren krijgt een CJTF-kern. Een belangrijk aspect van het CJTF-concept is het vermogen in korte tijd een volwaardig hoofdkwartier te vormen door de toevoeging van vooraf aangewezen en geoefende stafelementen aan de CJTF-kern. Op grond van ervaringen met oefeningen zal het functioneren van zulke hoofdkwartieren worden beoordeeld. Zonodig zal het CJTF-concept daarna worden bijgesteld. Pas dan wordt het definitief in de nieuwe commandostructuur ingevoerd. Met behulp van het CJTF-concept kunnen operaties met Navo-middelen worden uitgevoerd, waaraan niet alle Navo-landen deelnemen. Ook maakt dit concept het mogelijk dat de Midden- en Oost-Europese landen en andere niet-Navo-landen aan zo'n operatie deelnemen.

Ook de vorming van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit binnen de Navo vordert. Ten behoeve van Weu-geleide operaties met gebruikmaking van Navo-middelen zijn regelingen voor de commandovoering ontwikkeld. De functie-omschrijving van de Europese plaatsvervangend Saceur is aangepast, zodat hij een rol kan spelen bij Weu-geleide operaties met gebruik van Navo-middelen. Tenslotte is afgesproken dat de Weu wensen naar voren kan brengen voor de ministeriële richtlijnen die elke twee jaar worden opgesteld voor het Navo Defensie Plannings Proces.

De ondertekening van de «Stichtingsakte betreffende wederzijdse betrekkingen, samenwerking en veiligheid tussen de Navo en de Russische Federatie», op 27 mei 1997 in Parijs, markeerde het begin van een nieuwe fase in de betrekkingen tussen de Navo en Rusland. Hiermee is de grondslag gelegd voor nauwere samenwerking tussen de Navo en de Russische Federatie.

De Stichtingsakte formuleert de beginselen van de onderlinge betrekkingen, bevat de mechanismen voor overleg en samenwerking, in het bijzonder de «Permanente Gezamenlijke Raad», en noemt de terreinen waarop het overleg en de samenwerking betrekking zullen hebben. In het hoofdstuk over de «militaire dimensie» beloven de partijen elkaar terughoudendheid ten aanzien van de (ontplooiing van) conventionele strijdkrachten.

De oprichting van een «Permanente Gezamenlijke Raad» vormt een belangrijk onderdeel van de Stichtingsakte. In deze Raad moeten het overleg en de samenwerking gestalte krijgen. De Raad moet functioneren als een platform voor consultatie, coördinatie en – voorzover mogelijk – gemeenschappelijke besluitvorming en actie inzake veiligheidskwesties van wederzijds belang. De Navo en de Russische Federatie behouden elk het recht zelfstandig besluiten te nemen en tot actie over te gaan. In het Handvest is afgesproken dat de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie en de chefs van de defensiestaven regelmatig bijeenkomen. De Russische Federatie zal de beschikking krijgen over een uitgebreide permanente liaisonmissie op het Navo-hoofdkwartier.

Met het op de Navo-top ondertekende Navo-Oekraïne Handvest zijn ook de betrekkingen met dit land aangehaald. Evenals de Stichtingsakte bevat dit document de beginselen die ten grondslag liggen aan de onderlinge betrekkingen en afspraken over overleg en samenwerking. De ambassadeurs van de Navo-landen en Oekraïne komen halfjaarlijks bijeen. Ook de chefs van staven zullen van tijd tot tijd bijeenkomen. Van belang is dat dit document de onafhankelijkheid van Oekraïne versterkt. Er komen meer mogelijkheden voor consultatie tussen de Navo en Oekraïne. De Oekraïense vertegenwoordiging op het Navo-hoofdkwartier zal worden versterkt.

Tenslotte besloot de Navo-top Polen, Tsjechië en Hongarije uit te nodigen om tot het bondgenootschap toe te treden. De toetredingsonderhandelingen zijn in volle gang. Het ligt in de bedoeling deze voor het einde van 1997 af te sluiten en de resultaten vast te leggen in protocollen, die de ministers van Buitenlandse Zaken van de huidige Navo-landen zullen ondertekenen. Het streven is de ratificatie in 1998 af te sluiten, opdat de nieuwe lidstaten in 1999 formeel kunnen toetreden. De overgang van partner naar bondgenoot staat in het teken van verdere voorbereiding. Voor de begeleiding van de nieuwe leden zijn plannings- en expertteams toegevoegd aan de nationale hoofdkwartieren.

De kosten van de Navo-uitbreiding zullen betrekkelijk bescheiden zijn. Ze hangen voor een belangrijk deel af van de mate en het tempo van aanpassing van de defensie-organisatie en van de infrastructuur in de nieuwe lidstaten. Omdat er op dit ogenblik geen sprake is van ernstige veiligheidsrisico's, is het mogelijk de militaire en financiële inspanningen die uit de uitbreiding voortvloeien over een langere periode te spreiden. Een aanzienlijk deel van de investeringen voor het opnemen van nieuwe Navo-leden was overigens al voorzien. Polen, Tsjechië en Hongarije zijn al enige tijd bezig met de herstructurering van hun krijgsmacht. Veel van de investeringen zijn noodzakelijk en zouden ook gedaan zijn als er geen sprake van uitbreiding was geweest. Deze investeringen bevorderen een goede samenwerking met de andere Navo-landen. Ook voor de huidige lidstaten geldt dat veel investeringen die nodig zijn om desgewenst versterkingen naar de nieuwe lidstaten te kunnen sturen, al voorzien zijn in de herstructurerings- en investeringsplannen die sinds het einde van de Koude Oorlog zijn opgesteld. De door de Navo-landen gemeenschappelijk te financieren kosten bedragen, gedurende een periode van tien jaar, jaarlijks ongeveer f 220 miljoen voor investeringen en ongeveer f 50 miljoen voor exploitatie. Nederland draagt hieraan ongeveer f 13 miljoen per jaar bij.

1.2.3 Partnerschap voor de Vrede

De Navo-landen hebben ook besloten het Partnerschap voor de Vrede (PvV) te verdiepen en te verbreden. Dit betekent onder meer dat tijdelijk «PvV-stafelementen» kunnen worden opgericht bij Navo-hoofdkwartieren waar PvV-activiteiten en operaties worden gepland en uitgevoerd. Deze stafelementen zullen bestaan uit officieren van Navo- en Partnerlanden. Ze kunnen ook bijdragen tot de planning van CJTF-oefeningen. Tevens zullen militaire vertegenwoordigers van Partnerlanden regelmatig vergaderingen bijwonen van het Militaire Comité van de Navo. Het Militaire Comité bepaalt in welke fase en bij welke onderwerpen Partners worden betrokken. Het Militaire Comité en andere Navo-organen behouden het recht «à 16» besluiten te nemen. De Partners kunnen in voorkomend geval worden uitgenodigd deel te nemen aan operaties die het hele spectrum van crisisbeheersing beslaan.

In mei 1997 is de eerste bijeenkomst gehouden van de «Euro-Atlantische Partnerschapsraad» (EAPR). De ministers van Defensie zullen in dat kader voortaan twee maal per jaar bijeenkomen. Op 13 juni 1997 is dit voor het eerst gebeurd.

1.2.4 Bilaterale samenwerking met Midden- en Oost-Europese landen

De Nederlandse samenwerking met Midden- en Oost-Europese landen krijgt gestalte op bilateraal en multilateraal niveau. De behoefte aan samenwerking is groot. De samenwerking concentreert zich op Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Met deze landen worden jaarlijks samenwerkingsprogramma's afgesloten. Voor 1997 bevatten deze programma's meer dan 250 projecten, met het accent op training en opleiding, organisatie van de krijgsmacht en het ministerie en voorbereiding op vredesoperaties.

Nederland werkt ook samen met de Baltische staten en met Slovenië. Nederland neemt deel aan een multilateraal project voor de oprichting van een Baltisch bataljon voor vredesoperaties, een gezamenlijk project van Estland, Letland en Litouwen, dat wordt ondersteund door westerse landen. De Koninklijke marine ondersteunt de Baltische marinesamenwerking. De Kamer is in de brief van 25 juni 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 92) uitvoerig geïnformeerd over de defensiesamenwerking met Midden- en Oost-Europese landen.

Ook wordt gewerkt aan contacten met zowel de Russische Federatie als Oekraïne. Tijdens het bezoek van de minister van Defensie aan de Russische Federatie in maart 1997 is besloten tot een meer intensieve samenwerking. Hiertoe zijn een overeenkomst en een daarvan afgeleid samenwerkingsprogramma ondertekend. Aanvullende afspraken zijn gemaakt over humanitaire ondersteuning; dit betreft een medisch hulpprogramma en een landbouwproject.

Met Slovenië werkt Nederland vooral op het gebied van de luchtmacht samen. Binnenkort zullen onderhandelingen met Macedonië beginnen over een «memorandum of understanding» (MOU). Ook wordt onderzocht of samenwerking met Albanië mogelijk is.

Nederland heeft MOU's inzake defensiesamenwerking gesloten met Bulgarije, Hongarije, Litouwen, Oekraïne, Polen, Roemenië, de Russische Federatie, Tsjechië en Slowakije.

1.2.5 De West-Europese Unie

De West-Europese Unie (Weu) heeft haar samenwerking met zowel de Navo als de Europese Unie verder versterkt. De Weu en de Navo werken in nauw overleg de regelingen uit voor Weu-operaties waarbij gebruik wordt gemaakt van Navo-middelen. Hierdoor wordt de militair-operationele geloofwaardigheid van de Weu versterkt. De Weu levert, in het kader van de ontwikkeling van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit binnen het Atlantisch bondgenootschap, ook een bijdrage aan de defensieplanning van de Navo.

De zogenaamde Petersbergtaken van de Weu zijn opgenomen in het herziene verdrag betreffende de Europese Unie, het verdrag van Amsterdam. Het gaat om humanitaire taken en reddingsoperaties, vredeshandhaving en taken van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van vredesstichting. Voor de uitwerking en de uitvoering van besluiten met gevolgen op defensiegebied zal de Unie gebruik maken van de Weu. De Europese Unie en de Weu zullen de komende tijd nadere regelingen uitwerken ter versterking van hun samenwerking.

Tijdens de bijeenkomst van ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie van de Weu-landen in Parijs op 13 mei 1997 is onder meer besloten de bestaande vergadering van de chefs van de defensiestaven om te vormen tot een Militair Comité. Dit besluit en een aantal andere maatregelen op militair gebied, zoals de harmonisatie van crisisbeheersingsprocedures en de ontwikkeling van een gezamenlijk oefenbeleid, dragen ertoe bij het operationele vermogen van de Weu gaandeweg te versterken.

1.3 Wapenbeheersing

1.3.1 Het CSE-verdrag

In Wenen zijn onderhandelingen gaande over aanpassing van het CSE-verdrag. In december 1996 bereikten de CSE-verdragsstaten tijdens de OVSE-top in Lissabon overeenstemming over de uitgangspunten en de doelstellingen van een vernieuwd verdrag. Deze veranderingen moeten recht doen aan de sterk veranderde veiligheidssituatie in Europa sinds het einde van de Koude Oorlog, in het bijzonder sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

In juli 1997 bereikten de CSE-landen een akkoord over een aantal beginselen voor een vernieuwd CSE-verdrag. De bipolaire structuur van het verdrag, uitgaande van de twee militaire allianties, wordt vervangen. Nieuwe limieten zullen worden vastgesteld voor het aantal zware wapensystemen waarover elk land zal kunnen beschikken binnen het gehele verdragsgebied en op het eigen territoir in dit gebied. Het totaal aantal toegestane wapensystemen zal aanzienlijk lager liggen dan wat was toegestaan onder het verdrag van 1990. Het verdrag zal voorts worden opengesteld voor toetreding door nieuwe landen. De onderhandelingen over de uitwerking van de beginselen en over een aantal andere onderwerpen waarover nog geen overeenstemming kon worden bereikt, zullen nog geruime tijd in beslag nemen.

Het akkoord inzake de stationering van wapensystemen op de flanken, gesloten tijdens de eerste toetsingsconferentie van het CSE-verdrag in mei 1996, is op 15 mei 1997 van kracht geworden. Bij het bovengenoemde akkoord van juli 1997 is besloten het flankakkoord materieel te integreren in het nieuwe CSE-verdrag.

1.3.2 Landmijnen

Sinds de bijeenkomst in de Canadese hoofdstad Ottawa in oktober 1996 is de internationale steun voor een algeheel verbod van anti-personeelmijnen snel toegenomen. Tijdens een conferentie in Brussel van 24 tot 27 juni 1997 hebben 97 landen zich bereid verklaard tot onderhandelingen over een internationaal verdrag dat de productie, de opslag, de uitvoer en het gebruik van anti-personeelmijnen verbiedt. De onderhandelingen hierover zijn voorzien voor de eerste drie weken van september in de Noorse hoofdstad Oslo. Het verdrag zou dan in december van dit jaar in Ottawa moeten worden ondertekend.

De snel groeiende steun voor het «Ottawa-proces» hangt samen met het gebrek aan vooruitgang van de Geneefse «Conference on Disarmament» (CD) op het terrein van de anti-personeelmijnen. Dit VN-forum voor ontwapening en wapenbeheersing is al geruime tijd verlamd door tegenstellingen over nucleaire onderwerpen, vooral tussen enkele niet-gebonden en westerse landen. Deze twisten verhinderen consensus over de benadering van het landmijnenvraagstuk in de CD. Hoewel het aantal landen dat deelneemt aan het Ottawa-proces thans aanmerkelijk groter is dan een jaar geleden kon worden voorzien, zal een aantal belangrijke landen waarschijnlijk ontbreken tijdens de ondertekeningsceremonie in december. Van de EU-lidstaten hebben Finland en Griekenland zich tot nu toe niet willen aansluiten bij het Ottawa-proces. Ook Navo-lidstaat Turkije doet daar nog niet aan mee. Met name de belangrijkste producenten van anti-personeelmijnen, China en Rusland, hebben zich tot nu toe volstrekt afzijdig gehouden van de beraadslagingen over de uitbanning van anti-personeelmijnen.

1.3.3 Chemische wapens

Het verdrag inzake chemische wapens is in werking getreden op 29 april 1997, zonder de Russische Federatie maar met de Verenigde Staten. Op 13 juni hadden 91 landen het verdrag geratificeerd. Tijdens de eerste bijeenkomst van de verdragspartijen, van 6 tot 23 mei 1997 in Den Haag, is de «Organization on the Prohibition of Chemical Weapons» (OPCW) geïnstalleerd. De uitvoeringsorganisatie zal door middel van inspecties ter plaatse de naleving van het verdrag controleren. In de eerste maanden van het jaar zijn 180 inspecteurs opgeleid, van wie meer dan de helft in Nederland.

De Russische Doema heeft eerder dit jaar besloten het verdrag nog niet te ratificeren, vooral vanwege de hoge kosten van de vernietiging van de Russische chemische arsenalen. Nederland heeft hulp aangeboden bij de vernietiging van 6500 ton lewisiet in het plaatsje Kambarka. Het bilaterale verdrag over de samenwerking is zo goed als gereed voor ondertekening. Wat Nederland betreft, kan vervolgens onmiddellijk worden begonnen met de voorbereidingen van de eerste fase van het samenwerkingsproject: de zuivering van verontreinigde grond rondom de opslagplaats.

1.4 Proliferatie NBC-wapens en overbrengingsmiddelen

Sinds 1994 houdt de «Defence Group on Proliferation» (DGP) van de Navo zich bezig met maatregelen tegen NBC-wapens en hun overbrengingsmiddelen. Voor de beleidsvorming bestudeerde de DGP de dreiging, de benodigde militaire middelen om de dreiging het hoofd te bieden en de vereiste aanpassingen aan onder meer de huidige middelen voor de verdediging tegen NBC-wapens. Daarbij wordt de nadruk gelegd op de bescherming van uitgezonden eenheden. De DGP werkt nu aanbevelingen uit. Ook heeft de DGP onlangs een conceptueel raamwerk voor de planning, de voorbereiding en de uitvoering van militaire operaties in een NBC-omgeving ontwikkeld. Andere belangrijke activiteiten binnen de Navo betreffen de gemeenschappelijke definiëring van de operationele behoeftestelling op het gebied van actieve verdediging en onderzoeken naar gemeenschappelijke materieelverwerving.

Ook de Nederlandse krijgsmacht verbetert de verdediging tegen NBC-wapens. De militaire inlichtingendienst zal meer aandacht besteden aan verwerving en analyse van inlichtingen over NBC-wapens. Bij Shape komt op korte termijn een databank over contraproliferatie om de bondgenootschappelijke informatie-uitwisseling te vergemakkelijken. Voor de actieve verdediging is de Tweede Kamer onlangs de behoeftestelling voor de volgende stap in het modificatieprogramma van de Patriot grond-lucht geleide wapens aangeboden. Dit betreft de vuurleiding, de lanceerinrichtingen en de aanschaf van extra raketten. De Koninklijke marine zal de studie naar een rol van de fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse bij de verdediging tegen ballistische raketten eind 1997 voltooien.

De krijgsmacht verbetert ook de passieve verdediging. Binnen enkele jaren zal de bescherming van de individuele militair op een hoger niveau worden gebracht. Gasmaskers krijgen betere filters en er wordt onderzoek gedaan naar betere beschermende kleding. Bovendien loopt bij de Koninklijke landmacht een onderzoek naar de verwerving van speciale apparatuur voor de detectie en de analyse van chemische stoffen. De Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht hebben onlangs een nieuw NBC-waarschuwingssysteem aangeschaft. Met TNO wordt de detectie van biologische strijdmiddelen onderzocht.

1.5 Vredesoperaties en humanitaire hulp

1.5.1 Algemeen

De krijgsmacht heeft, naast het verdedigen van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied, tot taak deel te nemen aan vredesmissies en humanitaire operaties in het buitenland. Nederland blijft bereid zijn internationale verantwoordelijkheid te dragen. Omdat de herstructurering nog niet geheel is afgerond, staat nog niet het volledige potentieel van de krijgsmacht ter beschikking. Bovendien wordt elk verzoek aan een vredesoperatie bij te dragen getoetst aan het «Toetsingskader voor uitzending van militaire eenheden» (Kamerstukken II 1993/94, 23 591, nr. 5). Het gaat hierbij om aandachtspunten en niet om harde criteria waaraan altijd voldaan moet zijn. Er is immers sprake van een grote verscheidenheid van conflicten en een zich nog steeds ontwikkelende veiligheidssituatie. Bij de besluitvorming inzake de deelneming van Nederlandse militairen is het Toetsingskader flexibel genoeg gebleken om toepasbaar te zijn bij sterk uiteenlopende situaties.

De ervaringen met vredesoperaties van de afgelopen jaren hebben duidelijk gemaakt dat een sterke positie van een vredesmacht tegenover de betrokken partijen nodig is. Zij moeten worden ontmoedigd geweld te gebruiken. Ook vredebewarende eenheden, optredend onder hoofdstuk VI van het VN-Handvest, dienen over middelen te beschikken om escalatie het hoofd te kunnen bieden. Een vredesoperatie sluit robuust optreden dus niet uit. De mogelijkheid daartoe kan bijvoorbeeld worden gewaarborgd door een snelle-reactiemacht toe te voegen aan de vredesmacht.

Ook is duidelijk geworden dat de VN als organisatie minder geschikt zijn voor het leiden van grote militaire operaties. Op operaties als Desert Storm of Sfor zijn de VN niet berekend. Grote militaire operaties onder hoofdstuk VII van het VN-Handvest moeten bij voorkeur worden uitgevoerd door een «coalition of the willing» onder leiding van een groot land – of een regionale organisatie – dat op zulke operaties is berekend. De eenheden moeten op elkaar zijn ingespeeld en elkaars werkmethoden kennen. De Navo, die borg staat voor goed gecoördineerd militair optreden, bewijst in Bosnië dat zij in staat is zo'n zware operatie uit te voeren. Overigens kunnen de VN wel als initiator optreden van hoofdstuk VII-operaties. De Veiligheidsraad moet uiteraard de operaties mandateren.

De klassieke vredesoperatie hield in dat een vredesmacht toezicht hield op nakoming van een tussen staten overeengekomen bestand na beëindiging van een gewapend conflict. De vredesoperaties van de tweede generatie worden vaak uitgevoerd naar aanleiding van conflicten binnen staten, waarbij vaak ook andere staten zijn betrokken en waarbij gelijktijdig moet worden gewerkt aan de bestuurlijke en economische (weder)opbouw van het land. De context waarin deze operaties worden uitgevoerd is dus ingewikkelder en de taken van de missie zijn ruimer.

Een goede aanpak van dergelijke operaties vergt van meet af aan een intensieve samenwerking met civiele organisaties. Het operatieplan zou daarin moeten voorzien. Er is sprake van een toenemende wederzijdse afhankelijkheid: het succesvol optreden van militairen is in toenemende mate afhankelijk van het optreden van civiele organisaties. Omgekeerd kan de krijgsmacht de voorwaarden scheppen waarbinnen anderen hun taken kunnen uitvoeren. De primaire taak van de militaire eenheden is het vestigen van een zekere mate van stabiliteit en orde in een crisisgebied.

In vredesoperaties dient het militaire optreden gepaard te gaan met activiteiten gericht op wederopbouw en verzoening. Militaire taken, zoals het toezien op de naleving van een akkoord, op een troepenscheiding en op demobilisatie van personeel, vinden dan gelijktijdig plaats met de terugkeer van vluchtelingen, de wederopbouw van de economie, het ruimen van mijnen, het leveren van humanitaire hulp, de voorbereiding van verkiezingen en het herstel van het nationale bestuur. Daarbij kunnen de internationale inspanningen zich richten op assistentie van de autoriteiten en ook, als de overheidsorganisatie is ingestort, op het overnemen van een of meer overheidstaken. Geïntegreerde plannen en een goede coördinatie tussen de verschillende civiele en militaire actoren zijn vereist. Bij het ontbreken daarvan dreigen, zeker op wat langere termijn, de militaire inspanningen niet hun uiteindelijke doel, een duurzame oplossing van het conflict, te bereiken.

Militairen moeten de weg weten in de wirwar van internationale organisaties en bekend zijn met de werkwijze van non-gouvernementele organisaties (NGO's). In de opleiding voor militairen zal daarom meer nadruk worden gelegd op civiel-militaire samenwerking. Verder worden bij de staf van uitgezonden Nederlandse eenheden ter grootte van een bataljon secties gevormd die speciaal met deze taak zijn belast. Bij de staf van de Nederlandse eenheden in het voormalige Joegoslavië is daarmee al goede ervaring opgedaan. Inmiddels heeft de Navo voorgesteld een «Civil-military-Cooperation-Battalion» te vormen. Ook Nederland is gevraagd hieraan een bijdrage te leveren. Overigens moeten over de organisatie en de samenstelling van zo'n bataljon nog besluiten worden genomen. Zulke eenheden voor civiel-militaire samenwerking («Cimic-eenheden») kunnen een belangrijke rol vervullen in de contacten met de nationale en plaatselijke civiele autoriteiten, de bevolking, internationale organisaties en non-gouvernementele organisaties. De Cimic-eenheden zouden ook kleine hulpprojecten ten behoeve van de plaatselijke bevolking kunnen coördineren. Militairen hebben hierbij overigens vooral een taak bij het identificeren van projecten en het ondersteunen van de uitvoering. In de meeste gevallen worden deze projecten gefinancierd door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

Defensie heeft ook de contacten in Nederland met de niet-gouvernementele organisaties uigebreid. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking speelt hierbij een bemiddelende rol. Enkele NGO's geven les aan militaire opleidingscentra, bijvoorbeeld de School voor Vredesoperaties, onder meer om de militairen meer inzicht te geven in de cultuur van de bevolking in het operatiegebied en in het omgaan met de bevolking. De Koninklijke landmacht heeft met het Nederlandse Rode Kruis een intentieverklaring getekend voor samenwerking op het gebied van opleidingen. NGO's zijn ook bereid met Defensie samen te werken bij de voorbereiding van de hulpprojecten die door Nederlandse militairen worden uitgevoerd tijdens een vredesoperatie.

1.5.2 Militaire aansturing CDS

In overeenstemming met de brief van 20 oktober 1995 over de militaire aansturing van de Nederlandse deelneming aan crisisbeheersings- en vredesoperaties (Kamerstukken II 1994/95, 24 464, nr. 1), is de Chef Defensiestaf (CDS) belast met de planning, de beleidsadvisering over de militaire aspecten en het toezicht op de uitvoering van dergelijke operaties. De in die brief verwoorde besluiten en voornemens hebben inmiddels vorm gekregen. De binnen de Defensiestaf met genoemde taken belaste souschef Operatiën geeft sinds vorig jaar leiding aan een vernieuwd en versterkt Defensiecrisisbeheersingscentrum (DCBC). Het DCBC fungeert als het nationale en internationale aanspreekpunt en coördinatiecentrum voor alle op Defensie betrekking hebbende militaire aspecten van vredesoperaties waaraan Nederlandse militairen deelnemen of mogelijk zullen deelnemen.

Het DCBC verzamelt en verwerkt informatie ter ondersteuning van de besluitvorming over en de sturing van vredesoperaties. De resultaten worden aan de politieke leiding en de bevelhebbers gepresenteerd. Er is dankzij een continue bezetting en een moderne technische infrastructuur voortdurend contact mogelijk met de krijgsmachtdelen en het bij grote operaties uitgezonden Nederlandse contingentscommando. Bij kleinere operaties wordt contact onderhouden met de «Senior National Representative».

Een contingentscommando is voor het eerst bij Ifor in Bosnië-Herzegowina ingesteld. Ook bij Sfor is een dergelijk commando actief. De contingentscommandant is verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de CDS over het verloop van de operatie en de taakuitvoering van de Nederlandse eenheden. Deze informatievoorziening over de onder internationaal bevel opererende Nederlandse eenheden blijkt van groot nut bij de aansturing. De contingentscommandant ziet er ook op toe dat de Nederlandse eenheden worden ingezet met inachtneming van de voorwaarden waaronder zij aan de operationele commandant ter beschikking zijn gesteld.

1.5.3 Evaluatie Ifor

Met de militaire bijdrage aan Ifor en de besluitvorming daarover zijn belangrijke ervaringen opgedaan. Steeds is bij de besluitvorming over de Nederlandse militaire bijdrage aan Ifor aandacht besteed aan de verschillende elementen van het Toetsingskader. Wel was de voorbereidingstijd voor de missie kort. Dat vergde van menigeen in de defensie-organisatie een extra krachtsinspanning. Dat gold in het bijzonder voor de eenheden die zich aanvankelijk voorbereidden op een taak in het verband van de «United Nations Protection Force» (Unprofor) en zich vervolgens moesten omschakelen op uitzending in het kader van de door de Navo geleide Ifor. De informatievoorziening tijdens de operatie was voldoende, dankzij het contingentscommando, het DCBC en werkbezoeken aan de Nederlandse eenheden.

Ifor opereerde op grond van de op 15 december 1995 door de Veiligheidsraad aanvaarde resolutie 1031, waarbij machtiging werd verleend voor een optreden onder hoofdstuk VII van het VN-Handvest. De leiding en de uitvoering van de operatie berustten bij de Navo, overeenkomstig Annex 1 A bij het akkoord van Dayton. De Navo-commandostructuur was helder. De in de genoemde annex geformuleerde militaire opdracht was duidelijk en bleek op grond van het mandaat, de samenstelling en de uitrusting van de troepenmacht, alsmede de «rules of engagement», goed uitvoerbaar. De aan de operatie verbonden risico's waren in de planningsfase van de operatie geïnventariseerd. Omvang, uitrusting en wijze van optreden van Ifor bleken voldoende om de partijen tot naleving van de militaire aspecten van het akkoord van Dayton te bewegen. In de praktijk bleken mijnen, ongesprongen explosieven en het verkeer de grootste gevaren.

Steun bij de wederopbouw en humanitaire hulp bleken de uitvoering van de militaire taak ten goede te komen. De door Nederlandse militaire eenheden begonnen kleine hulpprojecten, gefinancierd door Ontwikkelingssamenwerking, droegen niet slechts bij tot de geloofwaardigheid en de acceptatie van de Nederlandse eenheden bij de plaatselijke bevolking, maar kwamen ook de motivatie van het eigen personeel ten goede. De militaire taakuitvoering liet ruimte voor dergelijke niet strikt militaire taken.

De Nederlandse eenheden waren onder Brits operationeel bevel geplaatst. Tussen Groot-Brittannië en Nederland is hierover een «memorandum of understanding» gesloten. De samenwerking met de Britten verliep goed. Ook met eenheden van andere aan de operatie deelnemende landen deden zich geen problemen voor. De Nederlandse eenheden waren op grond van eerdere ervaringen en overeenkomstig Navo-regels zodanig uitgerust dat ze voor logistieke ondersteuning niet van derden afhankelijk waren. Dit droeg in belangrijke mate bij tot een succesvol optreden. Ook voor de medische zorg kon in het algemeen niet worden teruggevallen op andere landen. Deze aspecten verdienen bij toekomstige operaties aandacht.

De ervaringen met Ifor hebben nog eens het belang van een tijdige gereedstellingsopdracht aangetoond. Een gereedstellingsopdracht voor een bepaalde missie behoort aan een besluit tot uitzending vooraf te gaan. Zo zijn eind 1996 Nederlandse militairen gevaccineerd in verband met mogelijke uitzending naar Zaïre vóór een definitief besluit tot uitzending kon worden genomen. De voorbereiding van de eenheden blijkt te zijn gebaat bij openbaarmaking van de gereedstellingsopdracht. Bij de besluitvorming rond Nederlandse deelneming aan Ifor werd de gereedstellingsopdracht op 13 oktober 1995 gegeven. Dat was een dag na het formele verzoek van Saceur om aan te geven welke eenheden voor de troepenmacht ter beschikking konden worden gesteld en ruim vóór het formele besluit tot deelneming aan Ifor. Ook bij de voorbereiding op mogelijke deelneming aan Sfor zijn gereedstellingsopdrachten verstrekt vóór het definitieve besluit tot inzet. Onderzocht wordt of inenting in een vroeg stadium van een beperkte groep militairen de snelle-reactiecapaciteit van de krijgsmacht kan vergroten.

De vereiste flexibiliteit in het optreden van eenheden blijkt soms te worden beperkt door de samenstelling van een detachement aan te strakke personeelsplafonds te binden. Uiteraard zijn er politieke en financiële redenen om grenzen te stellen, maar deze mogen niet te streng zijn: een verantwoorde taakuitvoering staat centraal. Met het oog op de taakuitvoering en de daarvoor vereiste professionaliteit, waarvan «teambuilding» een onmisbaar onderdeel vormt, verdient het aanbeveling bij uitzending uit te gaan van organieke eenheden, zeker als de voor een missie geboden voorbereidingstijd kort is. Aan dergelijke eenheden kunnen voor de missie geschikte ondersteunende elementen worden toegevoegd. Die zijn vaak vereist als de eenheden met een hoge mate van zelfstandigheid moeten kunnen optreden.

1.5.4 Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties

Voor humanitaire en vredesoperaties zijn nu in totaal ongeveer 1600 Nederlandse militairen uitgezonden. Hierbij zijn de ongeveer 250 militairen die tijdelijk zijn uitgezonden ter versterking van Sfor tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in Bosnië niet meegerekend. Het gaat om een versterkte compagnie mariniers, twee ploegen van het Korps commandotroepen, een EOD-team en drie Bölkow-helikopters. Voorts maken een mortiercompagnie van het Korps mariniers en een mariniersbataljon deel uit van de reserve van Sfor. De uitgezonden militairen roteren ieder half jaar. Daarnaast bereidt ieder half jaar een groep van dezelfde omvang zich voor op uitzending. De onderstaande tabel bevat een overzicht van de huidige Nederlandse bijdragen.

OVERZICHT NEDERLANDSE BIJDRAGE Situatie per 1 september 1997
Operaties/Programma's per regioAantal personen
1. Voormalig Joegoslavië onderverdeeld in:  
Sfor/Joint Guard 
Staf contingentscommando46
Kmar-detachement18
Mechbat (incl. logcie, eod-det en kct-det)1 031
NL detachement Italië (F-16 Villafranca, Vicenza, Jacotenente, Napels)171
Mortier-opsporingsradar batterij31
EOV-compagnie35
EOD-det (9 Klu/2 Kl)11
Militairen t.b.v. div. Sfor-Hoofdkwartieren (nationaal en Navo)103
  
Subtotaal1 446
  
EU/ECMM49
VN/UNIPTF (55 Kmar)55
VN/Untaes (5 Kl/1 Klu)5
  
Subtotaal109
  
2. Cambodja  
UNDP/CMAC (Kl)1
  
3. Midden-Oosten  
Untso (3 Km; 6 Kl; 3 Klu)12
  
4. Angola  
Unops (2 Kl)2
  
5. Moldavië  
OVSE-waarnemer (Kl)1
  
6. Albanië  
Mape (3 Kmar)3
  
Subtotaal19
Totaal generaal1 574

1.5.5 Voormalig Joegoslavië

In december 1996 is Ifor opgevolgd door Sfor. Aan deze operatie, «Joint Guard», nemen opnieuw Navo- en niet-Navo-landen deel. Evenals Ifor ziet Sfor toe op de naleving van het akkoord van Dayton. Mede omdat Sfor kleiner is dan Ifor, spelen reserve-eenheden een belangrijke rol in het operationele concept van de vredesmacht. Een belangrijk element in de Navo-planning is ook dat de vredesmacht, afhankelijk van de omstandigheden, stapsgewijs zal worden gereduceerd en zich in toenemende mate op afschrikking zal richten. Het mandaat van Sfor beslaat achttien maanden en loopt in juli 1998 af.

De landstrijdkrachten van Sfor zijn verdeeld over drie multinationale sectoren. De Nederlandse grondtroepen opereren met een gemechaniseerd bataljon en een mortieropsporingsradarbatterij van de Koninklijke landmacht in de door de Britten geleide sector. Nederland levert ook aanvullend stafpersoneel aan het hoofdkwartier van Sfor. Ook zijn, op nationale basis, een contingentscommando en een detachement van de Koninklijke marechaussee uitgezonden. Een F-16-detachement van de Koninklijke luchtmacht maakt deel uit van de luchtcomponent van Sfor. De Nederlandse bijdrage bedraagt in totaal ongeveer 1 450 militairen. Zo nodig worden een F-60 vliegtuig voor medische evacuatie, een C-130 transportvliegtuig, een KDC-10 tankervliegtuig en het in Sigonella (Italië) gestationeerde maritieme patrouillevliegtuig ingezet. Saceur kan voorts ter ondersteuning van «Joint Guard» een beroep doen op de al onder zijn bevel staande Navo-taakgroep in de Middellandse Zee, waarvan ook een Nederlands fregat deel uitmaakt.

Nederland heeft Saceur laten weten dat hij zo nodig een beroep kan doen op de genoemde reserve-eenheden. De regering heeft aan de inzet van Nederlandse reserve-eenheden de voorwaarde verbonden dat zij hiermee tevoren heeft ingestemd.

Nederland draagt 55 marechaussees bij tot de «United Nations International Police Task Force» (UNIPTF), die op grond van het akkoord van Dayton toezicht houdt op een goede rechtshandhaving door de partijen in Bosnië. De UNIPTF ziet toe op het functioneren van de civiele politie en geeft aanwijzingen, maar voert zelf geen politietaken uit. Het mandaat van de UNIPTF loopt in december 1997 af.

In het akkoord van Dayton is een overeenkomst over regionale stabiliteit opgenomen. Op grond hiervan zijn onder auspiciën van de OVSE wapenbeheersingsonderhandelingen gevoerd. In januari 1996 is een akkoord van kracht geworden over vertrouwenwekkende en veiligheidsbevorderende maatregelen in Bosnië-Herzegowina. In juni 1996 hebben de partijen in Bosnië-Herzegowina, Kroatië en de Federale Republiek Joegoslavië afspraken gemaakt over limieten voor tanks, pantservoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters. Bij de vaststelling van de limieten is uitgegaan van 75 procent van de bestanden van de Federale Republiek Joegoslavië. Dit heeft tot gevolg dat de partijen wapensystemen moeten vernietigen in een aantal categorieën. Daarvoor hebben zij de tijd tot 1 november 1997. In het kader van de OVSE zijn al enkele inspecties uitgevoerd. Een nieuwe ronde van besprekingen moet leiden tot een wapenbeheersingsovereenkomst tussen de landen in en om het voormalige Joegoslavië.

In verband met het voorzitterschap van de EU heeft Nederland in de eerste helft van 1997 de «European Community Monitor Mission in Former Yugoslavia» (ECMM) geleid. Deze missie volgt politieke, humanitaire en economische ontwikkelingen in het voormalige Joegoslavië en Albanië en rapporteert hierover aan de EU-lidstaten. Nederland heeft in de eerste helft van 1997 57 militairen en zes functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het ECMM-hoofdkwartier beschikbaar gesteld. In de tweede helft van 1997 bekleedt Luxemburg het voorzitterschap. Aangezien Luxemburg over onvoldoende capaciteit beschikt om het hoofdkwartier van de missie te bemannen, blijft de leiding van de missie in Nederlandse handen en verleent ons land ook personele ondersteuning met 33 militairen en met vijf functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tevens levert Defensie achttien waarnemers aan de ECMM. Met het Mine Action Centre (MAC) is overeengekomen dat twee ontmijningsinstructeurs vanaf begin oktober voor drie maanden ten behoeve van het MAC zullen worden ingezet.

1.5.6 Andere vredesoperaties

De multinationale beschermingsmacht die tot 12 augustus 1997 onder de naam Alba in Albanië was ontplooid, was een gelegenheidscoalitie van Europese landen, waarbinnen Italië de leidende rol vervulde. De Weu heeft een politiemissie naar Albanië gestuurd, het «Multinational Advisory Police Element» (Mape). Het Mape adviseert de Albanese regering over het herstel van het politie-apparaat en de hiervoor vereiste organisatiestructuur en opleidingen. Deze Weu-missie telt 28 personen, onder wie drie functionarissen van de Koninklijke marechaussee, en staat onder leiding van een Franse kolonel. Het mandaat van het Mape loopt op 12 oktober af.

Nederland heeft tot aan het einde van het mandaat, 1 juli 1997, bijgedragen aan de «United Nations Angola Verification Mission». Nederland zal een bijdrage blijven leveren aan de mijnenruimingsschool in Luanda.

In het kader van de OVSE neemt Nederland nog steeds deel aan de missie in Moldavië. De missie heeft tot belangrijkste taak ertoe bij te dragen dat de bij het conflict betrokken partijen hun geschillen oplossen.

In het Midden-Oosten nemen twaalf Nederlandse waarnemers deel aan de «United Nations Truce Supervision Organisation» (Untso), die toeziet op de handhaving van de bestandslijnen tussen Israël en zijn buurstaten. Untso bestaat uit drie waarnemersgroepen: Golan, Libanon en Egypte. Nederland participeert in de waarnemersgroepen op de Golan en in Libanon.

Het bevel over de «United Nations Disengagement Force», die op de hoogvlakte van Golan toeziet op de uitvoering van het Israëlisch-Syrische akkoord van 1974, berust niet langer bij een Nederlandse militair. Zijn termijn is, na met een half jaar te zijn verlengd, per 1 juni 1997 afgelopen.

Nederland heeft van 22 maart 1997 tot en met 20 april 1997 met het fregat Hr.Ms. Van Galen en het bevoorradingsschip Hr.Ms. Amsterdam deelgenomen aan de «Multinational Interception Force» (Mif) in de Arabische Golf om toe te zien op de naleving van de VN-sancties tegen Irak. De Mif, waaraan de Verenigde Staten en Groot-Brittannië permanent deelnemen, verhoogt de effectiviteit van de VN-sanctiemaatregelen. In het kader van Unscom houden inspectieteams toezicht op Iraakse chemische installaties. Nederlandse militairen nemen hieraan incidenteel deel.

Nederland heeft besloten de bijdrage aan het «Cambodian Mine Action Centre» (CMAC) opnieuw met een jaar te verlengen, tot april 1998. De behoefte aan mijnenruimers blijft onverminderd groot. Nederland is vanaf 1992 betrokken bij de ontmijningsactiviteiten in Cambodja. Een Nederlandse officier van de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) geeft leiding aan de EOD-afdeling van het CMAC. Deze afdeling leidt Cambodjanen op tot EOD-er en begeleidt de teams in het veld. Vanaf 1 oktober 1997 tot april 1998 zal Nederland tevens een verbindingsfunctionaris aan het CMAC ter beschikking stellen.

In de memorie van toelichting bij de defensiebegroting voor 1997 is de Kamer ingelicht over plannen voor een snel inzetbaar hoofdkwartier bij de Verenigde Naties. De organisatie van het hoofdkwartier is het afgelopen jaar gewijzigd. Aanvankelijk was een hoofdkwartier voorzien van 30 tot 50 stafofficieren, dat bij de VN zou worden gevestigd. Inmiddels is besloten de permanente bezetting van het hoofdkwartier te verkleinen tot acht stafofficieren, terwijl dertig functionarissen binnen het VN-secretariaat een dubbelfunctie krijgen. Zij zijn dan mede inzetbaar voor het hoofdkwartier. Een derde groep van twintig stafofficieren maakt wel deel uit van het hoofdkwartier, maar de betrokken officieren blijven in hun land van herkomst gestationeerd. Nederland wil een officier leveren voor de derde groep.

Een belangrijk voorstel ter verbetering van het «United Nations Standby Arrangements System» (Unsas) is het Deense voorstel voor een multinationale «UN Stand-by Forces High Readiness Brigade» (Shirbrig). Op 15 december 1996 heeft Nederland met zes andere landen de «letter of intent» inzake de oprichting van de Shirbrig ondertekend. In juni 1997 is de kernbrigadestaf van de Shirbrig opgericht, waaraan tot dusver Denemarken, Canada, Oostenrijk en Zweden deelnemen. De regering acht een breder internationaal draagvlak voor de Shirbrig wenselijk alvorens te besluiten aan de kernbrigadestaf deel te nemen. Op dit ogenblik neemt Nederland als waarnemer deel aan de Stuurgroep van de Shirbrig.

Een andere bijdrage aan de versterking van de snelle-reactiecapaciteit van de VN betreft de initiatieven van enkele Europese landen en de Verenigde Staten om de peacekeeping-capaciteit van Afrikaanse landen te vergroten. Binnenkort zal de Secretaris-Generaal van de VN met een rapport over dit onderwerp komen. Daarin zal ook worden ingegaan op de afstemming van de verschillende initiatieven. Nederland heeft zich al eerder in beginsel bereid verklaard op beperkte schaal bij te dragen tot de versterking van de Afrikaanse peacekeeping-capaciteit en zal verzoeken terzake van de VN dan ook welwillend in overweging nemen.

HOOFDSTUK 2: ACTUALISERING PRIORITEITENNOTA

2.1 Evaluatie Prioriteitennota

De Prioriteitennota was een reactie op het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De grote militaire dreiging in het hart van Europa, waarmee de Defensienota nog rekening hield, was verdwenen. Spanningen en conflicten elders leidden tot meer aandacht voor crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties. Ook moesten de plannen worden aangepast aan de structurele bezuinigingen waartoe na de publicatie van de Defensienota was besloten. Er bleef uiteraard behoefte aan een toereikende, goed uitgeruste krijgsmacht. In de eerste plaats omdat veiligheidsrisico's niet kunnen worden uitgesloten. In de tweede plaats omdat Nederland actief en zonodig met militaire middelen moet kunnen bijdragen aan veiligheid en stabiliteit in Europa en daarbuiten en aan de handhaving van de internationale rechtsorde.

De Prioriteitennota noemde als hoofdtaken voor de krijgsmacht «de uitvoering van crisisbeheersingstaken in het kader van het Nederlandse veiligheidsbeleid, en de bescherming van de integriteit van het eigen en bondgenootschappelijke gebied en tegen een bedreiging van het eigen territoir als gevolg van deelname aan een crisisbeheersingsoperatie». Voor de crisisbeheersingstaak werd als uitgangspunt gehanteerd dat Nederland in beginsel bereid en in staat moet zijn gedurende langere tijd in internationaal verband een bijdrage te leveren aan een breed spectrum van vredebewarende en vrede-afdwingende activiteiten. Voor operaties in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging kon volgens de Prioriteitennota worden uitgegaan van een kleinere krijgsmacht en van een langere waarschuwingstijd. In geval van gelijktijdige conflicten zou de verdediging van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied prioriteit hebben. Naarmate dit risico minder groot was, konden Nederlandse eenheden ook elders worden ingezet.

Dit vereiste een bezinning op de structuur en de omvang van de krijgsmacht en het wezen van een kader-militiekrijgsmacht. Voor vredesoperaties moeten eenheden snel inzetbaar zijn. Dit maakte de overgang naar een vrijwilligerskrijgsmacht gewenst. Besloten werd tot opschorting van de opkomstplicht. Dit betekende een verdere herstructurering en verkleining van de krijgsmacht: voor een goede operationele taakuitvoering moest het direct inzetbare potentieel worden versterkt. Zowel de parate als de mobilisabele component voor de bondgenootschappelijke verdediging konden worden verkleind. De herstructurering zou in 1998 grotendeels zijn voltooid.

Sinds de Prioriteitennota zijn enkele jaren verstreken. De internationale ontwikkelingen van de afgelopen jaren geven, zoals eerder werd opgemerkt, geen aanleiding de beginselen en de uitgangspunten die ten grondslag lagen aan de herstructurering en de verkleining fundamenteel te herzien. De beide hoofdtaken van de krijgsmacht behouden hun geldigheid. Wel zijn zij wat de wijze van uitvoering betreft meer in elkaars verlengde komen te liggen. Ook de middelen voor de taken, beschreven in de Prioriteitennota, blijven dezelfde. Dat betreft in het bijzonder de instandhouding van een capaciteit voor gelijktijdige deelneming aan ten hoogste vier vredesoperaties. Een nieuwe, ingrijpende aanpassing van de omvang en de structuur van de krijgsmacht is dan ook niet aan de orde.

De omvang van de krijgsmacht blijft primair bepaald door de gewenste slagvaardigheid, flexibiliteit en directe inzetbaarheid van eenheden voor crisisbeheersingsoperaties. Het parate gedeelte van de krijgsmacht moet de beide hoofdtaken kunnen vervullen en zal blijven bestaan uit:

– direct beschikbare gevechts- en ondersteunende eenheden voor crisisbeheersing én voor beveiliging van het bondgenootschappelijke gebied;

– eenheden voor nationale (vredes)taken, onderhoud, technische reserve en vervanging van vredesverliezen;

– capaciteit voor opleiding en training, die tevens de kern is voor de vorming van eenheden die uitsluitend nodig zijn voor een groot conflict.

2.2 Ervaringen

De afgelopen jaren zijn de defensie-uitgaven sterk gedaald: de defensiebegroting voor 1998 is in reële termen ruim een kwart lager dan die voor 1990. Tegen die achtergrond zijn de afgelopen jaren de herstructurering en de verkleining van de krijgsmacht en de doelmatigheidsoperatie ten gevolge van de Novemberbrief (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 8 herdruk) uitgevoerd. Het personeelsbestand van de krijgsmacht is aanzienlijk verkleind en ingrijpend gereorganiseerd. De personeelssterkte is ongeveer veertig procent lager dan in 1990. In een aantal wapencategorieën zijn vergaande reducties doorgevoerd. Tegelijkertijd zijn belangrijke materieelprojecten uitgevoerd met het oog op vergroting van de flexibiliteit en de mobiliteit. De herstucturering en de verkleining vormen een ingrijpend proces voor de gehele organisatie, in het bijzonder voor het personeel, te meer omdat de krijgsmacht tijdens dit veranderingsproces toch aan vredesoperaties moest blijven bijdragen.

Op materieelgebied was niet alleen sprake van ingrijpende reducties: ook de verscheidenheid in materieel is toegenomen. Dat stelt nieuwe eisen aan de opleidingen, de onderhoudsorganisatie en de voorzieningen voor «command and control». Enkele materieelprojecten werden de speerpunten van de geherstructureerde krijgsmacht: het amfibische transportschip, de transport- en de bewapende helikopters en de transportvliegtuigen. Andere belangrijke materieelprojecten zijn de vervanging van het bevoorradingsschip Poolster, de vervanging van fregatten, waaronder die van de Tromp-klasse, de gevechtswaardeverbetering van de Leopard-2 tank en de «Midlife update» van de F-16. Om te verzekeren dat de krijgsmacht blijft beschikken over voldoende en hoogwaardig materieel, is het van belang dat de investeringsquote op een aanvaardbaar niveau blijft. De ervaringen in crisisbeheersingsoperaties hebben opnieuw de aandacht gevestigd op de speciale eisen die aan de militair worden gesteld om de taken van de krijgsmacht onder alle omstandigheden naar behoren te vervullen. Dit sluit aan bij het beeld dat werd geschetst in het personeelshoofdstuk van de memorie van toelichting bij de Defensiebegroting voor 1997.

De ervaringen van de afgelopen vijf jaar met de herstructurering en de gelijktijdige uitvoering van vredesoperaties tonen dat de in de Prioriteitennota gekozen omvang en structuur van de krijgsmacht in het algemeen voldoen. Wel is in enkele gevallen de personele capaciteit te krap geraamd. Verder doen zich knelpunten voor ten aanzien van de beschikbaarheid en de geschiktheid van eenheden voor de operationele taken, zowel in het kader van crisisbeheersing als bij de voorbereiding op de algemene verdedigingstaak.

De knelpunten betreffen vooral het voortzettingsvermogen en de flexibiliteit van de gevechts- en ondersteunende eenheden in geval van uitzending. Voldoende voortzettingsvermogen, ook van ondersteunende eenheden, is een vereiste om deelneming aan operaties gedurende langere tijd te kunnen verzekeren. Ook in de toekomst moet de krijgsmacht voor een scala van opties inzetbaar zijn, van laag tot hoog in het conflictspectrum. De praktijk heeft geleerd dat de scheiding tussen het hogere en het lagere deel van het conflictspectrum verre van absoluut is. Ook vredebewarende eenheden moeten beschikken over zwaardere en beschermende middelen, zowel ter afschrikking als om escalatie het hoofd te kunnen bieden.

Deze knelpunten hebben gevolgen voor het vermogen van de krijgsmacht de opgedragen taken uit te voeren. In de praktijk doen de problemen zich het meest voor bij vredes- en humanitaire operaties. Maar ook zijn er gevolgen voor de voorbereiding op de algemene verdedigingstaak.

2.3 De actualisering bij de Koninklijke marine

Ook de operationele eenheden van het Korps mariniers kampen met knelpunten bij het voortzettingsvermogen. Voor inzet in vredesoperaties beschikt het Korps over twee parate bataljons en een beperkte ondersteunende capaciteit. De logistieke ondersteuning van te land opererende eenheden verspreid over uitgestrekte gebieden en afgelegen posten vereist een grotere inspanning dan was voorzien. Het intensieve gebruik van materieel bij crisisbeheersing stelt bovendien hoge eisen aan het onderhoud, dat op verschillende plaatsen wordt uitgevoerd. Voorts kan bij logistieke schaarste niet altijd op andere landen worden teruggevallen. Versterking van de logistieke ondersteuning van de parate eenheden van het Korps mariniers is daarom noodzakelijk.

Door toevoeging van in totaal 150 man aan de logistieke en gevechtssteunbataljons wordt het voortzettingsvermogen van het Korps mariniers verbeterd. Het extra personeel zal ten dele op nu nog mobilisabele functies worden geplaatst. Anderen worden aangetrokken voor nieuwe functies die worden gecreëerd om het verspreid opereren over uitgestrekte gebieden en afgelegen posten mogelijk te maken. Het gaat onder meer om chauffeurs, verbindingspersoneel en personeel voor het onderhoud. De uitbreiding betreft ook de bemanningen van de landingsvaartuigen en het landingsstrand-ondersteuningspeloton in verband met het in de vaart komen van het amfibische transportschip.

2.4 De actualisering bij de Koninklijke landmacht

2.4.1 Algemeen

Vooral bij de Koninklijke landmacht zijn aanpassingen nodig. Het voortzettingsvermogen en de flexibiliteit zijn geringer dan aanvankelijk werd aangenomen. De ervaring leert dat niet alleen sprake is van veelvuldige maar ook van langdurige inzet. Ook voor humanitaire hulpverlening wordt een fors beroep gedaan op de Koninklijke landmacht. Vooral in het voormalige Joegoslavië is gebleken dat eenheden bij inzet voor crisisbeheersing het hoofd moeten kunnen bieden aan escalerend geweld en robuust moeten kunnen optreden. Tevens dienen in de bedrijfsvoering de voorbereiding op zowel vredesoperaties als op algemene verdedigingstaken beter op elkaar te worden afgestemd.

In de Prioriteitennota is als norm gesteld dat het personeel maximaal zes maanden in anderhalf jaar kan worden uitgezonden. Dat betekent dat voor elke uit te zenden eenheid in beginsel twee andere aanwezig moeten zijn voor opleiding en aflossing. Dat is nodig om een voldoende voortzettingsvermogen te verzekeren. Deze driedeling heeft in de praktijk haar waarde bewezen. Voor het merendeel van de parate eenheden van de Koninklijke landmacht bestaat zo'n driedeling echter niet. Mede door deze ongelijkvormigheid worden bij uitzendingen nu veelal uit verschillende eenheden ad hoc eenheden geformeerd. Dit beperkt het voortzettingsvermogen en gaat ten koste van de opleiding, de oefening en de voorbereiding van de eenheden op de overige taken. Aanpassing van de divisiestructuur is dus gewenst. Bij de Luchtmobiele brigade is geen aanpassing nodig: die bestaat uit drie (parate) bataljons.

2.4.2 Herschikking binnen de divisie

De Koninklijke landmacht beschikt over drie (gedeeltelijk) parate brigades: de 11e Luchtmobiele, de 41e Lichte en de 13e Gemechaniseerde. Daarnaast zijn er twee mobilisabele gemechaniseerde brigades, de 43e en de 52e. De Lichte en de gemechaniseerde brigades behoren tot de Nederlandse divisie van het Duits-Nederlandse legerkorps. Om de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen binnen de divisie te verbeteren wordt overgegaan naar drie deels parate brigades die identiek zijn samengesteld (zie figuur 1).

In deze constructie kan een bataljon met ondersteunende eenheden van de eerste brigade zich voorbereiden op uitzending, kunnen eenheden van de tweede brigade worden uitgezonden en eenheden van de derde brigade recupereren na uitzending. Op deze wijze kan de Koninklijke landmacht steeds drie goed voorbereide, op elkaar ingespeelde, robuuste eenheden van bataljonsgrootte uitzenden, met inbegrip van de noodzakelijke mortier- en verkenningscapaciteit en logistieke ondersteuning. Ook kan elke brigade een goed geoefende brigadestaf gedurende een langere periode inzetten in internationaal verband. Bovendien bevordert deze herverdeling de bedrijfsvoering.

Figuur 1

kst-25600-X-2-1.gif

Om drie identieke brigades te vormen wordt de Lichte brigade omgevormd tot een gemechaniseerde brigade, de vijfde mobilisabele brigade (52e) opgeheven en wordt een mobilisabele gemechaniseerde brigade (43e) gedeeltelijk paraat gesteld. Dit laatste houdt concreet in dat een brigadestaf en een staf voor een pantserinfanteriebataljon paraat worden gesteld. De twee parate pantserinfanteriebataljons, die van de Lichte en de parate Gemechaniseerde brigade, worden herverdeeld over drie brigades, waardoor er een paraat pantserinfanteriebataljon bijkomt voor de derde parate brigade.

De gevechtskracht van de vijfde mobilisabele gemechaniseerde brigade wordt verdeeld over de drie overige brigades. Hierdoor wordt het mogelijk deze drie brigades uit te rusten met vier manoeuvrebataljons die elk vier compagnieën/eskadrons hebben («dubbel vierkant»). Zo kunnen de brigades nog beter worden toegesneden op het optreden volgens de doctrine van de beweeglijke oorlogvoering. Omdat de vijfde mobilisabele brigade wordt opgeheven, kan ook een belangrijk deel van de stafcapaciteit van deze brigade worden opgeheven. Hierdoor verbetert de verhouding tussen de staf en de gevechtseenheden («teeth-to-tail ratio») binnen de divisie.

De overgang naar een drie-brigadestructuur vergt ook een herverdeling van middelen tussen het divisieniveau en de brigades. Deze is nodig om onder andere verkenningscapaciteit aan de brigade ter beschikking te kunnen stellen en om de (modulaire) capaciteit van de brigadesteunende eenheden te kunnen verbeteren. Tevens worden voor deze brigade delen van artillerie-, genie-, verkennings-, geneeskundige en logistieke eenheden paraat gesteld. Voor een deel worden vergelijkbare eenheden op divisieniveau dan mobilisabel gesteld.

Situatie na herverdeling

13, 41, 43 Mechbrig, elk bestaande uit

1 Staf en stafcompagnie

2 Tankbataljons, waarvan één gedeeltelijk paraat en één mobilisabel

2 Pantserinfanteriebataljons, waarvan één gedeeltelijk paraat en één mobilisabel

1 Verkenningseskadron

1 Afdeling Veldartillerie

1 Pantsergeniecompagnie

1 Pantserluchtdoelartilleriebatterij

1 Herstelcompagnie

1 Bevoorradingscompagnie

1 Geneeskundige compagnie

De benodigde reorganisatie is mogelijk zonder grote uitbreiding van de formatie. Per saldo worden tot het jaar 2000 122 militairen voor staf-, logistieke en geneeskundige functies minder gereduceerd dan voorzien. Voor de personeelsuitbreiding zal op termijn elders binnen de gewenste sterkte van de Koninklijke landmacht compensatie worden gevonden. Er verdwijnen 1 400 mobilisabele formatieplaatsen.

De gelijkvormigheid van de drie brigades betreft zowel de samenstelling van de parate als de reservecomponent. De relatie tussen beide componenten zal als gevolg van de verdeling van de mobilisabele middelen directer worden. Alle reserve-eenheden vallen in de nieuwe structuur rechtstreeks onder de parate brigades of de divisietroepen. De verantwoordelijkheid voor de voorbereiding op de algemene verdedigingstaak, met inbegrip van de activering, zal dus geheel bij een (parate) moedereenheid berusten. Zodoende krijgt de commandant maximale invloed op de beschikbaarheid, de geschiktheid en de geoefendheid van zijn mobilisabele eenheden.

2.4.3 Genie

De geniecapaciteit moet worden aangepast. Meer dan voorzien wordt bij inzet van Nederlandse eenheden voor crisisbeheersing een beroep gedaan op genie-eenheden voor de ondersteuning van de eigen operaties en ten behoeve van de bevolking. Vaak is reparatie noodzakelijk van wegen en bruggen ter ondersteuning van het eigen optreden en moeten beschermende onderkomens voor de eigen troepen worden gebouwd. Het voortzettingsvermogen van de parate genie-eenheden is te beperkt gebleken. Het personeel wordt vaker uitgezonden dan volgens de norm toelaatbaar is. Inmiddels is besloten een genieconstructiecompagnie gedeeltelijk paraat te stellen. (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 119). Verdere uitbreiding van de beschikbare parate geniecapaciteit is gewenst.

Ter verbetering van het voortzettingsvermogen krijgt ook de genie een driedeling van eenheden. Zij wordt hiertoe uitgebreid met 78 genisten. Elke parate brigade kan dan beschikken over een grotendeels parate pantsergeniecompagnie, waarin de middelen zijn gegroepeerd die de brigadecommandant nodig heeft voor zijn taken in het gehele geweldsspectrum. Zonodig kunnen de genie-eenheden van de divisie aanvullende geniecapaciteit aan de brigades leveren. Door de verhoging van de sterkte en de verdeling van middelen wordt het mogelijk door samenvoeging van modules genie-eenheden te vormen die toereikend zijn samengesteld en uitgerust voor de te verrichten taak.

2.4.4 Korps commandotroepen

Bij het voortzettingsvermogen van het Korps commandotroepen (KCT) doen zich eveneens knelpunten voor. Tot dusver is binnen de krijgsmacht beperkt aandacht geschonken aan de inzetmogelijkheden van speciale eenheden, die vooral lange-afstandsverkenningen tot taak hadden. Intrastatelijke conflicten vereisen een andere vorm van optreden. De operaties in het voormalige Joegoslavië en elders hebben de waarde van kleine, gespecialiseerde eenheden aangetoond.

Het Korps beschikt thans slechts over één, deels parate compagnie, wat leidt tot een te hoge uitzendfrequentie voor het betrokken personeel. Het voortzettingsvermogen van het KCT wordt verbeterd door een uitbreiding met 87 commando's en door een organisatorische driedeling. Het Korps wordt herschikt tot een eenheid met drie deels parate commandotroepencompagnieën, die achtereenvolgens kunnen worden uitgezonden.

2.4.5 Consequenties voor de sterkte van de Koninklijke landmacht

De verbetering van de flexibiliteit en het voortzettingsvermogen betekent een verruiming van de sterkte van de Koninklijke landmacht ten opzichte van de Prioriteitennota. Door een aantal compenserende maatregelen, waaronder het mobilisabel stellen van vergelijkbare eenheden op divisieniveau, komt de aanpassing van de sterkte van de Koninklijke landmacht uit op 287. In totaal worden 1 400 mobilisabele formatieplaatsen opgeheven. De maatregelen ter verbetering van de flexibiliteit en het voortzettingsvermogen zullen in de periode van 1998 tot 2000 worden uitgevoerd.

Inmiddels is besloten de sterkte bij de genie en bij het KCT uit te breiden. Voor de uitbreiding van de sterkte met 122 militairen voor de drie-brigadestructuur zoekt de Koninklijke landmacht nog een oplossing binnen de gewenste sterkte voor het jaar 2000.

2.5 De actualisering bij de Koninklijke luchtmacht

De gewenste vergroting van de strategische mobiliteit – het vermogen eenheden over grote afstanden naar hun operatiegebied te verplaatsen – is voor een belangrijk deel verwezenlijkt. In de afgelopen drie jaar zijn vooral de middelen voor luchttransport uitgebreid. Maar het beroep op luchttransport blijkt groter te zijn dan in 1993 was voorzien.

In verband hiermee is besloten de bedrijfstijden van het luchttransportsquadron op de vliegbasis Eindhoven op werkdagen uit te breiden en structureel vast te stellen van 06.00 uur tot 21.00 uur. De uitbreiding van de bedrijfstijden heeft geen invloed op het aantal en de soort vluchten. De openstellingsuren van de basis worden niet gewijzigd. Net als in het verleden zal ook buiten de openstellingsuren gebruik van de basis incidenteel mogelijk zijn. Omdat de luchttransportvloot over de gehele wereld opereert, is het voor de bereikbaarheid van de basis noodzakelijk een coördinatiecentrum 24 uur per dag te bezetten.

Ook is het vliegersbestand aangepast: het aantal vliegers per vliegtuig moest voor een aantal vliegtuigtypen worden uitgebreid. Bovendien bleek meer en andersoortige specialistische kennis en ervaring nodig te zijn dan oorspronkelijk werd voorzien. Daarom is de sterkte van de Koninklijke luchtmacht voor de vliegbasis Eindhoven uitgebreid met 89 militairen en zes burgers.

Naast de strategische mobiliteit verdient ook de tactische mobiliteit extra aandacht. De Tactische helikoptergroep (THG/Klu) verschaft die in belangrijke mate. De organisatie van THG/Klu was in 1994 afgestemd op ondersteuning van de luchtmobiele brigade door de hele THG/Klu. De organisatie berustte voornamelijk op theoretische veronderstellingen. Inmiddels wordt al enige tijd geoefend en geopereerd, waarbij frequent een beroep op de helikopters wordt gedaan. Ook worden ervaringen uitgewisseld met andere landen die met soortgelijke middelen opereren, zoals Groot-Brittannië. Een en ander heeft tot de conclusie geleid dat de huidige personele omvang van de THG/Klu niet toereikend is. Mede omdat de THG/Klu zich nog in de opbouwfase bevindt, bestaat nog geen volledig inzicht in de uiteindelijke personeelsbehoefte. Voorshands is daarom besloten de sterkte van de Koninklijke luchtmacht voor de THG/Klu uit te breiden met 179 militairen. Gedurende de opbouw van de THG/Klu tot een volledig inzetbare eenheid met alle typen helikopters zal meer inzicht ontstaan in het opereren met de THG/Klu. De opbouwfase duurt tot 1 juli 2003, daarna zal de personeelsbehoefte opnieuw worden bezien. Verder wordt de strategische en tactische mobiliteit vergroot door de inzet van de Cougar-helikopter vanaf het amfibische transportschip (zie ook paragraaf 3.4.4).

2.6 De actualisering bij de Koninklijke marechaussee

Volgens de Prioriteitennota kon door de verkleining van de krijgsmacht de omvang van het personeel belast met militaire politietaken overeenkomstig worden verminderd. Door het overnemen van politie- en beveiligingstaken op het terrein van de burgerluchtvaart zou de sterkte van de Koninklijke marechaussee als geheel de eerste jaren ongeveer gelijk blijven.

In de praktijk is het aantal taken van de Koninklijke marechaussee dat voor andere ministeries wordt uitgevoerd echter verder toegenomen. De grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit is gegroeid. Het toezicht op vluchtelingen- en migratiestromen en de indamming van de internationale drugshandel hebben geleid tot een groter beroep op de Koninklijke marechaussee. De uitvoering van het verdrag van Schengen zal de vraag verder doen toenemen. Ook voor vredesoperaties groeit het beroep op de Koninklijke marechaussee voor taken als het herstel van het civiele gezag en de begeleiding van de plaatselijke politie. Hiermee dient bij het vaststellen van de formatie van de Koninklijke marechaussee rekening gehouden te worden.

De omvang van de militaire politietaak en de daarvoor benodigde personele sterkte van de Koninklijke marechaussee zijn inmiddels opnieuw vastgesteld. Op grond van de evaluatie zal de structuur van de militaire politiedienst worden aangepast en is een beperkte uitbreiding van de sterkte noodzakelijk: 87 marechaussees voor de militaire politietaak en 50 marechaussees wegens de toegenomen uitzendingen en het scheppen van flexibiliteit binnen de organisatie.

2.7 Explosieven- en mijnenruiming

In veel conflicten maken de strijdende partijen overvloedig gebruik van landmijnen en andere explosieven. Dat leidt tot veel burgerslachtoffers en tot grote economische schade. Landmijnen vormen ook een groot risico voor troepen die voor vredesoperaties worden ingezet. Hiermee is in de Prioriteitennota onvoldoende rekening gehouden. Ondanks internationale inspanningen om anti-personeelmijnen uit te bannen zal deze dreiging nog geruime tijd blijven bestaan. Daarom zal steeds vaker voor vredesoperaties, maar ook op verzoek van de VN-vluchtelingenorganisatie, de UNHCR, en van non-gouvernementele organisaties, een beroep worden gedaan op de Nederlandse krijgsmacht voor hulp bij ruiming van mijnen en andere ongesprongen explosieven.

Alleen het personeel van de Explosieven Opruimingsdiensten (EOD'en) van de krijgsmachtdelen kan met deze taak worden belast. EOD'ers moeten voldoen aan strenge eisen en volgen daarom een lange opleiding. Voordat zij zelfstandig kunnen werken, moeten zij bovendien ruime ervaring in dit buitengewoon gevaarlijke werk hebben opgedaan. Hoewel de wijze van werken van EOD-personeel bij de verschillende krijgsmachtdelen grotendeels dezelfde is, bestaan er toch verschillen in opleiding en uitrusting. Dit doet afbreuk aan de inzet bij vredesoperaties. Daarom is besloten de samenwerking van de EOD-eenheden van de krijgsmachtdelen te verbeteren. Uitrusting, opleiding en voorbereiding op uitzending voor vredesoperaties worden gestandaardiseerd en komen onder verantwoordelijkheid van de bevelhebber der landstrijdkrachten. Zo is Defensie beter in staat te reageren op verzoeken om bijstand van EOD-personeel in gebieden waar mijnen en andere ongesprongen explosieven een probleem zijn.

Voor het ruimen van alleen mijnen zijn slechts onderdelen van de specialistische EOD-kennis vereist. Er is veel vraag naar personeel dat in staat is in een crisisgebied aan de plaatselijke bevolking of militairen instructies te geven in het ruimen van mijnen. Het Genie Opleidingscentrum gaat ongeveer 80 militairen opleiden, die samen een pool zullen vormen. Onder hen zijn in ieder geval twintig ervaren genisten van de Koninklijke landmacht. Zij kunnen, als nevenfunctie, bij toerbeurt als instructeur worden ingezet. Het is niet de bedoeling dat de instructeurs zelf mijnen ruimen.

Vanaf december 1997 zullen de eerste twintig instructeurs beschikbaar zijn en tegen de zomer van 1998 zal de pool geheel gevuld en operationeel inzetbaar zijn. Het is de bedoeling teams samen te stellen van genisten met ervaring en militairen met uiteenlopende achtergronden die de opleiding tot instructeur hebben voltooid. Het is dan bijvoorbeeld mogelijk twee van deze teams tegelijk gedurende langere tijd op mijnenruimscholen instructie te laten verzorgen.

In de memorie van toelichting bij de begroting voor het jaar 1997 is meegedeeld dat twee sets met elk een mechanisch mijnruimmiddel en een mijndetectiesysteem zouden worden aangeschaft voor technische en operationele beproevingen met het oog op humanitaire mijnruimoperaties. De beproevingen van de twee mechanische mijnruimmiddelen van de Britse firma Aardvark beginnen binnenkort. De eerste resultaten hiervan komen in het voorjaar van 1998 beschikbaar. Besloten is af te zien van de aanschaf en de beproeving van detectiesystemen. Niet alleen is in het afgelopen jaar de prijs van het beoogde systeem een stuk hoger geworden, ook is de levertijd opgelopen tot bijna een jaar, zodat beproevingsresultaten pas omstreeks 2000 bekend zouden zijn. In dat jaar wordt ook het project HOM-2000 afgesloten, het onderzoek naar en de ontwikkeling van betere middelen voor het opsporen van mijnen. In het kader van dit project wordt ook een goedkoper detectiesysteem beproefd dan was voorzien in de memorie.

Het geld dat voor het detectiesysteem was gereserveerd, in totaal ongeveer f 8 miljoen, is overgeheveld naar het budget van HOM-2000. Dit budget, dat voor de onderzoeksfase een omvang had van f 7 miljoen, is inmiddels verhoogd tot f 20,8 miljoen. Het projectplan van HOM-2000 behelst twee fasen: een onderzoeks- en een ontwikkelingsfase. De eerste fase zal veertien maanden in beslag nemen. Op basis van de bevindingen wordt dan beslist of de ontwikkelingsfase kan beginnen. Deze tweede fase moet in 2000 uitmonden in een of meer prototypen van opsporingsmiddelen die voldoen aan de VN-norm: een betrouwbaarheidspercentage van 99,6. Het parlement wordt op de hoogte gehouden van de voortgang en de resultaten van de projecten Aardvark en HOM-2000.

In Nederland zelf groeit de vraag naar capaciteit om explosieven te ruimen. De ministeries van Binnenlandse Zaken en van Justitie vragen vaker om hulp bij de ruiming van geïmproviseerde explosieven. Bovendien zijn er vaak intensieve zoekacties naar conventionele explosieven, vooral uit de Tweede Wereldoorlog. De vraag naar zoekacties wordt sterk gestimuleerd door grote bouwactiviteiten (bijvoorbeeld Schiphol) en grote infrastructurele werken (bijvoorbeeld de Betuwelijn en de HSL).

2.8 Consequenties van de actualisering

In totaal wordt de gewenste sterkte van de krijgsmacht met 848 (842 militairen en zes burgers) uitgebreid. Dit betekent dat het verschil tussen de gewenste sterkte en de begrotingssterkte kleiner wordt en daarmee ook de overtolligheid. Dit betekent dat per saldo de personeelsreductie kleiner is. Hiertoe wordt de formatie ten opzichte van de Prioriteitennota verhoogd met 745. Het verschil tussen de uitbreiding van de gewenste sterkte (848) en de verhoging van de formatie (745) ontstaat door niet-beschikbaarheid, bijvoorbeeld wegens opleiding. Het aantal mobilisabele formatieplaatsen neemt met 1 400 af. De extra uitgaven voor deze en andere maatregelen in het kader van de actualisering worden binnen het budget opgevangen, vooral ten laste van het totaal van de exploitatie-uitgaven.

De Koninklijke landmacht heeft de inspanningsverplichting uiterlijk in het jaar 2000 voor een deel van de verhoging van formatie compensatie te vinden binnen de gewenste sterkte. Bij de Koninklijke luchtmacht zal de personele uitbreiding bij de Tactische helikoptergroep uiterlijk in 2003 nader worden bezien.

De reorganisatie bij de Koninklijke landmacht wordt door de herschikking van de gevechtskracht verlengd van 1998 tot 2000. Deze herschikking is geheel mogelijk binnen het materieelbestand voorzien voor 1998. Wel zijn voor ongeveer f 85 miljoen aan infrastructurele voorzieningen nodig. Dit wordt gecompenseerd door een daling van de behoefte aan investeringen in groot materieel.

Bij de verschijning van de Prioriteitennota stond het voortbestaan van de vijfde mobilisabele brigade ter discussie. In 1994 is de Kamer bericht dat deze brigade ook na de tot 1998 durende overgangsperiode zou worden gehandhaafd. Thans gaat het niet zozeer om de opheffing van de brigade als wel om een herverdeling van de gevechtskracht van deze brigade over de drie resterende brigades van de divisie. Hierover wordt overleg gevoerd met de Navo-bondgenoten.

HOOFDSTUK 3: DE KRIJGSMACHT

3.1 Algemeen

De reorganisatie van de krijgsmacht zal in 1998 grotendeels zijn voltooid, maar krijgt door de actualisering van de Prioriteitennota een bescheiden vervolg. De krijgsmacht kan daardoor haar taken naar behoren blijven uitvoeren.

Tot die taken behoort, naast de algemene verdedigingstaak en deelneming aan vredesoperaties, de militaire bijstand en steunverlening. Afhankelijk van de uit te voeren taken dragen alle krijgsmachtdelen daaraan bij.

3.1.1 Zorg voor het personeel

Personeel is een factor van beslissende betekenis in de krijgsmacht. De invoering van nieuwe wapensystemen, de uitbreiding van taken met vredesoperaties, reorganisaties en veranderingen in bedrijfsvoering kregen gelijktijdig met de inkrimping van het personeelsbestand hun beslag. Een kleiner personeelsbestand moet meer en betere prestaties leveren. De hogere eisen aan het personeel trekken een wissel op de motivatie. De actualisering van de Prioriteitennota verkleint dit probleem door verhoging van de gewenste sterkte in organisatiedelen waar de druk het sterkste is en door verbeteringen in het voortzettingsvermogen bij vredesoperaties.

3.1.2 Militaire bijstand en steunverlening

Naast de hoofdtaken van de krijgsmacht is de laatste jaren ook meer aandacht gekomen voor de rol van Defensie bij de handhaving van de nationale rechtsorde en de openbare veiligheid. Defensie vervult in het kader van de militaire bijstand hierbij een belangrijke rol. Defensie heeft taken die zijn neergelegd in de Politiewet en in de wet rampen en zware ongevallen. Daarnaast verleent Defensie steun door de inzet van personeel en materieel in uiteenlopende situaties als het openbaar belang dat vergt, zoals bijvoorbeeld bij de bestrijding van de gevolgen van de varkenspest. Sinds 14 april 1997 zijn op verzoek van het ministerie van Landbouw ongeveer 300 militairen ingezet bij de bestrijding van de gevolgen van de varkenspest. De taken bestaan uit het houden van toezicht op het aantal varkens dat op boerenbedrijven wordt aangeboden en op hun transport naar bedrijven waar ze worden gedood. Voorts controleren militairen het verwijderen van gedode jonge biggen en escorteren zij transporten naar destructiebedrijven in binnen- en buitenland. Het spreekt vanzelf dat dergelijke bijstand geen structureel karakter mag krijgen. Inzet van militairen in het kader van militaire bijstand en steunverlening is en blijft bedoeld voor die gevallen waarin civiele autoriteiten een situatie met de hun ter beschikking staande civiele middelen niet (langer) toereikend kunnen beheersen.

3.1.3 De Nederlandse Antillen en Aruba

De defensie-inspanningen op de Nederlandse Antillen en Aruba zijn, behalve op de verdediging van het Koninkrijk, gericht op het leveren van een bijdrage aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, in het bijzonder de handel in drugs. Dit gebeurt onder andere door de opbouw van de kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Ook levert de Koninklijke marechaussee bijstand aan de politie van de Nederlandse Antillen.

De kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba is een aparte organisatie onder beheer van de minister van Defensie. De Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied voert als Commandant van de Kustwacht de kustwachttaken uit. De kustwacht werd in 1996 operationeel, maar verkeert nog in de opbouwfase. De kustwacht zal bestaan uit 24 personeelsleden van de Koninklijke marine en 128 lokale burgerpersoneelsleden. Er wordt nog gewerkt aan de infrastructuur, de werving van personeel en de verwerving van materieel. De rechtspositieregeling van het Nederlands-Antilliaanse kustwachtpersoneel is inmiddels vastgesteld; de regeling voor Aruba is nog in behandeling. Een Rijkswet Kustwacht is in voorbereiding. De kustwachttaken worden op dit ogenblik uitgevoerd door het stationsschip met boordhelikopter, twee maritieme patrouillevliegtuigen Orion, twee maritieme F-27 vliegtuigen, alsmede de patrouilleboten die zijn overgedragen door Aruba en de Nederlandse Antillen.

In augustus 1997 zijn de zes inshore-vaartuigen geleverd. Dit zijn kleine, snelle patrouilleboten met een beperkte actieradius, bestemd om in binnenwateren en dicht onder de kust te kunnen opereren. De Kamer is al ingelicht over de verwerving van drie kustwachtkotters (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 58). Op 1 mei 1997 heeft de staatssecretaris van Defensie het contract ondertekend in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba. De eerste kustwachtkotters worden volgens plan in de tweede helft van 1998 geleverd.

Sinds april 1991 verleent de Koninklijke marechaussee op Sint Maarten met 20 man steun aan de Antilliaanse politie. Deze bijstand wordt geleverd in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De bijstand was aanvankelijk bedoeld voor een periode van drie jaar, maar deze periode is inmiddels verlengd. In 1996 heeft de Rijksministerraad besloten de bijstand nog eens met een jaar te verlengen tot 1 april 1998, onder aantekening van een gefaseerde terugtrekking vanaf april 1997. Het is nog niet te voorzien in hoeverre op 1 april 1998 de vereiste uitbreiding van de plaatselijke politie een feit zal zijn.

3.2 Koninklijke marine

3.2.1 Algemeen

De herstructurering en de verkleining van de Koninklijke marine verlopen volgens plan. De Koninklijke marine heeft in 1998 nagenoeg de structuur die is beschreven in de Prioriteitennota. De personeelsreducties als gevolg van de Prioriteitennota en de Novemberbrief zullen in 2001 zijn voltooid.

3.2.2 Internationale samenwerking

De Koninklijke marine is van oorsprong internationaal georiënteerd. Zowel operationeel als op materieel- en personeelsgebied werkt de marine met een groot aantal landen in velerlei vorm samen. Een bijzondere vorm is de samenwerking met de Belgische marine. De geïntegreerde Belgisch-Nederlandse staf coördineert de inzet van beide marines vanuit het Maritieme Hoofdkwartier in Den Helder.

Op 9 mei 1998 bestaat de «UK/NL Amphibious Force» 25 jaar. Op 11 maart 1997 ondertekenden de chefs van de defensiestaven een nieuw «memorandum of understanding» (MOU) over deze samenwerking, dat het MOU van 1973 vervangt.

Naast de samenwerking met de traditionele partners, neemt in het Partnerschap voor de Vrede de samenwerking met de Midden- en Oost-Europese landen verder toe. De aandacht richt zich vooral op Polen, Tsjechië, Roemenië en Rusland. Het «UK/NL training team» ondersteunt de opleiding en de training van het Baltische Bataljon.

3.2.3 Voortgang herstructurering

De reductie van het personeel in de periode 1990 tot en met 1997 bedraagt 21,3 procent en omvat de reductietaakstelling van de Defensienota, Prioriteitennota en het grootste deel van de doelmatigheidsoperatie. De personele afslanking van de Koninklijke marine verloopt tot nu toe in aantallen volgens plan. Door natuurlijk verloop, anticiperend vacaturebeleid voor burgerpersoneel, om- en bijscholing en gericht gebruik van uitstroombevordering voor bepaalde groepen personeel, is het mogelijk voor nagenoeg alle overtollige medewerkers een andere formatieplaats te vinden. Deze afslankingsmaatregelen hebben echter geleid tot een scheefgroei in de leeftijdsopbouw van het personeelsbestand. Ook is de kwaliteit van het personeel niet altijd in overeenstemming met de eisen van de functie. De komende jaren zal daarom aandacht moeten worden besteed aan het herstel van een kwalitatief goed personeelsbestand met een evenwichtige leeftijdsopbouw.

De komende periode zal ook worden gewerkt aan de organisatorische inbedding van het verbeterde economisch beheer, een verdere verkleining van de Haagse staf, de verdere inrichting van bedrijfsrestaurants en de voortgaande herstructurering van de opleidingen.

3.2.4 Materieelprojecten

Op 5 februari 1997 is het contract getekend voor de bouw van twee fregatten voor de luchtverdediging, die twee van de vier resterende standaardfregatten zullen vervangen. De schepen zullen, met uitzondering van enige apparatuur voor commandovoering over een taakgroep, identiek zijn aan en in serie worden gebouwd met de eerder bestelde twee luchtverdedigings- en commandofregatten (LCF), die de geleide-wapenfregatten van de Tromp-klasse zullen vervangen. De vier fregatten van de «De Zeven Provinciën»-klasse worden gebouwd bij de Koninklijke Schelde Groep. De Koninklijke marine verzorgt de verwerving en de integratie van de sensor-, wapen- en commandosystemen. Het project bevindt zich in de «detailontwerpfase». Om de voordelen van een grotere serie volledig uit te buiten, is de bouwplanning van de vier schepen geharmoniseerd. De bouw van het eerste schip begint in 1998; de proeftocht is voorzien voor 2001 en de overdracht aan de Koninklijke marine in 2002. De volgende drie schepen volgen telkens een jaar later. In het project wordt samengewerkt met Duitsland en Spanje. Het budget voor het project bedraagt f 3 081 miljoen (prijspeil 1997) voor nieuwbouw en f 90 miljoen voor walreservedelen.

Het project «Local Area Missile System» betreft de ontwikkeling van een luchtverdedigingssysteem voor de korte afstand. Het vormt de kern van het luchtverdedigingssysteem voor de vier fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse. De ontwikkeling in internationaal verband van de verschillende onderdelen zal eind 1999 worden voltooid. Op 4 april 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 68) is het parlement ingelicht over de voorbereiding van de productie van het onderdeel «Evolved Sea Sparrow Missile», en op 24 juni 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 91) over de voortgang van het project luchtverdedigings- en commandofregatten, inclusief het luchtverdedigingssysteem.

Het amfibische transportschip is in aanbouw bij de Koninklijke Schelde Groep. De Koninklijke marine verzorgt de levering van de sensor-, wapen- en commandosystemen en is verantwoordelijk voor hun integratie. Op 22 februari 1997 is het schip gedoopt en te water gelaten. Het schip zal begin 1998, na de proeftocht en de aftimmerperiode, als Hr.Ms. Rotterdam aan de Koninklijke marine worden overgedragen. De totale uitgaven voor het project worden geraamd op f 290 miljoen (prijspeil 1997): voor nieuwbouw f 280 miljoen, voor walreservedelen f 10 miljoen.

Het project «Capability Upkeep Programme» (Cup) Orion betreft de modernisering van de sensor-, wapen- en commandosystemen van de maritieme patrouillevliegtuigen Orion van de Koninklijke marine. Het project bevindt zich in de voorstudiefase; onder andere wordt onderzocht in hoeverre aansluiting bij soortgelijke bondgenootschappelijke projecten kan leiden tot een doelmatige uitvoering van het project. Het resultaat van de voorstudie zal in de vorm van een gecombineerde analyse/voorstudie rapportage in 1997 aan het parlement worden aangeboden.

Het project NH-90 is een internationaal samenwerkingsproject dat wordt uitgevoerd met Frankrijk, Duitsland en Italië. Voor Nederland gaat het om de vervanging van de Lynx-helikopters van de Koninklijke marine door 20 NH-90 helikopters in de maritieme versie. Het project bevindt zich in de ontwerp- en ontwikkelingsfase. Bij brief van 14 februari 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 55) is het parlement ingelicht over de voortgang van het project. De in de brief aangekondigde offerte, die vóór 29 april 1997 zou worden ingediend, was eind augustus nog niet ontvangen.

Het project aanpassing mijnenbestrijdingscapaciteit betreft de samenvoeging van de eerdere projecten «vervanging mijnenbestrijdingscapaciteit Dokkum-klasse» en «modernisering van de Alkmaar-klasse mijnenbestrijdingsvaartuigen (Capability Upkeep Programme Alkmaar-klasse)». Het parlement zal nog in 1997 worden ingelicht over de stand van de verwervingsvoorbereiding. De totale uitgaven voor het project worden geraamd op ongeveer f 737 miljoen (prijspeil 1997).

3.2.5 Samenwerking Korps mariniers/Korps commandotroepen

Er worden voorstellen uitgewerkt voor verdere samenwerking tussen het Korps mariniers en het Korps commandotroepen. Gedacht wordt aan gezamenlijke inzet bij crisisbeheersingsoperaties, waardoor eenheden op maat kunnen worden samengesteld dankzij de specialistische kenmerken van beide korpsen. Ter ondersteuning hiervan wordt samenwerking op het gebied van opleidingen, trainingen en oefeningen onderzocht. Dit najaar zal een speciale werkgroep hierover rapporteren. Liaisonofficieren worden uitgewisseld en de behoefte aan het gezamenlijk gebruik van transportmiddelen wordt geïnventariseerd. Er is al besloten tot het oprichten van een gezamenlijke «paraschool».

3.3 Koninklijke landmacht

3.3.1 Algemeen

Terwijl de herstructurering van de Koninklijke landmacht nog in volle gang is, wordt niettemin deelgenomen aan verscheidene vredesondersteunende operaties. Ongeveer 1 300 militairen van de Koninklijke landmacht zijn actief in het kader van Sfor en andere vredesoperaties.

3.3.2 Internationale samenwerking

Voor de Koninklijke landmacht concentreert de internationale samenwerking zich op het Duits-Nederlandse legerkorps en de Multinational Division (Central). Voorstellen worden uitgewerkt om, naast de samenwerking met Duitsland, de contacten met andere landen (Groot-Brittannië, België en Luxemburg, en Frankrijk) te intensiveren. De nadruk zal liggen op het verbeteren van de capaciteit voor crisisbeheersing. Ook wordt nauwer samengewerkt met enkele landen van het Partnerschap voor de Vrede.

Voorstellen zijn uitgewerkt voor verdere integratie van de Duitse en Nederlandse eenheden in het Duits-Nederlandse legerkorps op het gebied van opleidingen, oefeningen en logistiek. Deze zullen de uitwisselbaarheid van eenheden bevorderen en daardoor de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het legerkorps vergroten. Overeengekomen is dat de staf van het legerkorps wordt aangemerkt als «Force answerable to WEU». Dit besluit zal in het najaar, tijdens het Duitse Weu-voorzitterschap, officieel aan de Weu en de Navo worden meegedeeld. Daarmee zal de staf onderdeel uitmaken van het geheel van hoofdkwartieren en eenheden waaruit de Weu kan putten voor de planning van operaties. Voor alle hoofdkwartieren en eenheden geldt dat zij pas beschikbaar zijn na nationale politieke goedkeuring. De staf van het legerkorps kan dan worden ingezet voor de planning van en het leiding geven aan Weu-operaties.

De legerkorpsstaf heeft dus niet meer uitsluitend de bondgenootschappelijke verdediging tot taak. Opleidingen, oefeningen en logistiek zijn voortaan niet meer een nationale maar een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

De samenwerking met Polen, Hongarije en Tsjechië is uitgebreid. In 1997 hebben eenheden van de Gemechaniseerde brigade en de Luchtmobiele brigade een oefening gehouden in Polen. Een bataljon van de Lichte brigade heeft geoefend in Tsjechië. Eenheden van de Poolse en van de Tsjechische strijdkrachten hebben aan een deel van deze oefeningen deelgenomen. Het is de bedoeling ook in 1998 en volgende jaren dergelijke oefeningen te houden, mede ter ondersteuning van het Partnerschap voor de Vrede. De samenwerking met Slowakije, Roemenië en Bulgarije wordt voortgezet.

3.3.3 Voortgang herstructurering

De verkleining van het personeelsbestand verloopt volgens plan. Reorganisaties in het kader van de herstructurering worden na een jaar geëvalueerd. Dat is in 1997 met een aantal organisatiedelen gebeurd en leidt in 1998 tot een aantal veranderingen. Binnen het Commando Opleidingen van de Koninklijke landmacht (COKL) zullen logistieke en administratieve opleidingen en rijopleidingen van de verschillende krijgsmachtdelen worden samengevoegd. Als onderdeel van het Nationaal Commando (Natco) zullen het Landelijk Bevoorradingsbedrijf KL en het Hoger Echelons Onderhoudsbedrijf KL worden opgericht. Deze bedrijven zullen ook logistieke taken verrichten voor de andere krijgsmachtdelen. Het Nationaal Verzorgingscommando en de staf van het Natco zullen als gevolg hiervan worden aangepast. De overige eenheden worden geëvalueerd.

Midden 1997 is ook de reorganisatie van een deel van de topstructuur van de Koninklijke landmacht geëvalueerd: de Landmachtstaf (beleidsstaf), de Operationele Staf BLS en de Centrale Dienst Personeel en Organisatie. De resultaten van de evaluatie zullen worden betrokken bij de verdere vormgeving van de Haagse staven van de Koninklijke landmacht. De reorganisatie van de Directie Materieel KL zal onder meer leiden tot de overdracht van taken en bevoegdheden op het gebied van de bevoorrading aan het Natco.

De maatregelen die voortvloeien uit de actualisering van de Prioriteitennota leiden tot nieuwe projecten en tot aanpassing van verschillende lopende projecten. De herstructurering wordt daarom verlengd tot het einde van het jaar 2000. De inzet en de bedrijfsvoering van de Koninklijke landmacht komen hierdoor niet in gevaar. De personele gevolgen zijn gering.

3.3.4 Materieelprojecten

Voor de ondersteuning van de operationele eenheden op bataljonsniveau en lager bestaat behoefte aan «Battlefield Management Systems» voor een betere uitwisseling van «Command and Control»-informatie en een betere «Situational Awareness» van het personeel. Het personeel kan dan direct beschikken over informatie over de gevechtsomgeving, bijvoorbeeld over de positie van de eigen troepen en die van de vijand en over de locatie van hindernissen. Om het project beheersbaar te houden, zullen de systemen stapsgewijs worden ingevoerd.

Het licht verkennings- en bewakingsvoertuig, een gepantserd wielvoertuig, zal de verkenningsvoertuigen van het type Landrover (verkenningsversie) en de M113 C&V vervangen. De voertuigen krijgen een waarnemingsmodule met onder meer moderne warmtebeeldapparatuur. Nederland en Duitsland zijn een samenwerkingsverband aangegaan voor de ontwikkeling van dit voertuig. Over de problemen bij de voortgang van dit project is het parlement ingelicht (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 24 en de brief van 27 maart 1997). Van de verdere ontwikkelingen zal het parlement nog in 1997 op de hoogte worden gesteld.

De gepantserde rupsvoertuigen M577 en YPR worden in de jaren 2005–2025 in fasen vervangen. In eerste aanleg zullen 210 gepantserde wielvoertuigen worden aangeschaft. Nederland zal hiervoor deelnemen aan het Frans-Duits-Britse GTK-project.

De gevechtswaardeverbetering van de eerste 180 Leopard-2 tanks leidt tot grotere bescherming en betere commandovoering, met inbegrip van de vuurleiding (Kamerstukken II 1994/95, 23 400 X, nr. 44). Dit (deel)project verloopt volgens plan. Voor de verbetering van de vuurkracht van de Leopard-2 tanks worden een langere schietbuis en verbeterde kinetische-energiemunitie ontwikkeld. Beide ontwikkelingen zullen waarschijnlijk niet voor het midden van 1999 zijn voltooid. De programma's worden in nauwe samenwerking met Duitsland uitgevoerd. De schietbuis wordt pas verlengd indien uit de beproevingen blijkt dat hierdoor een kosteneffectieve verbetering van de vuurkracht mogelijk is.

Voor de pantserbestrijding op de middellange afstand zijn nieuwe anti-tankwapens nodig. Het project «Medium Range Anti-Tank» voorziet in de ontwikkeling, verwerving en invoering van deze wapens. In de «Western European Armaments Group» (Weag) werkt Nederland hiertoe met Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en België aan het Anti-tank geleid wapen 3e generatie. Deze gezamenlijke ontwikkeling richt zich op een lasergeleid systeem. Inmiddels heeft een marktverkenning uitgewezen dat er ook alternatieven bestaan in de vorm van betrekkelijk lichte «Fire and Forget»-systemen: de Amerikaanse «Javelin» en de Israëlische «Gill». Voor een deel van de behoefte (Korps mariniers, Luchtmobiele brigade, verkenningseenheden) zal gekozen worden voor één van deze alternatieven. Voor pantserinfanterie-eenheden is er nu geen reden het ingeslagen traject van ATGW-3 te verlaten (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 46 en 77).

Het project «Vervanging M109/M114» betreft de gefaseerde vervanging van de huidige M109- en M114- artilleriesystemen. Vervanging is vooral nodig omdat de huidige systemen door onvoldoende dracht slechts beperkt bruikbaar zijn voor steun in de diepte.

Het project «Aanvulling luchtdoelartilleriesystemen» behelst de verwerving van «Short Range Air Defence» (Shorad), een aanvullende component voor de luchtverdediging van eenheden en objecten. (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 73 en 94). Het bereik van de huidige luchtverdedigingssystemen van de Koninklijke landmacht – PRTL, Flycatcher 40L70 en Stinger – is te klein tegen vliegtuigen die hun wapens op een afstand van tien tot twaalf kilometer kunnen inzetten. Shorad vormt een noodzakelijke aanvulling op deze luchtverdedigingsmiddelen. Daarnaast bestaat behoefte aan een systeem dat op grond van een compleet luchtbeeld de «Command and Control» levert voor enerzijds de luchtverdedigingssystemen en anderzijds de «Air Space Control». Het project «Target Information Command and Control System» (Ticcs) zal in deze behoefte voorzien. De projecten Shorad en Ticcs worden in samenhang bezien. Bij het project Shorad wordt nauw samengewerkt met de Koninklijke luchtmacht.

De huidige simulators van de Koninklijke landmacht zijn in staat afzonderlijke aspecten van het tactische en het technische optreden van een wapensysteem na te bootsen. Het systeem «Tactische Indoor-simulatie» (Tactis) kan deze aspecten integreren door de simulators van verschillende wapensystemen te koppelen (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 45). Met Tactis kunnen de technische wapensysteemsimulatoren ook bijdragen aan de tactische opleiding tot op compagniesniveau. Hierdoor zijn op termijn minder verschillende simulatiemiddelen nodig. Tactis kan ook worden gebruikt als operationele testomgeving voor doctrine-ontwikkeling en voor het voorbereiden van tactische missies.

Het project «Vervanging mijnsystemen (anti-tank)» betreft de vervanging van met de hand te leggen anti-tankmijnen voor storende en beschermende mijnenvelden. De anti-tankmijnen van het type AT26 voldoen niet meer aan de operationele eisen; ze worden vernietigd. De anti-tankmijnen DM31 krijgen een moderne sensor waardoor zij, binnen de richtlijnen van het regeringsbeleid, aan de huidige operationele eisen voldoen voor gebruik in tactische mijnenvelden. Daarnaast zal de Koninklijke landmacht anti-tankmijnen aanschaffen voor het leggen van mijnenvelden, bijvoorbeeld met een mijnenverstrooiingssysteem en met behulp van artillerie-inzetmiddelen 155mm en MLRS. De Kamer zal hierover eind 1997 worden ingelicht.

3.4 Koninklijke luchtmacht

3.4.1 Algemeen

De herstructurering en de verkleining van de Koninklijke luchtmacht verlopen volgens plan. De zorg voor het personeel en nationale en internationale samenwerking krijgen bijzondere aandacht.

3.4.2 Internationale samenwerking

De internationale samenwerking wordt meer en meer verbreed. De samenwerking met België in de «Deployable air task force» heeft geleid tot de vorming van een gemeenschappelijk detachement in Villafranca ten behoeve van de operatie «Joint Endeavour». Samen met België en Luxemburg wordt onderzocht of en onder welke voorwaarden deelneming mogelijk is aan de «Euro Air Group». Dit samenwerkingsverband is een initiatief van Frankrijk en Groot-Brittannië, waaraan inmiddels ook Duitsland en Italië deelnemen. De «Euro Air Group» heeft ten doel de operationele capaciteit en de interoperabiliteit van de betrokken luchtmachten te verbeteren.

Het Belgische en het Nederlandse «Control and Reporting Centre», belast met luchtruimbewaking, zullen 's nachts, in het weekeinde en op feestdagen elkaars diensten overnemen. Hiertoe wordt binnenkort een overeenkomst getekend. Met Duitsland is overleg gaande over nauwere samenwerking bij de samenstelling van een geïntegreerd luchtbeeld, onder andere door het koppelen van radars.

Van de Midden- en Oost-Europese landen werkt de Koninklijke luchtmacht vooral samen met Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Polen en Slovenië. Met de eerste drie landen zijn al kleine oefeningen gehouden en uitwisselingsprogramma's uitgevoerd. Aan twee grotere oefeningen, in april en september 1997, in Polen hebben onder meer de Gemechaniseerde brigade, de Luchtmobiele brigade en de Tactische helikoptergroep deelgenomen. Centraal in alle samenwerkingsactiviteiten staan vredesoperaties.

3.4.3 Voortgang herstructurering

Het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren en het Depot Elektronisch Materieel zullen integreren tot één Logistiek Centrum Klu. Dit betekent samenvoeging van bestuursfuncties, gedeeltelijke samenvoeging van beheers- en uitvoerende functies, invoering van één bedrijfsbesturingssysteem, afstoting van werkzaamheden voor derden en afstoting van niet-kerntaken. Het geïntegreerde Logistiek Centrum zal bestaan uit de locaties Rhenen en Woensdrecht.

Al eerder is melding gemaakt van de samenvoeging van de Luchtmacht Elektronische en Technische School en de Koninklijke Militaire School Luchtmacht op de vliegbasis Woensdrecht. Dat gebeurt in 1999. Door een toenemend aantal militairen met een BBT-verbintenis zal de opleidingsbehoefte verder toenemen. Bezien wordt welke gevolgen dit heeft voor de opleidingscapaciteit bij de Koninklijke luchtmacht.

3.4.4 Materieelprojecten

De «Midlife update» (MLU) van de F-16 verloopt voorspoedig. Inmiddels is bij Fokker Services Woensdrecht en het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren de MLU-modificatie begonnen. Waarschijnlijk zal het project in 2001 zijn voltooid. Dankzij de verwerving van nachtzichtapparatuur kunnen de F-16's vanaf de tweede helft van 1999 ook bij duisternis opereren. Door de invoering van laserdoelaanstralingsapparatuur zal de Koninklijke luchtmacht vanaf het jaar 2001 in staat zijn zelfstandig precisiebombardementen uit te voeren. Op 11 juni 1997 is de Kamer ingelicht over de fase van de verwervingsvoorbereiding van het project Nachtzicht- en laserdoelaanstralingsapparatuur (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 84).

Aanvullende studies worden verricht naar systemen voor de vervanging van het Orpheus-luchtverkenningssysteem (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 96). Verwacht wordt dat deze studies in 1997 gereed zijn en dat een nieuw luchtverkenningssysteem vanaf 2000 in gebruik kan worden genomen.

Maatregelen worden genomen om de zelfbescherming van de F-16 te verbeteren. Een tweede serie signaalverwerkers is besteld om het bestand aan radar-stoorzenders op het vereiste peil te brengen (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 66). Verder zal de Koninklijke luchtmacht «Anti Radiation Missiles» aanschaffen om de F-16 te beschermen tegen radargeleide grond-lucht afweersystemen (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 63). Ter bescherming tegen infra-rood geleide wapens zal een waarschuwingssysteem worden aangeschaft (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 87).

Voor de toekomstige vervanging van de F-16 is het Amerikaanse «Joint Strike Fighter» (JSF)-programma van belang. Op 16 april 1997 is met Noorwegen en de Verenigde Staten een «memorandum of agreement» (MOA) getekend voor deelneming als «limited cooperative partner» aan het «requirement validation»-project (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 44). Op korte termijn is een besluit van Denemarken over deelneming aan het project te verwachten. In het MOA is hiermee rekening gehouden.

In 1997 neemt de Tactische helikoptergroep de laatste van de 17 Cougar-helikopters in gebruik. Zeven Cougars zijn uitgerust met veiligheidsmiddelen om boven water te kunnen vliegen en hebben beperkte voorzieningen om bij gunstige weersomstandigheden vanaf het amfibische transportschip te opereren. De praktijkbeproevingen voor het bepalen van de veiligheidsgrenzen bij het opereren vanaf het amfibische transportschip beginnen in 1998. In 1996 zijn de eerste zeven Chinook-helikopters in gebruik genomen, in 1998 volgen de laatste zes. Gezocht wordt naar goede simulatorcapaciteit voor de transporthelikopters. Om de tijdige operationele inzetbaarheid van de Luchtmobiele brigade te waarborgen, zal voor een beperkte periode een deel van de vliegers voor de bewapende helikopters opgeleid moeten zijn voor de Apache-helikopters van het type A en een ander deel voor het type D. Om de overgang van A naar D zonder verlies van inzetbaarheid te verwezenlijken, zullen de conversie-opleidingen reeds in 1998 beginnen. In 1998 zullen verder de eerste vier Apache AH-64D bewapende helikopters worden geleverd voor de vliegerconversie in de Verenigde Staten. De Koninklijke luchtmacht ontvangt de laatste bewapende helikopter in 2002.

In verband met de maatregelen tegen de proliferatie van NBC-wapens en hun overbrengingsmiddelen wordt het Patriot-systeem beter geschikt gemaakt voor «extended air defence» en «theater missile defence» (de EAD/TMD-capaciteit). Het vermogen om deze taak uit te voeren wordt verbeterd door het aanbrengen van de PDB5/SD5-modificatie (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 96). Een verdere verbetering van de EAD/TMD-capaciteit is vooral gericht op de onderschepping en vernietiging van tactische raketten voor de lange afstand die nucleaire, biologische of chemische wapens vervoeren en op de verdediging van een groter gebied. Daartoe dient onder andere de aanschaf van PAC-III-raketten.

Het Hawk Pip-III-systeem wordt in combinatie met de Patriot ingezet in de «Triple Air Defence»-squadrons van de Koninklijke luchtmacht. Het systeem is omstreeks 2005 in operationeel en technisch opzicht verouderd. De Koninklijke luchtmacht is onlangs een studie begonnen naar de vervanging of de verbetering van deze Hawk-systemen in samenhang met het Patriot-wapensysteem. Het onderzoek omvat ook de mogelijkheden tot deelneming aan het project «Medium Extended Air Defence», waarin de Verenigde Staten, Duitsland en Italië samenwerken.

Ook de Koninklijke luchtmacht wordt steeds vaker ingezet voor vredesoperaties. Ondersteuning van luchtoperaties in dit verband geschiedt op dit ogenblik onder andere door het «Nato Air Defence Ground Environment» (Nadge), waarvan ook het «Control and Reporting Centre» in Nieuw Milligen deel uitmaakt. Het Nadge zal worden vervangen door het Navo «Air Command and Control System» (ACCS) dat naast statische onderdelen ook mobiele componenten zal bevatten. Onderzocht wordt in hoeverre in aanvulling op het betrekkelijk beperkte ACCS-programma ook moet worden voorzien in nationale mobiele «Command and Control»-componenten voor de ondersteuning van CJTF-operaties en van uitgezonden eenheden.

3.5 Koninklijke marechaussee

3.5.1 Algemeen

In 1996 zijn de sterkte en het werk van de militaire politiedienst geëvalueerd. Doel was een goede afstemming tussen de gewenste politiezorg en de vereiste capaciteit. De civiele politietaken van de Koninklijke marechaussee nemen verder toe door aanvullende maatregelen in het kader van het verdrag van Schengen (zie ook 3.5.3). De uitbreidingen van de militaire en civiele politietaken leiden tot een geleidelijke uitbreiding van de gewenste sterkte van de Koninklijke marechaussee met 287. Een knelpunt blijft de bewaking van de zeegrenzen.

3.5.2 Voortgang herstructurering militaire politiedienst

De herstructurering en vooral de verkleining van de Nederlandse krijgsmacht hebben geleid tot minder marechaussees voor de politietaak voor de krijgsmacht. Rekening moet echter worden gehouden met de ontwikkeling van de criminaliteit in de krijgsmacht. Voor de beheersing van de criminaliteit is een goede afstemming tussen preventieve en repressieve maatregelen nodig. De gewenste sterkte van de Koninklijke marechaussee wordt daartoe uitgebreid met 87 marechaussees voor de militaire politietaak en met 50 marechaussees voor de compensatie van uitzendingen en het scheppen van extra flexibiliteit.

3.5.3 Taakuitvoering voor andere ministeries

In 1996 heeft de minister van Justitie het plan van aanpak «mensensmokkel» aangeboden aan de Tweede Kamer. Onderdeel van dit plan zijn de inzet en de mogelijke herverdeling van de bestaande capaciteit van tachtig marechaussees, verdeeld over tien teams, voor de bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit (GOC-teams). Volgens dit plan moeten drie GOC-teams ten behoeve van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag worden belast met de strijd tegen de mensensmokkel.

Schiphol ontwikkelt zich tot een Europese «mainport». De groei van het aantal reizigers beïnvloedt de politie-, veiligheids- en grensbewakingstaken van het District Koninklijke marechaussee Luchtvaart.

Behalve op Schiphol is de grensbewaking nog niet aangepast aan de controle-eisen die in het kader van het verdrag van Schengen gelden. De Algemene Rekenkamer heeft een rapport uitgebracht over het Nationaal Schengen informatiesysteem en de «Bezoekcommissie buitengrenzen Nederland» heeft een verslag opgesteld. De «blauwe grens»-problematiek, in het bijzonder de grensbewaking in de zeehavens, is onderwerp van onderzoek. De Kamer zal over de resultaten worden geïnformeerd.

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van vorig jaar heeft de minister-president f 30 miljoen extra toegezegd voor aanvullende maatregelen ter uitvoering van het verdrag van Schengen. Hiervan is met ingang van 1997 structureel f 14,1 miljoen aan de Koninklijke marechaussee toegewezen. In dit verband worden de volgende maatregelen getroffen:

– 100 marechaussees extra voor de ploegen voor het mobiel toezicht vreemdelingen («MTV-ploegen») aan de Schengen-binnengrenzen, onder andere voor MTV-onderzoeken naar valse of vervalste documenten, mensensmokkel en mensenhandel en andere delicten. De sturing van deze ploegen door de districtsstaf wordt versterkt met het oog op een betere coördinatie en het leiden van strafrechtelijke onderzoeken;

– 36 marechaussees extra voor het District Koninklijke marechaussee Luchtvaart voor grenscontroles: preboarding checks, gate checks en gate observaties;

– 14 extra marechaussees voor het inrichten van een extra controlepunt op de G-pier van Schiphol om het controleregime op de luchthaven in overeenstemming te brengen met de verplichtingen uit de Schengen Uitvoeringsovereenkomst. Hierover heeft de staatssecretaris van Justitie de Tweede Kamer ingelicht (Kamerstukken II 1996/97, 19 326, nr. 154).

De gewenste sterkte van de Koninklijke marechaussee neemt hierdoor structureel toe met 150 marechaussees. De toegewezen financiële middelen worden in 1997 vooral aangewend voor infrastructurele voorzieningen en voor transportmiddelen voor vervoer en verwijdering van vreemdelingen. Daarna zal in de extra personeelsbehoefte worden voorzien.

3.5.4 Materieelprojecten

De Koninklijke marechaussee kent veel verschillende geautomatiseerde informatiesystemen. Voor een goede informatie-architectuur, ook op langere termijn, is in 1996 begonnen met de verbetering van de informatievoorziening. Dit vergt investeringen in nieuwe informatiesystemen, in het onderhoud van de bestaande informatiesystemen en in passende technische infrastructuur. Deze projecten zijn van wezenlijk belang voor de informatievoorziening en voor de kwaliteit van de bedrijfsvoering.

Het C2000-project is een nieuw radiocommunicatienetwerk met landelijk bereik voor openbare orde en veiligheid (politie-, brandweer- en ambulancediensten). De techniek van dit radionetwerk berust op de Europese standaard Tetra en is door de Schengen-landen aanvaard voor grensoverschrijdende mobiele communicatie voor openbare orde en veiligheid. Het gebruik van het C2000-radionetwerk zal worden verplicht voor de organisaties die belast zijn met het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Dit geldt ook voor de Koninklijke marechaussee voor de taken die in de Politiewet zijn genoemd. De minister van Binnenlandse Zaken heeft de Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstukken II 1996/97, 25 124, nr. 1).

3.6 Defensie interservice commando

3.6.1 Algemeen

Het in 1996 opgerichte Defensie interservice commando (Dico) staat ten dienste van de hele krijgsmacht. De agentschappen, diensten en bedrijven die in het Dico zijn opgenomen leveren een scala van ondersteunende diensten voor heel Defensie.

Het Dico is een organisatie in opbouw. Vooral in de beginfase, in 1996, waren er enige aanloopproblemen. De administratieve organisatie bleek onvoldoende aangepast voor het vele werk dat in korte tijd moest worden verricht om diensten en bedrijven van krijgsmachtdelen en de centrale organisatie over te hevelen naar het Dico. Aan de hand van de inmiddels opgedane ervaringen is die organisatie verbeterd. De ondersteunende diensten en bedrijven opereren binnen het Dico als «resultaatverantwoordelijke» eenheden of als agentschap. Zij kunnen zelf een zakelijke relatie met de klanten bij Defensie onderhouden.

3.6.2 Voortgang reorganisaties

De in 1996 opgerichte interservice-eenheden Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO), de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie (DWS), het Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB) en de Diensten voor Geestelijke Verzorging (DGV) maken elk een ingrijpende reorganisatie door. Dit is een gevolg van de doelmatigheidsoperatie. De verwachte structurele besparingen op de exploitatie zullen in het jaar 2000 zijn opgelopen tot ongeveer 15 procent van het budget van 1996. De reorganisaties verlopen volgens plan en zullen voor de DVVO en de DWS in 1998 zijn voltooid. De reorganisaties bij het GFB en de DGV zullen in 1999 en 2000 worden afgesloten. De personeelsverminderingen als gevolg van deze reorganisaties gaan door tot het jaar 2001.

Tenslotte zijn in 1997 voorbereidingen getroffen voor een reorganisatie bij de dienst Militaire Pensioenen (DMP) in Kerkrade. Doel is de inrichting van een moderne administratie van verzekerden voor de militaire pensioenen. Hierbij zullen ook de gevolgen voor de huidige organisatie van de DMP en voor het personeel worden bezien.

Op termijn zullen ook andere interservice diensten en bedrijven in het Dico worden opgenomen. Op 1 januari 1997 ging het Bureau Internationale Militaire Sportwedstrijden van de Koninklijke landmacht over naar het Dico. Op 1 september 1997 is de Defensie Telematica Organisatie (DTO) opgericht en toegevoegd aan het Dico. Voorts bestaat het voornemen de Maatschappelijke Dienst Defensie op 1 januari 1998 over te hevelen van de Koninklijke luchtmacht naar het Dico.

3.6.3 Defensie Telematica Organisatie

De Defensie Telematica Organisatie (DTO) is het gemeenschappelijk ondersteunend bedrijf voor telematica en informatietechnologie van Defensie. De DTO levert een compleet pakket diensten op het gebied van informatietechnologie (IT) en telematica aan de defensie-organisatie. Voorts wordt de DTO het kenniscentrum voor Defensie op deze gebieden. In de DTO zijn opgenomen het Duyverman Computer Centrum en delen van het Centrum voor Automatisering van Bestuurlijke Informatiesystemen van de Koninklijke marine, de Dienstencentra voor automatisering van de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht, het beheerscentrum van het Netherlands Armed Forces Integrated Network, het Nationaal commando Telematicabedrijf van de Koninklijke landmacht en de netwerkbeheerorganisatie van de Koninklijke marine. De markt van de DTO is de defensie-organisatie. Onder strikte voorwaarden mag de DTO ook producten en diensten leveren aan andere onderdelen van de rijksoverheid en aan de Navo.

Het voornemen is de DTO op 1 januari 1998 de agentschapsstatus te verlenen, omdat die de mogelijkheid biedt de vraag beter te reguleren. Bovendien is daardoor een beter inzicht in de kosten mogelijk en zijn er goede voorzieningen om te reserveren voor kapitaalintensieve investeringen op IT-gebied. Dit alles bevordert de doelmatigheid.

3.6.4 Ontwikkeling besturingsmodel

Voor de interservice diensten en bedrijven van het Dico is een doelmatige dienstverlening van belang. Uitgangspunt voor de dienstverlening vormt de zakelijke relatie tussen de klant en de leverancier, met afspraken over kwaliteit, kwantiteit en plaats en tijd van de te leveren diensten. Afhankelijk van het besturingsmodel verschilt de wijze waarop de middelen voor de Dico-eenheden worden gefinancierd. Bij de agentschappen worden de geleverde diensten direct verrekend met de afnemers tegen de integrale kostprijs. Bij de overige resultaatverantwoordelijke eenheden van het Dico gebeurt de financiering door jaarlijkse toewijzing van een budget, op grond van de vooraf door de klanten gestelde en door de krijgsmachtdelen goedgekeurde behoefte.

HOOFDSTUK 4: HET PERSONEELSBELEID

4.1 Inleiding

Op 7 november 1996 is de gedragscode voor de krijgsmacht aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 19). De Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee zouden de code verder uitwerken en toelichten. Dit werk is inmiddels begonnen en duurt tot het najaar. Met het oog op een zo groot mogelijk draagvlak voor de gedragscode worden medewerkers op alle niveaus bij de uitwerking betrokken. De Koninklijke marine kent al sinds 1995 een gedragscode; binnenkort zal worden nagegaan of deze gedragscode doeltreffend is.

Ook in 1998 zullen de effecten van de herstructurering en de verkleining in volle omvang merkbaar zijn. Hoewel de ramingscijfers voor de overtolligheid van personeel dalen, zal ook de komende periode in het teken staan van herplaatsingsactiviteiten, ook buiten Defensie. Was de begrotingssterkte in 1995 nog bijna 90 000, in 1998 zal deze dalen tot ruim 76 000.

4.2 Voortgang herstructurering

4.2.1 De gewenste sterkte

De gewenste sterkte is de personele sterkte die nodig is om de formatie (functiebestand) te vullen. Bij het bepalen van de gewenste sterkte wordt rekening gehouden met de niet-beschikbaarheid van personeel. In de gewenste sterkte zijn de actualisering van de Prioriteitennota en de jongste doelmatigheidsmaatregelen als gevolg van de Novemberbrief verwerkt. De tabel bevat een overzicht van de personele gevolgen van de actualisering van de Prioriteitennota, die ook zijn aangegeven in hoofdstuk 2.

Overzicht aanpassing gewenste sterkte na actualisering Prioriteitennota
Koninklijke marine 
– uitbreiding Korps mariniers, logistieke en gevechtssteunbataljons (mariniers)150
Koninklijke landmacht 
– herschikking binnen 1e Divisie «7 December»122
– uitbreiding genie78
– uitbreiding Korps commandotroepen87
Koninklijke luchtmacht 
– uitbreiding vliegbasis Eindhoven95 (89 + 6)
– uitbreiding THG/Klu (tot 1 juli 2003)179
Koninklijke marechaussee 
– evaluatie militaire politietaak87
– uitbreiding voor internationale uitzendingen50
Totaal848
(842 militairen en 6 burgermedewerkers)

Los van de aanpassing van het personeelsbestand door de actualisering van de Prioriteitennota is de sterkte tijdelijk uitgebreid met 35 defensiemedewerkers voor het project «Midlife update» F-16, omdat uitbesteden minder doelmatig bleek. Voor de intensivering van het vreemdelingenbeleid is de gewenste sterkte van de Koninklijke marechaussee met 150 marechaussees uitgebreid.

In mei 1995 werd verondersteld dat de doelmatigheidsoperatie (spoor 1) een personeelsvermindering van 3 300 zou betekenen: 300 dienstplichtigen en BBT-ers en 3 000 burgers en BOT-ers. De 3 000 burgers en BOT-ers werden als overtollig aangemerkt. Nu blijkt dat in de begrotingen voor 1996, 1997 en 1998 de personeelsvermindering is uitgekomen op 2 600, waaronder 1 600 burgers en BOT'ers. De personele vermindering als gevolg van de doelmatigheidsoperatie is 700 (3 300 – 2 600) lager dan voorzien in de begroting van 1996. Voor burgers en BOT'ers is het zelfs 1 400 (3 000 – 1 600) lager. Dit komt doordat er 700 BBT'ers minder zijn geworven.

4.2.2 Overtolligheid

In 1995 werd nog een tamelijk hoge overtolligheid voorzien. De nu beschikbare gegevens laten echter een daling van de overtolligheid zien. De vermindering van functies door de doelmatigheidsmaatregelen uit de Novemberbrief is geringer dan was voorzien. Voor de periode 1997–2002 wordt nu op grond van de Prioriteitennota en de Novemberbrief een overtolligheid verwacht van in totaal ongeveer 3 200. Dit houdt zeker niet in dat de inzet van het instrumentarium uit het Sociaal Beleidskader zou kunnen verminderen. Hoofddoelstellingen van het beleid blijven het voorkomen van gedwongen ontslagen en het voorkomen van een groei van het aantal ontvangers van wachtgelduitkeringen.

4.2.3 Personeelsvoorziening

De werving van militairen geeft aanleiding tot bezorgdheid. In het eerste half jaar van 1997 bleek dat de aanstellingsresultaten achterbleven bij de aanstellingsbehoefte. Dit gold in het algemeen voor de werving van personeel voor specialistische, vooral technische, functies en in het bijzonder voor de gevechts(ondersteunende)functies bij de Koninklijke landmacht. Redenen waren onder meer de groeiende werkgelegenheid in ons land en het wegvallen van de dienstplichtigen.

De seizoensinvloeden voor de werving worden groter. Het lijkt erop dat Defensie steeds afhankelijker wordt van schoolverlaters, die voornamelijk in de tweede helft van het jaar op de arbeidsmarkt komen. Dit zal ook in 1998 en volgende jaren doorwerken. Omdat er bovendien sprake is van een grotere aanstellingsbehoefte dan in 1997, zal een aanzienlijke inspanning moeten worden geleverd. Daarom zal de geïntensiveerde werving, die in de loop van 1997 is begonnen, in 1998 worden voortgezet. Ook zal de werving meer dan voorheen op vrouwen worden gericht, een doelgroep die in de krijgsmacht nog steeds ondervertegenwoordigd is en waarbinnen waarschijnlijk groeimogelijkheden bestaan.

4.3 Personeelsreductie

4.3.1 Reductiebeleid

Sinds de Defensienota van 1991 is het personeelsbestand met ongeveer veertig procent verminderd. De instroom is beperkt en de uitstroom vergroot. De herplaatsing van defensiepersoneel krijgt veel aandacht. Inmiddels hebben duizenden binnen of buiten de organisatie een andere baan gevonden. Het aantal gedwongen ontslagen is daardoor tot nu toe beperkt gebleven. Dankzij de invoering van het instrument groepsovertolligheid en het daarop gebaseerde en inmiddels afgesloten project «Zorg voor werk» van de Koninklijke landmacht, kon worden voorkomen dat grote, door overtolligheid bedreigde, groepen personeel gedwongen in een herplaatsingstraject terecht kwamen. Velen hebben vrijwillig gebruik gemaakt van extern gerichte omscholingsprojecten, zoals de overgang naar het ministerie van Justitie en de politie.

De resterende overtolligheid heeft een individueel karakter en kan niet meer met behulp van het instrument groepsovertolligheid worden opgelost. Daarom zal nu de nadruk worden gelegd op interne herplaatsing. Daarbij spelen om-, her- en bijscholing een belangrijke rol. De vacaturestop voor burgerpersoneel en de beperkte instroom van militair personeel blijven voorlopig van kracht. Op persoonlijke basis zal ook externe herplaatsing een rol blijven spelen. Mede als gevolg van het project «Zorg voor werk» is de bereidheid van defensiepersoneel om zich te oriënteren op ander werk binnen en buiten Defensie toegenomen. Op grond van de ervaringen tot nu toe wordt aangenomen dat het defensiepersoneel in 1998 en volgende jaren voldoende vrijwillig gebruik maakt van het reguliere instrumentarium, het Sociaal Beleidskader, om het grootste deel van de resterende overtolligheid zonder gedwongen ontslagen op te vangen.

4.3.2 Overzicht van de personeelsreductie

Ten opzichte van 1990, het ijkpunt van de Prioriteitennota, is de personeelssterkte van Defensie, exclusief de agentschappen, met 41% afgenomen. Hierbij inbegrepen is de reductie als gevolg van de doelmatigheidsmaatregelen die voor 1996, 1997 en 1998 gelden. In dit overzicht is de personeelssterkte van de centrale organisatie uitgebreid ten opzichte van de begroting 1997. Dit is vooral het gevolg van de centralisatie van de militaire inlichtingendienst (MID), waardoor de sterkte van de centrale organisatie met ruim 450 toeneemt.

Vergelijking begroting 1998 – Prioriteitennota

 
 PrioriteitennotaBegroting 1998
 gewenste sterkte 1998 volgens de Prioriteitennota1aantallen volgens de begroting 1998verschil in % ten opzichte van de Prioriteitennota
Koninklijke marine   
Beroepsmilitairen OT8 6788 7030,3%
Beroepsmilitairen BT4 325 4 325 
Totaal militair personeel13 00313 0280,2%
Burgerpersoneel4 383 4 4220,9%
Totaal personeel17 38617 4500,4%
Totale reductie t.o.v. 1990223%22,7% 
Koninklijke landmacht   
Beroepsmilitairen OT11 03911 5534,7%
Beroepsmilitairen BT13 84412 703– 8,2%
Totaal militair personeel24 88324 256– 2,5%
Burgerpersoneel8 863 9 4797,0%
Totaal personeel33 74633 735– 0,03%
Totale reductie t.o.v. 1990253,4%53,5% 
Koninklijke luchtmacht   
Beroepsmilitairen OT8 1738 2641,1%
Beroepsmilitairen BT3 279 3 279 
Totaal militair personeel11 45211 5430,8%
Burgerpersoneel1 800 1 8010,1%
Totaal personeel13 25213 3440,7%
Totale reductie t.o.v. 1990232,7%32,2% 
Koninklijke marechaussee   
Beroepsmilitairen OT3 2033 2090,2%
Beroepsmilitairen BT1 598 1 495– 6,4%
Totaal militair personeel4 8014 704– 2,0%
Burgerpersoneel 157  157 
Totaal personeel4 9584 861– 2,0%
Totale reductie t.o.v. 199029,2%11,0% 
Centrale organisatie   
Beroepsmilitairen OT6576610,6%
Beroepsmilitairen BT  34   34 
Totaal militair personeel6916950,6%
Burgerpersoneel 979 1 0466,8%
Totaal personeel1 6701 7414,3%
Totale reductie t.o.v. 1995318,1%14,6% 
Dico   
Beroepsmilitairen OT1 0101 0463,6%
Beroepsmilitairen BT 505  502– 0,6%
Totaal militair personeel1 5151 5482,2%
Burgerpersoneel1 167 1 151– 1,4%
Totaal personeel2 6822 6990,7%
Homogene groep   
Beroepsmilitairen OT159159 
Beroepsmilitairen BT  1   1  
Totaal militair personeel160160  
Burgerpersoneel  27   27  
Totaal personeel1871870,0%
Totaal overzicht Defensie   
Beroepsmilitairen OT32 91933 5952,1%
Beroepsmilitairen BT23 58622 339– 5,3%
Totaal militair personeel56 50555 934– 1,0%
Burgerpersoneel17 37618 0934,1%
Totaal personeel73 88174 0170,2%
Totale reductie t.o.v. 1990241,0%40,9% 
Defensie Telematica Organisatie   
Beroepsmilitairen 162  
Burgerpersoneel  893 
Totaal personeel 1 055 
Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen   
Beroepsmilitairen 70 
Burgerpersoneel 1 220 
Totaal personeel 1 290 
Totaal-generaal 76 362 

De Prioriteitennota vermeldt de gewenste personeelssterkte, exclusief personeel dat BV-LOM geniet en exclusief (verwachte) aantallen BDOS. De begrotingssterkte is inclusief BV-LOM-genietenden en aantallen BDOS. De vermelde aantallen zijn uitgedrukt in volle tijdsequivalenten op basis van een 38-urige werkweek.

1 De personeelssterktereeks voor 1998 uit de Prioriteitennota is geactualiseerd voor die mutaties in de personeelssterkte die voor de berekening van de omvang van de reducties buiten beschouwing dienen te blijven. In deze mutaties zijn verwerkt de doorwerking van de 1e tranche doelmatigheidsmaatregelen uit de begroting 1996, de effecten van de 2e tranche doelmatigheidsmaatregelen met ingang van de begroting 1997, de homogene groep, overhevelingen tussen beleidsterreinen en beleidsbijstellingen.

2 De begrote sterkte 1990 is het ijkpunt voor de personeelsreducties (zie Defensienota, blz. 164). De vermelde percentages zijn de totale reducties inclusief de opschorting van de opkomstplicht voor dienstplichtigen van het desbetreffende beleidsterrein.

3 Voor de CO wordt met ingang van 1996 de herziene begroting 1995 gehanteerd als ijkpunt omdat de omvangrijke verzelfstandiging van Dico en DGW&T een incorrect beeld zou geven van de personeelsreductie. De groei van de personeelssterkte ten opzichte van de begroting 1997 is het gevolg van de centralisatie van de militaire inlichtingendienst.

4.4 Arbeidsvoorwaarden algemeen

Tegen de achtergrond van de sterk toegenomen wervingsbehoefte is het van belang dat Defensie voor werknemers een aantrekkelijke werkgever is en blijft. Deze wens is in het op 4 juni 1997 afgesloten Arbeidsvoorwaardenakkoord 1997/1999 tot uitdrukking gebracht. Naast een met andere sectoren vergelijkbare algemene loonontwikkeling is daarin aandacht besteed aan de secundaire arbeidsvoorwaarden. Het gaat onder andere om verbetering van de werkgelegenheidsperspectieven door middel van «employability» en scholing, uitbreiding van de mogelijkheden van kinderopvang en uitbreiding van de spaarloonregeling. Ook is er behoefte om – buiten de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden om – emolumenten aan te bieden aan de werknemers. Defensie kan bijvoorbeeld tegen gunstige voorwaarden collectieve verzekeringen afsluiten waarvan de werknemers individueel gebruik kunnen maken. Inmiddels zijn collectieve raamcontracten afgesloten op het gebied van aanvullende verzekeringen voor invaliditeit en overlijden.

Sinds 1 januari 1997 is de Arbeidstijdenwet van kracht voor Defensie. Met de sectorcommissie Defensie is een voorlopige voorziening overeengekomen die inhoudt dat – zonodig met gebruikmaking van de maximale ruimte die de Arbeidstijdenwet biedt – de huidige roosters grotendeels kunnen worden gehandhaafd. Afgesproken is dat wordt onderzocht of de ruimte die de wet biedt ook volledig moet worden benut. Na voltooiing van het onderzoek zal met de sectorcommissie Defensie worden overlegd over een definitieve wijziging van het Burgerlijk Ambtenaren Reglement Defensie en het Algemeen Militair Ambtenaren Reglement.

De dynamiek van de arbeidsmarkt vereist een flexibele personeelsstructuur; een «baan voor het leven» komt steeds minder voor. De personeelsplanning zal genuanceerd moeten inspelen op een flexibeler personeelsbestand. Centraal staat de individuele loopbaan binnen en buiten de defensie-organisatie. Grotere mobiliteit is nodig. Dit vereist een hierop afgestemd personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid. In de praktijk betekent dit dat het beleid erop wordt gericht de kansen en mogelijkheden van defensiemedewerkers op de arbeidsmarkt te vergroten, vooral van degenen die tijdelijk in de organisatie werken. «Employability» is zowel voor werkgever als werknemer van belang en wordt dan ook door werkgevers- en werknemersorganisaties in programma's opgenomen.

4.5 Beleid voor postactieven

4.5.1 Pensioenen en sociale zekerheid

Het militaire pensioenstelsel kent een aantal bijzonderheden op het gebied van regelgeving, financiering, besturing en uitvoering. Er is aanleiding om te bezien of dit stelsel nog voldoende past bij de veranderde omstandigheden. Dat geldt in de eerste plaats de regelgeving, die nu nog bestaat uit de Algemene militaire pensioenwet uit 1966 en achttien oudere wetten die sinds het begin van deze eeuw tot stand zijn gekomen. Een vèrgaande vereenvoudiging van de regelgeving zal de doelmatigheid van de uitvoering ten goede komen. Uiteraard blijven opgebouwde rechten en ingegane pensioenen onaangetast.

De uitvoering wordt verbeterd door de opzet van een verzekerdenadministratie, waarin de opgebouwde aanspraken permanent worden geregistreerd. Ook kan hierdoor de dienstverlening en de informatievoorziening voor de betrokkenen worden verbeterd. De mogelijkheden van een kapitaaldekking voor het pensioenstelsel worden onderzocht.

Flexibilisering van het tijdstip van leeftijdsontslag van militairen wordt eveneens onderzocht. Gezien de maatschappelijke discussie over flexibilisering en deelneming aan het arbeidsproces is het gewenst de mogelijkheden van verschillende diensteinderegelingen in kaart te brengen, vooral vanuit een operationele invalshoek. Een studie hierover zal eind 1997 gereed zijn. Bij alle varianten geldt, overeenkomstig de motie-Van den Doel (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 24), als uitgangspunt dat de huidige leeftijdsgrenzen in ieder geval tot en met het jaar 2001 worden gehandhaafd.

Defensie krijgt steeds meer claims van (ex-)werknemers met letselschade ten gevolge van militaire dienst. Hoewel de militaire pensioenwetgeving in een aantal gevallen voorzieningen biedt, blijkt in steeds meer situaties dat de schadeloosstellingsgedachte niet altijd meer afdoende is. Mede op grond van een aantal rechterlijke uitspraken zal worden bezien of het niveau van de voorzieningen aanpassing behoeft. In dat licht zal derhalve een studie worden verricht naar een vernieuwing van de invaliditeitsvoorzieningen voor defensiepersoneel dat door de militaire dienst letselschade ondervindt. De resultaten van die studie zullen in de sectorcommissie Defensie worden besproken, waarschijnlijk in het voorjaar van 1998.

4.5.2 Ziektekosten

Sinds 1 januari 1995 zijn militairen in werkelijke dienst verzekerd tegen ziektekosten bij de Stichting ziektekostenverzekering krijgsmacht (SZVK). Voor militairen met leeftijdsontslag en hun gezinsleden en voor nabestaanden van militairen treedt de SZVK op als intermediair voor een collectieve particuliere ziektekostenverzekering. Besloten is de ziektekostenverzekering voor de UKW-ers in beginsel op publiekrechtelijke basis bij de SZVK onder te brengen.

4.5.3 Veteranenbeleid

Op 1 juli 1997 is de Uitkeringswet financiële compensatie twee- tot vijfjarige dienstplichttijd veteranen aan de Kamer aangeboden. Dit is een blijk van waardering en respect jegens de veteranen die als dienstplichtige twee tot vijf jaar hebben gediend, waarvan tenminste enige tijd in Nederlands-Indië, Korea, Nieuw Guinea of tijdens de Tweede Wereldoorlog (motie-Zijlstra, Kamerstukken II 1991/92, 21 490, nr. 18).

In de motie-Van den Doel/De Koning (Kamerstukken II 1996/1997, 25 000 X, nr. 25) is de regering verzocht steun te geven aan initiatieven tot instelling van een Dag voor de Veteraan. De krijgsmachtdelen organiseren al een jaarlijkse veteranendag, die meestal samenvalt met een andere grote activiteit en waarbij een bepaalde groep veteranen voor het voetlicht wordt gebracht. Deze dagen zijn een uiting van erkenning van de veteraan. Veteranen nemen dan ook massaal aan deze dagen deel. Defensie zal, in samenwerking met het veteranenplatform, waarin veteranenverenigingen zijn vertegenwoordigd, steun verlenen aan eventuele andere initiatieven uit de maatschappij voor de instelling van een Dag voor de Veteraan.

De Vrije Universiteit heeft onderzoek gedaan naar de zorgbehoefte van veteranen en hun partners en naar de bijbehorende zorgstructuren. Op grond hiervan heeft de begeleidingscommissie beleidsaanbevelingen opgesteld. De Kamer ontvangt begin 1998 een toekomstvisie op het veteranen- en nazorgbeleid.

In 1998 zullen ook de uitkomsten bekend worden van het door de Katholieke Universiteit van Nijmegen en de Vrije Universiteit uitgevoerde onderzoek naar de gezondheidsklachten van personeel dat uitgezonden was naar Cambodja. De resultaten zullen aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

4.6 Geestelijke verzorging

Overeenkomstig de afspraak die met de Tweede Kamer is gemaakt bij de behandeling van de Novemberbrief, op 7 juni 1995, is in 1996 een begin gemaakt met de gesprekken met de zendende instanties over de evaluatie van het «drie-pilarenonderzoek». Het drie-pilarenonderzoek heeft betrekking op de verdeling van geestelijke verzorgers in de krijgsmacht. Deze verdeling berust op de uitkomsten van de onderzoeken naar de drie «pilaren»:

– de voorkeur bij de actief dienende militairen voor één van de richtingen van geestelijke verzorging;

– de structureel-kwantitatieve gegevens van de relevante genootschappen;

– de voorkeur van het mobilisabele bestand voor één van de richtingen van geestelijke verzorging.

Tijdens de gesprekken met de zendende instanties wordt nagegaan hoe de geestelijke verzorging zich op langere termijn moet ontwikkelen, mede gelet op de algehele ontwikkeling van de defensie-organisatie. Bovendien wordt bezien welke de knelpunten zijn bij de geestelijke verzorging en hoe die kunnen worden opgelost. De versterkte samenwerking tussen de diensten van rooms-katholieke, protestantse en humanistisch geestelijke verzorging lijkt een geheel nieuw pilarenonderzoek overbodig te maken. Over de uitkomsten van de besprekingen wordt de Kamer uiteraard nader ingelicht.

4.7 Algemene militaire opleiding

De initiële opleiding bestaat uit twee onlosmakelijk met elkaar verbonden delen: de algemene militaire opleiding en de functie-opleiding. In beide opleidingen wordt aandacht besteed aan militair-technische vakken en aan algemeen vormende vakken: fundamentele maatschappelijke vorming en tolerantiebevorderend onderwijs. Overigens zijn er ook in de «tewerkstellingsfase» algemeen vormende activiteiten, zoals de uren geestelijke verzorging. Vanaf midden 1998 zullen de schoolbataljons die de algemene militaire opleiding verzorgen voor de BBT'ers bij het COKL worden ondergebracht. Hiermee komt de verantwoordelijkheid voor het hele opleidingstraject bij de Koninklijke landmacht in een hand. Dit zal leiden tot een betere afstemming.

Naar aanleiding van de motie-De Koning (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 30) is onderzocht of de inhoud van de algemene militaire opleiding bijstelling behoeft ten opzichte van de functiegerichte opleiding, opdat de initiële opleiding van de militair zowel in de diepte als in de breedte wordt verbeterd. De BBT-ers krijgen vooral aan het begin van hun opleiding les in maatschappijgerichte vakken. Vooral bij de Koninklijke landmacht is een toegenomen behoefte aan vorming en begeleiding van de BBT-ers. Daarom worden de didactische kwaliteiten van de instructeurs verbeterd en krijgen instructeurs en het midden- en hogere kader cursussen bedrijfsethiek. Meer nog dan voorheen worden vorming en begeleiding een integraal deel van de gehele opleiding van de militair. Bij de andere krijgsmachtdelen zijn thans geen aanpassingen noodzakelijk.

4.8. Emancipatiebeleid

Op 25 juni 1997 is de beleidsbrief emancipatie Defensie, getiteld «Verder kijken dan vandaag» (Kamerstukken II 1996/97, 25 436, nr. 1), aan de Kamer aangeboden. Hierin wordt een samenhangend pakket van maatregelen gepresenteerd gericht op het interesseren, motiveren en behouden van vrouwen voor de defensie-organisatie. Speerpunten in het emancipatiebeleid, dat gericht is op militair èn burgerpersoneel, zijn het verruimen van de mogelijkheden voor deeltijdverlof en gericht loopbaanbeleid voor vrouwen vanaf de rang van kapitein (militair) of schaal 10 (burger). In 2010 moet het militaire personeel voor 12 procent bestaan uit vrouwen. Voor burgerpersoneel geldt een streefpercentage van 30. De beleidsbrief is tot stand gekomen na uitvoerig overleg met vrouwelijke werknemers, het defensievrouwennetwerk en de centrales voor militair en burgerpersoneel. De Interdepartementale Commissie Emancipatiebeleid heeft een positief advies over de beleidsbrief uitgebracht.

HOOFDSTUK 5: HET MATERIEELBELEID

5.1 Inleiding

De krijgsmacht staat aan de vooravond van de vervanging van een aantal hoofdwapensystemen. Deze projecten moeten ertoe bijdragen dat de krijgsmacht goed uitgerust blijft. Het betreft onder meer de vervanging van de F-16 en de pantservoertuigen. Gezien de aanzienlijke investeringen die zijn gemoeid met dergelijke projecten is het van belang tijdig de mogelijkheden te verkennen van internationale samenwerking en inschakeling van nationale onderzoeksinstellingen en industrieën. Een belangrijk uitgangspunt is de bijdrage aan de instandhouding van de nationale en de Europese defensietechnologie en industrie. Dit is in overeenstemming met de versterking van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit binnen het bondgenootschap. Ook in de transatlantische contacten wordt gestreefd naar een zo goed en zo breed mogelijke inschakeling van de nationale defensie-industrie.

Als gevolg van de verbeterde veiligheidssituatie en de daarmee gepaard gaande verlaging van de defensiebudgetten is er nog steeds sprake van een krimpende markt voor defensiematerieel. De investeringsniveaus staan in veel landen onder druk. Vervanging van wapensystemen zal minder snel nodig zijn dankzij de ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie, maar door snelle technologische vernieuwingen zal het tempo van de tactische en technologische veroudering van het materieel op bepaalde gebieden evenwel toenemen. Dit onderstreept het belang van voortdurende aandacht voor de technologische kwaliteit van het materieel. Daarbij moet de afweging worden gemaakt tussen verbetering van het al aanwezige materieel en vervanging door technologisch hoogwaardiger middelen. Er wordt prioriteit gegeven aan investeringen in wapensystemen die in het hele geweldsspectrum kunnen worden ingezet.

De herstructurering van de defensie-industrie zal doorgaan. Door verdergaande concentratie zal het aantal aanbieders afnemen. Hierdoor verandert het krachtenveld voor de onderhandelingen over prijs, kwaliteit en levertijd. Dit vergt een verdere kwalitatieve verbetering van processen en procedures vanaf de behoeftestelling tot en met de verwerving.

Ook aan de zijde van overheden vindt een concentratie plaats. Steeds minder landen zijn in staat zelfstandig wapensystemen te ontwikkelen. Het belang van internationale samenwerking neemt daarom toe. Deze samenwerking krijgt een impuls door de oprichting van materieelagentschappen. Nederland neemt deel in de «Western European Armaments Organisation» (WEAO), de uitvoerende organisatie voor de Europese defensie research- en technologie-activiteiten, en treft voorbereidingen voor aansluiting bij het materieelagentschap dat op 12 november 1996 is opgericht door Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië, het «Organisme Conjoint de Coopération en Matière d'Armement» (Occar).

Tijdige afweging of in materieelbehoeften zal worden voorzien door aanschaf van de plank of door aansluiting bij de ontwikkeling van een systeem is voor Nederland van groot belang. Een factor hierbij is de mogelijkheid de Nederlandse defensie-industrie en Nederlandse onderzoeksinstellingen verantwoord in te schakelen. Door tijdig met de bondgenoten operationele behoeften en mogelijkheden tot materieelstandaardisatie af te stemmen, kunnen samenwerkingsprojecten worden onderkend. Dit vergroot de kansen op directe industriële deelneming en heeft als bijkomend voordeel dat Nederland minder afhankelijk wordt van compensatie-overeenkomsten. Dit geldt in versterkte mate voor complexe materieelprojecten en financieel zeer grote projecten.

5.2 Defensie Materieelkeuze Proces

Met het vernieuwde Defensie Materieelkeuze Proces (DMP), dat nu ook van toepassing is op projecten op het gebied van infrastructuur en automatisering, zijn inmiddels goede ervaringen opgedaan. Het DMP heeft betrekking op de besluitvorming vanaf de behoeftestelling tot en met de verwerving. Deze procedure biedt voldoende waarborgen voor een goed en zorgvuldig verloop van het keuzeproces. Ook de uitvoeringsfase van materieelprojecten, vanaf het besluit tot verwerving tot de instroming van het materieel, is nu een belangrijk aandachtspunt van het materieelbeleid. Deze fase beslaat vaak een groot aantal jaren. Een goed projectmanagement, dat let op levertijd, kwaliteit, geld en risico's, staat daarbij voorop.

Dankzij de verhoogde aandacht voor de fasen voorafgaande aan en volgend op het DMP krijgt Defensie betere mogelijkheden voor de beheersing van materieelinvesterings- en exploitatieprojecten met een technologisch of operationeel sterk vernieuwend karakter. Hierdoor kan ook het parlement beter op belangrijke momenten bij de besluitvorming worden betrokken.

Bij de keuze en de verwerving zal meer aandacht aan milieu-aspecten worden besteed op grond van het in de Nota Milieu en Economie neergelegde kabinetsbeleid. De uitvoering van het beleid verloopt via het Defensie Meerjarenplan Milieu. Het milieu is tevens een vast toetsingsgegeven in het DMP.

In 1995 is een jaarlijks interdepartementaal overleg ingesteld over grote materieelprojecten in de fase van de voorbereiding van de verwerving. Dit overleg verloopt goed en is belangrijk voor de voorbereiding van de ambtelijke en politieke besluitvorming. Een voorbeeld hiervan was de besluitvorming over de vervanging van twee Standaardfregatten door twee fregatten voor de luchtverdediging en het overleg over het medegebruik van Mogos (Mobiele Geneeskundige Operatiekamersystemen), Nafin en RPV.

5.3 Keuze- en verwervingsbeleid

De beheersing van een project is een voorwaarde voor een succesvolle afronding. Binnen het projectmanagement is het risicomanagement een wezenlijk element. In de meeste projecten is, zeker in de ontwikkelingsfase, sprake van risico's. Het is niet altijd mogelijk deze bij voorbaat uit te sluiten. Wel dienen de risico's tevoren zo goed mogelijk te worden opgespoord en onderzocht, opdat ze beter te beheersen zijn. Tegen onderkende risico's moeten passende voorzorgsmaatregelen worden genomen.

Een hulpmiddel voor de rationalisatie van de logistieke processen vormt het «Continuous Acquisition and Life-Cycle Support». Door een goed gebruik van de informatietechnologie wordt de overgang van de huidige «papier»-intensieve logistieke processen naar een volledig geautomatiseerde en geïntegreerde omgeving versneld. De eerste stappen worden gezet door invoering van interactieve elektronische handboeken en het elektronisch zaken doen.

5.4 Internationale materieelbetrekkingen

De Europese defensie-industrie verliest steeds meer terrein aan de grotendeels geherstructureerde Amerikaanse defensie-industrie. Een van de oorzaken van de beperkte concurrentiekracht van de Europese industrie is de gefragmenteerde Europese markt. Dit komt mede doordat landen de aanschaf van defensiematerieel vaak beschouwen als integraal bestanddeel van hun nationale souvereiniteit. Het behoud van een concurrerende Europese defensietechnologische en industriële basis is nauw verbonden met een gemeenschappelijk Europees buitenlands en veiligheidsbeleid en een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid. De daling van de defensiebudgetten in veel landen, de kleinere markten en de steeds sterker stijgende kosten van de ontwikkeling van nieuw defensiematerieel, onderstrepen de noodzaak van een gericht beleid. In dit verband zijn vooral de grote landen van belang: zij beschikken over een aanzienlijke nationale defensie-industrie.

Nederland kan met zijn betrekkelijk kleine defensiegerelateerde industrie beperkt bijdragen aan het behoud van een Europese defensietechnologische en industriële basis. Het ministerie van Defensie zet zich in, samen met de ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken en met niet-overheidsinstanties als TNO en de Stichting Nederlandse Industriële Inschakeling Defensie-opdrachten (NIID), voor een tijdige inschakeling van de Nederlandse industrie en onderzoeksinstellingen. Het compensatie-instrument is belangrijk voor de verdere opbouw van kennis en kunde op het gebied van defensiematerieel in Nederland. Op deze manier kunnen de kansen van de Nederlandse defensie-industrie op de Europese markt worden bevorderd.

Een belangrijk initiatief van de Europese overheden om de Europese defensietechnologische en industriële basis te versterken vormen de activiteiten voor de oprichting van een materieelagentschap. Via twee sporen zoekt Defensie aansluiting bij een Europees materieelagentschap (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 X, nr. 73). Nederland blijft streven naar een volwaardig Europees materieelagentschap. De ministers van Defensie van de landen van de «Western European Armaments Group» (Weag) hebben daarvoor op 18 november 1996 in Oostende de aanzet gegeven met de oprichting van de WEAO. Daarnaast streeft Defensie naar deelneming aan het Occar. Nederland heeft inmiddels de eerste fase van het project vervanging pantservoertuigen aangemeld als project dat onder het Occar kan worden gebracht.

Voorts wordt in nauwe samenwerking met de ministeries van Economische Zaken en van Buitenlandse Zaken steun verleend aan de exportactiviteiten van de Nederlandse industrie. Voor de interdepartementale afstemming dient het exportoverleg onder leiding van het ministerie van Economische Zaken. Exportondersteuning is een vast onderwerp in de bilaterale politieke en ambtelijke contacten. Internationale defensiebeurzen worden benut om steun te werven voor de Nederlandse defensie-industrie, onder meer door contacten met vertegenwoordigers van buitenlandse ministeries van Defensie die potentiële klanten van de Nederlandse industrie zijn. De coördinatie van de exportondersteuningsactiviteiten verzekert een coherente opstelling van Defensie ten opzichte van het bedrijfsleven.

Internationale samenwerking krijgt ook in de bestaande multi- en bilaterale contacten onverminderd aandacht. In Navo-verband ligt de nadruk op multinationale samenwerkingsprojecten. De «Conference of National Armaments Directors» (CNAD), vervult hierin een voortrekkersrol. Een belangrijk onderwerp in de CNAD is de «Alliance Ground Surveillance». In de CNAD is besloten tot een breed opgezette herbezinning op de geallieerde materieelsamenwerking («NATO Armaments Review»), in het bijzonder de werking van het «Conventional Armaments Planning System». De studie zal waarschijnlijk voor de zomer van 1998 worden afgerond.

Voor de bilaterale samenwerking zijn Duitsland en Frankrijk de belangrijkste partners. Hoog op de agenda staan de toetreding tot het Occar en de voortgang van het NH-90 project. Bij de samenwerking zijn de doelmatigheid en de kosteneffectiviteit belangrijke factoren. De contacten met de Midden- en Oost-Europese landen zijn geïntensiveerd door gezamenlijke missies van overheid en bedrijfsleven, waarin de ministeries van Defensie en Economische Zaken en de industrie zijn vertegenwoordigd.

5.5 Defensie-industrie

De Nederlandse industrie anticipeert actief op grote vervangingsprojecten. De NIID heeft het initiatief genomen tot de oprichting, op 10 februari 1997, van het «Netherlands Industrial Fighter Replacement Platform». Doel is een zo goed en breed mogelijke inschakeling van de Nederlandse defensie-industrie in het vervangingsprogramma van de F-16. Dat gebeurt ook voor het project voor de vervanging van de pantservoertuigen.

Defensie ondersteunt zulke samenwerkingsverbanden krachtig omdat ze essentieel zijn voor de instandhouding en versterking van de defensietechnologische en industriële basis. Naast de klassieke beslissingscriteria in materieelprojecten – prijs, kwaliteit en levertijd – zullen in toenemende mate ook politieke keuzes met betrekking tot internationale samenwerking in het materieelbeleid een rol gaan spelen. Zo'n politieke keuze betreft bijvoorbeeld de nationale bijdrage aan de Europese defensietechnologische en -industriële basis. Behoort directe participatie in de vorm van samenwerking in de ontwikkeling en de productie niet tot de mogelijkheden, dan blijft compensatie noodzakelijk. Om de naleving van compensatie-overeenkomsten te verbeteren, heeft de minister van Economische Zaken, mede namens de staatssecretaris van Defensie, een brief aangeboden aan het parlement over de afdwingbaarheid van compensatieverplichtingen (Kamerstukken II 1995/96, 24 793, nr. 1).

De aanbevelingen in het rapport van Europees Commissaris Bangemann over de Europese defensie-industrie zullen worden verwerkt in het materieelbeleid.

5.6 Verbetering materiële functiegebied

In het kader van de doelmatigheidsoperatie is onderzoek verricht naar mogelijke verbeteringen in het materiële functiegebied. Als resultaat van dit onderzoek zijn maatregelen genomen die de samenwerking tussen de krijgsmachtdelen bevorderen. Vooral de commerciële functie en het projectmanagement van de krijgsmachtdelen worden verbeterd. De effecten zullen de komende jaren merkbaar worden. Een voortdurend punt van aandacht is het vergelijken en analyseren van procedures en werkwijzen van de krijgsmachtdelen, zodat zij hun voordeel kunnen doen met elkaars ervaring.

5.7 Onroerend goed

Jaarlijks worden aanzienlijke bedragen besteed aan investeringen in en onderhoud van onroerend goed. Dit vergt voortdurende aandacht voor een goed beheer van het onroerend goed. Civiele normen worden gehanteerd voor het scheppen van een goed werk- en leefklimaat. Op grond van milieu-overwegingen worden meer en meer aanvullende eisen gesteld aan de kwaliteit van het onroerend goed. Zo zal duurzaam bouwen een steeds grotere rol gaan spelen.

5.8 Afstoting

1996 was een gunstig jaar voor zowel de ontvangsten uit de verkoop van roerende en onroerende zaken als de totale waarde van de gesloten contracten. Hiermee wordt de gunstige ontwikkeling van de afgelopen jaren voortgezet. De financiële aspecten van de afstoting van defensiegoederen worden nader toegelicht in paragraaf 7.4.

In 1996 zijn verkoopcontracten gesloten voor een totale waarde van f 712 miljoen. Een groot deel hiervan wordt pas in latere jaren ontvangen. Grote contracten betroffen de verkoop van 114 overtollige Leopard-2 tanks van de Koninklijke landmacht aan Oostenrijk en van twee S-fregatten van de Koninklijke marine aan de Verenigde Arabische Emiraten. De verkoop van de S-fregatten maakt deel uit van een groter pakket materieel en diensten waarbij Nederlandse bedrijven zijn betrokken.

De ontvangsten bedroegen in 1996 in totaal meer dan f 370 miljoen: f 254 miljoen uit de verkoop van strategisch materieel, f 28 miljoen uit de openbare verkoop van niet-strategische roerende zaken en f 88 miljoen uit de verkoop van onroerende zaken.

Op grond van gesloten contracten en de daaruit voortvloeiende termijnbetalingen, die ook in latere jaren geld opleveren, is de taakstelling voor 1997 en 1998 al voor een belangrijk deel bereikt. Met de verkoop van het laatste overtollige S-fregat in juni 1997 aan Griekenland is vrijwel al het moderne materieel verkocht dat op grond van de Defensienota en de Prioriteitennota overtollig is verklaard. Van het moderne materieel zijn op dit moment nog acht overtollige, vlieggerede F-16 jachtvliegtuigen voor verkoop beschikbaar. Gezien de Amerikaanse concurrentie zijn de verkoopkansen twijfelachtig.

Van het minder moderne materieel zijn de belangrijkste nog voor verkoop beschikbare wapensystemen de Leopard-1V tank, de Pantserrups-tegen-luchtdoelen en het M-113 commando- en verkenningsvoertuig. Kan dit materieel niet worden verkocht, dan rest slechts verschroting.

In de jaren na 1999 wordt een daling van de opbrengst van het af te stoten materieel voorzien. De herstructurering en de verkleining van de krijgsmacht naderen namelijk hun voltooiing, zodat er geen grote hoeveelheden betrekkelijk nieuw materieel meer beschikbaar komen voor afstoting. Dat hangt ook samen met de genoemde ontwikkeling tot het nadrukkelijker afwegen tussen de levensduurverlenging van bestaand materieel en de aanschaf van nieuw materieel.

De Kamer wordt over de verkoop van overtollige wapensystemen vooraf ingelicht. Voor de verkoop van strategisch materieel gelden de criteria van het wapenexportbeleid. Ook voor de export van vierwiel aangedreven voertuigen worden in interdepartementaal verband regels opgesteld om de kans te verkleinen dat deze voertuigen in geval van verkoop bij openbare inschrijving een ongewenste bestemming krijgen.

5.9 Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling

Het toenemend gebruik van geavanceerde technologieën voor crisisbeheersing en verdediging maakt voor Defensie het behoud van een infrastructuur van brede kennis en kunde in Nederland essentieel. Om ook internationaal een rol van betekenis te blijven spelen, moeten nationale onderzoeksinstituten zich kunnen onderscheiden. Daarom moeten zij zich ook toeleggen op gebieden waarop de Nederlandse industrie internationaal een vooraanstaande positie inneemt of kan innemen. Dit zijn gebieden waarin Nederland een toegevoegde waarde heeft voor de totstandkoming van een Europese defensietechnologische en industriële basis. Het gaat vooral om kennis voor het ontwikkelen van gespecialiseerde oppervlakteschepen (ontwerptechnologie, systeemtechnologie en platformautomatisering), radar en elektro-optische sensoren, voertuigen, simulatoren, data- en telecommunicatiesystemen en composietmaterialen. Met het oog op het behoud van kennis en kunde op het gebied van de defensietechnologie is het van belang dat onderzoeksgroepen van industrieën, onderzoeksinstellingen en universiteiten «joint ventures» vormen.

Tijdens hun ontmoeting in Oostende hebben de ministers van de Weag-landen het «Technology arrangement for laboratories in European defence science» (Thales) getekend. Dit stelt laboratoria die door de overheid worden gefinancierd in staat samen te werken in onderzoeksprogramma's en onderling kennis over te dragen. De resultaten dienen in beginsel de technologie-ontwikkeling te ondersteunen. Zo versterkt Thales de Europese defensietechnologische basis en bevordert het de harmonisatie van eisen en de standaardisatie van defensiematerieel. Nederland bereidt met andere Weag-landen drie onderzoeksprogramma's voor, één op het gebied van moderne radartechnologie en twee op het gebied van energetische materialen.

In «Eurofinder», een initiatief van de Europese industrie, zijn het in beginsel de bedrijven die voor technologie-ontwikkeling voorstellen formuleren en aanbieden. Nederlandse bedrijven en instituten hebben meegewerkt aan voorstellen op het gebied van de elektronica en informatieverwerking. Nederland behoort tot de koplopers in het programma.

De overheid en de industrie betalen een gelijke bijdrage aan Eurofinderprojecten. De lange duur voordat contracten worden gesloten zal waarschijnlijk vanaf april 1997 worden verkort. Dan zal namelijk de WEAO Research Cell contractuele verantwoordelijkheden krijgen. Voor de Eurofinderronde 1997 heeft Defensie vooral belangstelling voor technologie-ontwikkeling in de volgende gebieden: moderne radartechnologie, geavanceerde materialen en constructies, en simulatietechniek. Verder ziet Nederland mogelijkheden voor internationale samenwerking in opto-elektronica en onderwaterdetectie en aanverwante technologie.

5.10 Luchtvaartcluster

Het faillissement van Fokker vormde voor het ministerie van Economische Zaken aanleiding samen met de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Financiën en Defensie de strategische studie luchtvaartcluster te verrichten. Het belang van Defensie is vooral gelegen in de beschikbaarheid van deskundige ondersteuning bij de aanschaf, het operationeel gebruik en de instandhouding van luchtvaartgebonden systemen. Deze kennis is voor een deel aanwezig bij het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR), het belangrijkste Nederlandse onderzoeksinstituut op het gebied van de lucht- en ruimtevaart. Het NLR moet kunnen blijven rekenen op een bijdrage van de overheid voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma en voor de verbetering en de uitbreiding van de onderzoeksfaciliteiten. Defensie zal met steun van het NLR gaan deelnemen in de Amerikaanse projectorganisatie die de eisen formuleert voor de Joint Strike Fighter, die vanaf 2008 operationeel moet zijn. Hiervoor is een bedrag van ongeveer f 18 miljoen beschikbaar gesteld.

HOOFDSTUK 6: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU

6.1 Ruimtelijke ordening

Op 19 juni 1997 is de Beleidsstudie Uitplaatsing Luchtmobiele brigade naar Oost-Groningen aan de Kamer aangeboden De studie bevestigt dat uitplaatsing op zichzelf mogelijk is. Uitplaatsing zou bepaalde voordelen kunnen hebben voor de natuur in Midden-Nederland en voor de regionale economie in Oost-Groningen. Maar er zijn nadelen voor het milieu in Oost-Groningen en voor de werving van personeel. De kosten van uitplaatsing zijn hoog: f 720 tot f 955 miljoen, afhankelijk van de plaats waar de helikopters worden gestationeerd. Alles afwegende is de regering tot de slotsom gekomen dat de voordelen van uitplaatsing niet opwegen tegen de nadelen.

Begin 1997 is het Inrichtingsplan voor het oefenterrein De Haar vastgesteld. Er is inmiddels een begin gemaakt met het intergemeentelijk bestemmingsplan. Op 29 april 1997 heeft de staatssecretaris op het terrein de eerste boom geplant.

Op 28 mei 1997 is het convenant over de inrichting en het beheer van de Eder- en Ginkelse heide ondertekend. Het convenant is op 20 juni 1997 aangeboden aan de Kamer.

6.2 Milieu

In de loop van 1997 is de evaluatie van het Defensie Meerjarenplan Milieu (DMPM) afgesloten. Aan de hand van de uitkomsten zal een nieuw DMPM worden opgesteld. Het ligt in de bedoeling het nieuwe DMPM inhoudelijk af te stemmen op het Nationaal Milieubeleidsplan 3, dat nu wordt voorbereid.

Bij het de defensiemilieubeleid speelt de invoering van systematische milieuzorg een belangrijke rol. Sinds 1997 geldt hierbij als richtlijn de nieuwe internationaal erkende ISO 14001-norm.

6.3 Geluidszonering

Op 30 mei 1997 is voor de vliegbasis Volkel de geluidszone ingevolge de Luchtvaartwet vastgesteld. Daarmee zijn nu acht geluidszones van militaire luchtvaartterreinen wettelijk vastgesteld. Het betreft de zones om Leeuwarden, Twenthe, Deelen, Soesterberg, De Kooy, Valkenburg, Gilze-Rijen en Volkel. De overige drie geluidszones, voor Woensdrecht, Eindhoven en De Peel, zullen eind 1997, begin 1998 worden vastgesteld. De geluidsisolatieprojecten rondom de militaire luchtvaartterreinen worden voortgezet. Het totale programma zal waarschijnlijk in 2000 zijn voltooid.

Voor negen luchtvaartterreinen functioneert de commissie overleg en voorlichting milieuhygiëne ex artikel 28 van de Luchtvaartwet. Het gaat om Leeuwarden, Twenthe, Deelen, Soesterberg, De Kooy, Eindhoven, Valkenburg, Gilze-Rijen en Volkel. De commissie voor Woensdrecht zal in 1998 worden ingesteld. Gezien de gedeactiveerde status van de vliegbasis De Peel wordt voor deze vliegbasis voorlopig geen commissie ingesteld.

Voor de defensie-inrichtingen van artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit milieubeheer (de voormalige categorie A-inrichtingen Wet geluidhinder) zijn geluidszones aanwezig. Eind 1997, begin 1998 zullen de verschillende saneringsonderzoeken worden voltooid. Vervolgens zal de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een saneringsprogramma vaststellen.

6.4 Bodemsanering

Het sinds 1991 lopende bodemonderzoeks- en saneringsprogramma van Defensie wordt voortgezet. Sinds 1996 worden vijfjarenprogramma's aangeboden aan het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dat een en ander verwerkt in het «Meerjarenprogramma Bodemsanering Staatseigendommen». De kosten voor onderzoek en sanering zijn opgenomen in de krijgsmachtdeelbegrotingen.

HOOFDSTUK 7: FINANCIËN

7.1 Financieel kader

Met deze ontwerpbegroting zijn ook voor het laatste gedeelte van de te behalen doelmatigheidswinst de maatregelen genomen die in de Novemberbrief zijn aangekondigd. Daarmee is de bezuinigingstaak uit het regeerakkoord uitgevoerd. Daarom staat het wetsartikel waarop de doelmatigheidsbesparingen worden verantwoord (08.03) nu voor het laatst in de ontwerpbegroting. Met de maatregelen die in de jaren 1996–1998 op dit artikel zijn verantwoord, wordt vanaf het jaar 2000 de structurele besparing van f 450 miljoen gehaald.

In het kader van de begrotingsvoorbereiding 1998 is, al met ingang van 1997, een bedrag van f 14,1 miljoen aan de defensiebegroting toegevoegd ter intensivering van de uitvoering van het Schengen-verdrag. De minister van Justitie heeft de Kamer daarover in een brief geïnformeerd (Kamerstukken II 1996/97, 25 386, nr. 1).

Voorts is het budget voor 1998 en volgende jaren met een klein bedrag verhoogd (f 2,0 respectievelijk f 1,8 miljoen) in verband met een voorgenomen herziening van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, die voorziet in een uitbreiding van de taken van de militaire inlichtingendienst. Deze heeft betrekking op een beperkt aantal taken van de voormalige Inlichtingen Dienst Buitenland. Deze herziening zal waarschijnlijk in 1998 haar beslag krijgen.

7.2 Overzicht reële ontwikkeling defensiebudget

De onderstaande overzichten laten de gevolgen zien van de bezuinigingen in de afgelopen jaren voor de reële ontwikkeling van het defensiebudget sinds de Prioriteitennota. De begroting voor 1998 zal in reële termen, dat wil zeggen exclusief loon- en prijsstijgingen en incidentele effecten, 8,9% lager zijn dan voorzien in de Prioriteitennota.

Overzicht van de financiële kortingen op Defensie sinds de Prioriteitennota (in miljoenen guldens)
 19951996199719981999200020012002
1994 begrotingsvoorbereiding– 249– 254– 258– 259– 259– 259– 259– 259
1995 begrotingsvoorbereiding– 318– 322– 322– 322– 322– 322– 322– 322
Regeerakkoord– 129– 259– 516– 593– 593– 593– 593– 593
Herijking buitenlands beleid  + 200+ 200+ 200+ 200+ 200+ 200
1997 begrotingsvoorbereiding  – 77– 66– 46– 46– 46– 46
 – 696– 835– 973– 1 040– 1 020– 1 020– 1 020– 1 020

De ontwikkeling van het defensiebudget sinds de Prioriteitennota geeft reëel het volgende beeld te zien (in percentages):

 
Jaarten opzichte van het voorafgaande jaargecumuleerd sinds de Prioriteitennota
1994– 2,1– 2,1
1995– 4,1– 6,1
1996– 1,2– 7,2
1997– 1,2– 8,3
1998– 0,6– 8,9
19990,2– 8,7
vanaf 2000– 8,7

7.3 Verdeling over de bestedingscategorieën 1996–1998

Hieronder is de verdeling van het totale defensiebudget over de bestedingscategorieën weergegeven:

1996 (in miljoenen guldens)
OmschrijvingPersonele exploitatieMateriële exploitatieInvesteringenPensioe-nen & wachtgeldenTotaal
Ontwerpbegroting-19966 190,92 414,13 243,41 747,813 596,2
in %45,5%17,8%23,9%12,9%100,0%
      
Eerste wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Voorjaarsnota-1996– 73,0+ 202,1+ 6,467,0202,5
Tweede wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Najaarsnota-1996– 42,5+ 22,1+ 14,9– 9,1– 14,6
Derde wijzigingsvoorstel, Slotwet-1996+ 56,412,5– 154,5+ 9,3– 76,3
Totaal realisatie 19966 131,82 650,83 110,21 815,013 707,8
in %44,8%19,3%22,7%13,2%100,0%
1997 (in miljoenen guldens)
OmschrijvingPersonele exploitatieMateriële exploitatieInvesteringenPensioe-nen & wachtgeldenTotaal
Ontwerpbegroting-19976 005,42 584,43 238,81 815,613 644,2
in %44,0%18,9%23,7%13,3%100,0%
      
Eerste wijzigingsvoorstel, samenhangende met de Voorjaarsnota-1997– 31,9+ 86,4+ 127,7+ 7,6189,8
Nadere bijstellingen+ 123,0– 22,0– 33,5+ 29,797,2
Totaal vermoedelijke uitkomsten 19976 096,52 648,83 333,01 852,913 931,2
in %43,8%19,0%23,9%13,3%100,0%
1998 (in miljoenen guldens)
OmschrijvingPersonele uitgavenMateriële uitgavenInvesteringenPensioe-nen & wachtgeldenTotaal
Ontwerpbegroting-19986 082,32 570,53 424,81 891,413 969,0
in %43,5%18,4%24,5%13,6%100,0%

In bijlage 13 zijn de beleidsmatige mutaties, groter dan f 10 miljoen, ten opzichte van de raming in de begroting-1997 opgenomen.

7.4 Financiële aspecten afstoting defensiegoederen

In de ontwerpbegroting voor het jaar 1998, hoofdstuk IXB (Financiën) zijn de ontvangsten uit de verkoop van overtollige roerende en onroerende defensiegoederen begroot. De ramingen voor 1998 en 1999 berusten voor het strategisch materieel op termijnbetalingen van gesloten contracten en op principe-overeenkomsten. Voor niet-strategische roerende en voor onroerende zaken gelden stelposten van f 20 miljoen en f 10 miljoen.

Op grond van de met Financiën gemaakte middelenafspraak wordt de defensiebegroting verhoogd met de geraamde verkoopopbrengsten, minus een bedrag van f 30 miljoen, dat ten gunste komt van de algemene middelen. De ramingen, inclusief de f 30 miljoen luiden (in miljoenen afgerond) als volgt:

 
19981999200020012002
270137130100100

Boven de genoemde ramingen geldt een extra inspanningsverplichting van f 50 miljoen voor 1998 en f 20 miljoen voor 1999. De extra opbrengst tot het maximum van deze inspanningsverplichting komt ten gunste van de algemene middelen. Het kabinet heeft deze afspraak gemaakt bij de begrotingsvoorbereiding 1997.

7.5 Financiële aspecten ingebruikgeving/medegebruik

Voor de ontvangsten uit ingebruikgeving en/of medegebruik van zaken waarvan het materieelbeheer bij Defensie berust, geldt vanaf de begroting 1997 een met het ministerie van Financiën gemaakte middelenafspraak. Een ontvangstenbedrag van f 5 miljoen komt ten gunste van de algemene middelen. Hogere of lagere ontvangsten komen ten gunste van of gaan ten laste van de defensiebegroting.

7.6 Valutamanagement

Om koersrisico's bij betalingen aan het buitenland te beperken en meer zekerheid te hebben in het plannings- en begrotingsproces, worden termijnvaluta's aangekocht. De beperking van de koersrisico's is flexibel: niet de gehele voorraad openstaande verplichtingen wordt gedekt, maar ongeveer tachtig procent van het verplichtingenvolume. Dit percentage wordt bereikt door uitsluitend voor verplichtingen boven een bedrag van f 50 miljoen termijnvaluta te kopen. Deze flexibiliteit is nodig omdat sprake is van meerjarige verplichtingen en de uiteindelijke levertijden en betalingsmomenten kunnen afwijken van wat oorspronkelijk was voorzien.

7.7 Doelmatigheidsoperatie

In de Novemberbrief (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 8 herdruk) zijn onder andere structurele maatregelen aangekondigd om de kosten van «overhead» en van ondersteunende delen van de defensie-organisatie te verminderen. De bezuinigingen ten gevolge van deze doelmatigheidsoperatie zouden moeten oplopen van f 75 miljoen in 1996 tot f 450 miljoen structureel vanaf 2000.

De totale bezuiniging wordt sinds de begroting voor 1996 verantwoord op het begrotingsartikel 08.03. Met de brief van 19 april 1995 (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 58) is de Kamer ingelicht over de aard en de werking van dit begrotingsartikel. Al in de begrotingen voor 1996 en 1997 zijn de meerjarige opbrengsten van de op dat moment uitgewerkte maatregelen ten laste gebracht van de verschillende begrotingsartikelen van de beleidsterreinen. De voorliggende begroting bevat maatregelen voor het laatste deel van de bezuinigingstaakstelling. Nu de gehele doelmatigheidswinst in de begroting en meerjarenramingen is verwerkt, verdwijnt het begrotingsartikel 08.03.

De bedoelde maatregelen vereisen in enkele gevallen investeringen, vooral in infrastructuur. Voorzover functies vervallen, zijn er uitgaven die verband houden met het Sociaal Beleidskader. Beide uitgavencategorieën hebben een incidenteel karakter en zijn noodzakelijk om de structurele doelmatigheidsopbrengsten te behalen. Bij de doelmatigheidsopbrengsten bleek het mogelijk om, naast het bedrag oplopend tot f 450 miljoen, ook een deel van deze «kosten voor de baat» te financieren uit de opbrengsten. De resterende kosten zijn betaald uit het totale defensiebudget. De kosten voor de doelmatigheidsoperatie bedragen in totaal ongeveer f 280 miljoen, verspreid over de jaren 1996 tot en met 2000.

Het onderstaande overzicht geeft de opbrengsten van de verschillende maatregelen aan, in relatie tot de bezuinigingstaakstelling en de «kosten voor de baat». Uit dit overzicht blijkt een (beperkt) faseringsverschil tussen de opbrengsten en de taakstelling. Dit verschil wordt binnen de defensiebegroting opgevangen.

 
 19961997199819992000
Taakstelling75150250350450
      
Benodigd SBK-budget1419444717
Benodigd investeringen budget2376830 
Totaal vereiste kosten voor de baat16561127717
Waarvan gefinancierd buiten doelmatigheidsoperatie 30876312
Gefinancierd binnen doelmatigheidsoperatie162625145
      
Totaal op te lossen met doelmatigheidsmaatregelen (taakstelling en «kosten voor de baat»)91176275364455
Maatregelen     
– Opleidingen (herinrichting leerstof)– 35– 98– 113– 114– 114
– Opleidingen (overige maatregelen)  – 11– 18– 18
– Onderhoud en Logistiek – 8– 38– 31– 45
– Verkeer en Vervoer – 20– 23– 23– 23
– Automatisering– 20– 30– 45– 45– 45
– Defensie Telematica Organisatie  – 5– 15– 30
– CO/Haagse Staven – 4– 10– 17– 24
– Doelmatigheidstaakstelling KL– 10– 23– 23– 23– 23
– DGW&T– 12– 16– 14– 15– 15
– Voeding– 1– 1– 12– 13– 13
– Geneeskundige verzoring    – 14
– Geestelijke verzorging – 3– 5– 6– 9
– Overige maatregelen*– 13– 4– 19– 30– 41
Herfasering 3143– 14– 41
Resteert00000

* Dit betreft vooral maatregelen bij Militaire geschiedenis, Wetenschappenlijk onderzoek, Bewaking en beveiliging, Militaire muziek, Juridische taken, Topografische dienst, Voorlichting, Inlichtingen en veiligheid en Controletoren.

Alle opbrengsten van de doelmatigheidsmaatregelen worden toegelicht binnen het artikel 08.03. De maatregelen in de begroting voor 1996 en voor 1997 zijn in die begrotingen toegelicht. In deze begroting wordt binnen dit artikel de laatste serie maatregelen toegelicht.

7.8 Beleid Bedrijfsvoering Defensie

In de memorie van toelichting bij de defensiebegroting voor 1997 is een evaluatie aangekondigd van de invoering van het beleid met betrekking tot bedrijfsvoering en contractmanagement bij Defensie, van de integrale kwaliteitszorg en van de eerste resultaten van het verbeterd economisch beheer bij de «voortrekkers». Deze evaluatie is inmiddels uitgevoerd. De ervaringen en inzichten opgedaan sinds 1993 hebben tot de conclusie geleid dat een actualisering van het bedrijfsvoeringsbeleid nodig is. De belangrijkste bevindingen uit de evaluatie zijn hieronder weergegeven (zie ook bijlage 7).

Het leidende beginsel van de bedrijfsvoering bij Defensie is dat de verantwoordelijkheid en de bevoegdheden voor de uitvoering van taken en voor de inzet en het beheer van de middelen bij de commandanten van resultaatverantwoordelijke eenheden berusten. De resultaatverantwoordelijke commandant is gebonden aan beleidsmatige voorwaarden en aan de langere-termijndoelstelling van de organisatie. Binnen die grenzen moet hij zijn taak uitvoeren en een resultaat leveren dat kan worden omschreven in termen van omvang, tijd, kwaliteit en doeltreffendheid. Hij moet dat doen tegen zo gering mogelijke kosten, dat wil zeggen zo doelmatig mogelijk.

Resultaatverantwoordelijke eenheden maken deel uit van een beleidsterrein (Koninklijke marine, Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht, Koninklijke marechaussee, Dico). Aan het hoofd van de beleidsterreinen staan de bevelhebbers, de commandant van de Koninklijke marechaussee en de commandant Dico. Zij zijn verantwoordelijk voor de taakuitvoering en de bedrijfsvoering binnen het beleidsterrein.

De besturing en de beheersing («control») binnen het ministerie en de afzonderlijke beleidsterreinen moeten voor heel Defensie verzekeren dat de beleidsdoelen worden nagestreefd op een samenhangende, effectieve en doelmatige wijze. Dit kan inhouden dat de resultaatverantwoordelijke commandanten aan bepaalde richtlijnen worden gebonden en dat voorwaarden worden gesteld aan het decentrale beheer. Een voorbeeld is de verplichte winkelnering bij ondersteunende diensten.

De defensie-organisatie is ingericht volgens het concernmodel. Dat wil zeggen dat het kerndepartement optreedt als concernstaf en de krijgsmachtdelen, de KMar en het Dico als de werkmaatschappijen. Dit model functioneert goed. Met ingang van de begroting voor 1998 wordt de structuur van de defensie-organisatie zichtbaar in de begrotingsindeling. Een daarmee samenhangende structurele vernieuwing is dat de bedrijfsvoeringsbudgetten van groepen van resultaatverantwoordelijke eenheden nu op één artikel Personeel en materieel worden geraamd en verantwoord. Deze nieuwe begrotingsinrichting vloeit voort uit het verbeterd economisch beheer: resultaatverantwoordelijke eenheden krijgen de beschikking over integrale bedrijfsvoeringsbudgetten.

De evaluatie van de korte-termijnplanning en de voorbereiding van de begroting heeft ertoe geleid dat het korte-termijnprogramma en de conceptbegroting nu zijn samengevoegd. Het proces van planning en begrotingsopstelling is geïntegreerd. Deze werkwijze biedt betere mogelijkheden om de aansluiting te waarborgen tussen de interne planning en budgettering enerzijds en de begrotingsopstelling en -beheersing anderzijds.

Er wordt ervaring opgedaan met het gebruik van ramingskengetallen, prestatie-indicatoren en doelmatigheidskengetallen. Deze kengetallen moeten hun waarde voor de interne sturing nog verder bewijzen. Daarnaast zullen kengetallen waar mogelijk en zinvol ook worden gebruikt bij de toelichting op de begroting. Gepoogd wordt meer en meer met ramingskengetallen en prestatie-indicatoren de ramingen in de begroting toe te lichten en doelmatigheidskengetallen voor ondersteunende diensten te ontwikkelen.

Het werken met managementcontracten, integrale bedrijfsvoeringsbudgetten en decentrale beheersbevoegdheden bevordert het kosteninzicht en het kostenbewustzijn in de organisatie. Deze decentralisatie in de bedrijfsvoering gaat gepaard met grote aandacht voor organisatorische aspecten die daarmee samenhangen, maar ook voor de bijbehorende opleiding, informatievoorziening en managementinstrumenten.

Naast de meer kwantitatieve aspecten van de bedrijfsvoering en het verbeterd economisch beheer spelen de kwalitatieve aspecten een belangrijke rol. Twee aspecten verdienen bijzondere aandacht. Het eerste is de integrale kwaliteitszorg. Aspecten van de integrale kwaliteitszorg zijn inmiddels bij alle dienstonderdelen in de bedrijfsvoering opgenomen. Ook zal de klantgerichtheid van defensie-onderdelen worden verbeterd. Zelfevaluaties van organisatie-onderdelen zullen bijdragen tot verdere kwaliteitsverbetering. Een tweede aspect betreft de inbedding en het gebruik van contractmanagement in de organisatie, dat de kwaliteit en de doelmatigheid van het werk dient te bevorderen. De nieuwe bedrijfsvoering vereist een permanent leerproces. Deze kwalitatieve kanten van de bedrijfsvoering krijgen de komende jaren meer aandacht.

In de loop van 1998 verschijnt een herziene bundel «beleid bedrijfsvoering defensie». Hierin zijn de resultaten van de evaluatie verwerkt.

7.9 Begrotingsindeling 1998

In overleg met het ministerie van Financiën is de indeling van de begroting voor 1998 aangepast. De nieuwe indeling sluit aan bij de verbeterde bedrijfsvoering en bij de in de Comptabiliteitswet genoemde integratie van de begrotingsartikelen Personeel en materieel.

De verdeling naar beleidsterreinen wijzigt niet ten opzichte van de bestaande indeling (1997). Op het nieuwe begrotingsartikel Personeel en materieel (P&M) worden de uitgaven geraamd en verantwoord die samenhangen met de dagelijkse bedrijfsvoering en berusten op bedrijfsplannen en managementcontracten. De begrotingsramingen en verantwoordingscijfers worden per organisatorische groep van resultaatverantwoordelijke eenheden zichtbaar gemaakt. Voor de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht zijn de volgende ressorts te onderscheiden.

 
Koninklijke marineKoninklijke landmachtKoninklijke luchtmacht
Commandant der Zeemacht Nederland1 (GE/NL)LegerkorpsCommando Tactische Luchtstrijdkrachten
   
Commandant der Zeemacht Caribisch gebiedNationaal CommandoDecentrale ondersteunende eenheden
   
Commandant van het Korps mariniersCommando Opleidingen/ Koninklijke landmachtHoofdkwartier Koninklijke luchtmacht
   
Ondersteunende eenhedenOverige eenheden BLS  
   
AdmiraliteitLandmachtstaf 

Voor de Koninklijke marechaussee is er één artikel P&M, zonder nadere verdeling in ressorts. Voor het beleidsterrein Algemeen worden de uitgaven P&M voor het kerndepartement en de militaire inlichtingendienst afzonderlijk zichtbaar gemaakt.

De nieuwe P&M artikelen geven ook de ramingsbedragen weer voor de wachtgelden en de inactiviteitswedden. Het oude begrotingsartikel 02.01 komt daarmee te vervallen. De uitgaven- en ontvangstenartikelen van het beleidsterrein Multiservice projecten en activiteiten blijven ongewijzigd ten opzichte van de ontwerpbegroting voor het jaar 1997.

Op de deelbegrotingen van de beleidsterreinen worden de bestaande artikelen «bouw, alsmede aankoop van gronden en opstallen» en «groot materieel» samengevoegd tot één begrotingsartikel: «investeringen groot materieel en infrastructuur». De onderverdeling naar soort van uitgaven blijft ook binnen dit nieuwe begrotingsartikel gehandhaafd, terwijl de geraamde uitgaven voor infrastructuur separaat zichtbaar blijven.

In bijlage 16 zijn de conversietabellen opgenomen waaruit de overstap van de oude naar de nieuwe begrotingsartikelen blijkt.

7.10 Stand van zaken ramingskengetallen

In de begroting voor 1998 zijn ramingskengetallen opgenomen die goed aansluiten op de gewijzigde begrotingsindeling en voldoen aan de kwaliteitseisen ten aanzien van sturing, verantwoording en presentatie in begrotingsstukken. De ramingsbedragen van de uitgavenartikelen «Personeel en materieel» en het uitgavenartikel 02.02 «Militaire pensioenen en uitkeringen» worden met meerjarige ramingskengetallen toegelicht. Gelet op de kanteling van de begroting zijn de ramingskengetallen zoveel mogelijk geüniformeerd. Ze zijn als volgt samen te vatten:

– de bezoldigingsuitgaven worden volledig op basis van het gemiddelde salaris per volle tijdsequivalent (vte) met vier uniforme ramingskengetallen toegelicht: voor actief burgerpersoneel, niet-actief burgerpersoneel, militairen beroeps onbepaalde tijd en militairen beroeps bepaalde tijd;

– voor zover de uitgaven zinvol met ramingskengetallen zijn te staven, zijn bij de personele en materiële uitgaven uniforme ramingskengetallen opgenomen voor inhuur van personeel (uitzendkrachten op basis van mensjaren/uren en het inhuren van deskundigheid op het gebied van organisatie, informatie en automatisering op basis van mensjaren/uren), persoonsgebonden personele uitgaven (op basis van vte'n) en persoonsgebonden materiële uitgaven (op basis van vte'n). Voor enkele soorten van uitgaven, bijvoorbeeld die voor vliegopleidingen, zijn specifieke ramingskengetallen opgenomen;

– de uitgaven voor militaire pensioenen, wachtgelden en inactiviteitswedden zijn – per soort van regeling – met uniforme ramingskengetallen op basis van «aantallen in uitkeringsjaren» toegelicht.

In onderstaand overzicht wordt over de in de begroting voor 1998 opgenomen ramingskengetallen de stand van zaken weergegeven. In bijlage 10 is een nadere toelichting opgenomen.

Stand van zaken ramingskengetallen 1998
OmschrijvingAantal artikelenBedrag x f 1 miljoen
Totaal aantal begrotingsartikelen2813 969,0
Niet zinvol toe te lichten met ramingskengetallen215 322,7
Zinvol toe te lichten met ramingskengetallen78 646,3
Momenteel toegelicht bedrag78 646,3
Momenteel niet toegelicht bedrag

7.11 Financiering vredesoperaties

7.11.1 Financiering vredesoperaties

Op artikel 08.02 «Vredesoperaties» worden de uitgaven voor vredesoperaties verantwoord. Het gaat om twee categorieën uitgaven:

– contributies aan de VN voor VN-vredesoperaties die Nederland als lid van de VN is verschuldigd, onafhankelijk van Nederlandse deelneming aan deze vredesoperaties. Het Nederlandse aandeel in de contributies bedraagt nu 1,59%;

– additionele uitgaven als gevolg van de deelneming van Nederlandse eenheden aan vredesoperaties.

Op artikel 08.02 «ontvangsten naar aanleiding van vredesoperaties» worden vooral de vergoedingen van de VN voor de deelneming van Nederlandse eenheden aan VN-vredesoperaties verantwoord. Ook worden hier de verrekeningen met Ontwikkelingssamenwerking voor de inzet van defensiemiddelen voor humanitaire operaties verantwoord. Vanaf 1 januari 1997 maakt het artikel Vredesoperaties deel uit van de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

Zowel de uitgaven voor de VN-contributies als de additionele uitgaven zijn moeilijk te ramen. De hoogte van de VN-contributies wordt bepaald door het aantal, de omvang en de duur van vredesoperaties. De meeste VN-vredesoperaties berusten op mandaten die ten hoogste een half jaar geldig zijn. Op verlenging van mandaten of het begin van nieuwe VN-operaties kan moeilijk vooruit worden gelopen.De hoogte van de raming van de additionele uitgaven wordt bepaald door de politieke besluitvorming over de inzet van Nederlandse eenheden bij vredesoperaties. Zonder politiek besluit over een vredesoperatie kan in de begroting geen raming worden opgenomen. Tijdens de kabinetsformatie is besloten een structurele voorziening voor vredesoperaties op de defensiebegroting op te nemen. Deze bedraagt f 303 miljoen. Ook is rekening gehouden met een structureel bedrag aan ontvangsten van VN-vergoedingen van f 58 miljoen.

7.11.2 Rapport Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer heeft het rapport «Financieel inzicht in vredesoperaties» (Kamerstukken II 1995/96, 24 605, nrs. 1–2) opgesteld. De reactie van Defensie is hierbij opgenomen. Een aantal aanbevelingen van de Rekenkamer is al overgenomen. De suppletore begroting geeft voortaan de verschillen tussen ramingen en realisatie per vredesoperatie weer en er is een centraal voorschrift uitgegeven voor de methode van tariefberekening door de krijgsmachtdelen. De onderhandelingen met de VN zijn voortgezet met het oog op een voortvarende aanpak van de openstaande claims (zie 7.11.4).

7.11.3 Begrotingen 1997 en 1998

Voor 1997 zijn de uitgaven voor vredesoperaties in de eerste suppletore begrotingswet geraamd op f 205,5 miljoen: f 40 miljoen ten behoeve van VN-contributies en f 165,5 miljoen aan additionele uitgaven. Het leeuwendeel van de additionele uitgaven wordt veroorzaakt door de Nederlandse deelneming aan de Sfor-operatie met een gemechaniseerd bataljon in Bosnië en een F-16 detachement vanuit Italië. Daarnaast neemt Nederland deel aan enkele kleinere operaties. Enkele in 1996 beëindigde operaties zijn financieel nog niet geheel afgewikkeld.

In het kader van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is in 1997 incidenteel f 41 miljoen overgeheveld: een incidentele verlaging van de additionele uitgaven met f 20 miljoen en een incidentele verlaging van de VN-contributies met f 21 miljoen. Dit bedrag komt ten goede van de bouw van de ambassade in Berlijn, een project dat ook in de HGIS is opgenomen. Afgesproken is dat tegenvallers op vredesoperaties in 1997 binnen de HGIS zullen worden opgelost.

Tenslotte bedraagt de ontvangstenraming voor 1997 f 46,1 miljoen: f 43 miljoen VN-vergoedingen en f 3,1 miljoen verrekening met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

Ook voor 1998 is incidenteel geld overgeheveld voor de bouw van de ambassade in Berlijn. Dit geld is beschikbaar doordat de uitgaven voor VN-contributies in 1998 waarschijnlijk f 20 miljoen lager zullen uitvallen dan de geraamde f 41 miljoen. Doen zich toch tegenvallers voor, dan zullen deze binnen de HGIS worden opgelost.

Inmiddels is besloten dat Nederlandse eenheden ook in de eerste helft van 1998 aan Sfor zullen deelnemen. Ervan uitgaande dat de Nederlandse bijdrage aan Sfor van een vergelijkbare omvang zal zijn als in 1997, wordt hiervoor f 70 miljoen aan additionele uitgaven geraamd.

Tenslotte bedraagt de ontvangstenraming voor 1998 f 31,4 miljoen: f 28,3 miljoen VN-vergoedingen en f 3,1 miljoen aan verrekening met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

7.11.4 Claims bij de VN

Landen die aan VN-vredesoperaties deelnemen ontvangen van de VN vergoedingen voor de inzet van personele en materiële middelen. Deze worden gefinancierd uit het speciale budget voor vredesoperaties, waarvoor alle VN-lidstaten contributie betalen. Door grote betalingsachterstanden bij een aantal lidstaten verkeren de VN al enige jaren in grote financiële problemen. Hierdoor ondervindt de uitbetaling van vergoedingen grote vertraging.

Tussen de VN en Defensie is al enige tijd een discussie gaande over de hoogte van de uitstaande schuld van de VN bij Nederland. Een groot deel van de door Defensie bij de VN ingediende claims is nog niet door de VN erkend. Ook hanteert de VN veelal andere methoden voor de berekening van de vergoedingen dan Defensie. Tevens wordt nog steeds gesproken over het eventueel met terugwerkende kracht van toepassing verklaren van het nieuwe VN-vergoedingssysteem voor de deelneming aan Unprofor. Inmiddels hebben de VN f 35 miljoen uitgekeerd. Vooralsnog is het raadzaam om voor de nog uitstaande claims voorzichtigheidshalve uit te gaan van zowel de berekeningsmethode van de VN als de hantering van het oude VN-vergoedingssysteem voor de Unprofor-claims. Het totaal aan uitstaande claims beloopt dan per 1 juli 1997 f 93 miljoen. Zowel de raming van de (verrekenbare) ontvangsten als die van de uitgaven voor vredesoperaties zijn naar aanleiding van deze stand van de uitstaande claims bijgesteld. De bijstellingen zijn in begrotingsartikel 08.02 «Vredesoperaties» zichtbaar gemaakt.

7.12 Financieel beleid en beheer

7.12.1 Administratieve organisatie

De kwaliteit van de bestuurlijke informatievoorziening wordt in belangrijke mate bepaald door de kwaliteit van de administratieve organisatie. Een toereikende administratieve organisatie en een goede interne controle zijn voorwaarden voor het kunnen sturen en beheersen van de bedrijfsprocessen. De administratieve organisatie is daarom onderdeel van het integraal management. Een goede administratieve organisatie en interne controle zijn ook nodig om controlerende instanties in staat te stellen hun taak te verrichten. Naarmate de administratieve organisatie en interne controle beter zijn, zal de kwaliteit van de bestuurlijke informatievoorziening toenemen en is een efficiëntere controle mogelijk.

Defensie voldoet in het algemeen aan het vereiste minimumniveau. De financiële processen binnen de afzonderlijke beleidsterreinen zijn in hoofdlijnen beschreven. Wel zal als gevolg van de vele veranderingen in de defensie-organisatie, waaronder de decentralisatie van de financiële functie, de inrichting van deze processen ingrijpend wijzigen. Het verbeterd economisch beheer voorziet in de inrichting en de beschrijving van de administratieve organisatie. In 1998 moet er een goede administratieve organisatie zijn voor de (decentrale) bedrijfsvoering en een voldoende toegeruste beheersing.

7.12.2 Financiële informatiesystemen

Een goede financiële informatievoorziening vergt één structuur met standaardfuncties (zoals crediteuren en kasbeheer) voor de geïntegreerde financieel-economische en bestuurlijke informatievoorziening voor Defensie.

In verband met ontwikkelingen op het gebied van bedrijfsvoering is een aantal functies aan de geïntegreerde verplichtingen- en kasadministratie toegevoegd, waardoor voor heel Defensie de bedrijfsvoering op financieel-economisch gebied voldoende kan worden ondersteund.

In verband met de ontwikkelingen op het gebied van informatievoorziening, alsmede het streven van het ministerie van Financiën te komen tot samenwerkingsmodellen voor gemeenschappelijke kernfuncties van departementale begrotingsadministraties, worden mogelijkheden en wenselijkheden van een nieuw geautomatiseerd financieel administratiesysteem thans nader onderzocht.

7.12.3 Accountantscontrole

De Defensie Accountantsdienst (Defac) richt het onderzoek naar het gevoerde financieel beheer en de daarover afgelegde verantwoording op negen afgebakende delen van de begroting, inclusief de agentschappen. Over de resultaten van deze controles wordt gerapporteerd in afzonderlijke rapporten. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen, waaronder de accountantsverklaring bij de financiële verantwoording van het ministerie als geheel, worden opgenomen in het jaarlijkse samenvattende accountantsrapport. Bij de financiële verantwoording over het begrotingsjaar 1996 heeft de Defac een goedkeurende accountantsverklaring gegeven.

De verslaggeving over de defensiebedrijven is ingrijpend vereenvoudigd en meer toegespitst op relevante aspecten uit de managementcontracten. Bij het merendeel van de jaarverantwoordingen van deze bedrijven worden zogenaamde beoordelingsverklaringen afgegeven, die betrekking hebben op de getrouwheid van de verantwoording.

7.12.4 Subsidiebeleid

In de begroting worden subsidies en bijdragen onderscheiden. Subsidies zijn gebonden inkomens- en vermogensoverdrachten-om-niet aan personen en instellingen. Subsidies worden verleend aan instellingen die voor Defensie een zeker nut hebben. Onder bijdragen wordt verstaan bijdragen aan andere hoofdstukken van de rijksbegroting, gericht op het financieren van een taak met een gezamenlijk nut voor de betrokken ministeries.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de subsidietitel van de Algemene Wet Bestuursrecht is sinds 1 januari 1993 de Interimregeling subsidies Defensie van kracht (Staatscourant 38, d.d. 24 februari 1993). Deze interimregeling beschrijft de wijze waarop subsidies moeten worden aangevraagd en de controle- en sanctie-instrumenten. Subsidies worden eens in de drie jaar geëvalueerd op effectiviteit, doelmatigheid en actualiteit. Een samenvatting van de resultaten van de in 1997 uitgevoerde evaluatie-onderzoeken is opgenomen in bijlage 7.

De begroting voor 1998 bevat in totaal f 122,3 miljoen aan subsidies en bijdragen: f 18,2 miljoen voor 23 subsidies en f 104,1 miljoen voor 8 bijdragen. In totaal betreft het 0,9 % van de defensiebegroting 1998.

Bijlage 6 bevat een nader overzicht van de subsidies en bijdragen. Per beleidsterrein zien de meerjarenramingen er als volgt uit (in miljoenen guldens):

Beleidsterrein algemeen Artikel 01.21 (t/m 1997 01.04) Subsidies en bijdragen
199719981999200020012002
120,0119,5119,3118,6118,5118,5
      
Beleidsterrein Koninklijke marine
Artikel 03.21 (t/m 1997 03.04) Subsidies en bijdragen
 
199719981999200020012002
0,90,80,80,80,80,8
      
Beleidsterrein Koninklijke landmacht
Artikel 04.21 (t/m 1997 04.04) Subsidies en bijdragen
 
199719981999200020012002
2,01,91,91,91,91,9

7.13 Budgetteringsafspraak 1998

Ook voor het jaar 1998 is in het kader van de budgetdiscipline met het ministerie van Financiën een zogenoemde budgetteringsafspraak gemaakt. Voor de als beleidsmatig aangemerkte artikelen heeft Defensie de vrijheid binnen het overeengekomen financiële niveau eventuele problemen zelf op te lossen door gebruik te maken van middelen die vrij komen uit onderbesteding, meevallers en doelmatigheidswinst.

Alle artikelen op de defensiebegroting worden als beleidsmatig aangemerkt behoudens drie uitzonderingen. De eerste uitzondering houdt in dat, indien in 1998 sprake is van een rijksbrede taakstellende onderuitputting, de budgetteringsafspraak niet langer van toepassing is op groot-materieelprojecten waarvan de verplichtingen en uitgaven op de begrotingsartikelen «Overig groot materieel en infrastructuur» geraamd en verantwoord worden. De tweede uitzondering betreft de ontvangstenartikelen «Niet-verrekenbare ontvangsten». De derde uitzondering betreft de uitgaven en ontvangsten die deel uitmaken van de Homogene Groep Internationale Samenwerking. Naast de uitgaven en ontvangsten voor vredesoperaties worden ook de uitgaven en ontvangsten voor attachés en de kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba tot de Homogene Groep gerekend.

7.14 Project Herinrichting informatievoorziening Defensie

Sinds 1996 voorziet het Project Herinrichting Informatievoorziening in de ontwikkeling van een nieuw Informatievoorzienings- en Technologiebeleid voor heel Defensie. Dit beleid is afgestemd op een decentrale bedrijfsvoering, een productgerichte organisatie en een toegenomen doelmatigheid. Het beleid omvat de gehele informatievoorziening (operationeel en niet-operationeel). Het nieuwe beleid gaat uit van:

– integrale informatievoorziening per organisatie-eenheid;

– een zo groot mogelijke toepassing van standaardcomponenten;

– een zo groot mogelijke toepassing van hergebruik of van commerciële standaardproducten;

– groepering rondom gemeenschappelijke gegevens.

Een gemeenschappelijk beleidskader voor informatievoorziening is een voorwaarde voor een intensievere samenwerking binnen Defensie. Ook bevordert dit de doelmatige inzet van de schaarse middelen op dit gebied.

Inmiddels is een concept-beleidskader gereed, dat berust op een gemeenschappelijke visie op de informatievoorziening bij Defensie. De informatievoorziening van Defensie moet aan de volgende eisen voldoen: flexibiliteit, interoperabiliteit, mobiliteit, autonomie, veiligheid en doelmatigheid. Het beleidskader is het resultaat van intensieve samenwerking tussen de krijgsmachtdelen, de centrale organisatie en automatiseringsdeskundigen. Bij de totstandkoming is uitgegaan van modellen en standaarden die bij de industrie en bij de Navo worden gehanteerd.

In 1997 wordt dit concept verder uitgewerkt in de volgende elementen:

– het structuur-ontwerp en de standaardcomponenten voor de informatievoorziening van Defensie;

– standaarden, normen en richtlijnen waaraan (commercieel verworven èn zelf ontwikkelde) elementen van de informatievoorziening moeten voldoen;

– het toetsingsmodel voor top- en lijnmanagement voor nieuwe informatievoorzieningsprojecten.

Het beleidskader vormt voor de Defensie Telematica Organisatie de basis voor de Informatie Technologie Infrastructuur en voor de Producten en Diensten Catalogus.

Het nieuwe beleidskader berust op een aantal informatievoorzieningsconcepten die bij Defensie nog niet eerder zijn beproefd. De invoering vereist voorzieningen voor het gelijktijdig werken met oude en nieuwe systemen en de geleidelijke vervanging van oude systemen. Voor de beproeving van de nieuwe concepten en voor de invoering van nieuwe systemen zal de projectgroep pilot-projecten uitvoeren.

7.15 Millenniumprobleem

Binnen het ministerie van Defensie wordt al geruime tijd gewerkt aan de overgang van geautomatiseerde systemen naar het jaar 2000, het «Millenniumprobleem». Begin 1996 is een eerste inventarisatie gemaakt. Sindsdien zijn informatiesystemen aangepast en worden voorbereidingen getroffen voor tijdige aanpassing of vervanging van informatiesystemen. De hiermee gemoeide uitgaven komen uit het bestaande automatiseringsbudget of gelden als projectgebonden uitgaven bij vervanging van systemen. De Defensie Telematica Organisatie, de interne dienstenleverancier voor Defensie, beschikt over faciliteiten voor analyse, aanpassen en testen van geautomatiseerde applicaties.

De eerste inventarisatie van 1996 betrof vooral bestuurlijke informatie- systemen. Aan de inventarisatie zijn vervolgens de wapen-, commando- voerings- en communicatiesystemen toegevoegd en alle objecten waarbij enige vorm van technologie wordt gebruikt waarin de tijd en de overgang naar het jaar 2000 een rol speelt.

Het aanbrengen van de noodzakelijke veranderingen is de verantwoordelijkheid van de verschillende beleidsterreinen van Defensie. In overeenstemming met het door de Ministerraad ingestelde Millenniumplatform worden de aanpassingen binnen Defensie gecoördineerd en wordt de voortgang van de werkzaamheden nauwlettend gevolgd. Waar nodig zullen nieuwe impulsen worden gegeven om het Millenniumprobleem tijdig op te lossen.

7.16 Archivering

Op het gebied van de digitale archivering wordt gewerkt aan richtlijnen voor de registratie, de opslag en de bewaring van documenten. Er zal een Documentair Informatie Systeem worden ingevoerd dat werkt op grond van postregistratie, met als doel een volledig geautomatiseerde werkstroombeheersing.

De taken op het gebied van de documentaire informatievoorziening zijn thans voor twee directoraten-generaal (DGP en DGEF) gecentraliseerd. Deze centralisatie zorgt voor een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering van archiefvorming en archiefbeheer en zal verder worden doorgevoerd.

Het Pivot-onderzoek (Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn) wordt in 1997 voltooid. Voor alle beleidsterreinen zijn nu basisselectiedocumenten beschikbaar; voor enkele algemene beleidsterreinen gelden interdepartementale richtlijnen. In 1998 worden de werkprocessen hierop afgestemd.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)

INLEIDING

Nieuwe begrotingsartikelen

In hoofdstuk 7 van de memorie van toelichting is ingegaan op de evaluatie van het bedrijfsvoeringsbeleid bij Defensie. Daarbij is melding gemaakt van de uit het verbeterd economisch beheer voortvloeiende nieuwe begrotingsindeling 1998 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 113). Bij de krijgsmachtdelen worden nu de bedrijfsvoeringsbudgetten in nieuwe begrotingsartikelen personeel en materieel zichtbaar gemaakt en worden alle investeringen op één begrotingsartikel Investeringen groot materieel en infrastructuur geraamd. In verband hiermee en mede gegeven de comptabele voorschriften is een nieuwe nummering van begrotingsartikelen bij de krijgsmachtdelen doorgevoerd. Om redenen van inzichtelijkheid en leesbaarheid zijn tevens de begrotingsartikelen van het beleidsterrein Algemeen hernummerd. In de opbouw van verplichtingen en uitgaven van de nieuwe begrotingsartikelen zijn de vanuit de oude artikelen overgehevelde bedragen gespecificeerd. Deze overheveling is gebaseerd op de bedragen zoals opgenomen in de begroting 1997 aangevuld met de doorwerking van de mutaties uit de eerste suppletore begroting 1997. In bijlage 16 is de volledige conversielijst opgenomen.

Nieuwe mutaties

Bij de nieuwe begrotingsartikelen personeel en materieel van de krijgsmachtdelen worden de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties naar aard en oorzaak op het niveau van beleidsterrein gepresenteerd en toegelicht. Aangezien met ingang van 1998 de meerjarige verplichtingen- en uitgavenbedragen per organisatorische groep van resultaatverantwoordelijke eenheden worden geraamd kunnen de nieuwe mutaties eerst met ingang van de begroting 1999 op het niveau van organisatorische groep van resultaatverantwoordelijke eenheden worden toegelicht.

Personele ramingen

De uitgaven voor het actief regulier personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst is aangepast voor de categorieën personeel die niet in het SNIP zijn opgenomen, zoals niet-actief dienend personeel en niet-Nederlands hulppersoneel. De personele ramingen staan in loonpeil 1997.

Loonbijstelling 1997

Het arbeidsvoorwaardenakkoord bevat een algemene salarismaatregel van 2,6% per 1 juli 1997 en 2,6% per 1 september 1998, een éénmalige uitkering van 0,5% in zowel december 1997 als in december 1998 en een aantal overige maatregelen. Op artikel 01.27 Loonbijstelling zijn defensiebreed de in deze begroting als loonbijstelling opgenomen mutaties als gevolg van dit akkoord terug te vinden. Het betreft de voor het arbeidsvoorwaardenakkoord 1997/1999 aangewende overheidsbijdrage 1997, de premie-effecten 1997 en enkele herschikkingen binnen de defensiebegroting. Tevens is in deze loonbijstelling opgenomen de vergoeding van 0,6% voor incidenteel loon 1998. Met deze vergoeding wordt rekening gehouden met de verwachte stijging van het gemiddelde bruto-salaris als gevolg van normale periodieken en de in- en uitstroom. In de toelichting bij de betreffende begrotingsartikelen zijn de loonbijstellingsbedragen gespecificeerd.

Prijsbijstelling 1997

In de ontwerpbegroting 1998 is rekening gehouden met de ontwikkeling naar het prijsniveau 1997. De prijsstijging van 1996 naar 1997 bedraagt 2,2% voor de materiële overheidsconsumptie en 2,8% voor de bouw. De hiermee overeenkomstige bedragen zijn via de aanvullende post prijsbijstelling aan de defensiebegroting toegevoegd. Via het begrotingsartikel 01.28 Prijsbijstelling heeft uitdeling van de prijsbijstelling 1997 over de begrotingsartikelen van de beleidsterreinen plaatsgevonden. In de toelichting bij de betreffende begrotingsartikelen zijn de prijsbijstellingsbedragen gespecificeerd.

Verplichtingen-kassystematiek

In de Comptabiliteitswet, artikel 4, vijfde lid, is de bepaling opgenomen dat als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de juridische verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking of een verbintenis en die in dat jaar dan wel in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.

Het zesde lid van dit artikel biedt echter de mogelijkheid voor een beperkt aantal categorieën niet de juridische verplichting als uitgangspunt te nemen voor de verplichtingenraming, maar het bedrag dat in dat jaar als uitgaaf wordt geraamd. Dit betreft onder andere:

– salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen (lid 6, punt a);

– huren, pachten en soortgelijke verplichtingen (lid 6, punt d);

– andere door de minister van Financiën aan te wijzen categorieën (lid 6, punt e).

Dit laatste is ingevuld door de «Aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991» van 6 juli 1993, waarin onder andere een tweetal algemene categorieën wordt onderscheiden waarbij het uit het oogpunt van begrotingsbeheer niet noodzakelijk is voorafgaand aan iedere betaling eerst de bijbehorende individuele verplichting te boeken. Indien het doelmatig is, kan worden volstaan met het vooraf boeken van collectieve verplichtingen die bijvoorbeeld overeenkomen met het uitgavenbudget van de betrokken post. Ook is het mogelijk dat op het moment van betalen de corresponderende verplichting, ter grootte van het kasbedrag, wordt geboekt.

In algemene termen worden onder andere de verplichtingen vermeld die:

– voortvloeien uit privaatrechtelijke rechtshandelingen, met uitzondering van deelnemingen, krediet- of garantieverleningen, die regelmatig of in grote aantallen worden aangegaan en gewoonlijk binnen 30 dagen door betaling worden afgewikkeld (categorie 1.a). Te denken valt daarbij aan verbruiksgoederen, telefoonkosten en energiekosten;

– samenhangen met declaraties die rijksambtenaren, arbeidscontractanten en derden op grond van geldende personele en organieke rijksregelingen bij het Rijk kunnen indienen (categorie 1.b). Hieronder vallen vergoedingen voor dienstreizen, verplaatsen en andere emolumenten.

Specifiek genoemd worden voorts de artikelen voor onvoorziene uitgaven (categorie 2.a), geheime uitgaven (categorie 2.b), loonbijstelling en prijsbijstelling (beide categorie 2.c).

Indien het bovenstaande bij een artikel van toepassing is, wordt daarvan in de artikelsgewijze toelichting melding gemaakt. Daarbij wordt tevens aangegeven welke formele regeling in dat geval van kracht is.

01. Beleidsterrein Algemeen

Algemeen

De totaal geraamde uitgaven van het beleidsterrein Algemeen voor de jaren 1998 tot en met 2002 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
01.20 Personeel en materieel     
– Kerndepartement170 948164 481172 936150 860150 347
– Militaire inlichtingendienst (MID)102 52085 92983 25491 62398 649
– Wachtgelden en inactiviteitswedden8 0417 2046 6406 4376 235
Totaal Personeel en materieel281 509257 614262 830248 920255 231
01.21 Subsidies en bijdragen119 548119 285118 611118 484118 484
01.22 Geheime uitgaven200200200200200
01.23 Internationale verplichtingen150 918146 101152 018152 218151 689
01.24 Garanties
01.25 Milieumaatregelen3 3603 3602 8602 8602 860
01.26 Technologie-ontwikkeling32 97931 00429 45029 45029 450
01.27 Loonbijstelling84 028115 381112 803113 393113 393
01.28 Prijsbijstelling
01.29 Overige departementale uitgaven32 76732 76732 76732 68832 688
Totale uitgaven705 309705 712711 539698 213703 995

01.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In dit artikel zijn de verplichtingen en uitgaven opgenomen die nodig zijn voor het functioneren van het Kerndepartement en de Militaire Inlichtingendienst (MID).

De actualisering van de Prioriteitennota heeft geen invloed op de sterkte van de Centrale organisatie. De sterkte van de Centrale organisatie is wel toegenomen als gevolg van de overheveling van de onderdelen van de Militaire Inlichtingendiensten naar de Centrale organisatie.

Het artikel bevat onder meer de volgende componenten:

– loonkosten en overige tot het loon te rekenen kosten van de bewindslieden, het ambtelijk burgerpersoneel en het militair personeel dat bij het Kerndepartement en bij de MID is geplaatst;

– overige personele uitgaven;

– materiële uitgaven;

– wachtgelden en de daarmee samenhangende uitvoeringskosten USZO.

Als gevolg van de gewijzigde begrotingsindeling naar aanleiding van de integratie van de begrotingsartikelen personeel en materieel en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113 ) wordt met ingang van deze begroting inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven per organisatorisch ressort van resultaatverantwoordelijke eenheden. De twee ressorts waar het bij beleidsterrein Algemeen om gaat zijn:

– Kerndepartement;

– Militaire Inlichtingendienst.

Per te onderscheiden ressort worden vanaf het jaar 1998 vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven.

Met ingang van de begroting 1998 worden de bedragen voor de wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel op het artikelonderdeel 01.20.09 geraamd en verantwoord.

In bijlage 14 zijn de gerealiseerde begrotingsbedragen voor het jaar 1996 en de verwachte ontvangsten, verplichtingen en uitgaven voor het begrotingsjaar 1997 opgenomen volgens de oude indeling van de artikelen en de artikelonderdelen. Voorts zijn in bijlage 16 afzonderlijke conversietabellen opgenomen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.181801 93012 950265 910246 249247 214247 936 
Nieuwe mutaties   16 02010 44415 1231 017 
Stand ontwerp-begroting 19981801 93012 950281 930256 693262 337248 953256 231
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.18   275 748253 058247 989247 936 
Nieuwe mutaties   5 7614 55614 841984 
Stand ontwerp-begroting 1998   281 509257 614262 830248 920255 231

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de uitgaven- en de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
     
Uitgavenmutaties    
     
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Reductie uitgaven Documentatie Centrum– 52– 52– 52– 52
– Reductie personele uitgaven Defensie Accountantsdienst– 3 805– 3 805– 3 805– 3 805
– SBK maatregelen in het kader van de reductie personele uitgaven Defensie Accountantsdienst1 1001 100
– Doelmatigheidswinst als gevolg van de oprichting Defensie Telematica Organisatie– 900– 2 800– 5 600– 5 600
– Reductie materiële uitgaven– 692
Prijsbijstelling 19974 7224 6144 6424 637
Loonbijstelling 19975 4064 8314 8205 069
Terugboeking Nafin-budgetten300500700700
Overheveling naar artikel 01.21 Subsidies en bijdragen– 2 169– 2 309– 2 303– 2 153
Restontvlechting DMGB– 6 700– 6 700– 6 700– 6 700
Overheveling naar VROM– 750
Overheveling naar beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen– 766– 658
Beveiliging automatisering en informatie13 500
Overheveling wachtgelden en inactiviteitswedden8 3758 8358 6398 580
Diverse aanpassingen1 0001 0001 0001 000
Totaal van de uitgavenmutaties5 7614 55614 841984
     
Majeure verplichtingenmutaties    
     
– mutaties gelijk aan uitgavenmutaties5 7614 55614 841984
– diverse andere aanpassingen (per saldo)10 2595 88828233
Totaal van de verplichtingenmutaties16 02010 44415 1231 017

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

Doelmatigheidsbesparingen

Dit betreft de reductie van uitgaven voor het Documentatie Centrum, de personele reductie van de Defensie Accountantsdienst, de doelmatigheidswinst van de Defensie Telematica Organisatie en vanaf 2001 de reductie van diverse materiële uitgaven. De reductie van de Defensie Accountantsdienst betreft 30 vte'n. De uitgaven voor de uit de reductie voortvloeiende SBK maatregelen zijn voor de jaren 1998 en 1999 aan het budget toegevoegd. De verlaging van het budget als gevolg van de oprichting Defensie Telematica Organisatie betreft de te realiseren doelmatigheidswinst.

Loon- en prijsbijstelling 1997

Deze mutaties zijn in de inleiding van de artikelsgewijze toelichting nader onderbouwd.

Terugboeking Nafin budgetten

Dit betreft eerder aan de Koninklijke luchtmacht overgehevelde budgetten betreffende Netherlands Armed Forces Integrated Network (Nafin).

Overheveling naar artikel 01.21. Subsidies en bijdragen

Overheveling naar het artikel 01.21 vanwege het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging en HDO/TNO.

Restontvlechting Directie Militair Geneeskundig Beleid (DMGB)

Dit betreft de overheveling naar het beleidsterrein 09. Dico in verband met het Geneeskundig Facilitair Bedrijf.

Overheveling naar VROM

Overheveling naar het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het beheersprogramma van gebouwen bij de Centrale organisatie.

Overheveling naar beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen

Dit betreft een overheveling naar beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen als gevolg van de compensatie ten behoeve van de uitkeringen militair personeel.

Beveiliging automatisering en informatie

Dit betreft een herschikking ten behoeve van de beveiliging van geautomatiseerde informatievoorzieningssystemen.

Overheveling wachtgelden en inactiviteitswedden

Met ingang van het jaar 1998 worden deze uitgaven verantwoord bij de betreffende beleidsterreinen in plaats van bij beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen. Voor het beleidsterrein Algemeen is het budget overgeheveld naar het artikel 01.20 Personeel en materieel.

Diverse aanpassingen

De bijstelling van de uitgaven betreft een overheveling uit artikel 01.29 Overige departementale uitgaven.

Majeure verplichtingenmutaties

Als gevolg van aanpassing van de huidige planning zijn in de verplichtingensfeer op verschillende onderdelen verschuivingen aangebracht die leiden tot de (per saldo) vermelde mutatiereeks.

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Kerndepartement171 698164 481172 936150 860150 347170 948164 481172 936150 860150 347
Militaire Inlichtingendienst102 19185 00882 76191 65699 649102 52085 92983 25491 62398 649
Wachtgelden en inactiviteitswedden8 0417 2046 6406 4376 2358 0417 2046 6406 4376 235
Totaal artikel personeel en materieel281 930256 693262 337248 953256 231281 509257  614262 830248 920255 231

Ressort Kerndepartement

Het ressort Kerndepartement bestaat naast de algemene leiding (minister, staatssecretaris, secretaris-generaal en plaatsvervangend secretaris-generaal – inclusief enkele onder hem ressorterende diensten –) uit:

– defensiestaf;

– directoraat-generaal personeel;

– directoraat-generaal materieel;

– directoraat-generaal economie en financiën;

– de zelfstandige directies:

– directie juridische zaken;

– directie algemene beleidszaken;

– directie voorlichting;

– defensie accountantsdienst.

Daarnaast is er nog een aantal bijzondere organisatie-eenheden aan de directoraten-generaal respectievelijk directies toegevoegd zoals de staf van de inspecteur-generaal der krijgsmacht en defensiepersoneel werkzaam bij de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de Navo.

Het Kerndepartement heeft een drietal hoofdtaken, te weten:

– advisering van de bewindslieden;

– integrale sturing van de krijgsmachtdelen op hoofdlijnen;

– controle op de uitvoering van het beleid door de krijgsmachtdelen.

De verplichtingen en uitgaven Kerndepartement

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
01.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel65 26461 74859 58457 07555 07865 26461 74859 58457 07555 078
01.20.02 Militair personeel29 07927 55527 11626 27625 94129 07927 55527 11626 27625 941
01.20.03 Overige personele uitgaven16 63616 39515 90614 45514 78316 63616 39515 90614 45514 783
01.20.04 Materiële uitgaven60 71958 78370 33053 05454 54559 96958 78370 33053 05454 545
Totaal171 698164 481172 936150 860150 347170 948164 481172 936150 860150 347

Algemene toelichting

Personeel Kerndepartement

In de Novemberbrief (Kamerstukken II, 1994/95, 23 900 X, nr. 8) is medegedeeld dat de beleids- en de beleidsondersteunende capaciteit van de Centrale organisatie (CO) met 25% zal worden ingekrompen. De CO heeft inmiddels de eerste taakstelling gerealiseerd. In de jaren 1997–2000 is tijdelijk een extra behoefte van 25 vte'n ontstaan als gevolg van de extra administratieve werklast door de uitvoering van de motie-Zijlstra (Kamerstukken II, 1994/95, 21 490 X, nr. 18). Deze is gericht op het verstrekken van een uitkering van f 1 000 netto aan een bepaalde categorie voormalig personeel (gewezen dienstplichtigen), die in de periode 1938–1962 langer dan twee jaar doch korter dan vijf jaar werkelijke dienst hebben verricht (Indië-veteranen).

Materieel Kerndepartement

Het huisvestingsbeleid is gericht op concentratie van het Kerndepartement in het complex aan Plein/Kalvermarkt.

De informatievoorziening van de CO kan naar drie aandachtsgebieden worden onderverdeeld, te weten:

– concern-informatiesystemen;

– management-informatiesystemen;

– standaard infrastructuur Plein (STIP).

In het algemeen is duidelijk dat een kleinere bedrijfsomvang van de CO directe gevolgen heeft voor de behoeftestellingen zoals die worden ingediend. Ook de invoering van de Standaard infrastructuur Plein (STIP) en de daarmee voor ieder beschikbare software applicaties, leidt tot minder aanvragen van hardware en software voor kantoorautomatisering.

Toelichting per artikelonderdeel

01.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Kerndepartement.

Ramingskengetallen ambtelijk burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vten677639616589568
– gemiddeld salarisx f 194 99495 24495 39195 69395 886
– totale uitgavenx f 100064 31160 86158 76156 36354 463
– niet-actief personeelaantal vten2221202020
– gemiddeld salarisx f 143 31842 23841 15035 60030 750
– totale uitgavenx f 1000953887823712615
Totaal toegelicht bedragx f 100065 26461 74859 58457 07555 078

Toelichting niet-actief personeel

In deze categorie zijn de uitgaven begrepen voor langdurig zieken, ouderschapsverlof, partiële arbeidsparticipatie en een bepaalde groep van postactief personeel. De uitgaven voor langdurig zieken en ouderschapsverlof zullen dalen. Het gemiddelde salaris per vte neemt dan ook af.

01.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Kerndepartement.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n274265261253250
waarvan:      
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n254245241233230
– gemiddeld salarisx f 1109 846107 735107 697107 777107 722
– totale uitgavenx f 100027 90126 39525 95525 11224 776
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n2020202020
– gemiddeld salarisx f 158 90058 00058 05058 20058 250
– totale uitgavenx f 10001 1781 1601 1611 1641 165
Totaal toegelicht bedragx f 100029 07927 55527 11626 27625 941

01.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen betreffen burger- en militair personeel. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen, inhuur tijdelijk personeel en geneeskundige verzorging.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeelmensjaren13,21312,611,911,2
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 170 98571 00070 95270 84071 250
– totale uitgavenx f 1000937923894843798
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)951904877842818
– gemiddeld per vtex f 111 27311 39711 35311 06111 363
– totale uitgavenx f 100010 72110 3039 9579 3139 295
Totaal toegelicht bedragx f 100011 65811 22610 85110 15610 093
Andere volumegegevens:      
– Representatie bijzondere projectenx f 1000400400675400400
– Georganiseerd overlegx f 10002 5912 5912 5912 5912 591
– Raden en commissiesx f 1000642593568558558
– Lump-sum geneeskundige verzorgingx f 1000364375375
– Overige personele zakenx f 10009811 2108467501 141
Sub-totaalx f 10004 9785 1695 0554 2994 690
Totaal personele uitgavenx f 100016 63616 39515 90614 45514 783

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De uitgaven hebben betrekking op de inhuur van tijdelijk personeel (uitzendkrachten) voor werkzaamheden als gevolg van tijdelijke piekbelasting en/of achterstanden, die zijn ontstaan door vacatures of ziekten. De uitgaven worden terughoudend geraamd.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

De uitgaven hebben voornamelijk betrekking op reizen en opleidingen.

Toelichting andere volumegegevens

Representatie bijzondere projecten

De uitgaven hebben betrekking op de jaarlijks te houden internationale bijeenkomsten waarbij Nederland als gastland optreedt.

Georganiseerd overleg

Dit betreft bijdragen aan de personeelscentrales voor georganiseerd overleg.

Raden en commissies

Dit betreft deelname en bijdragen aan diverse raden en commissies waaronder de Adviesraad Internationale Vraagstukken en secretariaatskosten van de Western European Armaments Group.

Lump-sum geneeskundige verzorging

Hierbij gaat het om afdracht van naheffingen aan de belastingdienst in verband met voormalig dienstplichtig personeel. Met ingang van 2001 worden hiervoor geen uitgaven meer voorzien.

Overige personele zaken

De uitgaven hebben betrekking op onder andere voeding, medische keuringen en uitgaven in het kader van SBK zoals bemiddelingskosten voor de herplaatsing van eventueel overtollig personeel.

01.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor onder meer kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, voertuigen en inhuur O-, I- en A-deskundigheid.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- en A-deskundigheiduren34 45230 20030 20030 20030 200
– gemiddelde uitgaven per uurx f 1250250250250250
– totale uitgavenx f 10008 6137 5507 5507 5507 550
– overige persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)951904877842818
– gemiddeld per vtex f 120 75020 77522 27421 03321 595
– totale uitgavenx f 100019 73318 78119 53417 71017 665
Totaal toegelicht bedragx f 100028 34626 33127 08425 26025 215
Andere volumegegevens:      
– Kleine bedrijfsmatige investeringenx f 10008 8179 9356 8915 2346 500
– Informatiesystemenx f 100020 83520 83534 33520 83520 835
– Voertuigenx f 10001 1058241 1538521 122
– Overige materiële uitgavenx f 1000866858867873873
Sub-totaalx f 100031 62332 45243 24627 79429 330
Totaal materiële uitgavenx f 100059 96958 78370 33053 05454 545

Toelichting inhuur O-, I- en A-deskundigheid

Als gevolg van het ontbreken van capaciteit en/of kwaliteit worden jaarlijks krachten ingehuurd voor specifieke werkzaamheden. De uitbestede werkzaamheden hebben betrekking op:

– organisatie, informatievoorziening en strategische bedrijfsvoering;

– systeemontwikkeling en onderhoud;

– contra-expertise/second opinion.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Tot de persoonsgebonden materiële uitgaven worden gerekend uitgaven voor bureauzaken, huisvesting, bestuurlijke informatievoorzieningen, communicatiemiddelen en overige materiële zaken, zoals porto, bankkosten, documentatie en nutsvoorzieningen.

Toelichting andere volumegegevens

Kleine bedrijfsmatige investeringen

Voor investeringen in automatiseringsapparatuur is uitgegaan van een normbedrag van f 2000 per ambtenaar per jaar. Daarnaast is een bedrag geraamd voor specifieke nieuwe investeringen.

Specifieke investeringen in en innovatie van automatiseringsapparatuur hebben vooral betrekking op de kwaliteitsverbetering. Daarnaast worden investeringen gedaan voor de instandhouding en het onderhoud van systemen voor personeels- en financiële informatie.

De uitgaven die betrekking hebben op telecommunicatie-apparatuur zijn te verdelen in:

– investeringen in draagbare en autotelefoons;

– investeringen in telefaxapparatuur;

– vervanging van de telefooncentrale.

Informatiesystemen

Dit betreft exploitatiekosten automatisering waarbij wordt aangetekend dat het niveau van de uitgaven van het Directoraat-Generaal Personeel en het Directoraat-Generaal Economie en Financiën mede bepaald wordt door gemeenschappelijke uitgaven, zoals automatiserings- en informatiesystemen die ten dienste staan van de gehele krijgsmacht. Het gaat onder meer om de salarisadministratie en het Geïntegreerde verplichtingen-, kas- en kostenadministratiesysteem (GVKKA). Voorts is voor het jaar 2000 f 13,5 miljoen opgenomen vanwege de aanloopkosten voor de beveiliging van geautomatiseerde informatievoorzieningssystemen.

Voertuigen

Het niveau van de uitgaven voor vervangingsinvesteringen wordt bepaald door de omvang van het wagenpark (personenauto's) en een vervanging na vier jaren of 120 000 kilometer. In het bestand is ook het voertuigenpark ten behoeve van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) begrepen.

Het ressort Militaire Inlichtingendienst (MID)

De Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) vormt het wettelijk kader voor de taken van de MID. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een rechtsgeding dat de uit 1987 daterende WIV op een aantal onderdelen niet in overeenstemming is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Daarom is een wetsvoorstel Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten opgesteld dat op 2 december 1996 naar de Raad van State is gezonden voor advies. In het wetsvoorstel is voorzien in een taakuitbreiding van de MID. Deze heeft betrekking op een beperkt aantal taken van de voormalige IDB. Naar verwachting zal deze herziening in 1998 zijn beslag krijgen.

In het kader van de doelmatigheidsoperatie bij Defensie zijn de organisatie en de werkwijze van de MID uitgebreid onderzocht. Dit heeft ertoe geleid dat midden 1996 de bij de krijgsmachtdelen ingedeelde inlichtingen- en veiligheidsdienstonderdelen onder de (éénhoofdige) leiding van het Hoofd Militaire Inlichtingendienst zijn geplaatst. Van 1997 tot 2000 reduceert de MID zijn sterkte met 120 vte'n tot een omvang van 753 vte'n. Bij dit proces is gegarandeerd dat zowel de politieke en militaire top van het departement en andere ministeries blijven beschikken over hoogwaardige inlichtingen. Daarbij geldt overigens dat het huidige gebied van belangstelling groter is dan ten tijde van de Koude Oorlog. Om relevante ontwikkelingen met een gereduceerde organisatie te kunnen blijven volgen, is de introductie van geavanceerde informatiesystemen noodzakelijk. Een aantal projecten dat in deze informatiebehoefte voorziet is gepland.

De verplichtingen en uitgaven Militaire Inlichtingendienst

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
01.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel30 23928 88728 48328 52228 52230 23928 88728 48328 52228 522
01.20.06 Militair personeel31 49330 44430 37030 48030 48031 49330 44430 37030 48030 480
01.20.07 Overige personele uitgaven7 2426 5496 9967 7068 7287 2426 5496 9967 7068 728
01.20.08 Materiële uitgaven33 21719 12816 91224 94831 91933 54620 04917 40524 91530 919
Totaal102 19185 00882 76191 65699 649102 52085 92983 25491 62398 649

Algemene toelichting

Personeel MID

De overheveling van formatieplaatsen en budgetten van de militaire inlichtingendiensten van de krijgsmachtdelen naar de Centrale organisatie in verband met de integratie van de MID-diensten is voltooid. Met het nu beschikbare budget moet vorm worden gegeven aan de gereorganiseerde MID.

In 1997 is bij beleidsterrein 01. Algemeen op artikel 01.18 Personeel en materieel nog sprake van een gemengde verantwoording, waarbij het totaal van het Kerndepartement en de MID is weergegeven. Met ingang van de ontwerpbegroting 1998 zijn voor de MID vier aparte artikelonderdelen ingeruimd binnen het nieuwe artikel 01.20 Personeel en materieel. Daarnaast is voor de MID een bescheiden raming opgenomen op het artikel 01.22 Geheime uitgaven.

Per 1 januari 1996 omvatte de MID 158 vte'n. Dit aantal is in de loop van 1997, als gevolg van de overheveling van inlichtingendiensten van de krijgsmachtdelen, opgelopen tot 849 vte'n. Op dit aantal rust een afslankingstaakstelling waaraan via de reorganisatie vorm wordt gegeven. De afslanking verloopt goed. Voor 1998 wordt een sterkte van 790 vte'n geraamd.

Materieel MID

In de situatie van een geïntegreerde MID ligt het accent op onderlinge aanvulling van en samenwerking tussen diensten die voorheen uitsluitend met het eigen krijgsmachtdeel communiceerden en daarnaast geografisch zijn gespreid (onder andere Amsterdam, Eibergen en Den Haag). De geïntegreerde MID vergt op onderdelen andersoortige apparatuur.

In 1996 was de dienst op ongeveer 20 locaties gehuisvest. Deze locaties zijn in gebruik bij operationele en stafelementen. Het aantal operationele locaties kan aanzienlijk worden teruggebracht door de integratie. Een tijdelijke locatie is gevonden op het FEL-TNO complex. Deze extra dislocatie beperkt de efficiënte bedrijfsvoering en navenant de opgedragen reductiemogelijkheden, met name door het aanhouden van extra ondersteunend personeel. Het beleid is gericht op concentratie van de stafcomponenten van de dienst op het Van Alkemadecomplex per eind 1999.

Toelichting per artikelonderdeel

01.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort MID.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n369352347347347
– gemiddeld salarisx f 181 44781 54081 55081 66381 663
– totale uitgavenx f 100030 05428 70228 29828 33728 337
– niet-actief personeelaantal vte'n55555
– gemiddeld salarisx f 137 00037 00037 00037 00037 000
– totale uitgavenx f 1000185185185185185
Totaal toegelicht bedragx f 100030 23928 88728 48328 52228 522

Toelichting actief personeel

Aangezien bij de raming voor alle jaren is uitgegaan van het loonniveau 1997 en een gelijkmatige verdeling over de rangen vertoont, is het gemiddelde salarisniveau een vrijwel gelijk bedrag per jaar.

Toelichting niet-actief personeel

In deze categorie zijn de uitgaven begrepen voor langdurig zieken, ouderschapsverlof, partiële arbeidsparticipatie en een bepaalde groep van postactief personeel.

01.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort MID.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n421407406406406
waarvan:      
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n407393392392392
– gemiddeld salarisx f 175 35175 39975 40375 67675 676
– totale uitgavenx f 100030 66829 63229 55829 66529 665
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n1414141414
– gemiddeld salarisx f 158 92958 00058 00058 21458 214
– totale uitgavenx f 1000825812812815815
Totaal toegelicht bedragx f 100031 49330 44430 37030 48030 480

Toelichting

Het gemiddeld salaris van beroepspersoneel bepaalde tijd ligt aanmerkelijk lager dan die voor het personeel bepaalde tijd aangezien het bij de eerste categorie om relatief jong personeel gaat dat een aanvangssalaris ontvangt en bovendien in het algemeen een lagere rang heeft.

01.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen betreffen burger- en militair personeel. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen, inhuur tijdelijk personeel en geneeskundige verzorging.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeelmensjaren4,43,73,73,23,2
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 170 22770 00070 00071 56371 563
– totale uitgavenx f 1000309259259229229
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)790759753753753
– gemiddeld per vtex f 18 5848 0878 7459 72811 085
– totale uitgavenx f 10006 7816 1386 5857 3258 347
Totaal toegelicht bedragx f 10007 0906 3976 8447 5548 576
Overige personele uitgavenx f 1000152152152152152
Totaal personele uitgavenx f 10007 2426 5496 9967 7068 728

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel, die terughoudend worden geraamd, zijn het product van het aantal mensjaren en de gemiddelde loonsom op jaarbasis. De uitgaven betreffen de inhuur van uitzendkrachten voor slechts enkele specifieke onderdelen van de MID ter vervanging van personeel dat afwezig is in verband met ziekte en/of verlof.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het gemiddelde bedrag per vte is het quotiënt van de overige persoonsgebonden personele uitgaven die in beheer zijn bij het ressort MID en de begrotingssterkte van dit ressort. Het betreft hier in hoofdzaak de uitgaven voor opleidingen en reis- en verblijfkosten voor dienstreizen en verplaatsingskosten. De stijging van de gemiddelde uitgaven per vte is in hoofdzaak toe te schrijven aan stijgende uitgaven voor opleiding.

Toelichting andere volumegegevens

Overige personele uitgaven

De uitgaven hebben in hoofdzaak betrekking op medische keuringen, verstrekking van voeding en uitgaven in het kader van de van kracht zijnde SBK-regelingen.

01.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor onder meer kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, voertuigen en inhuur O-, I- en A-deskundigheid.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- & A-deskundigheiduren2 3602 3042 3042 3325 968
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1250250250250250
– totale uitgavenx f 10005905765765831 492
– overige persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)790759753753753
– gemiddeld per vtex f 117 2808 2534 7785 3295 060
– totale uitgavenx f 100013 6516 2643 5984 0133 810
Totaal toegelicht bedragx f 100014 2416 8404 1744 5965 302
Overige kleine bedrijfsmatige investeringenx f 100019 30513 20913 23120 31925 617
Totaal materiële uitgavenx f 100033 54620 04917 40524 91530 919

Toelichting inhuur O-, I- en A-deskundigheid

Gelet op het specifieke karakter van de MID hebben de uitgaven grotendeels betrekking op de kosten van systeemontwikkeling en implementatie.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Het betreft hier de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, communicatie-middelen en overige materiële zaken. De uitgaven zijn tot en met 1999 hoger als gevolg van het feit dat rekening is gehouden met additionele uitgaven voor herhuisvesting, verhuizing en inrichting.

Toelichting kleine bedrijfsmatige investeringen

De bedrijfsmatige investeringen hebben betrekking op:

– kleine investeringen die voornamelijk betrekking hebben op stationaire- en mobiele telefoons in verband met de mobiliteit van de werkers in het veld;

– automatisering. Verdergaande automatisering is één van de randvoorwaarden bij de uitvoering van de doelmatigheidsoperaties bij de MID. In dit kader moeten onder andere het project Automatisering Ressort Inlichtingen Militaire Inlichtingendienst (ARIMID) en het Contra- Inlichtingen- en Veiligheidsinformatie- en Communicatiesysteem (CIVIC) in 1998 worden voltooid. Deze systemen bieden ondersteuning aan de diensten inlichtingen, contra-inlichtingen en veiligheid. Realisatie van een managementinformatiesysteem in 1999 zal de eerste fase van automatisering afronden;

– vervoermiddelen. MID-medewerkers in de buitendienst hebben de beschikking over een dienstauto voor onder meer de uitvoering van (veiligheids)onderzoeken. Het niveau van de uitgaven voor vervangingsinvesteringen wordt bepaald door de omvang van het wagenpark (personenauto's) en een vervanging na vier jaren of 120 000 kilometer;

– overige investeringen. Deze hebben betrekking op alle projecten van de afdeling verbindingsinlichtingen. De integratie van operationele verbindingslijnen te Eibergen maakt het noodzakelijk te investeren in kostbare technische peilapparatuur en de daarbij behorende automatiseringssystemen. Investeringen in strategische verbindingsinlichtingen zijn noodzakelijk om de grote (geografische en technische) diversiteit aan doelen te kunnen onderscheppen. Samenwerking in dit kader, zowel interdepartementaal als internationaal, vergt eveneens substantiële investeringen.

Artikelonderdeel 01.20.09 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor de burgerambtenaren van het Kerndepartement en de MID. Separaat zichtbaar zijn de uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroom Bevorderende Maatregel Ouderen (UBMO).

Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen zoveel mogelijk te beperken door middel van een actieve herplaatsingsinspanning en het gebruik van SBK-instrumenten waaronder om-, her- en bijscholing. Sinds 1996 omvat dit artikel ook de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoeringskosten van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO).

Vanaf de ontwerpbegroting 1998 worden de wachtgelden bij de betreffende beleidsterreinen geraamd en verantwoord in plaats van bij beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde bedragen en ramingskengetallen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Wachtgelden SBK/UBMO      
burgerpersoneel      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal162148139120112
– bedrag per uitkeringsjaarx f 129 03129 45927 71230 45030 955
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0004 7034 3603 8523 6543 467
Overige wachtgelden burgerpersoneel      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal6845393838
– bedrag per uitkeringsjaarx f 132 22138 06742 48743 47443 079
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0002 1911 7131 6571 6521 637
Totaal toegelicht met      
ramingskengetallenx f 1 0006 8946 0735 5095 3065 104
Bij: uitvoeringskostenx f 1 0001 1471 1311 1311 1311 131
Totale uitgaven wachtgelden      
en inactiviteitsweddenx f 1 0008 0417 2046 6406 4376 235

Toelichting

De geraamde bedragen hebben betrekking op de wachtgeldregelingen die deel uitmaken van het pakket maatregelen dat bij het Sociaal Beleidskader (SBK) hoort. Dit zijn de wachtgeld-VUT, de wachtgeld-VUT compensatieregeling, de wachtgeld standaardregeling en de uitstroom bevorderende maatregel ouderen. De fluctuatie in het bedrag per uitkeringsjaar wordt veroorzaakt door de per regeling van toepassing zijnde uitkeringspercentages, de duur en het bruto bedrag van de uitkeringsgrondslagen.

In de post overige wachtgelden worden de diverse (niet-SBK) uitkeringsregelingen verantwoord. Daarbij gaat het om het werkloosheidsbesluit defensie personeel (WBDP) en de suppletieregeling. Tevens wordt ook een aantal aflopende regelingen zoals het wachtgeldbesluit burgerlijke rijksambtenaren defensie, het uitkeringsbesluit burgelijke ambtenaren defensie en het herplaatsingswachtgeld tot de post overige wachtgelden gerekend. De toename van het bedrag per uitkeringsjaar wordt veroorzaakt door de per regeling van toepassing zijnde grondslagen.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel van het Kerndepartement en de MID. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen ambtelijk burgerpersoneel en overige personele uitgaven. De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 01.20.09.

 
Sociaal Beleidskader (bedragen x f 1000)199719981999200020012002
– Om-, her-, bijscholing en outplacement800700700600600600
– Verplaatsen506060606060
– Wachtgelden4 5744 7034 3603 8523 6543 467
– BDOS plaatsingen5 1002 5502 9752 5502 550935
Totaal Sociaal Beleidskader10 5248 0138 0957 0626 8645 062

01.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor:

– subsidies aan verschillende instellingen, gebaseerd op het rapport Subsidiebeleid na 1986;

– bijdragen aan andere ministeries, verenigingen, stichtingen en comités.

Subsidies worden verleend aan instellingen die voor Defensie een zeker nut hebben en ook zelf financiële middelen bijeenbrengen, maar daarnaast mede afhankelijk zijn van financiële hulp van Defensie. In bijlage 6 is een overzicht opgenomen.

De aard van het artikel brengt met zich mee dat de afzonderlijke ramingen voor de verplichtingen en de uitgaven aan elkaar gelijk zijn.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 19981999200020012002
Overheveling uit:     
– artikel 01.04104 033103 831103 167103 167 
Nieuwe mutaties15 51515 45415 44415 317 
Stand ontwerpbegroting 1998119 548119 285118 611118 484118 484

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties zijn als volgt te specificeren:

     
bedragen x f 10001998199920002001
Prijsbijstelling 1997673670667667
Loonbijstelling 19972 0292 0192 0132 013
Overheveling subsidies van de Koninklijke landmacht12 67312 47512 47412 497
Bijdrage aan het ministerie van Buitenlandse Zaken140290290140
Totaal van de uitgavenmutaties15 51515 45415 44415 317

Toelichting op de nieuwe mutaties

Loon- en prijsbijstelling 1997

Met betrekking tot deze mutaties is in de inleiding van de artikelsgewijze toelichting nadere algemene informatie verstrekt. De loonbijstellingsmutatie betreft de doelsubsidie HDO/TNO.

Overheveling subsidies van de Koninklijke landmacht

Dit betreft overheveling van acht subsidies van de Koninklijke landmacht naar het Kerndepartement, aangezien de beslissing tot verstrekking van deze subsidies aldaar wordt genomen.

Bijdrage aan het ministerie van Buitenlandse Zaken

Dit betreft een aanpassing van de bijdragen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging.

De onderverdeling naar artikelonderdelen (meerjarig)

I. Subsidies

De onderverdeling van het volume van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 19981999200020012002
Subsidies:      
– aan het Comité international de médecine et de pharmacie militaires44444
– Koninklijke vereniging ter beoefening van de krijgswetenschap, ten behoeve van de buitengewone leerstoel militair recht aan de Universiteit van Amsterdam en het tijdschrift de «Militaire Spectator»400400400400400
– Veteranenplatform185180180180180
– Bond Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO)400    
– Defensie vrouwennetwerk1010101010
– Atlantic exchange program1515151515
– Stichting Dienstverlening Veteranen2 0172 0172 0172 0172 017
– Stichting Maatschappij en Krijgsmacht491491491491491
– Stichting Vrouw en Uniform2828282828
– Stichting Homosexualiteit en Krijgsmacht5555555555
– Koninklijke Nederlandse vereniging van reserve-officieren7070707070
– Stichting koepelorganisatie militaire tehuizen1 9001 9001 9001 9001 900
– Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag9 8009 9119 9109 9339 933
– Algemene vereniging voor reserve militairen2020202020
– Stichting rechtsbijstand dienstplichtige militairen204  
Totaal subsidies15 59915 10115 10015 12315 123

II. Bijdragen

De onderverdeling van het volume van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVolume van de uitgaven
 19981999200020012002
Bijdragen aan:      
– het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII): in de doelsubsidies TNO/DO97 72297 30396 87096 87096 870
– het ministerie van Buitenlandse Zaken (V):      
* Nationaal bureau voor verbindingsbeveiliging2 6513 3053 0652 9152 915
* de Stichting Nederlands instituut voor internationale betrekkingen «Clingendael»1 7581 7581 7581 7581 758
* het Internationaal comité van het Rode Kruis7070707070
* de Stichting Atlantische Commissie298298298298298
– het ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII):      
bijdrage aan het Nationaal lucht- en ruimtevaart laboratorium1 0001 0001 0001 0001 000
– het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI):     
bijdrage ten behoeve van het Informatie- en coördinatie-orgaan dienstverlening oorlogsgetroffenen (ICODO)450450450450450
Totaal bijdragen103 949104 184103 511103 361103 361
Totaal subsidies15 59915 10115 10015 12315 123
Totaal artikel119 548119 285118 611118 484118 484

De doelstellingen van de ontvangers van subsidies en bijdragen worden uiteengezet in bijlage 6.

De daling van de uitgaven voor subsidies en bijdragen wordt voor het merendeel veroorzaakt door de eerder ingeboekte doelmatigheidsbesparingen met betrekking tot de doelsubsidie TNO/Defensie-onderzoek.

01.22 Geheime uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Overeenkomstig artikel 19 van de Comptabiliteitswet 1976 en de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften, is artikel 01.22 bij Defensie aangewezen als het artikel waarop de geheime uitgaven worden verantwoord.

Door toepassing van categorie 2.b van de «Aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991» wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 01.08   200200200200 
Nieuwe mutaties    
Stand ontwerpbegroting 1998   200200200200200

De geheime uitgaven worden jaarlijks door de President van de Algemene Rekenkamer gecontroleerd.

01.23 Internationale verplichtingen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Nederland neemt deel aan een aantal gemeenschappelijk gefinancierde programma's in Navo-verband. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de samenhang van het bondgenootschap. Het betreft onder meer het Navo Veiligheids Investeringsprogramma (het vroegere Navo-infrastructuurprogramma), de militaire begroting van de Navo en het «Airborne Early Warning and Control System» (Awacs).

De gemeenschappelijke kosten van Navo-uitbreiding zullen in de toekomst uit dit artikel worden betaald. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat dit niet zal leiden tot een extra beslag op de middelen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.11  135 923111 279116 487121 242115 282 
Nieuwe mutaties  – 77 12329 85919 31423 07629 236 
Stand ontwerp-begroting 199812 330058 800141 138135 801144 318144 518143 989
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.11   150 918146 101152 018152 218 
Nieuwe mutaties    
Stand ontwerp-begroting 1998   150 918146 101152 018152 218151 689

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
– Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland7202002 8002 800
– Bijdrage Navo Veiligheids Investeringsprogramma32 13922 11423 27629 436
– Exploitatie Awacs– 150– 150– 150– 150
– Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo– 2 850– 2 850– 2 850– 2 850
Totaal van de verplichtingenmutaties29 85919 31423 07629 236

Toelichting op de nieuwe verplichtingenmutaties

Met als doel het inzicht te verbeteren en de administratie te vereenvoudigen zijn de in voorgaande jaren aangegane en in de komende jaren aan te gane verplichtingen aangepast en geschoond. Deze administratieve operatie heeft een neutraal effect op de uitgaven.

Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland

De aanpassingen zijn noodzakelijk om het juiste niveau van aan te gane verplichtingen voor Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland te verkrijgen.

Bijdrage aan het Navo Veiligheids Investeringsprogramma

De mutaties vloeien voort uit de gekozen methode waarbij verplichtingen in de begrotingsadministratie worden vastgelegd op het moment dat de met de Navo-lidstaten gemaakte afspraken financieel concrete vormen hebben aangenomen en dat daadwerkelijk tot onderlinge verrekening wordt overgegaan.

Exploitatie Awacs

Een nadere inschatting van aan te gane verplichtingen heeft een kleine aanpassing tot gevolg.

Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo

Het niveau van verplichtingen inzake de bijdrage aan de Navo militaire begroting is op basis van besluitvorming door de lidstaten neerwaarts bijgesteld.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland30 68224 54532 76232 76232 23330 68224 54532  76232 76232 233
Bijdrage aan Navo Veiligheids Investeringsprogramma64 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 35664 356
Investeringen Awacs     9 78010 3007 7007 7007 700
Exploitatie Awacs14 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 80014 800
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo28 10028 10028 10028 10028 10028 10028 10028 10028 10028 100
Overige bijdragen3 2004 0004 3004 5004 5003 2004 0004 3004 5004 500
Totaal141 138135 801144 318144 518143 989150 918146 101152 018152 218151 689

Toelichting per artikelonderdeel

Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland

De uitgaven voor Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland betreffen projecten die naar verwachting in de jaren 1998 t/m 2002 zullen worden uitgevoerd. Het grootste deel van de uitgaven wordt verrekend met de Navo. De hieruit voortvloeiende ontvangsten worden verantwoord op het verrekenbare ontvangstenartikel 01.20. Voor Nederland betreft het in hoofdlijnen investeringen ten behoeve van communicatie en het oliepijpleidingennet.

Bijdrage aan het Navo Veiligheids Investeringsprogramma

In dit programma is gekozen voor gemeenschappelijke financiering van projecten die zijn opgenomen in «Capability Packages» en voor gemeenschappelijk gebruik zijn. Voor de ramingen vanaf 1997 wordt uitgegaan van een totaal contributieniveau van NAU 169 miljoen ofwel f 1 280 miljoen (één Navo Accounting Unit (NAU)= circa f 7,56). Het Nederlands aandeel van ongeveer 5% betekent een bijdrage van f 64,4 miljoen.

Investeringen Awacs

De investeringen worden gedaan in het kader van de eerste fase («near-term») van het Awacs-verbeteringsprogramma. De investeringen betreffen met name verbeteringen van de radars en de verbindingen. In Navo-verband is een vervolgfase («mid-term») overeengekomen, die in 1998 zal aanvangen en waarvoor in 1997 de verplichtingen zijn aangegaan. De ramingen berusten op de vastgestelde Nederlandse bijdrage van circa 3,75%.

Exploitatie Awacs

De uitgaven voor het operationeel houden van de Awacs-vloot berusten op de in het «operation and support»-budget voorziene behoeften. Bij de raming is rekening gehouden met een door de deelnemende landen overeengekomen reële nulgroei. De Nederlandse bijdrage is ongeveer 3,75%.

Bijdrage militaire begroting van de Navo

Ten laste van de Navo Militaire Begroting, waaraan Nederland ongeveer 3,5% bijdraagt, komen:

– de uitgaven van de hoofdkwartieren, agentschappen en speciale programma's;

– de exploitatie-uitgaven ten behoeve van gemeenschappelijk gefinancierde investeringsprojecten;

– de uitgaven van gemeenschappelijke voorzieningen die niet in aanmerking komen voor financiering door het Navo Veiligheids Investeringsprogramma.

Overige bijdragen

De overige bijdragen betreffen het Nederlandse aandeel in verschillende specifieke projecten en voorzieningen van Navo, zoals de internationale school van SHAPE en pensioenbijdragen.

01.24 Garanties

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het ministerie van Defensie heeft de volgende garanties verleend:

– voor de lening aan de Woonstichting «Ons Belang» voor een maximum van f 0,4 miljoen met een looptijd tot het jaar 2002;

– voor Eurometaal met een maximum van f 2 miljoen.

Naar de huidige inzichten zijn de uitgaven tot en met het jaar 2002 nihil.

01.25 Milieumaatregelen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De activiteiten die betrekking hebben op voorbereidende bodemonderzoeken ten behoeve van de sanering van verontreinigde gronden en overige vormen van milieubelasting, zijn met de eerste suppletore begroting 1997 aan de betrokken krijgsmachtdelen overgedragen.

In dit artikel zijn nu de uitgaven opgenomen voor aan milieumaatregelen gerelateerd wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast worden hier ook contributies aan milieu-organisaties en de inhuur van externe deskundigen op milieugebied verantwoord.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.14  7003 0003 0005002 500 
Nieuwe mutaties   3603602 360360 
Stand ontwerp-begroting 1998  7003 3603 3602 8602 8602 860
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.14   3 0003 0002 5002 500 
Nieuwe mutaties   360360360360 
Stand ontwerp-begroting 1998   3 3603 3602 8602 8602 860

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Verplichtingen:    
– Ramingsbijstelling2000
– Contributies en inhuur deskundigen360360360360
Totaal van de verplichtingenmutaties3603602 360360
Uitgaven:    
– Contributies en inhuur deskundigen360360360360

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw hebben, naast een ramingsbijstelling in het jaar 2000 in de verplichtingensfeer inzake milieumaatregelen, betrekking op de intensivering van diverse aspecten waarop het wetenschappelijk milieu-onderzoek zich richt. Hiervoor wordt een beroep gedaan op de inhuur van externe deskundigen en wordt bijgedragen aan milieu-organisaties.

Milieumaatregelen

Voor wetenschappelijk onderzoek op milieugebied wordt voor 1998 en 1999 een bedrag van f 3,36 miljoen geraamd. Vanaf het jaar 2000 wordt dit bedrag met f 0,5 miljoen gereduceerd. Naast het reeds voorziene onderzoek naar oppervlaktewater- en luchtverontreiniging zijn ook onderzoeken naar overige vormen van milieubelasting onder dit artikel gebracht.

01.26 Technologie-ontwikkeling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor technologie-ontwikkeling, alsmede voor het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie (Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling voor de Centrale organisatie). De uitgaven kunnen ook betrekking hebben op de opbouw en het instandhouden van kennis en kunde voor Defensie. Het betreft onderzoek ten behoeve van de primaire processen van Defensie, zoals beleids-, plannings- en besluitvormingsprocessen. De uitgaven voor het gebruik van kennis en kunde door de krijgsmachtdelen, inclusief de uitgaven voor de ontwikkeling van materieel ten behoeve van de krijgsmacht, komen ten laste van de krijgsmachtdeelbudgetten.

Het ministerie van Economische Zaken draagt financieel bij aan technologie- en materieelontwikkelingsprojecten, waarbij de bijdrage afhankelijk is van de bijdrage die door de industrie wordt geleverd.

Het streven is door middel van het financieren van dergelijke projecten de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie op specifieke gebieden te verbeteren. Het overleg aangaande de financiële bijdrage van het ministerie van Economische Zaken vindt plaats in de Commissie ontwikkeling defensiematerieel (Codema).

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.1514 6742 34425 14925 60224 68425 56624 484 
Nieuwe mutaties   2 3493 231– 166– 6 184 
Stand ontwerp-begroting 199814 6742 34425 14927 95127 91525 40018 30018 600
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.15   32 26930 33728 81628 816 
Nieuwe mutaties   710667634634 
Stand ontwerp-begroting 1998   32 97931 00429 45029 45029 450

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Verplichtingen:    
– Prijsbijstelling 1997710667634634
– Ramingsbijstelling 1 6392 564– 800– 6 818
Totaal van de verplichtingenmutaties2 3493 231– 166– 6 184
Uitgaven:    
– Prijsbijstelling 1997710667634634

Toelichting op de nieuwe mutaties

Prijsbijstelling 1997

Overeenkomstig de berekeningswijze van het ministerie van Financiën is de prijsbijstelling 1997 zowel aan de uitgaven als de verplichtingen van dit artikel toegevoegd.

Ramingsbijstelling

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw zijn, met inachtneming van de reeds aangegane verplichtingen, het gevolg van het actualiseren van de verplichtingenramingen van de technologie-ontwikkelingsprojecten.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Bijdrage ruimtevaartprogramma5 2004 2003 2003 2003 2005 2004 2003 2003 2003 200
WOO Centrale organisatie/Defensie5 4126 3006 7006 8007 1005 9006 3006 7006 8007 100
Ontwikkeling defensietechnologie17 33917 41515 5008 3008 30021 87920 50419 55019 45019 150
Totaal27 95127 91525 40018 30018 60032 97931 00429 45029 45029 450

Toelichting per artikelonderdeel

Bijdrage ruimtevaartprogramma

In 1998 wordt f 5,2 miljoen beschikbaar gesteld voor het ruimtetechnologie-programma van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR). Ingaande 1999 nemen de uitgaven als gevolg van doelmatigheidsbesparingen verder af.

Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling voor de Centrale organisatie/Defensie

De uitgaven die worden verantwoord bij dit artikelonderdeel hebben betrekking op:

– opbouwen en instandhouden van kennis en kunde voor Defensie en

– het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie.

De meerjarenraming van dit artikelonderdeel (uitgaven x f 1000)
 19981999200020012002
Opbouwen en instandhouden van kennis en kunde Defensie2 9002 8002 7002 6002 500
Gebruik van kennis en kunde CO3 0003 5004 0004 2004 600
Totaal5 9006 3006 7006 8007 100

Opbouwen en instandhouden van kennis en kunde voor Defensie

De opbouw en het instandhouden van kennis en kunde voor Defensie heeft betrekking op onderzoek ten behoeve van de primaire processen van Defensie, zoals beleids-, plannings- en besluitvormingsprocessen. Hiervoor kan geen gebruik worden gemaakt van de doelfinanciering aan TNO, waardoor het noodzakelijk is hiervoor een voorziening op te nemen. Het betreft onderzoek dat zowel binnen als buiten TNO plaatsvindt bij universiteiten, academische ziekenhuizen en andere instellingen.

Gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie

Het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie heeft betrekking op uitgaven voor advisering en algemene ondersteuning van de verschillende organisatiedelen van de Centrale organisatie. Het betreft onder andere onderzoek op het gebied van personeel, inlichtingen, technologische verkenningen en zeer specifiek milieu-onderzoek. De uitgaven voor algemeen milieu-onderzoek maken hier geen onderdeel van uit. In dit onderzoek kan, in de systematiek van integraal plannen van Woo, niet worden voorzien uit de doelfinanciering aan TNO.

Ontwikkeling defensietechnologie

De uitgaven die worden verantwoord bij het artikelonderdeel ontwikkeling defensietechnologie en gebruik Centrale organisatie hebben betrekking op:

– technologie-ontwikkeling in het kader van Codema;

– internationale technologie-ontwikkeling in WEAG/Euclid-verband;

– internationale technologie-ontwikkeling in overig verband;

– nationale technologie-ontwikkeling.

De meerjarenraming van dit artikelonderdeel (uitgaven x f 1000)
 19981999200020012002
Technologie-ontwikkeling Codema4 0004 0004 0004 0004 000
Internationale technologie-ontwikkeling WEAG/Euclid verband9 2009 80010 00010 00010 000
Internationale technologie-ontwikkeling overig verband2 0002 0001 0001 0001 000
Nationale technologie-ontwikkeling6 6794 7044 5504 4504 150
Totaal21 87920 50419 55019 45019 150

Technologie-ontwikkeling in het kader van Codema

Voor technologie-ontwikkelingsprojecten in het kader van Codema geldt in beginsel dat Defensie één derde van de kosten bijdraagt, evenals de industrie en het ministerie van Economische Zaken. De uitgaven zullen in samenhang met de voortgang van de lopende projecten over de jaren ten opzichte van de raming nog kunnen afwijken.

Internationale technologie-ontwikkeling WEAG/Euclid

Voor internationale technologie-ontwikkeling is in WEAG-verband het Euclid-programma opgesteld. Hierin streven de WEAG-landen naar gemeenschappelijke projecten, waaraan elk land een bijdrage levert. Het resultaat is voor alle deelnemende landen beschikbaar. Ieder land streeft ernaar tenminste één nationale industrie of onderzoeksinstelling te vinden, die deelneemt aan voor dat land relevante technologieprojecten. Ter ondersteuning van het Euclid-programma is in 1995 een «Research Cell» opgericht. De financiering van Euclid-projecten geschiedt volgens een afgesproken verdeelsleutel, die verband houdt met de tussen de deelnemende landen overeengekomen werkverdeling.

Er wordt in beginsel een eigen financiële bijdrage van de deelnemende industrieën en onderzoeksinstellingen verwacht. Aan Euclid-projecten wordt in een aantal gevallen eveneens door het ministerie van Economische Zaken bijgedragen.

Internationale technologie-ontwikkeling in overig verband

Naast de technologie-ontwikkeling binnen het WEAG/Euclid programma worden ook samenwerkingsovereenkomsten afgesloten met landen die een vergelijkbaar of groter onderzoekspotentieel hebben.

Nationale technologie-ontwikkeling

De uitgaven van dit onderdeel zijn bedoeld voor de ontwikkeling, door met name nationale onderzoeksinstellingen, van voor defensie specifieke nieuwe technologieën die een grote kans hebben op industriële toepassing. De uitgaven van dit onderdeel zullen in de loop der jaren, als gevolg van bezuinigingen, worden verminderd.

01.27 Loonbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Via dit artikel worden de ontvangen bedragen voor de loonbijstelling en de incidentele looncomponent als nieuwe mutaties over de beleidsterreinen verdeeld.

Door toepassing van categorie 2.c van de aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991 wordt bij dit administratieve begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.16   206 762212 930206 245211 164 
Nieuwe mutaties   – 122 734– 97 549– 93 442– 97 771 
Stand ontwerp-begroting 1998   84 028115 381112 803113 393113 393

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties zijn als volgt samen te vatten:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Arbeidsvoorwaardenakkoord 1997/1999:    
– Maatregelen door de beleidsterreinen63 06586 63688 94084 427
– Uitdeling generieke salarismaatregel 1997 over de beleidsterreinen– 152 026– 151 017– 149 612– 149 472
Uitdeling van de incidentele looncomponent 1998 over de beleidsterreinen– 29 604– 29 277– 29 022– 28 943
Uitdeling over de beleidsterreinen van de technische loonbijstelling 1997 (zoals premie-aanpassingen)– 9 408– 9 159– 9 016– 9 078
Toevoeging vanwege de indexering inzake pensioenen5 2395 2685 2685 295
Totaal van de uitgavenmutaties– 122 734– 97 549– 93 442– 97 771

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties vloeien voort uit het arbeidsvoorwaardenakkoord 1997 – 1999, de vergoeding van 0,6% voor incidenteel loon 1998 en de compensatie van gewijzigde premies (de technische loonbijstelling 1997) en de toevoeging inzake indexering van pensioenen. In de toelichting bij de betreffende begrotingsartikelen zijn de overeenkomstige mutaties onder de noemer «loonbijstelling 1997» per beleidsterrein gespecificeerd. De toevoeging inzake indexering van pensioenen zal nog aan het daartoe bestemde artikel worden toegedeeld.

Toelichting op de geraamde bedragen

De stand ontwerpbegroting 1998 op dit artikel wordt verklaard door de hierop gestalde bedragen voor onder meer de sectoralisatie van de Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (ZVO), A&O-projecten, de Wet op de Ondernemingsraad (WOR), de indexering voor pensioenen en de compensatie voor de incidentele looncomponent voor postactieven.

01.28 Prijsbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Via dit artikel worden de ontvangen bedragen voor de prijsbijstelling als nieuwe mutaties over de beleidsterreinen verdeeld.

Door toepassing van categorie 2.c van de aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991 wordt bij dit administratieve begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.17   207 868159 926158 48199 553 
Nieuwe mutaties   – 207 868– 159 926– 158 481– 99 553 
Stand ontwerp-begroting 1998   00000

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties zijn als volgt samen te vatten:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Uitdeling van de prijsbijstelling 1997 over de artikelen van de beleidsterreinen– 139 400– 142 261– 141 772– 138 351
Diverse herschikkingen met andere begrotingsartikelen– 144 468– 29 865– 16 70938 798
Bijstelling verkoopopbrengsten door tussenkomst van het ministerie van Financiën76 00012 200
Totaal van de uitgavenmutaties– 207 868– 159 926– 158 481– 99 553

Diverse herschikkingen met andere begrotingsartikelen

Deze mutatie houdt onder meer verband met de realisatie van de doelmatigheidstaakstelling Spoor 1, de financiering van het gereedmaken voor verkoop van de fregatten voor de Verenigde Arabische Emiraten en de financiering van de grondruil aangaande de vliegbasis Eindhoven (en PIROC).

Bijstelling verkoopopbrengsten door tussenkomst van het ministerie van Financiën.

Deze post betreft de ontvangsten uit de verkoop van overtollige roerende en onroerende defensiegoederen. De ramingen voor 1998 en 1999 berusten voor het strategisch materieel op termijnbetalingen van gesloten contracten en principe-overeenkomsten.

01.29 Overige departementale uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen uitgaven ten behoeve van het gehele ministerie van Defensie. Het betreft uitgaven voor:

– voorlichting;

– schadevergoedingen;

– hulpprogramma's aan Navo-lidstaten, zoals steun aan landen met «developing defence Industries» (DDI);

– samenwerkingsprogramma's met de Midden- en Oost-Europese landen waaronder uitgaven voor wapenbeheersing;

– exploitatiekosten van het Weu-satellietcentrum;

– overige uitgaven, zoals drukwerk en publicatiekosten en de uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen omtrent telecommunicatie en frequentiebeheer.

Met ingang van de begroting 1998 worden de uitgaven voor nieuwbouw, onderhoud en renovatie van defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO op het artikelonderdeel 01.29.05 Infrastructuur geraamd en verantwoord.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.06   2 1012 1012 1012 101 
– artikel 01.19 502 47832 84233 84231 44233 496 
Nieuwe mutaties   – 2 126– 3 176– 776– 2 909 
Stand ontwerp-begroting 1998 502 47832 81732 76732 76732 68832 688
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 01.06   2 1012 1012 1012 101 
– artikel 01.19   32 64232 64232 64232 563 
Nieuwe mutaties   – 1 976– 1 976– 1 976– 1 976 
Stand ontwerp-begroting 1998   32 76732 76732 76732 68832 688

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Verplichtingen    
     
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Reductie verzendkosten personeelsperiodieken – 650– 650– 650– 650
Overige mutaties:    
– Prijsbijstelling 199759595959
– Schadevergoedingen– 1 360– 1 360– 1 360– 1 360
– Bijdrage Postbus 51-Infolijn– 25– 25– 25– 25
– Ramingsbijstelling– 150– 1 2001 200– 933
Totaal van de verplichtingenmutaties– 2 126– 3 176– 776– 2 909
   
Uitgaven  
     
Doelmatigheidsbesparingen:    
– Reductie verzendkosten personeelsperiodieken – 650– 650– 650– 650
Overige mutaties:    
– Prijsbijstelling 199759595959
– Schadevergoedingen– 1 360– 1 360– 1 360– 1 360
– Bijdrage Postbus 51-Infolijn– 25– 25– 25– 25
Totaal van de uitgavenmutaties– 1 976– 1 976– 1 976– 1 976

Toelichting op de nieuwe mutaties

Doelmatigheidsbesparingen

Dit betreft een reductie op de verzendkosten van de Defensiemaandbladen.

Prijsbijstelling 1997

Deze mutatie is in de inleiding van de artikelsgewijze toelichting nader onderbouwd.

Schadevergoedingen

Gelet op het feit dat reeds enige tijd op dit artikelonderdeel geen sprake meer is van volledige realisatie, kan worden uitgegaan van een structurele afname van de financiële lasten als gevolg van veroorzaakte oefenschade.

Bijdrage Postbus 51-Infolijn

Dit betreft de vaste structurele bijdrage van het ministerie van Defensie in de vaste kosten van de Postbus 51-Infolijn van de Voorlichtingsraad (Rijksvoorlichtingsdienst).

Ramingsbijstelling

De ramingsbijstelling in de verplichtingenopbouw is het gevolg van de actualisering van de verplichtingenramingen van de artikelonderdelen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen (meerjarenraming)

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
01.29.01 Voorlichting3 8013 8013 8013 8013 8013 8013 8013 8013 8013 801
01.29.02 Schadevergoedingen12 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 89012 890
01.29.03 Samenwerkingprogramma's4 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 7124 712
01.29.04 Overige uitgaven9 2549 2049 2049 1259 1259 2049 2049 2049 1259 125
01.29.05 Infrastructuur2 1602 1602 1602 1602 1602 1602 1602 1602 1602 160
Totaal32 81732 76732 76732 68832 68832 76732 76732 76732 68832 688

Toelichting per artikelonderdeel

01.29.01 Voorlichting

De uitgaven voor specifieke voorlichting, films, exposities, Defensie-informatiecentra, voorlichtingsbrochures, Defensiemaandbladen, Defensiekrant en de bijdrage aan de Voorlichtingsraad van de Postbus 51-Infolijn worden onder dit artikelonderdeel verantwoord. In het kader van doelmatigheidsbesparingen worden vanaf 1998 geen financiële middelen meer beschikbaar gesteld voor exposities.

De totale oplage per jaar van de diverse Defensieperiodieken zijn als volgt te specificeren:

– Defensiekrant 1 977 600

– Alle Hens 306 000

– Legerkoerier 900 000

– Vliegende Hollander 300 000

– Militair Rechtelijk Tijdschrift 11 700

Als gevolg van de doelmatigheidsbesparingen wordt vanaf 1998 voor voorlichtingsuitgaven (exclusief de personele exploitatiekosten) jaarlijks een bedrag van f 3,8 miljoen geraamd.

01.29.02 Schadevergoedingen

Hieronder vallen de uitgaven voor de vergoeding van schade waarbij de krijgsmachtdelen zijn betrokken, waaronder die in verband met oefeningen en vliegtuigongevallen. Deze uitgaven, waarvoor meerjarig f 12,9 miljoen wordt geraamd, zijn als volgt verdeeld:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
Koninklijke marine700700700700700
Koninklijke landmacht4 0004 0004 0004 0004 000
Koninklijke luchtmacht1 0001 0001 0001 0001 000
Oefenschade6 0006 0006 0006 0006 000
Schadevergoedingsregeling 1985400400400400400
Gerechtelijke procedures790790790790790
Totaal12 89012 89012 89012 89012 890

01.29.03 Hulp- en samenwerkingsprogramma's

Voor deze uitgaven wordt gemiddeld f 4,7 miljoen geraamd. Hierin is de bijdrage opgenomen van Defensie in de rentelasten die voortvloeien uit drie door Nederland aan Turkije verstrekte leningen. Deze leningen lopen af in 1999. Daarnaast zijn hier ook de bijdragen geraamd voor de deelname aan het Weu-programma voor satellietwaarneming (te Torrejon in Spanje) en de steun aan landen met een ontwikkelende defensie-industrie, te weten Griekenland, Portugal en Turkije. Voorts worden hier de uitgaven geraamd voor de wapenbeheersings- en samenwerkingsprogramma's met de Navo-lidstaten en de voormalige Midden- en Oost-Europese landen.

 
bedragen x f 100019981999200020012002
Rentelasten *     
Weu-programma1 7001 7001 7001 7001 700
DDI-steun700700700700700
Samenwerkingsprogramma's2 3122 3122 3122 3122 312
Totaal4 7124 7124 7124 7124 712

* De uitgaven voor de rentelasten lopen in het jaar 1999 af. Vanwege het geringe jaarlijkse bedrag zijn deze uitgaven in dit overzicht niet meegenomen ( gemiddeld f 25 000 per jaar).

01.29.04 Overige uitgaven

Deze uitgaven, waarvoor nu ongeveer f 9,2 miljoen wordt geraamd, hebben betrekking op:

– uitgaven voor drukwerk ten behoeve van het ministerie van Defensie, waaronder reglementen, voorschriften en formulieren;

– uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen voor telecommunicatie en frequentiebeheer;

– uitgaven voor het technisch beheer van onroerende goederen door de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen.

 
bedragen x f 100019981999200020012002
– Drukwerk3 9003 9003 9003 8003 800
– Telecommunicatie en frequentiebeheer3 5003 5003 5003 5003 500
– Technisch beheer1 8041 8041 8041 8251 825
Totaal9 2049 2049 2049 1259 125

01.29.05 Infrastructuur

Deze uitgaven, waarvoor afgerond f 2,2 miljoen wordt geraamd, hebben betrekking op nieuwbouw, onderhoud en renovatie van defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO.

Afhankelijk van de soort activiteit wordt per vierkante meter een prijs gehanteerd die varieert van f 2100 tot f 4500. Daarnaast worden de faciliteiten in Rijswijk aan de wettelijke eisen aangepast.

02. BELEIDSTERREIN PENSIOENEN EN UITKERINGEN

02.01 Wachtgelden burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel bevatte tot en met 1997 uitgaven met betrekking tot diverse wachtgeldregelingen burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel zoals:

– wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren Defensie;

– uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren Defensie;

– regeling Uitkering wegens Functioneel Leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren Defensie;

– regulier wachtgeld voor militair personeel;

– wachtgelden en de uitstroombevorderende maatregelen voortvloeiend uit het Sociaal Beleidskader (SBK);

– in- en uitvoeringskosten van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO).

Met ingang van de begroting 1998 zijn de uitgaven van dit artikel overgeheveld naar de betrokken beleidsterreinen en ondergebracht bij de artikelen Personeel en materieel van die beleidsterreinen.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet werd bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf werd geraamd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1996199719981999200020012002
Stand ontwerp-begroting 1997  210 568209 921215 451192 140184 506 
1e suppletore wet 1997  – 584485485485485 
Nieuwe mutaties  – 548– 210 406– 215 936– 192 625– 184 991 
Stand ontwerp-begroting 1998 218 569209 43600000

De nieuwe mutaties zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 1000 1998199920002001
Overhevelingen wachtgelden naar de beleidsterreinen– 183 089– 189 007– 165 696– 158 062
Overheveling uitvoeringskosten USZO naar de beleidsterreinen– 27 317– 26 929– 26 929– 26 929
Totaal van de uitgavenmutaties– 210 406– 215 936– 192 625– 184 991

02.02 Militaire pensioenen en uitkeringen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De pensioenvoorziening en uitkeringen voor militair personeel zijn grotendeels in eigen beheer bij Defensie. Dit betreft met name de diensttijdpensioenen. De uitkeringen in verband met de Uitkeringswet gewezen militairen (UKW), de invaliditeitspensioenen en arbeidsongeschiktheid (IP/AO) zijn in handen van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO). Voor pensioenen ten behoeve van weduwen en wezen van militair personeel is het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds uitvoeringsorgaan, maar niet voor de nabestaandenpensioenen die verband houden met overlijden als gevolg van een dienstongeval.

De leeftijdsopbouw van het bestand gewezen militair personeel is niet altijd evenwichtig. Dit werkt door in de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen.

Daarnaast worden op dit artikel ook de uitgaven geraamd die betrekking hebben op uitkeringen in het kader van het veteranenbeleid.

Conform het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1996199719981999200020012002
Stand ontwerp-begroting 1997  1 604 9711 647 9381 633 4051 628 3141 648 640 
1e suppletore wet 1997  8 2492 9012 9453 0043 004 
Nieuwe mutaties  30 23936 33119 6618 531– 20 245 
Stand ontwerp-begroting 1998 1 596 4511 643 4591 687 1701 656 0111 639 8491 631 3991 663 614

De nieuwe mutaties kunnen als volgt worden gespecificeerd:

 
bedragen x f 1000 1998199920002001
Nazorg/veteranenzorg3 0003 0003 0003 000
Opzet verzekerdenadministratie27 00027 00027 0009 000
Actualisering pensioenen en uitkeringen– 14 800– 31 400– 42 900– 54 200
Loonbijstelling 199721 13121 06121 43121 955
Totaal van de uitgavenmutaties36 33119 6618 531– 20 245

Nazorg/veteranenzorg

Voor verbetering en intensivering van de veteranenzorg wordt jaarlijks f 3 miljoen extra gereserveerd.

Opzet verzekerdenadministratie

Met het oog op een verantwoorde informatieverstrekking aan de rechthebbenden op militair pensioen en een verbeterde raming van de militaire pensioenen, is besloten een verzekerdenadministratie op te zetten. De voor deze begrotingsjaren opgenomen bedragen betreffen zowel de initiële kosten (gegevensverzameling en systeemontwikkeling, f 65 miljoen) als de tijdelijke extra exploitatiekosten voor de opzet van de verzekerdenadministratie (onderhoud verzekerdenadministratie en voortzetting huidige administratie).

Actualisering pensioenen en uitkeringen

De mutaties die ten grondslag liggen aan de in de wet opgenomen bedragen, zijn het gevolg van de door de beleidsterreinen geactualiseerde in- en uitstroom van het militair personeel in de diverse uitkerings- en pensioenregelingen.

Loonbijstelling 1997

Aan de ramingen voor pensioenen is de vergoeding voor de loonbijstelling 1997 toegevoegd zoals in de inleiding van de artikelsgewijze toelichting is verwoord.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
Artikelonderdeel19981999200020012002
Militaire nabestaandenpensioenen63 48464 65465 42266 92368 787
Militaire diensttijdpensioenen579 190585 168587 068586 810589 342
Militaire invaliditeitspensioenen209 010206 630201 787198 272194 730
Uitkeringswet gewezen militairen709 492704 576708 089719 921746 282
Sociale zorg11 00011 00011 00011 00012 000
Overige uitkeringen12 07412 07312 07312 07313 073
Reserve-overdracht17 00016 00016 00016 00019 000
Veteranenbeleid58 92028 91011 41011 40011 400
Verzekerdenadministratie27 00027 00027 0009 0009 000
Totaal volume van de uitgaven1 687 1701 656 0111 639 8491 631 3991 663 614

Militaire nabestaandenpensioenen

De militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van dit artikelonderdeel indien het overlijden van de actieve of post-actieve militair is toe te schrijven aan de gevolgen van de uitoefening van de militaire dienst. De uitgaven voor de overige militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) dat voor de uitvoering daarvan zorgdraagt.

Er is rekening gehouden met een gemiddeld bestand van bijna 4400 personen, dat geleidelijk toeneemt tot ruim 4700 personen.

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Militaire nabestaandenpensioenen:      
– uitkeringsjarenaantal4 3774 4534 5384 6254 713
– bedrag per uitkeringsjaarx f 114 50414 51914 41614 47014 595
– toegelicht begrotingsbedragx f 100063 48464 65465 42266 92368 787

Militaire diensttijdpensioenen

De trendmatige stijging van de uitgaven is een gevolg van de toename van het aantal voormalige beroepsmilitairen dat de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.

De hiermee verband houdende mutatie in het gemiddelde bestand is:

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Militaire diensttijdpensioenen:      
– uitkeringsjarenaantal24 74925 00425 08425 07025 175
– bedrag per uitkeringsjaarx f 123 40323 40323 40423 40723 410
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000579 190585 168587 068586 810589 342

Militaire invaliditeitspensioenen

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Invaliditeitspensioenen beroeps >= 65 jaar:      
– uitkeringsjarenaantal2 0371 9711 9051 8391 765
– bedrag per uitkeringsjaarx f 115 78616 02415 98215 94315 982
– toegelicht begrotingsbedragx f 100032 15731 58330 44529 31928 209
 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Invaliditeitspensioenen beroeps < 65 jaar:      
– uitkeringsjarenaantal949929904879861
– bedrag per uitkeringsjaarx f 110 32310 42810 24610 35810 391
– toegelicht begrotingsbedragx f 10009 7979 6889 2629 1058 947
 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Invaliditeitspensioenen verlofs >= 65 jaar:      
– uitkeringsjarenaantal4 6154 4544 3214 1994 088
– bedrag per uitkeringsjaarx f 112 60112 58312 57612 62412 643
– toegelicht begrotingsbedragx f 100058 15356 04554 34353 00951 684
 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Invaliditeitspensioenen verlofs < 65 jaar:      
– uitkeringsjarenaantal7 0176 8406 6606 4776 293
– bedrag per uitkeringsjaarx f 19 2889 5739 5429 5509 593
– toegelicht begrotingsbedragx f 100065 17465 47763 55261 85460 366
 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Arbeidsongeschiktheidspensioenen < 15%:      
– uitkeringsjarenaantal2 2542 2502 2492 2482 244
– bedrag per uitkeringsjaarx f 12 8352 9012 8362 8792 835
– toegelicht begrotingsbedragx f 10006 3906 5286 3796 4736 362
 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Arbeidsongeschiktheidspensioenen < 80%:      
– uitkeringsjarenaantal339380394381367
– bedrag per uitkeringsjaarx f 17 9068 5688 4778 5308 071
– toegelicht begrotingsbedragx f 10002 6803 2563 3403 2502 962
 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Arbeidsongeschiktheidspensioenen >=80%:      
– uitkeringsjarenaantal738695675679683
– bedrag per uitkeringsjaarx f 140 03439 90540 39140 02139 919
– toegelicht begrotingsbedragx f 100029 54527 73427 26427 17427 265
 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Wachtgeld TBA (Wet terugdringing beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen):      
– uitkeringsjarenaantal306374432480527
– bedrag per uitkeringsjaarx f 116 71216 89616 67116 85016 954
– toegelicht begrotingsbedragx f 10005 1146 3197 2028 0888 935

Uitkeringswet gewezen militairen

De uitgaven in het kader van de Uitkeringswet gewezen militairen zullen de komende jaren nog in geringe mate dalen, waarna vanaf het jaar 2001 als gevolg van de bestandssamenstelling de uitgaven weer zullen toenemen.

De verwachting is gebaseerd op het volgende aantal gerechtigden:

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Uitkeringswet gewezen militairen      
– uitkeringsjarenaantal10 08110 02210 04310 19510 487
– bedrag per uitkeringsjaarx f 170 37970 30370 50670 61571 163
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000709 492704 576708 089719 921746 282

Sociale zorg

Hieronder vallen materiële voorzieningen in het kader van sociale zorg aan postactieve militairen, alsmede de uitvoering van de regeling gezondheidszorg. Jaarlijks wordt hiervoor gemiddeld f 11 miljoen geraamd.

Overige uitkeringen

Deze uitgaven, die worden verantwoord bij het artikelonderdeel overige uitkeringen, hebben betrekking op:

– Uitkering RRDPL (Reglement Rechtsbijstand Dienstplichtigen);

– Gratificatie Invaliditeitspensioenen Beroepspersoneel;

– Gratificatie Invaliditeitspensioenen Verlofspersoneel;

– Uitkering Algemeen Militair Ambtenaren Reglement;

– Schadeloosstelling Wet Tegemoetkoming Ziektekosten;

– Overlijdensuitkeringen;

– WAMIL (Wet Arbeidsongeschiktheid Militairen);

– Uitkeringen voor ontslag;

– Pensioenkosten algemeen.

Reserve-overdracht

Sedert 1 december 1987 biedt de Algemene Militaire Pensioenwet de mogelijkheid bij dienstverlating de financiële gevolgen van pensioenbreuk te voorkomen. Dit komt er op neer dat de actuariële tegenwaarde van het bij Defensie opgebouwde recht op ouderdoms- en weduwenpensioen wordt overgedragen aan het pensioenfonds van de nieuwe werkgever. Sedert 8 juli 1994 is sprake van een wettelijk recht op reserve-overdracht.

In de begroting is ervan uitgegaan dat in belangrijke mate van dit recht gebruik wordt gemaakt. In het kader van de privatisering van het ABP en het Spoorwegpensioenfonds gaat het sedert 1994 ook om waarde-overdracht bij overgang naar een burgerfunctie binnen de overheid. Rekening is gehouden met de toename van het aantal beroepsmilitairen bepaalde tijd en de stimulering van de uitstroom in het kader van de herstructurering van de krijgsmacht.

Vanaf 1998 wordt hiervoor jaarlijks f 17 miljoen oplopend tot f 19 miljoen in 2002 geraamd.

Veteranenbeleid

Veteranen kunnen in aanmerking komen voor een veteranenpas, die onder andere recht geeft op een aantal reisfaciliteiten, die ten laste van Defensie komen. Jaarlijks wordt hiervoor ongeveer f 8 miljoen geraamd. Voor de overige uitgaven in het kader van de nazorg aan veteranen wordt jaarlijks een bedrag van f 3 miljoen geraamd.

In 1998 en 1999 is tevens rekening gehouden met de éénmalige uitkering als uitvloeisel van de uitvoering van de motie-Zijlstra met betrekking tot het veteranenbeleid.

03. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE MARINE

Algemeen

De uitgaven binnen het artikel 03.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke marine zijn voortaan verdeeld in vijf ressorts: Commandant der Zeemacht in Nederland, Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied, Commandant van het Korps mariniers, Ondersteunende eenheden en Admiraliteit. De artikelen 03.21 Subsidies en 03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeren de begroting van de Koninklijke marine.

De totaal geraamde uitgaven van de Koninklijke marine voor de jaren 1998 tot en met 2002 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
03.20 Personeel en materieel     
– Commandant der Zeemacht Nederland619 272611 822598 940597 918595 577
– Commandant der Zeemacht CARIB81 89082 56181 46280 26480 876
– Commandant van het Korps mariniers176 895178 011181 820184 816184 049
– Ondersteunende eenheden444 666412 036381 596384 080377 840
– Admiraliteit601 691596 582579 284566 458568 326
– Wachtgelden en inactiviteitswedden34 35736 47137 68539 64540 874
Totaal Personeel en materieel1 958 7711 917 4831 860 7871 853 1811 847 542
      
03.21 Subsidies848838778768768
03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur846 569958 1961 050 691969 7661 007 355
Totale uitgaven2 806 1882 876 5172 912 2562 823 7152 855 665

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés worden, conform de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

03.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van de integratie van de begrotingsartikelen personele en materiële exploitatie en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) wordt met ingang van deze begroting inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven per organisatorisch ressort van de resultaatverantwoordelijke eenheden (RVE'en).

Het beleid is gericht op verdere decentralisatie van budgetten en beheersbevoegdheden. De commandant c.q. directeur kan hiermee de inzet van middelen (personeel, materieel en financieel) integraal sturen.

Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. Met ingang van de begroting 1998 worden de wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel op het artikelonderdeeel 03.20.21 geraamd en verantwoord.

Van de thans beschikbare bedrijfsvoeringsbudgetten zijn in bijlage 16 per ressort afzonderlijke conversietabellen opgenomen. In bijlage 14 zijn de gerealiseerde begrotingsbedragen voor het jaar 1996 en het vermoedelijke verloop van de verplichtingen en uitgaven voor het begrotingsjaar 1997 opgenomen volgens de oude indeling van de begrotingsartikelen en de artikelonderdelen.

Als gevolg van de besluitvorming over de actualisering van de Prioriteitennota is de formatie van het Korps mariniers uitgebreid. De begrotingssterkte neemt daardoor toe met 150 man; verdeeld over de jaren 1998 – 2001 is de toename respectievelijk 25, 50, 50 en 25 man. Deze uitbreiding zal in 2001 zijn voltooid.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 03.01   324 859317 995311 546312 130 
– artikel 03.02   903 369882 925869 330867 026 
– artikel 03.03990 14 436134 547133 940133 804133 894 
– artikel 03.052 27420 35172 474456 225450 931461 389468 867 
Totaal overgeheveld3 26420 35186 9101 819 0001 785 7911 776 0691 781 917 
Nieuwe mutaties  – 475123 895136 59874 61661 616 
Stand ontwerp-begroting 19983 26420 35186 4351 942 8951 922 3891 850 6851 843 5331 846 483
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 03.01   324 859317 995311 546312 130 
– artikel 03.02   903 369882 925869 330867 026 
– artikel 03.03   134 547133 940133 804133 894 
– artikel 03.05   470 141481 849478 349468 867 
Totaal overgeheveld   1 832 9161 816 7091 793 0291 781 917 
Nieuwe mutaties   125 855100 77467 75871 264 
Stand ontwerp-begroting 1998   1 958 7711 917 4831 860 7871 853 1811 847 542

Integratie tot één artikel personeel en materieel

De overhevelingen uit de begrotingsartikelen 03.01, 03.02, 03.03 en 03.05 houden verband met de vorming van het gecombineerde begrotingsartikel 03.20 Personeel en materieel voor de Koninklijke marine.

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de uitgaven- en de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Loonbijstelling 199729 74122 67221 91323 344
Prijsbijstelling 199710 4619 97410 71712 964
Personele ramingen14 77816 02412 78214 683
Inhuur tijdelijk personeel10 64110 1199 4399 690
Onderwijs en opleidingen2 5432 1242 3842 384
Zaken van operationele aard– 2 266– 2 323– 2 387– 2 392
Munitie– 6 446– 4 986– 2 937– 541
Instandhouding schepen– 4 524– 9 254– 5 401– 11 396
Onderwatermotoren mijnenbestrijdingsvaartuigen5 1205 129  
Instandhouding P3C Orions– 265– 5 9865 9291 818
Instandhouding onderzeeboten3 9865 533– 1 437– 2 379
Onderhoud hydrografie 2 4502 460 
Brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen1 7841 9782 7002 770
Wachtgelden en inactiviteitswedden34 35736 47137 68539 645
Doelmatigheidsmaatregelen5 3322 452– 16 358– 22 873
Overige bijstellingen6 113– 1 603– 9 7313 547
Kosten verkoopgereed maken fregatten VAE14 50010 000  
Totaal van de uitgavenmutaties125 855100 77467 75871 264
Verplichtingenmutaties    
– mutaties na doorwerking van de uitgaven, per saldo– 1 96035 8246 858– 9 648
Totaal verplichtingen inclusief doorwerking van de uitgaven.123 895136 59874 61661 616

Toelichting op de nieuwe mutaties

Algemeen

De verplichtingen- en uitgavenniveaus zijn aangepast aan de prijs- en loonbijstellingsbedragen 1997. De inleiding van de artikelsgewijze toelichting bevat hierover een nadere toelichting.

Personele ramingen

De uitkomsten van de SNIP-ramingen, rekening houdend met de niet daarin opgenomen categorieën personeel, de diverse mutaties in de uitgavenopbouw en de ontwikkeling in de aantallen, leiden tot bijstellingen van de ramingen ten opzichte van de begroting 1997. Daarnaast wordt rekening gehouden met de verwachte stijging van het gemiddelde bruto salaris als gevolg van normale periodieken en de in- en uitstroom.

Tevens is de raming voor de VROB (Vergoedingsregeling voor onregelmatigheid, overwerk, beschikbaarheid en bereikbaarheid) aangepast aan het vaar- en oefenschema; de raming voor de buitenlandtoelage is verhoogd als gevolg van een wijziging in het Voorzieningenstelsel Buitenland Defensie-personeel per 1 april 1996. Hierbij is de duurtecorrectie (compensatie voor het koopkrachtverschil) in de toelage buitenland voor de Nederlandse Antillen en Aruba aangepast.

Inhuur tijdelijk personeel

De hogere raming is vooral het gevolg van een gewijzigde boekingssystematiek. De inzet van tijdelijk personeel wordt ten laste van dit artikelonderdeel gebracht onder gelijktijdige verlaging van de artikelonderdelen ambtelijk personeel, militair personeel en materiële uitgaven. Door de gewijzigde boekingssystematiek ontstaat een beter inzicht in de uitgaven voor personeel werkzaam bij de Koninklijke marine.

Vooral als gevolg van de aangekondigde verhuizing van het MEOB-Oegstgeest naar Den Helder ontstaan vacatures bij het MEOB-Oegstgeest. Tevens is er als gevolg van de in december 1994 afgekondigde vacaturestop een tekort aan bepaalde categorieën personeel. Vacante plaatsen worden daardoor door tijdelijk personeel bezet.

Een ander deel van het tijdelijke personeel bestaat uit bovenformatieve krachten die worden ingezet om piekbelasting op te vangen. Dit doet zich vooral voor bij de Rijkswerf. Verder wordt bovenformatief personeel ingehuurd als tijdelijk bepaalde expertise nodig is en het niet doelmatig wordt geacht hiervoor eigen personeel op te leiden. Dit doet zich met name bij O-, I- en A-werkzaamheden voor.

Onderwijs en opleidingen

De vorming van één Sewaco-bedrijf en vervolgens één onderhoudsbedrijf en de nieuwe functies die daaruit voortvloeien, leiden tot hogere opleidingsuitgaven dan verwacht.

Zaken van operationele aard

Het betreft hier in het bijzonder de uitgaven voor haven-, sleep- en loodsdiensten, kanaalpassages en opwerkfaciliteiten. Op grond van de huidige activiteitenprogramma's is de raming geactualiseerd. Dit heeft geleid tot een daling van de verwachte uitgaven.

Munitie

De huidige voorraden en de behoefte aan nieuwe munitie ten behoeve van opleiding en oefening zijn opnieuw kritisch beschouwd, waarna de raming van de uitgaven neerwaarts is bijgesteld.

Instandhouding schepen

De gehanteerde instandhoudingsfilosofieën behelzen onder meer dat de capaciteit voor onderhoud en herstel van schepen in hoge mate is afgestemd op de grootte en de samenstelling van de vloot. De verlaging van deze post is vooral een gevolg van het overbrengen naar het artikelonderdeel overige personele uitgaven van de uitgaven van personeel op bovenformatieve plaatsen.

Onderwatermotoren mijnenbestrijdingsvaartuigen

De mutatie is een gevolg van het verschuiven van een opdracht voor het onderhoud (modificatie) aan de onderwatermotoren van de mijnenbestrijdingsvaartuigen van 1997 naar 1998 en 1999.

Instandhouding P3C Orions

De mutatie voor de instandhouding van vliegtuigen is voornamelijk ontstaan door het verschuiven van het groot onderhoud aan de P3C Orions. In het onderhoudsplan wordt nu rekening gehouden met een langere duur van het onderhoud per vliegtuig. Hierdoor zijn enkele verwachte betalingen van het jaar 1999 naar 2000 verschoven.

Instandhouding onderzeeboten

In de ontwerpbegroting 1997 was rekening gehouden met het in eigen beheer onderhouden van de onderzeeboten Hr.Ms. Dolfijn en Hr.Ms. Bruinvis in respectievelijk 1998 en 1999. In de aangepaste raming voor de ontwerpbegroting 1998 wordt uitgegaan van uitbesteding van dit onderhoud in verband met capaciteitstekort, hetgeen hogere uitgaven in deze jaren tot gevolg heeft.

Onderhoud hydrografie

De verhoging is het gevolg van het levensverlengend onderhoud aan de Noordzee-opnemers ten behoeve van hydrografische taken. Deze Noordzee-opnemers worden ingezet voor het verzamelen van gegevens die nodig zijn voor het produceren van zeekaarten. Tijdens de onderhoudsperiode wordt in de behoefte aan hydrografische capaciteit voorzien door het huren van een dergelijk vaartuig.

Brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen

Als gevolg van hogere brandstofprijzen op de oliemarkt en een hogere dollarkoers stijgt de raming van de uitgaven op dit artikelonderdeel.

Wachtgelden en inactiviteitswedden

Met ingang van het jaar 1998 worden de uitgaven van wachtgelden verantwoord bij de beleidsterreinen. Tevens zijn de ramingen geactualiseerd.

Doelmatigheidsmaatregelen

Maatregelen Onderhoud en Logistiek

De meest omvangrijke maatregel van de projectgroep Onderhoud en Logistiek (POL) betreft de concentratie van onderhoudsbedrijven, waaronder de verplaatsing van het Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf Oegstgeest naar Den Helder. Als gevolg hiervan wordt uitgegaan van een personele reductie met 124 vte'n. Daarvan is tot op heden reeds een reductie van 60 vte'n ingeboekt. De reductie van de resterende 64 vte'n wordt vanaf het jaar 2000 ingeboekt. De met deze maatregelen samenhangende investeringsuitgaven worden gefinancierd uit de «kosten voor de baat».

De maatregelen van de projectgroep Handelsartikelen (HART), onderdeel van POL, bestaan uit het elimineren van voorraadpunten voor handelsgebruikelijke artikelen, waardoor centrale voorraadvorming overbodig wordt, het afsluiten van defensiebrede mantelcontracten met gedwongen winkelnering en van concentratie van de verwervingsfunctie, waarbij door één krijgsmachtdeel voor benoemde groepen van materieel mantelcontracten worden afgesloten. Als gevolg hiervan wordt met ingang van het jaar 2000 een personele reductie van 24 vte'n ingeboekt.

Als gevolg van concentratie en integratie binnen Defensie van het voorzien in en het instandhouden en afstoten van kleding en persoonsgebonden uitrusting wordt een inkrimping van personeel van 12 vte'n met ingang van 1999 ingeboekt.

De overige maatregelen van de POL, die resulteren in de inboeking van 9 vte'n in de eindsituatie in het jaar 2000, betreffen met name de concentratie binnen Defensie van het verwerven, instandhouden, distribueren en afstoten van wielvoertuigen en enkele andere activiteiten.

Als gevolg van het totale pakket aan maatregelen bij Onderhoud en Logistiek wordt een besparing ingeboekt van f 1,1 miljoen in 1998 oplopend tot f 11,6 miljoen vanaf het jaar 2000.

Overheveling DTO/oprichting DTO

Een deel van de automatiseringsuitgaven bij de Koninklijke marine wordt ondergebracht bij het agentschap Defensie Telematica Organisatie (DTO). In verband hiermee gaan 17 vte'n militair en 70 vte'n burgerpersoneel over naar de DTO. De bijbehorende budgetten waaruit de salarissen, de overige personele exploitatie, de materiële exploitatie en de investeringen van deze automatiseringsactiviteiten betaald werden, worden niet naar de DTO overgeheveld. Deze worden gebruikt om de facturen van het agentschap DTO te betalen.

Netherlands Armed Forces Integrated Netwerk (Nafin)

De Nafin-organisatie van de Koninklijke luchtmacht gaat eveneens over naar het agentschap DTO. De bijbehorende budgetten worden niet overgeheveld, maar worden ondergebracht bij de gebruikers van het Nafin, waaronder de Koninklijke marine. Dit deel van het budget van de Koninklijke luchtmacht wordt overgeheveld naar de Koninklijke marine om de facturen van de DTO te kunnen betalen.

Als gevolg van de oprichting van het agentschap DTO worden bij automatisering van de bestuurlijke informatiesystemen besparingen verwacht oplopend tot f 5,5 miljoen per jaar vanaf het jaar 2000.

Afslanking Centrale Organisatie/Haagse staven

Het betreft hier de reductie met 14 vte'n in 1998, oplopend tot structureel 41 vte'n vanaf 2000 in de beleids- en beleidsondersteunende functies bij de Haagse staf (de Admiraliteit) van de Koninklijke marine. Het betreft hier een bedrag van f 1,2 miljoen in 1998 oplopend tot f 3,6 miljoen vanaf het jaar 2000.

Restontvlechting DVVO

In de begroting 1997 is de overheveling van de vervoersorganisatie van de Koninklijke marine naar de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO) verwerkt. In de begroting 1998 wordt deze operatie voltooid. Het betreft de vorming van een centrale dienstautopool bij de DVVO, waarvoor de budgetten aan de Koninklijke marine worden onttrokken. Het gaat om de budgetten voor 14 vte'n en de aanschaf en het onderhoud van de bijbehorende dienstauto's.

Terugboeking DVVO

Voor een aantal specifieke vervoerstaken bleek uitvoering door de Koninklijke marine doelmatiger dan door de DVVO. Dit geldt vooral het huren van schepen. Het betreffende budget wordt vanuit de DVVO aan de begroting van de Koninklijke marine toegevoegd.

Overige doelmatigheidsmaatregelen

Binnen de begroting van de Koninkijke marine wordt een bedrag ingeboekt als verwachte opbrengst van diverse doelmatigheidsmaatregelen. Deze maatregelen omvatten de verplaatsing en de reorganisatie van het Militair Penitentiair Centrum, de collocatie van de militair-historische secties van de krijgsmachtdelen, enkele maatregelen bij de bibliotheken en documentaire informatievoorziening en diverse kleinere doelmatigheidsmaatregelen.

Tevens zijn hierin een aantal correcties op eerdere doelmatigheidsmaatregelen verwerkt, waaronder op de maatregelen bij de Geestelijke Verzorging en het Geneeskundig Facilitair Bedrijf.

Kosten verkoopgereed maken fregatten VAE

Twee overtollige fregatten van de Kortenaerklasse zijn in 1996 verkocht aan de Verenigde Arabische Emiraten. Contractueel is onder meer overeengekomen dat de beide schepen vóór de overdracht meerjarig onderhoud zullen ondergaan. Met de uitgaven hiervoor is in de verkoopprijs rekening gehouden.

Overige verplichtingenmutaties

De mutaties in de uitgaven werken door in de verplichtingen. Daarnaast zijn in afwijking van de uitgaven mutaties met name de volgende verplichtingen aangepast:

– het verschuiven van de aanbesteding van het onderhoud (modificatie) aan de onderwatermotoren van de mijnenbestrijdingsvaartuigen. Hierdoor wordt de verplichtingenraming in 1998 verhoogd met f 5,1 miljoen;

– het uitbesteden van het meerjarig onderhoud van de Hr.Ms. Dolfijn en de Hr.Ms. Bruinvis. Hiermee is de verplichtingenraming in 1998 en 1999 verhoogd met respectievelijk f 9,2 miljoen en f 9,5 miljoen;

– Het aanbesteden van het dokwerk van het bevoorradingsschip Hr.Ms. Amsterdam. Hierdoor vindt een verschuiving plaats van 1998 naar 1999 van f 2,5 miljoen;

– In 1996 zijn twee overtollige fregatten van de Kortenaerklasse verkocht aan de Verenigde Arabische Emiraten. De verplichtingen voor het hierbij contractueel overeengekomen meerjarig onderhoud (MJO) zijn in 1996 aangegaan. Voor de in de uitgavenmutaties opgenomen bedragen worden derhalve geen verplichtingen in 1998 en 1999 aangegaan.

– de geplande aanbesteding ten bedrage van f 13,7 miljoen voor een meerjarig onderhoudscontract voor de motoren van de Lynx-helikopters. Hierdoor stijgt de verplichtingenraming in 1999.

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Commandant der Zeemacht in Nederland607 086610 927595 353596 801594 704619 272611 822598 940597 918595 577
Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied81 89082 56181 46280 26480 87681 89082 56181 46280 26480 876
Commandant van het Korps Mariniers176 489178 011181 820184 816184 049176 895178 011181 820184 816184 049
Ondersteunende eenheden444 666412 036381 596384 080377 840444 666412 036381 596384 080377 840
Admiraliteit598 407602 383572 769557 927568 140601 691596 582579 284566 458568 326
Wachtgelden en inactiviteitswedden34 35736 47137 68539 64540 87434 35736 47137 68539 64540 874
Totaal artikel personeel en materieel1 942 8951 922 3891 850 6851 843 5331 846 4831 958 7711 917 4831 860 7871 853 1811 847 542

De verplichtingen en uitgaven Commandant der Zeemacht in Nederland

Het ressort Commandant der Zeemacht in Nederland (CZMNED) bestaat uit de Groep Escorte Schepen, de Groep Maritieme Helikopters, de Groep Maritieme Patrouille Vliegtuigen, de Onderzeedienst, de Mijnendienst en de Overige eenheden van CZMNED, zoals het commandement, het Kustwachtcentrum, het Maritiem Hoofdkwartier Nederland, kazernes en walinrichtingen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
03.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel75 35074 59272 93473 07572 86075 35074 59272 93473 07572 860
03.20.02 Militair personeel486 147479 245469 545468 519466 235486 147479 245469 545468 519466 235
03.20.03 Overige personele uitgaven8 5828 5398 5448 4928 5098 5828 5398 5448 4928 509
03.20.04 Materiële uitgaven37 00748 55144 33046 71547 10049 19349 44647 91747 83247 973
Totaal607 086610 927595 353596 801594 704619 272611 822598 940597 918595 577

Activiteitentoelichting

Het ressort CZMNED heeft de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden van de vloot;

– het inzetten van de operationele eenheden van de vloot.

In het kader van de Belgisch-Nederlandse samenwerking worden deze activiteiten door de Commandant der Zeemacht in Nederland in zijn functie van Admiraal Benelux ook ontplooid ten behoeve van de toegewezen eenheden van de Belgische marine.

De activiteiten die moeten worden uitgevoerd voor het inzetten van de operationele eenheden van de (gezamenlijke Nederlands-Belgische) vloot worden door CZMNED nader uitgewerkt in het jaarlijkse «Belgian and Netherlands Operation Schedule» (BENOPS). Deze activiteiten omvatten onder andere deelname aan een veelheid van Navo-, Partnership for Peace (PfP)-, multi-nationale en nationale oefeningen en opwerkactiviteiten, op het niveau van de individuele eenheid en in nationaal of internationaal taakgroepverband.

Ook omvat het BENOPS activiteiten die samenhangen met de inzet voor vredesoperaties, het uitvoeren van kustwachttaken, de inzet van eenheden ten behoeve van operationele verrichtingen van het ressort Commandant van het Korps mariniers, het uitvoeren van technische, operationele en materiële beproevingen en evaluaties, het leveren van eenheden ten behoeve van opleidingen, inzet van eenheden ten behoeve van voorlichting en «public relations» en voorts activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale verplichtingen en afspraken.

Voor het jaar 1998 worden naar verwachting onder meer de volgende belangrijke activiteiten uitgevoerd:

– permanente deelname met elk één fregat met boordhelikopter aan de Standing Naval Forces Atlantic (STANAVFORLANT) en de Standing Naval Forces Mediterranean (STANAVFORMED);

– permanente deelname met één mijnenjager aan de Standing Naval Forces Channel (STANAVFORCHAN);

– standaard inzet aan vaardagen en vlieguren ten behoeve van de Kustwacht Nederland;

– deelname aan negen grote oefeningen.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort CZMNED.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n1 0561 0421 0151 0151 012
– gemiddeld salarisx f 170 58070 80071 05071 18971 188
– totale uitgavenx f 100074 53273 77472 11672 25772 042
– niet-actief personeelaantal vte'n1313131313
– gemiddeld salarisx f 162 92362 92362 92362 92362 923
– totale uitgavenx f 1000818818818818818
Totaal toegelicht bedragx f 100075 35074 59272 93473 07572 860

03.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CZMNED.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n6 6336 6156 4876 4866 478
waarvan:      
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n4 5444 5414 4834 4824 474
– gemiddeld salarisx f 177 70376 87076 74076 57776 580
– totale uitgavenx f 1000353 081349 066344 026343 216342 617
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n2 0892 074200420042004
– gemiddeld salarisx f 163 69862 76762 63462 52661 686
– totale uitgavenx f 1000133 066130 179125 519125 303123 618
Totaal toegelicht bedragx f 1000486 147479 245469 545468 519466 235

03.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeel aantal mensjaren6,46,16,25,65,7
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 171 00071 00071 00071 00071 000
– totale uitgavenx f 1000454434442400407
– overige persoonsgebonden       
personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)7 6897 6577 5027 5017 490
– gemiddeld per vtex f 11 0571 0591 0801 0791 082
– totale uitgavenx f 10008 1288 1058 1028 0928 102
Totaal toegelicht bedragx f 10008 5828 5398 5448 4928 509

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel zijn het product van het geraamde aantal afgeronde mensjaren en de gemiddelde uitgaven per mensjaar.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het betreft hier uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, onderwijs en opleidingen en overige personele zaken. Uitgaven ten behoeve van het ressort CZMNED die worden beheerd door het ressort Admiraliteit zijn opgenomen in de kengetallen aldaar.

03.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor onder meer huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, onderhoud van gebouwen en terreinen en bevoorrading.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)7 6897 6577 5027 5017 490
– gemiddeld per vtex f 12 1291 9872 0352 0382 054
– totale uitgavenx f 100016 37115 21815 26415 29015 382

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De gemiddelde uitgaven per vte vertonen vanaf 1999 een structurele daling ten opzichte van 1998 als gevolg van het beëindigen van het onderhoudscontract voor de communicatie-apparatuur van het Kustwachtcentrum.

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële exploitatie zijn met ramingskengetallen toegelicht. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, inventarisgoederen en klein materieel en overige materiële zaken. In het ressort CZMNED wordt voorts een deel van de uitgaven geraamd voor het onderhoud en herstel en herbevoorradingsartikelen van de maritieme patrouillevliegtuigen van het type P3C-Orion en de Lynx-helikopters van de Marine Luchtvaart Dienst. De raming voor het jaar 1998 bedraagt f 26,8 miljoen.

Tevens worden geringe delen van de uitgaven voor onderhoud en herstel ten behoeve van de schepen van de vloot binnen dit ressort geraamd. Voor het jaar 1998 gaat het om f 3,9 miljoen.

Het decentraal beheerde deel van de uitgaven op het gebied van het onderhoud van gebouwen en terreinen alsmede de voorzieningen aan gebouwen en terreinen worden door dit ressort geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 1,8 miljoen.

Daarnaast worden diverse kleinere uitgaven geraamd. De totale omvang in 1998 bedraagt f 0,3 miljoen.

De verplichtingen en uitgaven Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied

Het ressort Commandant der Zeemacht in het Caribisch (CZMCARIB) gebied bestaat uit:

– het commandement der zeemacht in het Caribisch gebied ten behoeve van het uitoefenen van operationeel en logistiek gezag en functionele bevoegdheden;

– de marinebasis Parera, de marinekazerne Suffisant en het vliegveld HATO-militair te Curaçao en de marinierskazerne Savaneta te Aruba;

– twee infanterie-compagnieën mariniers en een ondersteuningspeloton die deel uitmaken van het deels mobilisabele Vierde Mariniersbataljon;

– de Antilliaanse en Arubaanse militie;

– het transportschip Hr.Ms. Pelikaan;

– de radiostations in het Caribisch gebied.

Hoewel zij niet onder dit ressort vallen, heeft CZMCARIB eveneens de beschikking over:

– het stationschip met boordhelikopter en twee Orion maritieme patrouillevliegtuigen (CZMNED);

– het 336 squadron van de Koninklijke luchtmacht met de daartoe behorende twee F-27 M's.

De Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied vervult de nevenfunctie van de Commandant Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. In de Amerikaanse organisatie «Joint Inter Agency Task Force East» (JIATF-EAST) voor counter drugsoperaties vervult CZMCARIB de functie van Commander Task Group 4.4 (CTG 4.4).

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
03.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel4 1644 1604 4134 4164 4164 1644 1604 4134 4164 416
03.20.06 Militair personeel61 29960 71160 26260 17359 86361 29960 71160 26260 17359 863
03.20.07 Overige personele uitgaven4 4254 2764 2754 2374 2394 4254 2764 2754 2374 239
03.20.08 Materiële uitgaven12 00213 41412 51211 43812 35812 00213 41412 51211 43812 358
Totaal81 89082 56181 46280 26480 87681 89082 56181 46280 26480 876

Activiteitentoelichting

De Koninklijke marine is belast met de verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba. De defensie-inspanningen zijn er op gericht, naast de verdediging van het grondgebied van het Koninkrijk, ook een bijdrage in internationaal verband te leveren aan de strijd tegen de handel in drugs. Om hieraan uitvoering te geven omvatten de hoofdactiviteiten die door het ressort CZMCARIB worden ontplooid het inzetbaar houden en het inzetten van de ter beschikking gestelde operationele eenheden.

De activiteiten die moeten worden uitgevoerd voor het inzetbaar houden en het inzetten van de operationele eenheden omvatten de deelname aan nationale en internationale oefeningen in de regio, nationale maritieme presentie, counterdrugs (CD)-operaties in het kader van CTG 4.4, oproepen, keuren, selecteren, opleiden en op peil houden van de dienstplichtige Antilliaanse- en de vrijwillig (na)dienende Arubaanse militie, het uitvoeren van militaire bijstand en militaire steun in het openbaar belang, het leveren van eenheden ten behoeve van opleidingen, inzet van eenheden ten behoeve van voorlichting en «public relations» en voorts overige activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale (Koninkrijks)verplichtingen en afspraken.

Voor het jaar 1998 is een drietal grotere amfibische oefeningen voorzien te weten Deux Tricolores (met Franse eenheden), Carribean Fury (met Britse eenheden) en Unitas (met Amerikaanse eenheden).

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort CZMCARIB.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n7270707070
– gemiddeld salarisx f 157 83359 42963 04363 08663 086
– totale uitgavenx f 10004 1644 1604 4134 4164 416

03.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CZMCARIB.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n604602602602602
waarvan:      
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n321319319319319
– gemiddeld salarisx f 1100 90399 80998 49898 32998 329
– totale uitgavenx f 100032 39031 83931 42131 36731 367
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n283283283283283
– gemiddeld salarisx f 184 93384 80284 69384 56983 473
– totale uitgavenx f 100024 03623 99923 96823 93323 623
– ANTARUMILaantal vte'n176176176176176
– gemiddeld salarisx f 127 68827 68827 68827 68827 688
– totale uitgavenx f 10004 8734 8734 8734 8734 873
Totaal toegelicht bedragx f 100061 29960 71160 26260 17359 863

Toelichting ANTARUMIL

In 1996 is de opkomstplicht van de Arubaanse militie opgeschort. Om in de behoefte van personeel te voorzien zal de Koninklijke marine vrijwillig (na)dienende militairen werven.

03.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding, voeding, reizen, verplaatsen, onderwijs en opleidingen, inhuur van tijdelijk personeel en voorziening woonruimte.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeel aantal mensjaren3,43,43,43,43,4
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 171 00071 00071 00071 00071 000
– totale uitgavenx f 1000238238238238238
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)676672672672672
– gemiddeld per vtex f 16 1946 0096 0075 9515 954
– totale uitgavenx f 10004 1874 0384 0373 9994 001
Totaal toegelicht bedragx f 10004 4254 2764 2754 2374 239

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel zijn het product van het geraamde aantal afgeronde mensjaren en de gemiddelde uitgaven per mensjaar.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het betreft hier uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, onderwijs en opleidingen, voorziening woonruimte en overige personele zaken.

De uitgaven in 1998 zijn eenmalig hoger dan in de andere jaren. Dit wordt veroorzaakt door het betalen van de gebruikersbelasting aan de Eilandsoverheid van Curaçao over de jaren 1996 en 1997.

Uitgaven ten behoeve van het ressort CZMCARIB die worden beheerd door het ressort Admiraliteit zijn opgenomen in de kengetallen aldaar.

03.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd. Het betreft hier onder meer de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, data- en telecommunicatie, informatiesystemen, inventarisgoederen en klein materieel, zaken van operationele aard, geneeskundig materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van gebouwen en terreinen en brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)676672672672672
– gemiddeld per vtex f 19 4579 4729 5069 3969 438
– totale uitgavenx f 10006 3936 3656 3886 3146 342

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële exploitatie zijn met ramingskengetallen toegelicht. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, data- en telecommunicatie, informatiesystemen, inventarisgoederen en klein materieel, geneeskundig materieel en overige materiële zaken.

Naast deze uitgaven worden binnen het ressort CZMCARIB onder meer geraamd de uitgaven op het gebied van het onderhoud van gebouwen en terreinen. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 3,7 miljoen. Tevens worden de uitgaven voor het onderhoud en herstel van de F-27M vliegtuigen geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 0,9 miljoen. Daarnaast worden diverse kleinere uitgaven geraamd. De totale omvang in 1998 bedraagt f 1,0 miljoen.

De verplichtingen en uitgaven Commandant van het Korps mariniers

Het ressort Commandant van het Korps mariniers (CKMARNS) bestaat uit:

– het hoofdkwartier van CKMARNS;

– de groep operationele eenheden mariniers (GOEM), waarin de operationele eenheden zijn ondergebracht met uitzondering van 4 MARNSBAT dat onder operationeel gezag staat van CZMCARIB. Tevens zijn in de GOEM ondergebracht het Eerste en Tweede Mariniersbataljon, het gevechtssteun bataljon, het logistieke bataljon en de Bijzondere Bijstandseenheid (BBE);

– de marinierskazernes te Doorn, Rotterdam en Texel;

– het Mariniersopleidingscentrum;

– de mobilisabele eenheden waaronder het Derde Mariniersbataljon, de gevechtsveldreserve en de bewakingsdetachementen;

– de marinierskapel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
03.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel2 3152 1962 2032 2072 2072 3152 1962 2032 2072 207
03.20.10 Militair personeel146 096147 385150 937154 002154 212146 096147 385150 937154 002153 212
03.20.11 Overige personele uitgaven8 8398 9989 2119 2629 2718 8398 9989 2119 2629 271
03.20.12 Materiële uitgaven19 23919 43219 46919 34519 35919 64519 43219 46919 34519 359
Totaal176 489178 011181 820184 816185 049176 895178 011181 820184 816184 049

Activiteitentoelichting

Door het ressort Commandant van het Korps mariniers worden de volgende hoofdactiviteiten ontplooid:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden;

– het uitvoeren van de opgedragen inzet.

De activiteiten die moeten worden uitgevoerd voor het inzetbaar maken en houden en voor het uitvoeren van de opgedragen inzet omvatten onder andere deelname aan een veelheid van oefeningen in Navo-, UK/NL-, PfP- en Weu-verband, Cross Training met verschillende landen op groeps-, pelotons- of compagniesniveau, alsmede het uitvoeren van opleidings- en opwerkactiviteiten en nationale oefeningen.

Ook worden activiteiten uitgevoerd die samenhangen met de inzet voor vredesoperaties (voor zover bekend), het beschikbaar hebben van eenheden voor noodhulp, inzet van eenheden en personeel ten behoeve van operationele verrichtingen van het ressort Commandant der Zeemacht in Nederland, uitvoeren van technische, operationele en materiële beproevingen en evaluaties, inzet van eenheden ten behoeve van voorlichting, «public relations» en ceremonieel en voorts activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale verplichtingen en afspraken.

In 1998 zal naar verwachting worden deelgenomen aan een zevental grotere oefeningen. Tevens zullen eenheden beschikbaar zijn ten behoeve van inzet in het kader van Sfor.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort CKMARNS.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n3735353535
– gemiddeld salarisx f 162 32462 48662 68662 80062 800
– totaal toegelichtx f 10002 3062 1872 1942 1982 198
– uitgaven niet-actief personeelx f 100099999
– totale uitgavenx f 10002 3152 1962 2032 2072 207

03.20.10 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CKMARNS.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n2 3182 3472 4082 4612 461
waarvan:      
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 1291 1331 1691 1971 197
– gemiddeld salarisx f 170 74770 54370 32470 20370 203
– totale uitgavenx f 100079 87379 92582 20984 03384 033
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n1 1891 2141 2391 2641 264
– gemiddeld salarisx f 155 69655 56855 47155 35554 730
– totale uitgavenx f 100066 22367 46068 72869 96969 179
Totaal toegelicht bedragx f 1000146 096147 385150 937154 002153 212

03.20.11 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen en onderwijs en opleidingen.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)2 3552 3822 4432 4962 496
– gemiddeld per vtex f 13 7533 7773 7703 7113 714
– totale uitgavenx f 10008 8398 9989 2119 2629 271

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het betreft hier uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, onderwijs en opleidingen en overige personele zaken. De uitgaven vertonen vanaf 1998 een stijging als gevolg van de gefaseerde uitbreiding van de begrotingssterkte met 150 man. Uitgaven ten behoeve van het ressort CKMARNS die worden beheerd door het ressort Admiraliteit zijn opgenomen in de kengetallen aldaar.

03.20.12 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd. Het betreft hier onder andere de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van gebouwen en terreinen en brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)2 3552 3822 4432 4962 496
– gemiddeld per vtex f 13 3013 2073 1423 0253 031
– totale uitgavenx f 10007 7757 6387 6757 5517 565

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële exploitatie zijn met ramingskengetallen toegelicht. Het betreft hier de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen en inventarisgoederen en klein materieel. Naast deze uitgaven worden binnen het ressort CKMARNS onder meer geraamd de uitgaven op het gebied van het onderhoud van gebouwen en terreinen. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 5,8 miljoen. De uitgaven voor het onderhoud en herstel van transportmiddelen worden geraamd op f 2,9 miljoen. Daarnaast worden diverse kleinere uitgaven geraamd. De totale omvang in 1998 bedraagt f 3,1 miljoen.

De verplichtingen en uitgaven Ondersteunende eenheden

Het ressort Ondersteunende eenheden bestaat uit de Marine-onderhoudsbedrijven, het Centrum voor Automatisering van Wapen- en Commando Systemen, het Centrum voor Advisering, Bedrijfsvoering en Informatietechnologie Services (Cabis), de opleidingsinstellingen van de Koninklijke marine en de geneeskundige eenheden voor zover niet vallend onder het Geneeskundig Facilitair Bedrijf van het Defensie Interservice Commando (Dico).

Als uitvloeisel van de doelmatigheidsoperatie wordt voorzien dat in de loop van 1997 het Cabis voor een belangrijk deel wordt opgenomen in de Defensie Telematica Organisatie.

De Marine-onderhoudsbedrijven zijn de Rijkswerf, het Sewaco-bedrijf en het Marine Elektronisch en Optisch bedrijf Oegstgeest (MEOB-O). De voorgenomen verhuizing van het MEOB-O naar Den Helder en de integratie tot één Marinebedrijf zullen naar verwachting in 2000 zijn voltooid. In 1998 zullen de afzonderlijke bedrijven bestuurlijk worden samengevoegd tot één Marine-onderhoudsbedrijf.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel186 054180 620176 454176 102172 193186 054180 620176 454176 102172 193
03.20.14 Militair personeel147 105133 847125 032122 742122 582147 105133 847125 032122 742122 582
03.20.15 Overige personele uitgaven23 26622 42321 95322 18621 85723 26622 42321 95322 18621 857
03.20.16 Materiële uitgaven88 24175 14658 15763 05061 20888 24175 14658 15763 05061 208
Totaal444 666412 036381 596384 080377 840444 666412 036381 596384 080377 840

Activiteitentoelichting

De activiteiten die door het ressort Ondersteunende eenheden worden uitgevoerd zijn erop gericht zodanige voorwaarden te scheppen dat de eenheden van de Koninklijke marine in materieel en in personeel opzicht kunnen voldoen aan de vereiste operationele doelstellingen.

Materieel-logistiek functiegebied

De activiteiten binnen het materieel-logistieke functiegebied, zoals hieronder in tabellen zijn weergegeven, omvatten het innoveren, instandhouden en verbeteren van de platform- en de sensor-, wapen- en commandosystemen van de eenheden van de Koninklijke marine en het beschikbaar stellen van de materiële middelen die nodig zijn om het materieel van de Koninklijke marine gebruiksgereed te maken en te houden.

 
Benoemd onderhoud1998
Aantal MJO's4,2
Aantal TTO's6,3

aantallen gepland in 1998

Het meerjaarlijks onderhoud (MJO), aangegeven in het vaar- en oefenschema, is het onderhoud aan een eenheid van de vloot dat nodig is om de materiële gereedheid ten minste tot aan een volgende geplande onderhoudsperiode van die eenheid op een kosteneffectieve wijze op peil te houden. De eenheid is gedurende langere tijd niet belast met operationele taken. Het onderhoud is projectmatig van aard.

Het tussentijds onderhoud (TTO) is een tussen de MJO's vallende korte reparatieperiode, tijdens de periodieke dokbeurt, waarbij in principe alleen met de directe veiligheid en materiële gereedheid verband houdende werkzaamheden worden uitgevoerd. De eenheid is gedurende kortere tijd niet belast met operationele taken. Het onderhoud is projectmatig van aard.

 
Incidenteel onderhoud1998
Aantal reparatie-orders11 743

het aantal is gebaseerd op het gemiddelde over de jaren 1994, 1995 en 1996.

Dit onderhoud betreft noodzakelijke reparaties tussen de geplande reparatieperioden (MJO/TTO).

 
Engineering1998
Rijkswerf53 000
Sewacobebrijf82 450
MEOB-O69 139
Totaal204 589

urenaantallen gepland voor 1998

De uren engineering betreffen het ontwerpen en ontwikkelen van kleinere verbeteringen, die voortkomen uit het gebruik van het materieel. Tevens valt hieronder het configuratiebeheer. Dit houdt in het bewaren van de uniformiteit van het materieel binnen een klasse.

Functiegebied opleidingen

Binnen het functiegebied opleidingen zijn de activiteiten, zoals hieronder in de tabel zijn weergegeven, voornamelijk gericht op het geven van onderwijs aan militairen. De opleidingsactiviteiten omvatten het geven van initiële opleidingen om nieuw personeel gereed te maken om te functioneren in de Koninklijke marine, het geven van cursussen en opleidingen die noodzakelijk zijn voor het vervullen van een functie en het verzorgen van loopbaanfase-opleidingen die noodzakelijk zijn voor het verder ontwikkelen en het geschikt maken voor een hoger functieniveau van bij de Koninklijke marine dienend personeel.

 
Opleidingen (in aantallen leerlingen)/Kim publicaties:1998
Initiële opleidingen1 481
Loopbaanfase-opleidingen722
Functie-opleidingen24 220
  
Totaal opleidingen26 423
  
KIM publicaties155

de aantallen zijn deels gebaseerd op planningen voor het jaar 1998, deels bepaald op basis van historische gegevens.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Ondersteunende eenheden.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n2 5632 4792 4122 4022 348
– gemiddeld salarisx f 171 56871 80172 06872 22272 218
– totale uitgavenx f 1000183 429177 995173 829173 477169 568
– niet-actief personeelaantal vte'n4646464646
– gemiddeld salarisx f 157 06557 06557 06557 06557 065
– totale uitgavenx f 10002 6252 6252 6252 6252 625
Totaal toegelicht bedragx f 1000186 054180 620176 454176 102172 193

03.20.14 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Ondersteunende eenheden.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n2 3822 2062 0662 0412 041
waarvan:      
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 8561 7351 6651 6651 665
– gemiddeld salarisx f 167 11065 53364 81964 11164 111
– totale uitgavenx f 1000124 556113 699107 924106 744106 744
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n526471401376376
– gemiddeld salarisx f 142 86942 77742 66342 54842 122
– totale uitgavenx f 100022 54920 14817 10815 99815 838
Totaal toegelicht bedragx f 1000147 105133 847125 032122 742122 582

03.20.15 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, representatie, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeel aantal mensjaren185,1170,7161,1164,7160,0
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 171 00071 00071 00071 00071 000
– totale uitgavenx f 100013 14212 12011 44011 69111 359
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)4 9064 6354 3904 3664 374
– gemiddeld per vtex f 12 0642 2232 3952 4042 400
– totale uitgavenx f 100010 12410 30310 51310 49510 498
Totaal toegelicht bedragx f 100023 26622 42321 95322 18621 857

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel zijn het product van het geraamde aantal afgeronde mensjaren en de gemiddelde uitgaven per mensjaar.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het betreft hier uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, representatie, onderwijs en opleidingen en overige personele zaken. Het gemiddelde bedrag per vte stijgt. Dit wordt veroorzaakt door het extra opleiden van personeel bij de marinebedrijven. Uitgaven ten behoeve van het ressort Ondersteunende eenheden die worden beheerd door het ressort Admiraliteit zijn opgenomen in de kengetallen aldaar.

03.20.16 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor onder meer huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, onderhoud van gebouwen en terreinen, bevoorrading en het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- en A-deskundigheidaantal mensjaren0,70,70,70,70,7
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1237 600237 600237 600237 600237 600
– totale uitgavenx f 1000170170170170170
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)4 9064 6354 3904 3664 374
– gemiddeld per vtex f 15 1255 3885 7055 6975 687
– totale uitgavenx f 100025 14124 97525 04424 87224 874
Totaal toegelicht bedragx f 100025 31125 14525 21425 04225 044

Toelichting inhuur O-, I- en A-deskundigheid

De totale uitgaven voor de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid zijn het product van het geraamde aantal afgeronde mensjaren en de gemiddelde uitgaven per mensjaar.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële exploitatie en het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid zijn met ramingskengetallen toegelicht. Het betreft hier de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, inventarisgoederen en klein materieel en overige materiële zaken. Naast deze uitgaven worden binnen het ressort Ondersteunende eenheden onder meer geraamd de uitgaven voor het onderhoud en herstel van de schepen. De herbevoorradinguitgaven worden momenteel nog binnen het ressort Admiraliteit geraamd. Het betreft hier met name de uitgaven voor het onderhoud en het herstel van de fregatten en bevoorradingsschepen van de Groep Escorteschepen, de onderzeeboten en de mijnenbestrijdingsvaartuigen. Voor zover mogelijk wordt het onderhoud door Marinebedrijven uitgevoerd. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 53,9 miljoen.

Tevens worden de uitgaven op het gebied van het onderhoud van gebouwen en terreinen alsmede de voorzieningen aan gebouwen en terreinen ten behoeve het ressort Ondersteunende eenheden geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 7,1 miljoen.

Daarnaast worden diverse kleinere uitgaven geraamd, in 1998 totaal f 1,9 miljoen.

De verplichtingen en uitgaven Admiraliteit

Het ressort Admiraliteit bestaat uit de Marinestaf, de Directie Materieel KM, de Directie Personeel KM en de Directie Economisch Beheer KM.

Momenteel zijn nog aanzienlijke budgetten ten behoeve van de overige ressorts opgenomen in het ressort Admiraliteit. Het beleid is gericht op verdere decentralisatie van budgetten en beheersbevoegdheden. Daarom zullen in toenemende mate budgetten en beheersbevoegdheden aan de (decentrale) ressorts worden overgedragen. De budgetten die in het geheel betrekking hebben op deze ressorts zijn in een uitgavenverdeelstaat zichtbaar gemaakt.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
03.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel59 89658 53053 10053 15852 76159 89658 53053 10053 15852 761
03.20.18 Militair personeel98 66191 93588 32387 02286 48098 66191 93588 32387 02286 480
03.20.19 Overige personele uitgaven95 95195 56895 69997 11497 31596 94195 56895 69997 11497 315
03.20.20 Materiële uitgaven343 899356 350335 647320 633331 584346 193350 549342 162329 164331 770
Totaal598 407602 383572 769557 927568 140601 691596 582579 284566 458568 326

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort Admiraliteit omvatten:

– het voeren van het operationele beleid van de Koninklijke marine;

– het doen functioneren van de militaire eenheden en inrichtingen van de Koninklijke marine in onderlinge samenhang en elk afzonderlijk ter uitvoering van de opgedragen taken in vredestijd en in geval van oorlogsvoorbereiding;

– het voeren van een personeelsbeleid dat er op is gericht de organisatie van de Koninklijke marine te allen tijde en in alle omstandigheden te doen beschikken over de gewenste aantallen voor hun taak berekend, opgeleid en gemotiveerd personeel;

– het voeren van materieelbeleid gericht op de materieel-logistieke processen «voorzien in», «instandhouden» en «afvoeren»;

– het bevorderen en bewaken van de doelmatigheid van de Koninklijke marine door het vormgeven aan en het uitvoeren van het financieel-economisch beleid en het toetsen van de rechtmatigheid van de bestedingen.

De uitgavenverdeelstaat

 
Bedragen x f 100019981999200020012002
Uitgaven Admiraliteit:601 691596 582579 284566 458568 326
Volledig toe te rekenen aan:     
– apparaatsuitgaven Admiraliteit228 971220 386210 690206 732204 436
      
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:     
– CZMNED114 490116 144115 825115 285115 295
– CZMCARIB10 61910 60210 60310 60210 602
– CKMARNS8 2008 1758 1718 1708 170
– Ondersteunende eenheden90 54485 79787 75790 50985 824
      
Niet specifiek toe te rekenen:148 867155 478146 238135 160143 999

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

De totaal geraamde uitgaven voor het ressort Admiraliteit betreffen enerzijds uitgaven ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering en anderzijds uitgaven ten behoeve van het functioneren van andere ressorts binnen de Koninklijke marine. Deze laatste uitgaven worden onderscheiden in enerzijds specifiek (uniek) en anderzijds niet-specifiek toe te rekenen uitgaven.

De specifiek (uniek) toe te rekenen uitgaven betreffen voeding, verplaatsen, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, huisvesting, brandstoffen en instandhoudingsuitgaven.

De niet specifiek toe te rekenen uitgaven betreffen uitgaven voor geneeskundige verzorging, onderwijs en opleidingen, munitie, onderhoud gebouwen en terreinen, instandhouding en bureaukosten (waaronder met name communicatiekosten). In de uitgaven voor instandhouding zijn begrepen de diverse aanschaffingen voor magazijngoederen.

In het kader van het Verbeterd Economisch Beheer is het beleid van de Koninklijke marine gericht op verdere decentralisatie van budgetten en bevoegdheden. Overdracht hiervan geschiedt nadat de betreffende decentrale resultaatverantwoordelijke eenheid (RVE) is ingericht om een budget of bevoegdheid over te nemen. Hiertoe dient onder meer de administratieve organisatie te zijn getoetst en de organisatiestructuur van de RVE conform deze administratieve organisatie te zijn ingericht. Deze werkwijze zal zich op termijn vertalen in een verschuiving van budgetten en bevoegdheden van het ressort Admiraliteit naar de overige ressorts.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Admiraliteit.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n694678608607602
– gemiddeld salarisx f 185 38885 38886 28886 52686 585
– totale uitgavenx f 100059 25957 89352 46352 52152 124
– niet-actief personeelaantal vte'n1010101010
– gemiddeld salarisx f 163 70063 70063 70063 70063 700
– totale uitgavenx f 1000637637637637637
Totaal toegelicht bedragx f 100059 89658 53053 10053 15852 761

03.20.18 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Admiraliteit.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n1 0911 023985971965
waarvan:      
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n853790762748742
– gemiddeld salarisx f 1100 283100 12299 80799 956100 108
– totale uitgavenx f 100085 54179 09676 05374 76774 280
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n238233223223223
– gemiddeld salarisx f 155 12655 10355 02254 95554 709
– totale uitgavenx f 100013 12012 83912 27012 25512 200
Totaal toegelicht bedragx f 100098 66191 93588 32387 02286 480

03.20.19 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning.

De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, representatie, overige personele zaken, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, geneeskundige verzorging, onderwijs en opleidingen, vliegopleiding en inhuur tijdelijk personeel.

De ramingen betreffen zowel die voor het ressort Admiraliteit zelf als de nog niet gedecentraliseerde uitgavenbudgetten ten behoeve van de gehele Koninklijke marine. De ramingskengetallen ten behoeve van de gehele Koninklijke marine zijn derhalve opgenomen onder dit ressort.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeel aantal mensjaren40,340,340,340,340,3
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 171 00071 00071 00071 00071 000
– totale uitgavenx f 10002 8622 8622 8622 8622 862
– overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de gehele Koninklijke marineaantal vte'n (bp en mp)17 45017 09716 68816 69016 614
– gemiddeld per vtex f 14 6424 6894 8124 8984 932
– totale uitgavenx f 100081 00880 17580 30881 74181 939
– overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de Admiraliteitaantal vte'n (bp en mp)1 8241 7511 6811 6551 582
– gemiddeld per vtex f 14 3374 5014 6874 7504 971
– totale uitgavenx f 10007 9107 8817 8797 8617 864
Totaal toegelicht bedragx f 100091 78090 91891 04992 46492 665

Toelichting algemeen

De ramingen voor de overige personele uitgaven zijn met ramingskengetallen toegelicht. Naast deze uitgaven worden binnen het ressort Admiraliteit de uitgaven geraamd van de 43 vliegers in opleiding. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 5,161 miljoen.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

De totale uitgaven voor de inhuur van tijdelijk personeel zijn het product van het geraamde aantal afgeronde mensjaren en de gemiddelde uitgaven per mensjaar.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de gehele Koninklijke marine

Het betreft hier uitgaven voor kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, onderwijs en opleidingen, geneeskundige verzorging en overige personele zaken.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de Admiraliteit

De overige persoonsgebonden personele uitgaven betreffen de uitgaven voor reizen van het ressort Admiraliteit.

03.20.20 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, geneeskundig materiaal, bevoorrading, onderhoud en herstel van het materieel, munitie, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud van gebouwen en terreinen, onderhoud en herstel van het materieel, zaken van operationele aard, inhuur van O-, I- en A-deskundigheid en brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen.

De ramingen betreffen zowel die voor het ressort Admiraliteit zelf als de nog niet gedecentraliseerde uitgavenbudgetten ten behoeve van de gehele Koninklijke marine. De ramingskengetallen ten behoeve van de gehele Koninklijke marine zijn derhalve opgenomen onder dit ressort.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur van O-, I- & A-deskundigheidaantal mensjaren12,512,512,512,512,5
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1237 600237 600237 600237 600237 600
– totale uitgavenx f 10002 9602 9602 9602 9602 960
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)17 45017 09716 68816 69016 614
– gemiddeld per vtex f 16 8296 7726 7056 6786 637
– totale uitgavenx f 1000119 171115 781111 886111 449110 273
Totaal toegelicht bedragx f 1000122 131118 741114 846114 409113 233

Toelichting inhuur O-, I- en A-deskundigheid

De totale uitgaven voor de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid zijn het product van het geraamde aantal afgeronde mensjaren en de gemiddelde uitgaven per mensjaar.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Het betreft hier de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, bestuurlijke informatiesystemen, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, geneeskundig materiaal en overige materiële zaken die ten behoeve van de gehele Koninklijke marine worden beheerd door het ressort Admiraliteit.

Specifieke gegevens materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheidAantalbedrag 1998
Brandstoffen, olie en smeermiddelen:   
– gasolie schepenx 1000 m384,9 
– kerosine patrouillevliegtuigenx 1000 m316,1 
– helikopterbrandstofx 1000 m32,5 
– Totale uitgavenx f 1000 34 553
Overige zaken van operationele aard:   
– havenbezoekenaantal400 
– gemiddelde uitgaven per havenbezoekx f 1 8 597
– Totale uitgaven per havenbezoekx f 1000 3 439
– kanaalpassages Kielerkanaalaantal31 
– gemiddelde uitgaven per kanaalpassagex f 1 4 581
– Totale uitgaven kanaalpassages Kielerkanaalx f 1000 142
– kanaalpassages Suezkanaalaantal2 
– gemiddelde uitgaven per kanaalpassagex f 1 165 500
– Totale uitgaven kanaalpassages Suezkanaalx f 1000 331

Toelichting ramingskengetallen materiële uitgaven

De ramingen voor de persoonsgebonden materiële uitgaven en tevens de uitgaven voor het inhuren van O-, I- & A-deskundigheid, brandstoffen, olie, smeermiddelen, bedrijfsstoffen en de overige zaken van operationele aard zijn met ramingskengetallen toegelicht. Naast deze uitgaven worden binnen het ressort Admiraliteit onder meer geraamd de uitgaven voor het onderhoud en herstel van het materieel en de herbevoorrading. De in omvang belangrijkste posten betreffen het onderhoud en het herstel van de fregatten en bevoorradingsschepen, de onderzeeboten en de mijnenbestrijdingsvaartuigen. Delen hiervan worden bij het ressort Ondersteunende eenheden geraamd. De geraamde bedragen worden grotendeels bepaald door de omvang van de vloot, de leeftijd van de verschillende schepen en het Vaar- en Onderhoudsplan. De raming hiervoor binnen het ressort Admiraliteit in het jaar 1998 bedraagt f 69,4 miljoen.

Voor de uitgaven voor het onderhoud en herstel en de herbevoorrading van het bewapeningsmaterieel wordt in 1998 f 24,8 miljoen geraamd. Ten behoeve van de uitgaven op het gebied van onderhoud en herstel en herbevoorrading van het elektronisch en nautisch materieel wordt in het jaar 1998 f 17,9 miljoen geraamd.

Het niet bij het ressort CZMNED ondergebrachte deel van de uitgaven voor het onderhoud en herstel van de maritieme patrouillevliegtuigen van het type P3C-Orion en de Lynx-helikopters van de Marine Luchtvaart Dienst wordt binnen het ressort Admiraliteit geraamd en bedraagt in het jaar 1998 f 11,9 miljoen.

De uitgaven voor munitie voor het Korps mariniers, Oto Melara-kanons van de fregatten, Goalkeeper en overige scheeps- en vliegtuigmunitie, voor zover aangeschaft voor oefendoeleinden, worden binnen het ressort Admiraliteit geraamd. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 22,6 miljoen.

Binnen het ressort Admiraliteit worden delen van de uitgaven op het gebied van het onderhoud van gebouwen en terreinen alsmede de voorzieningen aan gebouwen en terreinen geraamd. Daarnaast worden hier de uitgaven geraamd met betrekking tot de ondergrondse infrastructuur, zoals rioleringen en pijpleidingen, alsmede de kleine renovatieprojecten. De hoogte van de uitgaven is mede afhankelijk van de mogelijkheid om nieuwbouwinvesteringen te plegen. De raming in het ressort Admiraliteit voor het jaar 1998 bedraagt f 32,7 miljoen.

Daarnaast worden diverse kleinere uitgaven geraamd. De totale omvang in 1998 bedraagt f 6,7 miljoen.

03.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

Met ingang van de ontwerpbegroting 1998 worden de wachtgelden bij de beleidsterreinen verantwoord.

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke marine. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien.

Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde bedragen en ramingskengetallen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal306335364389401
– bedrag per uitkeringsjaarx f 148 15450 31051 61852 49652 713
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00014 73516 85418 78920 42121 138
Overige wachtgelden burgerpersoneel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal126131129141154
– bedrag per uitkeringsjaarx f 137 35737 78637 55038 30538 591
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0004 7074 9504 8445 4015 943
Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal171614108
– bedrag per uitkeringsjaarx f 116 52914 25014 64314 20013 125
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000281228205142105
Werkloosheidsbesluit BBT-militairen:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal326327321331331
– bedrag per uitkeringsjaarx f 126 76126 72827 60426 76426 795
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0008 7248 7408 8618 8598 869
Overige wachtgelden militair personeel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal4746221716
– bedrag per uitkeringsjaarx f 130 42627 89125 90923 88225 188
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0001 4301 283570406403
Totaal toegelicht met ramingskengetallenx f 1 00029 87732 05533 26935 22936 458
Bij: uitvoeringskostenx f 1 0004 4804 4164 4164 4164 416
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 00034 35736 47137 68539 64540 874

Toelichting

De ramingen van uitgaven voor om-, her- en bijscholing zijn ten opzichte van de begroting 1997 verlaagd op grond van het gemiddeld benodigde bedrag per cursus.

De raming van de wachtgelden hangt in belangrijke mate samen met de personele inkrimpingen voortkomend uit de doelmatigheidsoperatie. De stijging in de jaren 1999 en verder ten opzichte van 1998 wordt veroorzaakt door de in die jaren te bereiken personeelsreductie als gevolg van met name de concentratie van onderhoudsbedrijven uit de Projectgroep Onderhoud en Logistiek en de reductie Haagse staven.

Ook het aantal plaatsingen «boven de organieke sterkte» is ten opzichte van de begroting 1997 aangepast naar aanleiding van de laatste, in het afgelopen jaar nader uitgewerkte, doelmatigheidsmaatregelen.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie van de Koninklijke marine. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel van de Koninklijke marine binnen en buiten de (Rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Koninklijke marine. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel en overige personele uitgaven. De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 03.20.21.

 
Sociaal Beleidskader (bedragen x f 1000)199719981999200020012002
– Om-, her-, bijscholing en outplacement280280280280280280
– Verplaatsen100100100100100100
– Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel12 99014 73516 85418 78920 42121 138
– Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel597281228205142105
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel2 2242 2242 2982 2982 2241 112
– BDOS plaatsingen militair personeel1 0819601 2001 0403200
– Afwikkeling BVLOM1 24100000
Totaal Sociaal Beleidskader18 48618 58020 96022 71223 48722 735

03.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden uitgaven geraamd voor subsidies en bijdragen. Deze worden verleend aan instanties die activiteiten uitvoeren die het belang van de Koninklijke marine direct of indirect dienen. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in bijlage 6 (de subsidiebijlage).

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 03.04   848838778768768
Nieuwe mutaties        
Stand ontwerp-begroting 1998   848838778768768
De onderverdeling naar artikelonderdelen respectievelijk soort van subsidies en bijdragen (x f 1000)
OmschrijvingUitgaven
 19981999200020012002
03.21.01 Koninklijke marine jachtclub117117117117117
03.21.02 Marine Watersportvereniging7171717171
03.21.03 Marine Sanatoriumfonds55555
03.21.04 Koninklijke Vereniging Marine Officieren7575757575
03.21.05 Zeekadetkorps Nederland5050505050
03.21.06 Stichting Militaire Tehuizen Overzee330320310300300
03.21.07 Bijdrage aan het ministerie van Economische Zaken ten behoeve van het Nederlands Instituut voor Maritieme Ontwikkeling (NIM)200200150150150
Totaal848838778768768

03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen en vervanging van verouderd materieel door modern, hoogwaardig materieel. De nadruk ligt op investeringen ten behoeve van luchtverdediging, mijnenbestrijding, onderzeebootbestrijding in kustwateren en vergroting van de strategische mobiliteit bij inzet voor crisisbeheersingsoperaties.

De belangrijkste projecten de komende jaren zijn de bouw van de fregatten van de Zeven Provinciën-klasse, de Cup-Orion, het Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM), VN-voertuigen en het project NH-90.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 03.062 16914234 871109 61697 03986 03392 707 
– artikel 03.07488 15699 2671 376 087643 1491 428 005512 3371 241 443 
Totaal overgeheveld490 32599 4091 410 958752 7651 525 044598 3701 334 150 
Nieuwe mutaties  523 942132 666503 268– 25 595– 796 560 
Stand ontwerp-begroting 1998490 32599 4091 934 900885 4312 028 312572 775537 590885 828
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 03.06   99 91698 83984 53390 707 
– artikel 03.07   709 607864 990962 214881 638 
Totaal overgeheveld   809 523963 8291 046 747972 345 
Nieuwe mutaties   37 046– 5 6333 944– 2 579 
Stand ontwerp-begroting 1998   846 569958 1961 050 691969 7661 007 355

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Fregatten van De Zeven Provinciën-klasse– 26 00034 40012 700– 21 400
Vervanging Kortenaer – 10 000– 97 000– 876 100
Vervanging Zuiderkruis– 182 400175 300– 37 600700
PAM– 24 9004 000– 16 50035 700
NH-9067 800– 156 100201 700– 20 100
Cup Orion220 300– 8 800– 2 800– 3 100
Vorming één marinebedrijf (Spoor 1)23 00039 50025 500 
Munitie60 000352 800– 79 70058 500
Infrastructuur– 9 416– 9 655– 13 450– 6 524
Overige mutaties:    
– ATS4 900   
– Vervanging Poolster– 2 500   
– Waarnemings- en nachtzichtapparatuur  – 74 900– 77 300
– Verbeterd actief OZB-bestrijdingssysteem– 11 60097 100  
– MILSATCOM33 100 3 600 
– Investeringen marinebedrijven– 1 200– 3 400– 3 800– 3 800
– Overige projecten– 35 852– 31 84935 28597 144
Prijsbijstelling 199720 56624 47125 37021 320
Militair Revalidatie Centrum– 1 162– 199  
Verbouwing MKAD ten behoeve van DWS– 670– 3 000– 2 700 
Doelmatigheidsmaatregelen: oprichting DTO– 1 300– 1 300– 1 300– 1 600
Totaal van de verplichtingenmutaties132 666503 268– 25 595– 796 560

Toelichting op de nieuwe verplichtingenmutaties

De mutaties in de verplichtingenopbouw ten opzichte van de begroting 1997 zijn vooral ontstaan door een actualisering van verplichtingenramingen van het project fregatten van De Zeven Provinciën-klasse, de vervanging Zuiderkruis, het project Aanpassingen Mijnenbestrijdingscapaciteit, de NH-90, de Cup-Orion, Munitie en Infrastructuur.

Door de vervanging van twee standaardfregatten van de Kortenaer-klasse door twee luchtverdedigingsfregatten wordt de vereiste luchtverdedigingscapaciteit gegarandeerd. Hierbij is aangesloten bij het project fregatten van De Zeven Provinciën-klasse.

Een nieuw project is de vorming van één marinebedrijf. Hiertoe is in het kader van de doelmatigheidsoperatie besloten. Een onderdeel hiervan betreft de verplaatsing van MEOB Oegstgeest naar Den Helder. De opgenomen mutatie betreft de raming voor deze verplaatsing.

De omvangrijke mutatie in de verplichtingen voor de aanschaf van munitie, met name in 1999, wordt veroorzaakt door het Evolved Seasparrow Missile (ESSM)-project. Er is onderhandeld over de multilaterale overeenkomst voor de productiefase. Thans wordt voorzien dat de Koninklijke marine zich in 1999 definitief voor de productie moet vastleggen. Daarnaast is voor de Standard Missiles (2 block III) de fasering van de behoefte geëvalueerd en bijgesteld. Dit heeft tot gevolg dat het verwachte moment van aanbesteden naar 1999 is verschoven.

Voor de overige mutaties heeft een actualisering van de ramingen geleid tot aanpassingen van de momenten van aanbesteding.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Fregatten van De Zeven Provinciën-klasse31 41484 400104 297135 920
Vervanging Kortenaer – 5 000– 20 000– 100 000
Vervanging Zuiderkruis– 3 951– 21 801– 30 750– 52 315
PAM10 025– 76 412– 21 5353 878
NH-90– 11 603– 20 577– 26 996– 4 653
Cup Orion– 16 300– 17 600– 12 200– 2 800
M-fregatten15 0502 810  
Vorming één marinebedrijf (Spoor 1)23 00039 50025 500 
Gepantserde VN-voertuigen– 8 447– 17 252– 10 000 
Verbeterd actief OZB-bestrijdingssysteem– 3 000– 9 700– 15 5001 300
Infrastructuur1 2952 04516 950– 224
Overige mutaties:    
– ATS4 0367 400  
– Vervanging Poolster– 2 879700  
– Walreserve overige – 6 602– 9 738– 5 295
– Waarnemings- en nachtzichtapparatuur– 5 000   
– Munitie– 798– 501– 28 927– 4 863
– EOV Walrusklasse 4 5004 5004 500
– Radiopeilzoekontvanger P3C/Orion– 13 6226 4005 0003 240
– 99-kanaals sonoboeien ontvanger– 1 4587 2319 000 
– Harpoon lanceerinrichting Orion – 6 711  
– MILSATCOM2 3434 9757 4758 275
– Vervanging Hr. Ms. Zeefakkel5 8505 850  
– Investeringen marinebedrijven– 1 044– 2 760– 3 623– 3 760
– Overige projecten– 5 299– 6 500– 10 879– 5 502
Prijsbijstelling 199720 56624 47125 37021 320
Militair Revalidatie Centrum– 1 162– 199  
Verbouwing MKAD ten behoeve van DWS– 670– 3 000– 2 700 
Doelmatigheidsmaatregelen: invoering DTO– 1 300– 1 300– 1 300– 1 600
Totaal van de uitgavenmutaties37 046– 5 6333 944– 2 579

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

Fregatten van De Zeven Provinciën-klasse

Op 6 februari 1997 is het contract voor de vervanging van twee standaardfregatten door luchtverdedigingsfregatten afgesloten. Voor de bouw van beide schepen is het bestaande contract van de luchtverdedigings- en commando-fregatten uitgebreid. De fregatten van De Zeven Provinciën-klasse zijn aanbesteed bij de Koninklijke Schelde Groep BV. Om te kunnen profiteren van de prijsvoordelen van seriebouw heeft een verschuiving van betaalmomenten naar eerdere jaren plaatsgevonden.

Vervanging Kortenaer

Door de vervanging van twee Standaardfregatten van de Kortenaer-klasse door twee luchtverdedigingsfregatten wordt de vereiste luchtverdedigingscapaciteit gehandhaafd. De vervanging van twee fregatten van de Kortenaerklasse wordt opgenomen in het project Fregatten van De Zeven Provinciën-klasse.

Vervanging Zuiderkruis

De bouw van een nieuw bevoorradingsschip ter vervanging van Hr. Ms. Zuiderkruis is met een jaar vertraagd. Dit heeft geleid tot een herfasering van te verwachten betalingsmomenten.

Project Aanpassing Mijnenbestrijdingcapaciteit (PAM)

Het project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM) is voortgekomen uit een samenvoeging van de projecten Aanpassingen Mijnenveegcapaciteit en Capability Upkeep Program van de Alkmaarklasse. Op grond van de huidige projectplanning heeft een aanpassing van de betalingsmomenten plaatsgevonden. Het project zal gefaseerd worden uitgevoerd en omstreeks het jaar 2002 zijn voltooid.

NH-90

In het project Navo Helikopter voor de jaren negentig heeft op grond van de huidige inzichten een herfasering van betaalmomenten plaatsgevonden. Vastgehouden wordt aan het voornemen de eerste helikopters vanaf het jaar 2003 af te nemen.

Cup Orion

Het Capability Upkeep Program voor de Orion patrouillevliegtuigen is met een jaar vertraagd. Hierdoor heeft een herschikking van de betalingsmomenten plaatsgevonden. Dit jaar wordt aan de Tweede Kamer een nieuw situatierapport aangeboden.

M-fregatten

Het garantie-onderhoud van het laatste M-fregat uit de serie is op 18 oktober 1996 beëindigd. Dit neemt niet weg dat nog een aantal kleinere modificaties dienen te worden uitgevoerd. Deze modificaties kunnen niet tegelijk bij de acht fregatten worden aangebracht. De oorspronkelijk voor 1997 geraamde uitgaven komen gedeeltelijk in 1998 en 1999 tot betaling.

Vorming één marinebedrijf

Een nieuw project is de vorming van één marinebedrijf. Hiertoe is in het kader van de doelmatigheidsoperatie besloten. Een onderdeel hiervan betreft de verplaatsing van MEOB Oegstgeest naar Den Helder. De opgenomen mutatie betreft de raming voor deze verplaatsing, die wordt gefinancierd uit de «kosten voor de baat». Deze zijn aan de begroting van de Koninklijke marine toegevoegd.

Gepantserde VN-voertuigen

Voor de aanschaf van deze voertuigen wordt aangesloten bij het contract dat de Koninklijke landmacht heeft gesloten. De betreffende fondsen zijn overgeheveld. De aanschaf is in de eerste helft van 1997 aanbesteed. Binnen het project heeft een herfasering plaatsgevonden.

Verbeterd actief OZB-bestrijdingssysteem

Dit systeem is bedoeld voor het verbeteren van de actieve opsporingscapaciteit bij de onderzeebootbestrijding (OZB) tijdens operaties dicht bij land en in ondiep water. Bezien wordt of aangesloten kan worden bij de verwerving van een Duits/Frans systeem. Doordat de resultaten van de productdefinitiefase van het Duits/-Franse project nog op zich laten wachten, is besloten de voorstudie- en de studiefase samen te voegen. Voorzien wordt dat de aanbesteding in 1999 plaatsvindt.

Infrastructuur

Binnen het artikelonderdeel Infrastructuur vinden als gevolg van het actualiseren van de ramingen diverse bijstellingen plaats. In de nieuwe ramingen zijn onder meer de volgende ontwikkelingen verwerkt:

– op de Marinekazerne Amsterdam werden in de ontwerpbegroting 1997 voor de jaren 1998 en 1999 infrastructurele aanpassingen voorzien. Het gaat hierbij om het aanpassen van de legering voor officieren en het opzetten van een bedrijfsrestaurant. In de huidige raming worden deze uitgaven in de jaren 1999 en 2000 verwacht;

– op het Nieuwe Haventerrein te Den Helder worden de kantoren van CZMNED geconcentreerd. De kantoorgebouwen van CZMNED zijn nu ondergebracht op diverse locaties. Ook worden op het Nieuwe Haventerrein voorzieningen getroffen voor het Kustwachtcentrum Nederland. Tevens wordt een nieuw legeringsgebouw voor officieren gebouwd;

– met de komst van het amfibische transportschip is uitbreiding van de steigerruimte nodig. Daarom is voor de jaren 2000 en 2001 in de Nieuwe Haven in Den Helder de bouw van afmeerfaciliteiten geraamd;

– op het marinevliegkamp De Kooy wordt de nieuwbouw voor de onderhoudsdienst en de magazijnen verschoven van 1998 naar 1999;

– in de begroting was een raming opgenomen voor de oefenterreinen van de mariniers te Doorn. Na studie is op basis van vergelijkbare schietbanen/oefenterreinen met bijbehorende milieu-eisen een herziene raming gemaakt. Hierdoor vindt een verschuiving plaats van 1998/1999 naar 2000 en 2001. Met name door de strengere milieu-eisen wordt de raming per saldo verhoogd met f 5,4 miljoen, waarbij het zwaartepunt in het jaar 2000 komt te liggen;

– op de Van Ghentkazerne te Rotterdam is voor 1998 de nieuwbouw voor het hoofdkwartier van het Korps mariniers voorzien;

– in 1997 zal een aanvang worden gemaakt met de bouw van het zendstation Ouddorp. Het bestaande zendstation is sterk verouderd en voldoet niet meer aan de eisen.

Overige projecten

De mutatie is een gevolg van de actualisering van de ramingen van diverse kleinere projecten.

Financiering ver-/nieuwbouw Militair Revalidatie Centrum

Deze mutatie betreft de bijdrage van de Koninklijke marine aan de investeringslasten voor het Militair Revalidatie Centrum (MRC). De verdeling is gebaseerd op basis van mogelijk toekomstig gebruik (lees de begrotingssterkte militair personeel).

Financiering verbouwing MKAD ten behoeve van DWS

Deze mutatie is de totale bijdrage van de Koninklijke marine aan de financiering van de verbouwing op de Marine Kazerne Amsterdam (MKAD) ten behoeve van de Defensie-organisatie voor Werving en Selectie (DWS).

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Schepen210 300302 40082 400153 400487 300530 537590 242622 726528 751537 685
Vliegtuigen325 3211 048 800210 4005 10023 00028 54756 72597 122115 234115 040
Voertuigen          
Elektronisch materieel94 000111 90049 20080 600 56 06067 91648 64155 63682 108
Bewapening          
Munitie76 000384 50011 900132 300216 20022 94242 98768 87179 20691 663
Overig groot materieel76 83290 580143 94477 48669 024104 49496 694109 50097 93590 555
Infrastructuur102 97890 13274 93188 70490 304103 989103 632103 83193 00490 304
Totaal885 4312 028 312572 775537 590885 828846 569958 1961 050 691969 7661 007 355

Toelichting op de ramingsbedragen per artikelonderdeel

Hieronder wordt aangegeven welke grote projecten (> f 25,0 miljoen) deel uitmaken van de verschillende artikelonderdelen:

Schepen

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de volgende projecten: Multi-Purpose fregatten, Fregatten van De Zeven Provinciën-klasse, vervanging Poolster, vervanging Zuiderkruis, amfibisch transportschip, onderzeeboten van de Walrus-klasse en het project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit.

Vliegtuigen

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de volgende projecten: NH-90, Capability Upkeep Program Orion en standaardisatie en modernisering (Stamol) van de Lynx-helikopters.

Voertuigen

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de aanschaf van gepantserde VN-voertuigen.

Elektronisch materieel

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de volgende projecten: Geïntegreerd verbindingsproject, vervanging verbindingsapparatuur Mariniers, Militaire Satellietcommunicatie, basistrainer M-fregatten, satellietcommunicatie-, navigatie- en communicatiemiddelen (SHF Satcom, NAVSTAR SINS, MF/HF zender/ontvanger) en het verbeterd actief onderzeebootbestrijdingssysteem.

Munitie

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de aanschaf van kapitale munitie zoals onder andere de Harpoon-missiles, Standard-missiles, torpedo's, Nato Seasparrow missiles, Evolved Seasparrow Missiles (ESSM). Tevens wordt rekening gehouden met de aanschaf van conventionele munitie, zoals die voor de klein kaliber wapens en de Oto Melara-kanons, voor zover deze munitie als aanvulling van de oorlogsvoorraden wordt verworven. Als norm voor de kapitale munitie wordt de «Nato maritime stockpile planning guidance» (NMSPG) gehanteerd. In deze NMSPG zijn de normen voor de Koninklijke marine vastgesteld, uitgaande van de sterkte en samenstelling van de vloot volgens de Prioriteitennota. De NMSPG-norm is aangepast aan de gewijzigde veiligheidssituatie.

Overig groot materieel en infrastructuur

Nieuwbouw BW/MEOB (SEWACO-bedrijf)

De Bewapeningswerkplaatsen (BW) en het MEOB Den Helder zijn tot één Sewaco-bedrijf samengevoegd.

Vorming één marinebedrijf

Een nieuw project is de vorming van één marinebedrijf. Het betreft hier de verplaatsing van het Marine Elektronisch en Optisch bedrijf Oegstgeest (MEOB-O) naar Den Helder. Als uitvloeisel van de doelmatigheidsoperatie is besloten tot het vormen van één onderhoudsbedrijf voor de Koninklijke marine. De Marine-onderhoudsbedrijven zijn de Rijkswerf, het Sewaco-bedrijf en het MEOB-O. De voorgenomen verhuizing van het MEOB-O naar Den Helder en de integratie tot één marinebedrijf zal naar verwachting in 2000 zijn voltooid. In 1998 zullen de afzonderlijke bedrijven bestuurlijk worden samengevoegd tot één marine onderhoudsbedrijf.

Investeringen marinebedrijven

Dit betreft de raming van de vervangings- dan wel uitbreidingsinvesteringen van duurzame productiemiddelen voor de marinebedrijven. Het gaat om de Rijkswerf, het Sewaco-bedrijf, het MEOB, het centrum voor automatisering van wapen- en commandosystemen en de onderhoudsdiensten van de vliegkampen Valkenburg en De Kooy.

Automatisering

Dit betreft structurele uitgaven ten behoeve van het ontwikkelen van de automatiseringsfuncties op het gebied van bestuurlijke informatiesystemen.

04. Beleidsterrein Koninklijke landmacht

Algemeen

Met ingang van de nieuwe indeling van de begroting, zijn de uitgaven binnen het artikel 04.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke landmacht verdeeld in vijf ressorts (inclusief wachtgelden): het 1 (GE/NL) Legerkorps, het Nationaal Commando, het Commando Opleidingen Koninklijke landmacht, de groep Overige eenheden Bevelhebber Landstrijdkrachten en de Landmachtstaf. De artikelen 04.21 Subsidies en 04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeren de begroting van de Koninklijke landmacht. De totale geraamde uitgaven van de Koninklijke landmacht voor de jaren 1998 tot en met 2002 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
04.20 Personeel en materieel     
– 1 (GE/NL) Legerkorps1 049 8861 067 4651 089 7371 121 9671 119 256
– Nationaal Commando1 045 0801 014 092965 168941 415931 416
– Commando Opleidingen Koninklijke landmacht297 001278 681276 500277 153276 523
– Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten864 745827 430797 380760 966739 136
– Landmachtstaf95 17490 55583 23381 68880 389
– Wachtgelden en inactiviteitswedden128 800130 900120 700108 200105 400
Totaal Personeel en materieel3 480 6863 409 1233 332 7183 291 3893 252 120
      
04.21 Subsidies en bijdragen1 9351 9381 9381 9411 945
04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur940 8441 201 2431 242 2441 186 4901 312 656
Totale uitgaven4 423 4654 612 3044 576 9004 479 8204 566 721

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés worden, conform de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

04.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De integratie van de begrotingsartikelen personeel en materieel en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) verschaft inzicht in de bedrijfsvoeringsuitgaven per ressort van resultaatverantwoordelijke eenheden. De indeling sluit aan bij het beleid om commandanten c.q. directeuren de mogelijkheid te bieden zijn middelen (personeel, materieel en financieel) integraal te besturen. De beheersbevoegdheden en de budgetverdeling zijn overeenkomstig aangepast.

Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. Met ingang van de begroting 1998 worden de wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel op het artikelonderdeel 04.20.21 geraamd en verantwoord.

Voor de beschikbare bedrijfsvoeringsbudgetten per ressort zijn in bijlage 16 afzonderlijke conversietabellen opgenomen. Tevens zijn de gerealiseerde begrotingsbedragen voor het jaar 1996 en de begrote verplichtingen en uitgaven voor het begrotingsjaar 1997 volgens de oude indeling van begrotingsartikelen en artikelonderdelen opgenomen als bijlage 14.

De personeelssterkte van de Koninklijke landmacht is uitgebreid met 287 (te weten: herschikking gevechtskracht 122; uitbreiding geniecapaciteit 78; uitbreiding commando's 87). Een uitgebreide toelichting staat in de hoofdstukken 2 en 4 van de memorie van toelichting. Als gevolg van de actualisering van de Prioriteitennota is het aantal overtolligen en de daarmee samenhangende instroom in het wachtgeld/SBK gedaald. Een en ander komt eveneens tot uiting in de uitgaven voor het Sociaal Beleidskader.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 04.01   561 582562 083572 584579 370 
– artikel 04.02   1 483 9421 470 9681 464 7251 465 366 
– artikel 04.034 8792 32354 880330 864259 500250 278246 785 
– artikel 04.05130 14259 594564 634906 289934 338748 460705 438 
Totaal overgeheveld135 02161 917619 5143 282 6773 226 8893 036 0472 996 959 
Nieuwe mutaties   262 335188 822209 382218 555 
Stand ontwerp-begroting 1998135 02161 917619 5143 545 0123 415 7113 245 4293 215 5143 176 873
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 04.01   561 582562 083572 584579 370 
– artikel 04.02   1 483 9421 470 9681 464 7251 465 366 
– artikel 04.03   268 448280 858272 409274 005 
– artikel 04.05   863 792820 303806 691785 494 
Totaal overgeheveld   3 177 7643 134 2123 116 4093 104 235 
Nieuwe mutaties   302 922274 911216 309187 154 
Stand ontwerp-begroting 1998   3 480 6863 409 1233 332 7183 291 3893 252 120

Integratie tot één artikel Personeel en materieel

De overhevelingen uit de begrotingsartikelen 04.01 Burgerpersoneel, 04.02 Militair personeel, 04.03 Overige personele exploitatie en 04.05 Materiële exploitatie houden verband met de integratie tot het gecombineerde begrotingsartikel 04.20 Personeel en materieel voor de Koninklijke landmacht.

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de uitgaven- en de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Uitgavenmutaties:    
Prijsbijstelling 199721 37721 72521 33621 448
Loonbijstelling 199738 69421 30018 62619 480
Doelmatigheidsmaatregelen:    
* Maatregelen en correcties– 827– 20 317– 31 217– 49 002
* Sociaal Beleidskader (SBK)10 90015 6007 3002 600
Restontvlechting Dico– 2 472– 2 472– 2 472– 2 472
Ramingsbijstelling ambtelijk burgerpersoneel62 83133 38918 3804 011
Ramingsbijstelling militair personeel– 60 439– 60 006– 51 320– 19 803
Bijdrage van de Koninklijke luchtmacht voor de Koninklijke Militaire Academie6 9256 8616 7246 754
Inhuur tijdelijk personeel20 00019 00010 0003 800
Kleding en uitrusting16 891– 11 60510 2767 534
Reis- en verblijfkosten– 10 600– 11 900– 12 600– 12 800
Onderwijs en opleidingen25 68825 10929 27329 910
Munitie15 35712 34327 72411 864
Artillerie en luchtdoelartillerie– 8 535691– 2 498– 2 511
Informatievoorziening14 20016 05022 80010 250
Brandstoffen, olie, smeermiddelen en dergelijke– 1 900– 1 508– 1 434– 2 994
O-, I- en A-deskundigheid12 1227 9106 8614 533
Inventarisgoederen en klein materieel17 30026 10022 80015 900
Huisvesting3 49519 99510 69815 859
Overige ramingsbijstellingen– 6 88525 340– 14 24817 093
Wachtgelden en inactiviteitswedden128 800131 306119 300105 700
Totaal van de uitgavenmutaties302 922274 911216 309187 154
     
Verplichtingenmutaties:    
Doorwerking van de uitgavenmutaties254 877251 328198 383208 102
Kleding en uitrusting– 55 63767 7708 1078 764
Munitie87 238– 133 0792 6572 762
Manoeuvre– 17 4824 1763 9724 332
Artillerie en luchtdoelartillerie– 4 699195– 2 103– 2 311
Brandstoffen, olie, smeermiddelen en dergelijke– 1 962– 1 568– 1 634– 3 094
Totaal van de verplichtingenmutaties262 335188 822209 382218 555

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

Algemeen

In de verplichtingen- en uitgavenniveaus zijn de prijs- en loonbijstellingsbedragen 1997 verrekend. In de inleiding van de artikelsgewijze toelichting is hierover een nadere toelichting gegeven. Tevens is de finale afronding van de doelmatigheidsoperaties verwerkt. Hierbij is onderscheid te maken in:

Doelmatigheidsmaatregelen

Het betreft hier de doelmatigheidsopbrengsten ter dekking van de nog te boeken financiële taakstelling, zoals weergegeven in artikel 08.03. De opbrengsten worden onder andere gegenereerd uit een reductie van de Haagse staven, de afschaffing van de 4% en 6% BBT-premies (f 15 miljoen), een reductie van bemiddelingsopleidingen voor BBT'ers (f 15,3 miljoen), diverse maatregelen binnen het werkveld Onderhoud en Logistiek, de oprichting van de Defensie Telematica Organisatie en een verdere reductie van de uitgaven voor Verkeer en Vervoer. Onderstaand worden de besparingen per maatregel weergegeven.

 
Maatregel1998199920002001
* reductie Haagse staven– 2 100– 4 200– 6 300– 6 300
* maatregelen Onderhoud en Logistiek– 9 780– 17 770– 20 770– 20 770
* oprichting Defensie Telematica Organisatie (DTO)– 900– 3 900– 9 700– 9 600
* overige maatregelen en correcties11 9535 5535 553– 12 332

– SBK-uitgaven

Het betreft hier de met de doelmatigheidsmaatregelen samenhangende uitgaven voor het Sociaal Beleidskader in het kader van de spoor-1 tranche 1998.

– Restontvlechting Dico

Ten aanzien van de onder Dico ressorterende diensten Geneeskundig Facilitair Bedrijf (GFB) en Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO) is in de begroting een aantal ontvlechtingen uitgevoerd.

Deze zijn noodzakelijk om invulling te kunnen geven aan de opgelegde doelmatigheidstaakstelling en om gestalte te geven aan de besluitvorming inzake de naar het Dico over te hevelen diensten. Het betreft de overheveling van activiteiten en de daarbij samenhangende budgetten.

Ramingsbijstelling ambtelijk burgerpersoneel

De verhoogde uitgaven voor burgerpersoneel zijn een gevolg van een grotere instroom als gevolg van onvoldoende aansluiting tussen personeel en functies en een verlaagde uitstroom als gevolg van onder andere vertragingen in de ontruiming van kazernes, waardoor personeel langer in dienst moet worden gehouden.

Ramingsbijstelling militair personeel

De lagere uitgaven ten behoeve van het militair personeel zijn het gevolg van het succes van het project «Zorg voor Werk» voor de categorie BOT-personeel, waardoor een hogere uitstroom is bereikt. Anderzijds stroomt BBT-personeel in met een gemiddeld lagere middensom. Daarnaast is het percentage BBT'ers dat het contract verlengt hoger dan voorzien, waardoor de uitgaven voor aanstellingspremies afnemen.

Bijdrage van de Koninklijke luchtmacht voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA)

De budgetoverheveling heeft betrekking op het aandeel van de Koninklijke luchtmacht in de uitgaven van de KMA.

Inhuur tijdelijk personeel

De stijging van de uitgaven ten behoeve van inhuur wordt voornamelijk veroorzaakt door het beleid om bij nog niet gesloten objecten of nog niet geherstructureerde eenheden vacatures te vullen met het inhuren van personeel in plaats van ambtelijk personeel al dan niet in tijdelijke dienst. Dit met het oog op de voorziene overtolligheid. Daarnaast is door de onvoorziene vertraging in het project Integrale veiligheidszorg een extra behoefte aan inhuur van personeel ontstaan. Vanaf het jaar 2000 zal het budget hiervoor door afronding van de herstructurering weer teruggebracht zijn tot een normale omvang.

Kleding en uitrusting

De vermindering van de uitgaven in 1999 wordt veroorzaakt doordat de NBC-kleding later wordt besteld. In de rest van de ramingen wordt een stijging voorzien, die onder meer wordt veroorzaakt door nog af te sluiten was- en onderhoudscontracten. Daarnaast is de vervanging van het dagelijks tenue voorzien.

Reis- en verblijfkosten

De reiskosten dalen als gevolg van het nieuwe reisbesluit.

Onderwijs en opleidingen

De stijging van de uitgaven voor onderwijs en opleidingen vindt zijn oorsprong in de vorming van de «Begeleidingsorganisatie Civiel Onderwijs». Het betreft hier BBT-personeel dat gestimuleerd wordt om tijdens de contractperiode civiele opleidingen te volgen om een maatschappelijke meerwaarde te verkrijgen. Momenteel wordt door meer dan de helft van de BBT-ers gebruik gemaakt van deze regeling en de verwachting is dat dit percentage zal stijgen.

Munitie

De stijging van de uitgaven in 1998 wordt met name veroorzaakt door de latere aflevering van 81mm mortiermunitie (rode fosfor) en de nieuwe behoeften aan 120mm mortiermunitie (ILL) en aan midden- en kleinkaliber munitie (alle te bestellen in 1997). De wijziging en herfasering van het project Modulaire ladingen leidt tot extra uitgaven in 1999. Tenslotte stijgen de uitgaven in 2000–2001 door de aanvullingen van diverse schietvoorraden.

Artillerie en luchtdoelartillerie

De daling van de verplichtingen en de uitgaven in de raming heeft betrekking op een verlaging van de aan te houden voorraadniveaus reservedelen door een stringent aankoopbeleid. Door vertraging van de tekeningenpakketten PRTL 35mm, de bestelling/aflevering van duurzame verpakkingsmiddelen voor componenten van dit wapensysteem en de aflevering van hydraulische reservoirs voor de afgeleide versies Leopard-1 ontstaat een verdere daling in 1998 en een stijging in 1999.

Informatievoorziening

De verhoogde uitgaven voor informatievoorziening worden veroorzaakt door de decentralisatie van bevoegdheden en de daaraan gerelateerde noodzaak tot aanpassing van informatiesystemen en de grotere behoefte aan telematicatoepassingen.

Brandstoffen, olie en smeermiddelen

De daling van de verplichtingen en uitgaven in de ramingsperiode betreft met name het effect van de terugdringing van het gebruik van civiel verstrekte brandstof. De sterkere daling in 1998 is het gevolg van het incidenteel interen op diverse voorraden.

Inhuur van externe deskundigheid

Zowel in de ontwikkelingssfeer als in de beheersorganisatie ontstaan vacatures waarvoor personeel op de markt moet worden ingehuurd. De herstructurering en het decentralisatieproces nopen tot aanpassing van de informatiesystemen waarvoor extra personeel moet worden ingehuurd.

Inventarisgoederen en klein materieel

De verhoogde uitgaven ten behoeve van inventarisgoederen en klein materieel hebben onder meer betrekking op additionele uitgaven ten behoeve van de legering van BBT-ers als gevolg van eisen op het gebied van «aantrekkelijk werkgeverschap» en op de concentratie van de onderhoudsbedrijven van het Nationaal Commando en de inrichting van het Hoger echelons Onderhouds Bedrijf Koninklijke landmacht. Daarnaast worden hogere uitgaven voorzien in het kader van de inrichting van het Landelijk Bevoorradingsbedrijf Koninklijke landmacht.

Huisvesting

Als gevolg van de al eerder genoemde vertraging in de afstoting van objecten en de additionele uitgaven ten behoeve van de legering van BBT-ers is een verhoging van de meerjarencijfers voor huisvesting noodzakelijk. Bovendien blijkt de stijging van de reeks op dit gebied noodzakelijk door hogere uitgaven voor milieulasten, reinigingsrechten, afvoerkosten en energieheffing.

Wachtgelden en inactiviteitswedden

De voorheen bij beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen verantwoorde verplichtingen en uitgaven, ten behoeve van de wachtgelden en inactiviteitswedden van de Koninklijke landmacht, worden met ingang van 1998 op dit beleidsterrein geraamd en verantwoord. Tevens is de raming geactualiseerd.

Toelichting op de nieuwe verplichtingenmutaties

Kleding en uitrusting

De verplichtingenmutaties in 1998 en 1999 worden veroorzaakt door een vertraging in de bestelling van NBC-kleding.

Munitie

Door een wijziging en herfasering van het project Modulaire Ladingen wordt de behoefte verlaagd met f 5 miljoen, is in de verplichtingensfeer f 80 miljoen uit 1999 naar 1998 en nog eens f 80 miljoen uit 1999 naar 2005 verschoven. Een deel van deze verlaging van het bestelprogramma in 1999 wordt gecompenseerd door noodzakelijke aanvullingen van de schietvoorraden van diverse munitiesoorten, waarop in de afgelopen jaren is ingeteerd.

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
1 (GE/NL) Legerkorps1 049 8861 067 4651 089 7371 121 9671 119 2561 049 8861 067 4651 089 7371 121 9671 119 256
Nationaal Commando1 048 1891 014 385966 332938 893929 6681 045 0801 014 092965 168941 415931 416
Commando Opleidingen KL297 001278 681276 500277 153276 523297 001278 681276 500277 153276 523
Overige eenheden BLS925 962833 725708 927687 613665 637864 745827 430797 380760 966739 136
Landmachtstaf95 17490 55583 23381 68880 38995 17490 55583 23381 68880 389
Wachtgelden en inactiviteitswedden128 800130 900120 700108 200105 400128 800130 900120 700108 200105 400
Totaal artikel personeel en materieel3 545 0123 415 7113 245 4293 215 5143 176 8733 480 6863 409 1233 332 7183 291 3893 252 120

De verplichtingen en uitgaven 1 (GE/NL) Legerkorps

Het ressort betreft het Nederlandse deel van 1(GE/NL) Legerkorps. Dit Nederlandse deel bestaat uit 1(NL) Divisie «7 December», 11 Luchtmobiele brigade, het Nederlandse deel van de binationale legerkorpsstaf en het Nederlandse deel van de binationale legerkorpstroepen (Command Support Group).

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
04.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel17 69817 55117 52817 53517 53517 69817 55117 52817 53517 535
04.20.02 Militair personeel893 746907 752931 466971 379969 554893 746907 752931 466971 379969 554
04.20.03 Overige personele uitgaven45 27246 96548 37047 13647 00245 27246 96548 37047 13647 002
04.20.04 Materiële uitgaven93 17095 19792 37385 91785 16593 17095 19792 37385 91785 165
Totaal1 049 8861 067 4651 089 7371 121 9671 119 2561 049 8861 067 4651 089 7371 121 9671 119 256

Activiteitentoelichting

De vorming van een beroepsleger heeft grote invloed gehad op 1(GE/NL) Legerkorps. Naast de binationale samenwerking moeten er voortdurend eenheden beschikbaar zijn voor inzet in crisisbeheersingsoperaties (bijvoorbeeld Ifor/Sfor). Het impliceert dat het ressort zich voortdurend dient voor te bereiden op een breed scala van inzetopties en derhalve flexibel en anticiperend moet opereren.

Het 1 (GE/NL) Legerkorps levert nagenoeg alle operationele eenheden van de Koninklijke landmacht voor werkelijke inzet. Teneinde de opgedragen taken binnen de vereiste reactietijden te kunnen uitvoeren en voortdurend eenheden gereed te hebben voor inzet in crisisbeheersingsoperaties, is een constant hoge graad van geoefendheid noodzakelijk. Daartoe verricht het Legerkorps een groot aantal activiteiten. Daarnaast wordt een aantal eenheden ingezet voor vredesondersteunende operaties en wordt er extern steun verleend. De activiteiten van het 1(GE/NL) Legerkorps worden verdeeld in:

– opleiden en oefenen;

– eenheden gereedstellen voor vredesondersteunende operaties;

– overige steunverlening.

De activiteiten op het gebied van opleiden en oefenen kunnen in twee hoofdgebieden worden verdeeld. Het eerste hoofdgebied bestaat uit activiteiten om de basisinzetbaarheid te garanderen. Deze hebben een standaard karakter en worden vaak herhaald. In 1998 besteedt een bataljon hieraan ongeveer twaalf weken.

Het tweede hoofdgebied bevat een breed scala aan activiteiten. Enerzijds de doelstelling om ook de hogere niveaus te trainen (brigade, divisie en legerkorps), anderzijds om te voldoen aan de internationale verplichtingen. Zo wordt in 1998 deelgenomen aan Navo- en Weu-activiteiten, multilaterale en bilaterale Partnership for Peace-activiteiten (in het bijzonder met Hongarije, Polen en Tsjechië), bilaterale activiteiten gericht op de intensivering van de samenwerking met Duitsland («Deeper Integration») en het Verenigd Koninkrijk (verbetering van het vermogen samen op te treden in niet artikel-V operaties) en tenslotte bilaterale activiteiten in het kader van afgesloten MOU's met België, Spanje en Frankrijk. In 1998 staan hiervoor 18 oefeningen gepland. Waar mogelijk worden de activiteiten in het eerste hoofdgebied gecombineerd.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort 1 (GE/NL) Legerkorps.

Ramingskengetallen ambtelijk burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n276276276276276
– gemiddeld salarisx f 164 12363 59163 50763 53363 533
– totale uitgavenx f 100017 69817 55117 52817 53517 535
Totaal toegelicht bedragx f 100017 69817 55117 52817 53517 535

04.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort 1 (GE/NL) Legerkorps.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n16 67217 08617 57918 65818 788
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n4 5804 6904 8014 8014 801
– gemiddeld salarisx f 176 31575 64375 50374 87674 297
– totale uitgavenx f 1000349 524354 765362 491359 481356 698
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n12 09212 39612 77813 85713 987
– gemiddeld salarisx f 145 00744 61044 52844 15843 816
– totale uitgavenx f 1000544 222552 987568 975611 898612 856
Totaal toegelicht bedragx f 1000893 746907 752931 466971 379969 554

04.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteiten. In verband met de centrale aanschaf voor de gehele Koninklijke landmacht worden de uitgaven voor kleding, uitrusting en voeding bij het ressort Overige eenheden BLS geraamd en verantwoord.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)16 94817 36217 85518 93419 064
– gemiddelde uitgavenx f 12 4882 5262 5352 3782 355
– totale uitgavenx f 100042 16743 85645 27145 02644 901
– inhuur tijdelijk personeelaantal uren63 02563 05062 95038 05037 975
– gemiddeld salarisx f 14040404040
– totale uitgavenx f 10002 5212 5222 5181 5221 519
Totaal toegelicht bedragx f 100044 68846 37847 78946 54846 420
Overige personele uitgavenx f 1000584587581588582
Totaal overige personele uitgavenx f 100045 27246 96548 37047 13647 002

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen (voor zover verworven door het ressort 1 (GE/NL) Legerkorps) opgenomen.

04.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor onder meer huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, onderhoud van gebouwen en terreinen, bevoorrading en het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- en A-deskundigheidaantal uren41 25441 24941 17330 42230 314
– gemiddeld salarisx f 1185185185185185
– totale uitgavenx f 10007 6327 6317 6175 6285 608
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)16 94817 36217 85518 93419 064
– gemiddeld per vtex f 11 2041 1751 045816781
– totale uitgavenx f 100020 40220 39918 65215 44314 888
Totaal toegelicht bedragx f 100028 03428 03026 26921 07120 496
Overige materiële uitgavenx f 100065 13667 16766 10464 84664 669
Totaal materiële uitgavenx f 100093 17095 19792 37385 91785 165

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In dit ramingskengetal zijn de uitgavencomponenten bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud gebouwen (commandantenvoorzieningen), informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voor zover verworven door ressort 1 (GE/NL) Legerkorps) opgenomen.

Uitgaven ten behoeve van dit ressort die worden beheerd door het ressort Overige Eenheden BLS zijn opgenomen in de kengetallen aldaar.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1998 geraamde bedrag van f 65,1 miljoen heeft in het bijzonder betrekking op de uitgaven voor overige zaken van operationele aard (f 53 miljoen) en overige specifieke materiële zaken (f 12 miljoen).

De verplichtingen en uitgaven Nationaal Commando

Het ondersteunende ressort Nationaal Commando (NATCO) is ingericht op basis van resultaatverantwoordelijke eenheden, georganiseerd volgens de principes van een lijnstaforganisatie. De organisatie van het NATCO bestaat in 1998 uit de volgende eenheden: de staf, drie Regionale Militaire Commando's, het Netherlands Armed Forces Support Agency Germany, het National Support Command, 710 Speciale Eenheid Bevoorradingsdienstgoederen, 730 Depoteenheid Materieeldienstgoederen, het Nationaal Verzorgingscommando, de Mechanische Centrale Werkplaats, de Elektronische Centrale Werkplaats, de Prepositioned Organizational Material Sites, de Arbo-dienst Koninklijke landmacht, het Explosieven Opruimings Commando Koninklijke landmacht en het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen Bronbeek.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel435 493411 973404 278404 419404 421435 493411 973404 278404 419404 421
04.20.06 Militair personeel193 292177 485169 162168 868168 870193 292177 485169 162168 868168 870
04.20.07 Overige personele uitgaven53 97553 37243 88637 10336 91653 97553 37243 88637 10336 916
04.20.08 Materiële uitgaven365 429371 555349 006328 503319 461362 320371 262347 842331 025321 209
Totaal1 048 1891 014 385966 332938 893929 6681 045 0801 014 092965 168941 415931 416

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

Het NATCO is het serviceverlenend commando van de Koninklijke landmacht, dat anderen, binnen en buiten de Koninklijke landmacht, door het aanbieden van een scala aan producten en diensten, in staat stelt hun taken succesvol uit te voeren. Het staat garant voor de bewaking van kazernes en strategische objecten en voor de ondersteuning van bondgenoten op Nederlands grondgebied en biedt faciliteiten op het gebied van oefenen, werken, educatie, recreatie, huisvesting en geneeskundige verzorging. Het onderhoudt materieel van allerlei aard en voorziet in de opslag en distributie daarvan. Tevens draagt het zorg voor steunverlening en militaire bijstand.

De geplande herstructureringen in het logistieke en het informatica/telematica domein leiden tot gewijzigde taken. Daarnaast zullen veranderingen in omvang, locatie en taakstelling bij operationele eenheden bij het NATCO kunnen leiden tot een verdere verbetering van de ondersteuning.

De in gang gezette ontwikkeling om de bedrijfsvoering van het NATCO te verbeteren is nog niet afgerond. Binnen de resultaatverantwoordelijke eenheden is gestart met het benoemen van prestaties en producten, het implementeren van plannings- en controlinstrumenten en het daarop afstemmen van informatiesystemen. De volgende hoofdproducten worden onderscheiden:

– onderhoud van materieel: het planmatig/preventief onderhoud en incidenteel/-correctief onderhoud aan al het materieel van de Koninklijke landmacht (waaronder modificaties, levensduurverlengend onderhoud, etc.) en engineering (ontwikkeling, diensten, etc);

– verzorging van personeel: de geneeskundige verzorging, de voedings- en kantine-functie, zorg voor ouderen en arbeidsomstandigheden;

– onderhoud en beveiliging van locaties;

– opslag en distributie van materieel.

Voor het jaar 1998 is ten aanzien van bovenstaande hoofdproducten de volgende capaciteitsinzet gepland (x 1000-manuren):

– onderhoud materieel:1 500

waarvan preventief/planmatig/modificatief ongeveer 65%, correctief/incidenteel ongeveer 30% en engineering ongeveer 5%

– verzorging personeel (de verzorgingssterkte bedraagt ongeveer 36 000):3 600

– onderhoud en beveiliging locaties (totaal 421 objecten/ locaties):1 950

– opslag en distributie materieel:1 760

– militaire bijstand en explosievenopruiming:350

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort NATCO.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n6 7956 6706 5826 5826 582
– gemiddeld salarisx f 164 09061 76561 42261 44361 443
– totale uitgavenx f 1000435 493411 973404 278404 419404 421
Totaal toegelicht bedragx f 1000435 493411 973404 278404 419404 421

04.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort NATCO.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n2 4452 2742 1842 1792 179
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n2 16420001 9411 9361 936
– gemiddeld salarisx f 180 85579 83078 79278 84078 841
– totale uitgavenx f 1000174 970159 659152 935152 634152 636
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n281274243243243
– gemiddeld salarisx f 147 40946 81046 20246 23046 230
– totale uitgavenx f 100013 32212 82611 22711 23411 234
Totaal toegelicht bedragx f 1000188 292172 485164 162163 868163 870
Uitgaven inzake de Nationale reservex f 10005 0005 0005 0005 0005 000
Totaal militair personeelx f 1000193 292177 485169 162168 868168 870

04.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en inhuur van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen).

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)9 2408 9448 7668 7618 761
– gemiddeld per vtex f 12 8172 8022 7762 7862 778
– totale uitgavenx f 100026 03025 06524 33724 40924 341
– inhuur tijdelijk personeelaantal uren665 800675 675457 700285 875283 300
– gemiddelde salarisx f 14040404040
– totale uitgavenx f 100026 63227 02718 30811 43511 332
Totaal toegelicht bedragx f 100052 66252 09242 64535 84435 673
Overige personele uitgavenx f 10001 3131 2801 2411 2591 243
Totaal overige personele uitgavenx f 100053 97553 37243 88637 10336 916

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen (voor zover verworven door het ressort NATCO) opgenomen.

04.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– Persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)9 2408 9448 7668 7618 761
– gemiddeld per vtex f 18 6148 7398 1397 1307 106
– Totale uitgavenx f 100079 59278 16471 34662 47062 253
– Huisvesting KL-breedaantal vte'n (bp en mp)33 73533 42933 32634 11233 994
– gemiddeld per vtex f 13 2793 3092 8622 8022 802
– Totale uitgavenx f 1000110 621110 60595 39595 57095 266
– Onderhoud van gebouwen en terreinen KL-breedaantal vte'n (bp en mp)33 73533 42933 32634 11233 994
– gemiddeld per vtex f 14 4774 8284 8034 4534 198
– Totale uitgavenx f 1000151 020161 410160 076151 912142 701
Totaal toegelicht bedragx f 1000341 233350 179326 817309 952300 220
Overige materiële uitgavenx f 100021 08721 08321 02521 07320 989
Totaal materiële uitgavenx f 1000362 320371 262347 842331 025321 209

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud gebouwen (commandantenvoorzieningen), informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voor zover verworven door ressort NATCO) opgenomen.

Toelichting huisvesting en onderhoud van gebouwen en terreinen

Deze ramingskengetallen betreffen uitgavencomponenten die door het ressort NATCO worden verworven ten behoeve van de gehele Koninklijke landmacht.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1998 geraamde bedrag van f 21,1 miljoen heeft in het bijzonder betrekking op de uitgaven voor overige specifieke materiële zaken.

De verplichtingen en uitgaven Commando Opleidingen Koninklijke landmacht

Het ressort Commando Opleidingen Koninklijke landmacht (COKL) bestaat uit elf resultaatverantwoordelijke eenheden. Dit betreft naast de Staf acht opleidingscentra – Manoeuvre, Vuursteun, Genie, Logistiek, Rij, Ede, de Koninklijke Militaire School en het Instituut voor Leiderschap, Media en Opleidingskunde – en twee bijzondere organisatie-eenheden, de Begeleidingsorganisatie Civiel Onderwijs en de Lichamelijke Oefening en Sportorganisatie.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
04.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel49 52948 73948 28148 23148 23149 52948 73948 28148 23148 231
04.20.10 Militair personeel187 910183 578177 648175 621175 183187 910183 578177 648175 621175 183
04.20.11 Overige personele uitgaven26 32119 60820 74422 07523 33726 32119 60820 74422 07523 337
04.20.12 Materiële uitgaven33 24126 75629 82731 22629 77233 24126 75629 82731 22629 772
Totaal297 001278 681276 500277 153276 523297 001278 681276 500277 153276 523

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

Het COKL verzorgt individuele opleidingen voor zover deze niet aan de Koninklijke Militaire Academie zijn opgedragen of uitbesteed aan het Instituut Defensie Leergangen. Het is belast met het ontwikkelen van beleid en het verzorgen van individuele opleidingen, met inbegrip van lichamelijke opvoeding, sport, fysieke training en grensverleggende activiteiten, de certificering van het militair onderwijs en het bieden van civiele (bij)scholingsmogelijkheden. Tevens betreft dit methoden en technieken van onderwijs en het gebruik van audiovisuele hulpmiddelen ten behoeve van opleiden en oefenen. Het COKL begeleidt het personeel van de Koninklijke landmacht en bemiddelt inzake te volgen opleidingen.

De primaire activiteiten van het COKL kunnen in vier hoofdproductgroepen worden samengevat. Zij omvatten het merendeel van de productie van het COKL en kunnen in zekere zin worden beschouwd als prestatiegraadmeter. De volgende hoofdproductgroepen worden onderscheiden:

– algemene militaire/kader opleidingen (AMO/AKO): opleidingen in het kader van de algemene opleiding van een militair; het betreft hier opleidingen die voorzien in de basis militaire vaardigheden;

– initiële functie-opleidingen: functie-opleidingen die aan een instromende militair wordt gegeven om op de eerste functie naar behoren te functioneren, volgt op de AMO/AKO;

– loopbaanopleidingen: opleidingen die gevolgd moeten worden teneinde in aanmerking te komen voor een hogere rang en/of functie;

– overige opleidingen: grote variëteit aan opleidingen waaronder functie-opleidingen, die het goed of beter functioneren van medewerkers van de Koninklijke landmacht ondersteunt. De omvang van de overige opleidingen is mede afhankelijk van de functie- en personeelsmobiliteit. Voor het jaar 1998 zijn de volgende productie-aantallen (uitgedrukt in opgeleide cursisten; een opleiding kan meerdere modules/cursussen beslaan) voorzien:

– Algemene militaire/kader opleidingen 6 400

– Initiële functie opleidingen 17 100

– Loopbaanopleidingen 2 400

– Overige opleidingen 34 400

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort COKL.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n729723717716716
– gemiddeld salarisx f 167 94167 41267 33867 36267 362
– totale uitgavenx f 100049 52948 73948 28148 23148 231
Totaal toegelicht bedragx f 100049 52948 73948 28148 23148 231

04.20.10 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort COKL.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n2 7032 6572 5742 5442 539
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n2 5632 5292 4462 4132 403
– gemiddeld salarisx f 170 56670 05970 01470 06770 072
– totale uitgavenx f 1000180 861177 180171 254169 072168 384
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n140128128131136
– gemiddeld salarisx f 150 35049 98449 95349 99249 993
– totale uitgavenx f 10007 0496 3986 3946 5496 799
Totaal toegelicht bedragx f 1000187 910183 578177 648175 621175 183

04.20.11 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen).

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 4323 3803 2913 2603 255
– gemiddeld per vtex f 13 6953 7853 8513 9103 918
– totale uitgavenx f 100012 68112 79312 67212 74812 753
– inhuur tijdelijk personeelaantal uren7 1685 9845 9735 9845 973
– gemiddeld salarisx f 1185185185185185
– totale uitgavenx f 10001 3261 1071 1051 1071 105
– onderwijs en opleiding t.b.v. BBT-personeelaantal vte'n12 95313 25013 68814 84614 987
– gemiddeld per vtex f 1951431509554632
– totale uitgavenx f 100012 3145 7086 9678 2209 479
Totaal toegelicht bedragx f 100026 32119 60820 74422 07523 337

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen (voor zover verworven door het ressort COKL ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering) opgenomen.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Functionarissen worden ingehuurd voor het ontwikkelen van opleidingen, het concipiëren van syllabi en in voorkomende gevallen geven van opleidingen en cursussen. Het gemiddeld salaris is op deze hoog opgeleide categorie inhuurkrachten afgestemd.

Toelichting onderwijs en opleidingen

Bovenstaand ramingskengetal betreft de uitgaven gedaan door het ressort COKL ten behoeve van opleidingen voor het BBT-personeel van de gehele Koninklijke landmacht.

4.20.12 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel en het onderhoud van onroerende zaken.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 4323 3803 2913 2603 255
– gemiddeld per vtex f 17 0545 4466 5347 0336 605
– totale uitgavenx f 100024 21018 40921 50322 92721 499
Overige materiële uitgavenx f 10009 0318 3478 3248 2998 273
Totaal materiële uitgavenx f 100033 24126 75629 82731 22629 772

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud gebouwen (commandantenvoorzieningen), informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voor zover verworven door het ressort COKL) opgenomen.

De verplichtingen en uitgaven Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijd-krachten (BLS)

Het ressort Overige eenheden BLS bestaat uit de Koninklijke Militaire Academie, de Topografische Dienst Nederland, de Centrale Dienst Personeel en Organisatie en de Directie Materieel Koninklijke landmacht. Daarnaast zijn er nog enkele kleine organisatie-elementen ondergebracht bij dit ressort zoals het (internationale) 1(NL) Signal Squadron Landcent en personeel van de Koninklijke landmacht bij de Navo-staven.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel110 24490 58071 98862 43757 161110 24490 58071 98862 43757 161
04.20.14 Militair personeel190 194172 081151 433138 866122 278190 194172 081151 433138 866122 278
04.20.15 Overige personele uitgaven170 048155 157168 924167 971161 986170 048155 157168 924167 971161 986
04.20.16 Materiële uitgaven455 476415 907316 582318 339324 212394 259409 612405 035391 692397 711
Totaal925 962833 725708 927687 613665 637864 745827 430797 380760 966739 136

Activiteitentoelichting

De Overige eenheden BLS ondersteunen de Landmachtstaf en de overige ressorts bij het uitvoeren van de hun opgedragen taken. De diensten van de huidige directies, die vanwege doelmatigheidsoverwegingen niet gedecentraliseerd worden, worden als centraal ondersteunend aangemerkt. Zij ondersteunen de Landmachtstaf bij het ontwikkelen van beleid, instrumenten en planalternatieven.

De Directie Materieel is belast met het verwerven, in stand houden en afstoten van materiële middelen, de Centrale Dienst Personeel en Organisatie ondersteunt het personele proces in de Koninklijke landmacht. Zij dragen zorg voor de KL-brede informatievoorziening van het personele-, organisatie en materiële functiegebied. Zowel de Directie Materieel als de Centrale Dienst Personeel en Organisatie maken een reorganisatie door. Met name de herverdeling van taken en middelen in het materieel-logistieke functiegebied tussen de Directie Materieel en het NATCO heeft vergaande consequenties voor organisatie en werkwijze.

Binnen het ressort Overige eenheden BLS is de Koninklijke Militaire Academie (KMA) zowel voor de Koninklijke landmacht als de Koninklijke luchtmacht het instituut dat de opleiding en vorming verzorgt tot officier, zowel voor beroepspersoneel bepaalde tijd als onbepaalde tijd. In 1998 zullen naar verwachting circa 500 officieren (voor beide beleidsterreinen) de opleiding aan de KMA afronden. Ook verricht de KMA wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van het onderwijs in de militaire bedrijfskunde. De KMA dient daarnaast de kennis en kunde van het wetenschappelijk personeel (burgers en militairen) beschikbaar te stellen, voor het (helpen) oplossen van militair-bedrijfskundige vraagstukken binnen de krijgsmacht.

De Topografische Dienst Nederland voorziet de Koninklijke landmacht van geografische informatie in de vorm van bestanden, kaartseries en afgeleide producten.

De uitgavenverdeelstaat

 
Bedragen x f 100019981999200020012002
Uitgaven Overige eenheden BLS864 745827 430797 380760 966739 136
Volledig toe te rekenen aan:     
– apparaatsuitgaven      
Overige eenheden BLS393 349343 754311 512286 582263 865
      
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:     
– 1(GE/NL) Legerkorps140 886153 208154 160153 329148 976
– Nationaal Commando2 1732 4903 1453 7143 479
      
Niet specifiek toe te rekenen:      
– KL-brede uitgaven328 337327 978328 563317 341322 816

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

De totaal geraamde uitgaven voor het ressort Overige eenheden BLS betreffen enerzijds uitgaven ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering en anderzijds uitgaven ten behoeve van het functioneren van de overige ressorts binnen de Koninklijke landmacht, waarvan een deel specifiek is toe te rekenen. Onder de bedrijfsvoeringsuitgaven worden de personele en materiële uitgaven voor alle onder het ressort vallende eenheden begrepen zoals de uitgaven voor bureaugoederen, inventarisartikelen en kleinschalige automatisering.

De specifiek aan de ressorts toe te wijzen uitgaven betreffen de uitgaven die rechtstreeks verband houden met de bij de ressorts ingedeelde wapensystemen en uitrustingsstukken. Het merendeel van de specifiek aan 1(GE/NL)Legerkorps toe te rekenen uitgaven hebben betrekking op de logistieke ondersteuning van Leopard-2 gevechtstanks (met name het toestandsafhankelijk onderhoud), M109 en YPR (onderhoudsprogramma «2000»).

De uitgaven ten behoeve van het functioneren van de andere ressorts van de Koninklijke landmacht betreffen met name de uitgaven die verband houden met de (centrale) «voorzien-in-functie» van materieel. Gezien de benodigde technische en commerciële deskundigheid en de doelmatigheid van bundeling van behoeften, wordt een groot deel van de materiële middelen voor met name de operationele taakuitvoering centraal verworven. Dit materieel, zoals reservedelen ten behoeve van diverse uitrustingsstukken en wapensystemen, voertuigen, communicatiemiddelen en munitie, is bestemd voor meerdere ressorts en derhalve opgenomen in de post «niet specifiek toe te rekenen».

De wijze waarop in materieel wordt voorzien zal in grote lijnen niet veranderen. Wel wordt onderzocht of een aanvullend deel van het centraal beheerde budget kan worden gedecentraliseerd door nog meer gebruik te maken van (centraal) opgestelde raam- en afroepcontracten met een afroepfunctie door de gebruiker/afnemer, die dan ook beschikt over het budget. Het betreft voornamelijk de zogenaamde handelsgebruikelijke artikelen, voor zover de verwerving daarvan nog niet is gedecentraliseerd. Hiermee zal slechts een beperkt deel van het totale financiële volume gemoeid zijn.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Overige eenheden BLS.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n1 3121 107905753681
– gemiddeld salarisx f 176 13672 87269 15270 23269 965
– totale uitgavenx f 100099 89080 66962 58352 88547 646
– niet-actief personeelaantal vte'n170170170170170
– gemiddeld salarisx f 160 90658 30055 32456 18855 971
– totale uitgavenx f 100010 3549 9119 4059 5529 515
Totaal toegelicht bedragx f 1000110 24490 58071 98862 43757 161

04.20.14 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Overige eenheden BLS.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n2 1942 0391 9281 8231 652
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n2 0141 8471 6491 4681 291
– gemiddeld salarisx f 190 08988 07283 70682 78380 906
– totale uitgavenx f 1000181 439162 669138 031121 526104 450
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n180192279355361
– gemiddeld salarisx f 148 63949 02148 03648 84549 385
– totale uitgavenx f 10008 7559 41213 40217 34017 828
Totaal toegelicht bedragx f 1000190 194172 081151 433138 866122 278

04.20.15 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). De inhuur van O-, I- en A-deskundigheid wordt geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel Materiële uitgaven.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 5063 1462 8332 5762 333
– gemiddeld per vtex f 18 8848 5108 6289 49710 456
– totale uitgavenx f 100031 14926 77324 44324 46324 393
– inhuur tijdelijk personeelaantal uren48 80027 13024 15023 94023 120
– gemiddeld salarisx f 1100100100100100
– totale uitgavenx f 10004 8802 7132 4152 3942 312
– kleding en uitrusting ten behoeve van militair personeelaantal vte'n (mp)24 25624 28924 44625 38525 339
– gemiddeld per vtex f 12 5292 3433 0342 8892 682
– totale uitgavenx f 100061 33756 91674 17873 34367 951
– voeding ten behoeve van militair personeelaantal vte'n (mp)24 25624 28924 44625 38525 339
– gemiddeld per vtex f 12 4632 3482 3142 2372 234
– totale uitgavenx f 100059 74357 02656 58056 77556 615
Totaal toegelicht bedragx f 1000157 109143 428157 616156 975151 271
Overige personele uitgavenx f 100012 93911 72911 30810 99610 715
Totaal overige personele uitgavenx f 1000170 048155 157168 924167 971161 986

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen opgenomen. Een deel van de uitgaven voor personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen heeft tevens betrekking op personeel geplaatst bij andere eenheden van de Koninklijke landmacht.

Toelichting kleding en uitrusting en voeding

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten kleding en uitrusting en voeding opgenomen. Het betreft uitgaven voor zaken die centraal door het ressort Overige eenheden BLS worden verworven ten behoeve van het (militaire) personeel van de gehele Koninklijke landmacht.

04.20.16 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken en het inhuren van externe deskundigheid.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– Inhuur O-, I- en A-deskundigheidaantal uren76 83059 32054 96053 37051 755
– gemiddeld salarisx f 1200200200200200
– totale uitgavenx f 100015 36611 86410 99210 67410 351
– overige persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 6843 4103 2503 0902 882
– gemiddeld per vtex f 11 3091 6621 6671 6931 765
– totale uitgavenx f 10004 8225 6665 4195 2315 088
Totaal toegelicht bedragx f 100020 18817 53016 41115 90515 439
Overige materiële uitgavenx f 1000374 071392 082388 624375 787382 272
Totaal materiële uitgavenx f 1000394 259409 612405 035391 692397 711

Toelichting overige persoonsgebonden materiële uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten bureauzaken en onderhoud gebouwen (commandantenvoorzieningen) opgenomen.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1998 geraamde bedrag van f 374,1 miljoen heeft in het bijzonder betrekking op de uitgaven voor inventarisgoederen en klein materieel (f 37,7 miljoen), informatiesystemen en kleinschalige automatisering (f 54,6 miljoen), data- en telecommunicatie (f 44,5 miljoen), voertuigen en geniematerieel (f 28,9 miljoen), brandstoffen, olie en smeermiddelen (f 39,1 miljoen), munitie (f 60,9 miljoen) en het onderhoud van tanks, rupsvoertuigen en bewapening (f 84,0 miljoen).

De verplichtingen en uitgaven Landmachtstaf

Tot het ressort Landmachtstaf worden de volgende eenheden gerekend: de Beleidsstaf, waaronder de Directeur Beleid en Planning, de Directeur Control en de Directeur Personeel, de Operationele Staf BLS en een ondersteunend element met daarin het kabinet van de BLS en een stafgroep met een aantal kleine eenheden. De Landmachtstaf ondersteunt de bevelhebber bij de aansturing van de Koninklijke landmacht en schept de beleidsmatige voorwaarden om de eenheden en/of het individuele (reserve)personeel van de Koninklijke landmacht gereed te hebben en beschikbaar te stellen voor alle taken in het gehele crisisbeheersingsspectrum.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
04.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel30 45929 92332 77532 78832 78930 45929 92332 77532 78832 789
04.20.18 Militair personeel22 46321 39016 60616 61816 61822 46321 39016 60616 61816 618
04.20.19 Overige personele uitgaven6 6475 8424 4914 2994 1166 6475 8424 4914 2994 116
04.20.20 Materiële uitgaven35 60533 40029 36127 98326 86635 60533 40029 36127 98326 866
Totaal95 17490 55583 23381 68880 38995 17490 55583 23381 68880 389

Activiteitentoelichting

Belangrijke activiteiten van de Landmachtstaf zijn het uitwerken van de grondslagen en hoofdlijnen van het beleid van de Koninklijke landmacht, het integreren van het beleid in de ter beschikking staande financiële ruimte, het opstellen van plandocumenten en het verzorgen van de informatie-uitwisseling met de Centrale organisatie. Daarbij waarborgt de Landmachtstaf een doelmatige inrichting en uitvoering van de bedrijfsprocessen en verschaft zij inzicht in de kwaliteit van de bedrijfsvoering. Tenslotte verzorgt de Landmachtstaf de beleidsmatige voorbereiding, de coördinatie en de evaluatie van alle uitzendingen.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Landmachtstaf.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n367364400400400
– gemiddeld salarisx f 182 99482 20681 93881 97081 973
– totale uitgavenx f 100030 45929 92332 77532 78832 789
Totaal toegelicht bedragx f 100030 45929 92332 77532 78832 789

04.20.18 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort Landmachtstaf.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n242233181181181
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n232223171171171
– gemiddeld salarisx f 194 82393 85794 40994 47494 474
– totale uitgavenx f 100021 99920 93016 14416 15516 155
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n1010101010
– gemiddeld salarisx f 146 40046 00046 20046 30046 300
– totale uitgavenx f 1000464460462463463
Totaal toegelicht bedragx f 100022 46321 39016 60616 61816 618

04.20.19 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteiten. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). Het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid wordt geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel Materiële uitgaven.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)609597581581581
– gemiddeld per vtex f 19 0108 1616 5226 2445 976
– totale uitgavenx f 10005 4874 8723 7893 6283 472
– inhuur tijdelijk personeelaantal uren11 6009 7007 0206 7106 440
– gemiddeld salarisx f 1100100100100100
– totale uitgavenx f 10001 160970702671644
Totaal toegelicht bedragx f 10006 6475 8424 4914 2994 116

Toelichting ramingskengetallen overige persoonsgebonden personele uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten reis- en verblijfkosten, verplaatsen, representatie, personele toelagen en uitkeringen en onderwijs en opleidingen (voor zover verworven door het ressort Landmachtstaf) opgenomen.

04.20.20 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken, het inhuren van externe deskundigheid alsmede de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en reservedelen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)609597581581581
– gemiddeld per vtex f 121 67220 41217 62316 68315 917
– totale uitgavenx f 100013 19812 18610 2399 6939 248
– inhuur O-, I – en A-deskundigheidaantal uren5 7105 1504 1053 6853 525
– gemiddeld salarisx f 1200200200200200
– totale uitgavenx f 10001 1421 030821737705
Totaal toegelicht bedragx f 100014 34013 21611 06010 4309 953
Overige materiële uitgavenx f 100021 26520 18418 30117 55316 913
Totaal materiële uitgavenx f 100035 60533 40029 36127 98326 866

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

In deze ramingskengetallen zijn de uitgavencomponenten bureauzaken (exclusief de uitgaven voor documentatie en publicatie ten behoeve van de gehele Koninklijke landmacht), inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud gebouwen (commandantenvoorzieningen), informatiesystemen en data- en telecommunicatie (voor zover verworven door ressort Landmachtstaf) opgenomen.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1998 geraamde bedrag van f 21,3 miljoen heeft in het bijzonder betrekking op de uitgaven voor bureauzaken die met name betrekking hebben op uitgaven voor documentatie en publikatie van de gehele Koninklijke landmacht (f 12,7 miljoen), overige zaken van operationele aard (f 2,1 miljoen) en overige specifieke materiële zaken (f 4,8 miljoen).

04.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

Met ingang van de ontwerpbegroting 1998 worden de wachtgelden bij de beleidsterreinen verantwoord. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke landmacht. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die voor de Koninklijke landmacht uit het SBK voortvloeien.

Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde bedragen en ramingskengetallen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal490470430380340
– bedrag per uitkeringsjaarx f 139 59237 66035 81434 73735 000
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00019 40017 70015 40013 20011 900
Overige wachtgelden burgerpersoneel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal545530530560560
– bedrag per uitkeringsjaarx f 126 60627 35828 11327 50027 857
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00014 50014 50014 90015 40015 600
Wachtgelden SBK/UBMO       
militair personeel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal930820635505400
– bedrag per uitkeringsjaarx f 152 36651 09846 92942 77242 750
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00048 70041 90029 80021 60017 100
Werkloosheidsbesluit BBT-militairen:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal1 3601 8702 0501 9402 060
– bedrag per uitkeringsjaarx f 121 10321 07021 12221 03121 165
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 00028 70039 40043 30040 80043 600
Overige wachtgelden militair personeel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal10010010010090
– bedrag per uitkeringsjaarx f 125 00024 00023 00022 00024 444
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0002 5002 4002 3002 2002 200
Totaal toegelicht met ramingskengetallenx f 1 000113 800115 900105 70093 20090 400
Bij: uitvoeringskostenx f 1 00015 00015 00015 00015 00015 000
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 000128 800130 900120 700108 200105 400

Toelichting wachtgelden en inactiviteitswedden

Het wachtgeld- en inactiviteitsweddebeslag neemt in de periode 1998–2002 af van ongeveer f 129 miljoen tot ruim f 105 miljoen. Deze vermindering wordt met name bereikt door de ontwikkeling in het personeelsbestand van de Koninklijke landmacht die is ingezet met de Prioriteitennota en de daarmee samenhangende lagere uitstroom vanaf 1998 in de categorieën ambtelijk burgerpersoneel en beroepspersoneel onbepaalde tijd. De instroom van beroepspersoneel bepaalde tijd vanaf 1996 leidt tot een verhoging van de uitkeringen inzake het werkeloosheidbesluit BBT-militairen. De fluctuaties in de toegelichte bedragen per uitkeringsjaar zijn het gevolg van de verschillen in rechtspositionele regelingen en de aantallen personeel die voor de verschillende regelingen in aanmerking komen.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie van de Koninklijke landmacht. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel, zowel binnen als buiten de (rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Koninklijke landmacht. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen Ambtelijk burgerpersoneel, Militair personeel en Overige personele uitgaven. De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 04.20.21.

 
Sociaal Beleidskader (bedragen x f 1000)199719981999200020012002
– Om-, her-, bijscholing en outplacement23 90016 1004 9753 900980 
– Verplaatsen700700300200  
– Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel21 70019 40017 70015 40013 20011 900
– Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel49 70048 70041 90029 80021 60017 100
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel5 9009 5007 5004 6001 600 
– BDOS plaatsingen militair personeel24 70019 1006 2003 100  
Totaal Sociaal Beleidskader126 600113 50078 57557 00037 38029 000

De uitgaven voor om-, her-, bijscholing en outplacement zijn ten opzichte van de vorige begroting toegenomen in verband met een groei van de outplacementaantallen en een verlenging van de periode van outplacementregelingen voor met name burgerpersoneel. De uitgaven van BDOS-plaatsingen voor het militair en het burgerpersoneel zijn over deze begrotingsperiode aanzienlijk gedaald ten opzichte van de raming in de vorige begroting. Dit instrument is met name bij het militair personeel aanzienlijk minder toegepast dan verwacht in verband met de grotere uitstroom van dit personeel.

04.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden uitgaven geraamd voor subsidies aan de stichtingen Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum «Generaal Hoefer» en Jeugdwerk Duitsland. Deze stichtingen zijn uitsluitend of hoofdzakelijk werkzaam op het terrein van de Koninklijke landmacht. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in bijlage 6 (de subsidiebijlage).

In overeenstemming met het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit begrotingsartikel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 04.04   15 88715 79315 79215 815 
Nieuwe mutaties   – 13 952– 13 855– 13 854– 13 874 
Stand ontwerpbegroting 1998   1 9351 9381 9381 9411 945

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Doelmatigheidsmaatregelen– 1 200– 1 200– 1 200– 1 200
Algemene Vereniging voor Reserve Militairen20202020
Stichting Rechtsbijstand Dienstplichtigen– 125– 309– 309– 309
Stichting Protestants Interkerkelijk Thuisfront– 35   
Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront– 35   
Stichting Humanistisch Thuisfront– 10   
Prijsbijstelling 1997106109109112
Overheveling van subsidies naar beleidsterrein Algemeen– 12 673– 12 475– 12 474– 12 497
Totaal van de nieuwe mutaties– 13 952– 13 855– 13 854– 13 874

Toelichting op de nieuwe mutaties:

In het kader van de doelmatigheidsoperatie is besloten de directe en indirecte subsidiebedragen aan de vormingscentra Beukbergen, Vlasakkers en Coornherthuijs te beëindigen. Hiervoor in de plaats zijn met deze vormingscentra contracten afgesloten waarin de levering van diensten is overeengekomen.

De Algemene Vereniging voor Reserve Militairen behartigt de belangen van hen die als reserve militairen behoren tot de krijgsmacht of daartoe hebben behoord.

De subsidie aan de Stichting Rechtsbijstand Dienstplichtigen wordt na 1998 stopgezet. Naar verwachting zullen de lopende zaken dan zijn afgedaan, waardoor de grondslag voor deze subsidie vervalt.

De subsidies aan de Stichtingen Protestants Interkerkelijk Thuisfront, Nationaal Katholiek Thuisfront en Humanistisch Thuisfront vervallen met ingang van 1998.

De besluitvorming met betrekking tot de subsidieverstrekking vindt plaats bij beleidsterrein Algemeen. Om deze reden zijn met ingang van 1998 de betreffende budgetten overgeheveld. De doelsubsidies blijven wel bij dit beleidsterrein.

Aan de volgende instanties verstrekt de Koninklijke landmacht subsidies:

 
bedragen x f 1000Uitgaven
 19981999200020012002
Stichting Jeugdwerk Duitsland236236236236236
Stichting Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum1 6991 7021 7021 7051 709
Totaal1 9351 9381 9381 9411 945

04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief en de vervanging van verouderd materieel. Door snelle ontwikkelingen van moderne technologieën worden hoge eisen gesteld aan het materieel, vooral aan bescherming, vuurkracht, mobiliteit en leidbaarheid. Voor het materieel binnen het operationele functiegebied is voor de komende jaren een aantal kwalitatieve en kwantitatieve hoofdaandachtspunten onderkend, te weten verbetering van logistieke ondersteuning, communicatiemiddelen, luchtverdedigingsmiddelen en geniematerieel.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 04.062 5003 040156 790259 986256 417231 728194 334 
– artikel 04.07802 400310 000638 3042 658 6001 860 900464 6003 200 700 
Totaal overgeheveld804 900313 040795 0942 918 5862 117 317696 3283 395 034 
Nieuwe mutaties   – 410 206– 637 354104 210– 1 441 861 
Stand ontwerp-begroting 1998804 900313 040795 0942 508 3801 479 963800 5381 953 1731 187 821
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:        
– artikel 04.06   279 267270 198258 706229 812 
– artikel 04.07   721 592987 5531 049 2821 008 492 
Totaal overgeheveld   1 000 8591 257 7511 307 9881 238 304 
Nieuwe mutaties   – 60 015– 56 508– 65 744– 51 814 
Stand ontwerp-begroting 1998   940 8441 201 2431 242 2441 186 4901 312 656

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Wissellaadsystemen– 500 000 79 000420 000
Vervanging vrachtauto 40 Kn   – 400 000
Project Single Channel Radio Access (SCRA)– 208 000175 000  
Midlife upgrade Zodiac 105 000  
Battlefield Managementsystem  137 000 
Vervanging straalzender – 82 000  
MilSatCom160 000  – 252 000
Munitie Leopard 2– 212 000  212 000
Project Short Range Antitank wapens (SRAT)– 100 000   
EOV-fase 2 50 000– 80 000 
Pantserbestrijding Lange Dracht – 770 000 50 000
Vervanging M 109   725 000
Warmtebeeld handkijkers – 35 000  
Vervanging getrokken vuursteunmiddelen   – 400 000
Tactische indoorsimulatie – 160 000  
Vervanging pantservoertuigen  30 000– 1 550 000
Medium Range Antitank wapens492 000   
Vervanging brugleggende tank Leo 1   – 200 000
Mijnprojecten– 170 000170 000 – 30 000
Vervanging lichte wapensystemen  – 58 00041 000
Diverse materieelinvesteringen143 700– 9 80015 500– 75 200
Infrastructuur– 15 906– 80 554– 19 29017 339
Totaal van de verplichtingenmutaties– 410 206– 637 354104 210– 1 441 861

Toelichting op de nieuwe verplichtingenmutaties

De mutaties in de verplichtingenopbouw ten opzichte van de begroting 1997 zijn vooral ontstaan door een actualisering van de verplichtingenramingen als gevolg van de aangepaste behoeften, nieuwe behoeften en verschuivingen van projecten. De behoeften zijn binnen de financiële kaders gebracht op basis van prioriteitsstelling. Hierdoor vertraagde projecten zijn onder meer:

– Wissellaadsysteem. Vertraging van het grootste deel van de verplichting met drie jaar (totale verplichting f 525 miljoen).

– Vervanging vrachtauto 40 Kn. Vertraging met een jaar.

– Project Single Channel Radio Access (SCRA). Vertraging met een jaar.

– Vervanging straalzender. Vertraging met drie jaar.

– Munitie Leopard 2. Vertraging met drie jaar.

– Pantserbestrijding Lange Dracht. Vertraging grootste deel van de verwerving met minimaal vier jaar.

– Tactische indoorsimulatie. De mutatie is gevolg van vertraging van de koppeling van diverse wapensysteemsimulatoren binnen het traject TACTIS.

– Vervanging Pantservoertuigen. De verplichtingenmutatie in 2000 heeft betrekking op het aangaan van een verplichting voortvloeiend uit deelname aan het Frans-Duits-Britse GTK-project. Voorts vertraagt de aan te gane verplichting voor de vervanging van het eerste deel van het YPR-bestand.

– Vervanging brugleggende tank LEO-1. Vertraging met een jaar.

– Mijnprojecten. Vertraging van mijnprojecten met een jaar.

– Vervanging lichte wapensystemen. Vertraging grootste deel met een jaar.

Nieuwe projecten die tot een verplichtingenmutatie hebben geleid zijn Midlife upgrade Zodiac en het Battlefield Managementsystem.

De verplichtingenmutatie bij Medium Range Antitank wapens betreft een verschuiving van 1997 naar 1998. Bij het project warmtebeeld handkijker zijn de fase 1 en 2 samengevoegd, hetgeen leidt tot een grote verplichting in 1997 en de aangegeven mutatie in 1999. Bij het project EOV-fase 2 is sprake van een gedeeltelijke versnelling in zowel de ontwikkelingsfase (naar 1997) en de productiefase (naar 1999).

De verplichtenmutatie bij MilSatCom betreft de actualisering van de verplichtingenraming. Voor militaire verbindingen over grote afstand bestaat behoefte aan satellietcommunicatie. Dit geldt zowel voor crisisbeheersingsoperaties als voor de uitvoering van de algemene verdedigingstaak. Gelet op de noodzaak van deze behoefte zijn delen van dit project voorzien in 1998. De Nederlandse behoefte wordt uitgewerkt in een interserviceproject waarbij de Koninklijke marine de leiding heeft.

De vervanging van de gemechaniseerde houwitser M109 zal gefaseerd verlopen. De verplichting voor fase 1 van dit project is een jaar vervroegd zodat vrijkomende M109's ingedeeld kunnen worden bij de veldartillerie op divisieniveau ter vervanging van de getrokken vuursteunmiddelen. Hierdoor komt het project vervanging getrokken vuursteunmiddelen te vervallen.

De mutaties bij infrastructuur zijn het gevolg van actualisering van de verplichtingenramingen bij voeding- en kantinefaciliteiten, compagniesburelen, sportfaciliteiten en legering van officieren en onderofficieren.

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Prijsbijstelling 199722 26126 88027 76026 374
Doelmatigheidsmaatregelen4 8504 850– 1 150– 1 150
Grondruil Piroc15 800   
Ramingsbijstelling Infrastructuur– 75 986– 66 917– 55 428– 26 534
Overige ramingsbijstellingen– 29 771– 21 398– 37 134– 51 557
Bijdrage van de Koninklijke luchtmacht voor de Koninklijke Militaire Academie2 831772081 053
Totaal van de uitgavenmutaties– 60 015– 56 508– 65 744– 51 814

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

Prijsbijstelling

De uitgavenniveaus zijn aangepast met het prijsbijstellingsbedrag 1997.

Doelmatigheidsmaatregelen

De mutatie betreft de financiële taakstelling (f 1,150 miljoen structureel), zoals weergegeven in artikel 08.03. In 1998 en 1999 is f 6 miljoen vanwege kosten voor de baat toegevoegd. Dit betreft noodzakelijke investeringen op het gebied van met name onderhoud en logistiek (POL) die gerealiseerd moeten zijn, alvorens de doelmatigheidswinst kan worden gegenereerd.

Grondruil Piroc

Dit betreft additionele infrastructurele uitgaven welke verband houden met het verplaatsen van de Rijopleiding uit Veldhoven naar de Strijpse Kampen, als gevolg van de overeengekomen grondruil met de gemeenten Veldhoven en Eindhoven.

Ramingsbijstelling Infrastructuur

Deze ramingsbijstelling is de uitkomst van enerzijds de verlaging van het infrastructuurbudget door interne prioriteitsstelling binnen de Koninklijke landmacht en anderzijds de herverdeling van de resterende gelden over de diverse projecten. In deze exercitie zijn tevens meegenomen de consequenties van de actualisering prioriteitennota (en dus de herstructureringsoperatie) op het bouwprogramma. De ramingsbijstelling infrastructuur betreft met name het doorschuiven van kasgelden in de tijd bij de projecten Voeding en Kantines (VOKA), Sportbeleid, COT Havelte, Urban Trainingscentrum Lauwersmeer en Herinrichting Kazernes.

Overige ramingsbijstellingen

De overige ramingsbijstellingen zijn per saldo het gevolg van met name de bijstellingen van de verplichtingen voor investeringen groot materieel en de daaraan gekoppelde betalingsmomenten. De ramingsbijstellingen moeten derhalve gezien worden in relatie met de bovengenoemde nieuwe verplichtingenmutaties en de gegeven toelichting daarop.

Bijdrage van de Koninklijke luchtmacht voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA)

De budgetoverheveling heeft betrekking op het aandeel van de Koninklijke luchtmacht in de uitgaven van de KMA.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Automatisering36 20038 00021 40067 00020 00033 20035 00021 60025 60032 000
Logistiek85 50098 300211 300466 500431 600108 30080 00086 900120 100150 400
Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen253 000319 500153 00023 000141 000200 300225 900218 600174 300137 500
Elektronisch materieel44 50050 00017 000  36 20039 50016 50013 70012 000
NBC materieel32 5001 3008 000 11 0004 60021 30014 3004 0005 000
Luchtverdediging348 000260 00010 000  79 000105 000109 20065 800130 000
Manoeuvre1 364 200256 000146 000360 0005 000181 104400 311463 206398 616381 135
Vuursteun79 40084 000 725 00057 00052 90055 10053 100100 700180 000
Gevechtssteun21 000197 00021 400100 000321 0009 60022 30048 20073 00075 000
Infrastructuur244 080175 863212 438211 673201 221235 640216 832210 638210 674209 621
Totaal2 508 3801 479 963800 5381 953 1731 187 821940 8441 201 2431 242 2441 186 4901 312 656

Toelichting op de ramingsbedragen per artikelonderdeel

Automatisering

Onder dit artikelonderdeel zijn voornamelijk de investeringen voor bestuurlijke informatiesystemen (automatisering) opgenomen. Zo wordt een systeem opgezet ten behoeve van het geautomatiseerd ondersteunen van de logistieke processen en om goederen geautomatiseerd te registreren met een Geautomatiseerd goederenregistratiesysteem (GGRS). Het project ondersteuning behoeftebepalings- en vervullingstraject (OBVT) zal verder worden uitgevoerd en er zullen bedrijfsbesturingsfaciliteiten worden ingevoerd. Op personeelsgebied vindt samenwerking met de Koninklijke luchtmacht plaats ten aanzien van het Project Informatievoorziening ter Ondersteuning van de Personeelsfunctie (Prio-P), waarmee de decentralisatie van de personeelsfunctie kan worden ondersteund.

Logistiek

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op de investeringen in het kader van de logistieke ondersteuning van de Koninklijke landmacht. Hiertoe behoren de uitgaven voor aangegane verplichtingen voor het project Lichte vrachtauto's, modificatie van vrachtauto's en bedrijfsbenodigde middelen, alsmede investeringen op geneeskundig gebied, zoals het project Mobiele geneeskundige installaties. Er wordt eveneens rekening gehouden met uitgaven voor het verkrijgen van Vernietigingscapaciteit van munitie(restanten) en Explosieveilige machines bij renovatie van munitie en verpakkingsmaterieel. Tevens is de verwerving voorzien van Droge luchtsystemen, Aggregaten en prototypen voor het project Wissellaadsysteem.

Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen

De ramingen voor dit artikelonderdeel hebben onder meer betrekking op aangegane verplichtingen voor de projecten Combat Net Radio, Remotely Piloted Vehicle (RPV, voor het verkrijgen van inlichtingen op middelbare afstand), de ontwikkeling van prototypen voor het project Single Channel Radio Access (SCRA) en de vervanging van HF-EZB radio's inclusief de manpackversie. Er wordt ook rekening gehouden met het interimsysteem satellietcommunicatie waarvoor in 1998 bestellingen zijn voorzien. Eveneens zijn uitgaven voorzien voor het voor de bedrijfsvoering noodzakelijke project Koninklijke landmacht Implementatie Middenlaag (Klim) en de positiebepalende apparatuur, het zogenaamde Global Positioning System (GPS), de serieproductie SCRA, Battle Field Managementsystem (BMS) en Midlife upgrade Zodiac. Teneinde na het jaar 2000 te kunnen beschikken over militaire satellietcommunicatie, waarbij internationaal zal worden samengewerkt, zijn reserveringen in de begroting opgenomen voor studie- en/of ontwikkelingskosten. Voorts worden uitgaven voorzien voor de instandhouding van telecommunicatiesystemen en voor de multifunctionele smartcard, waarmee onder meer de toegang van objecten van de Koninklijke landmacht wordt beveiligd.

Elektronisch materieel

De in 1998 geraamde uitgaven hebben betrekking op de, in samenwerking met de Duitse overheid, te werven middelen voor completering voor de eerste fase van het project Elektronische oorlogsvoering (EOV). Voorts is vanaf 1999 EOV fase 2 geraamd.

Nucleair, biologisch en chemisch materieel (NBC)

De uitgaven hebben betrekking op diverse NBC-voorzieningen waaronder het project Compagniesnoodontsmetting en van de Vervanging van residuele dosismeters waarvan de verwerving in 1997 is voorzien en het project Vervanging tactische dosismeters waarvan de verwerving in 1998 is voorzien.

Luchtverdediging

De uitgaven die in 1998 worden voorzien, betreffen aangegane verplichtingen voor de projecten Gevechtswaarde-instandhouding van de Pantserrups tegen Luchtdoelen (GWI-PRTL) en Stinger-RMP. Tevens is rekening gehouden met de verwerving van een modificatiepakket voor de Stinger-RMP dat zal worden aangebracht ter verbetering van de effectiviteit tegen helikopterdreiging. Ten behoeve van opleidingen wordt voorzien in een tweede Stingerbol, waarvan de verwerving is gepland in 1997. Eveneens wordt rekening gehouden met het project Short Range Air Defence (Shorad). Dit project zal in samenwerking met de Koninklijke luchtmacht worden uitgevoerd.

Manoeuvre

Onder dit artikelonderdeel is rekening gehouden met uitgaven voor onderwijsmiddelen en simulatoren (TACTIS) en met uitgaven voortvloeiende uit aangegane verplichtingen voor onder meer de verbetering van de Leopard-2 en de vervanging van klein kaliber wapens. In het kader van de verbetering van de Leopard-2 is uiterlijk in 1998 de invulling van de optie voor de verbetering van het resterende aantal tanks voorzien. Daarnaast is voor dit project rekening gehouden met het aanbrengen van een langere schietbuis. Tevens zijn eerste uitgaven geraamd voor de projecten Pantserbestrijding Lange Dracht en Vervanging Pantservoertuigen. Voor de projecten Pantservoertuigen voor vredesoperaties en Warmtebeeld-handkijkers ter verbetering van de waarnemingsmogelijkheden zijn de bestellingen gepland in 1997. Gezien de inzet van de hiervoor genoemde voertuigen voor vredesoperaties geniet dit project een zeer hoge prioriteit. Dit geldt eveneens voor de gevechtsveldcontroleradar. De ontwikkeling van het project Licht verkennings- en bewakingsvoertuig (LVB) wordt in samenwerking met Duitsland uitgevoerd. Met de verwerving van de serie is voor dit project rekening gehouden.

Vuursteun

Op dit artikelonderdeel zijn de investeringen ten behoeve van de veldartillerie opgenomen. Er zijn onder meer uitgaven geraamd voor aangegane verplichtingen en nog aan te gane verplichtingen voor fase 1 van het Vuursteuninformatiesysteem (Vuist fase 1), met inbegrip van de integratie met de nieuwe combat net radio, alsmede uitgaven voor artilleriemunitie en een prototype voor het project Waarnemingsopbouw. Eveneens is rekening gehouden met het project Integratie mortieren in Vuist en met de aanvang van het project M109, fase 1.

Gevechtssteun

De voor 1998 voorziene uitgaven betreffen vooral betalingen op grond van nog aan te gane en reeds aangegane verplichtingen ten behoeve van materieel voor de genie, zoals geniemunitie en onderzoek naar middelen ten behoeve van ontmijningsoperaties en verschietbare en verstrooibare mijnsystemen. In 1998 is de verwerving voorzien van het project vervanging «Schlauchboot». Op de langere termijn zullen voorzieningen worden getroffen voor het verkrijgen van mijndoorbraakcapaciteit door middel van het Mijndoorbraaksysteem en andere mijndoorbraakmiddelen. In de raming is rekening gehouden met de ontwikkelingsfase van de Vervanging brugleggende tank Leopard-1.

Infrastructuur

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor nieuwbouw en renovatie van kazernes op gebied van legering van militairen. De aanvullende voorzieningen zoals compagniesburelen, centrale wapenkamers, voedings- en kantinefaciliteiten en opleidingsfaciliteiten zijn hierbij inbegrepen. Daarnaast zijn investeringen noodzakelijk op gebied van logistieke voorzieningen zoals opleg- en opslagfaciliteiten van materieel. Voor bewaking en beveiliging van objecten worden infrastructurele en elektronische voorzieningen getroffen. Binnen dit artikelonderdeel worden eveneens de bodemsaneringsprogramma's uitgevoerd. Ten aanzien van de behoefte aan oefen- en schietterreinen wordt vermeld dat, in het kader van het verkrijgen van oefenmogelijkheden voor vredesoperaties, voorzieningen worden gecreëerd.

Na de invoering van de agentschapstatus van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T) worden de activiteiten van DGW&T, voor wat betreft de ingenieursdiensten, het algemeen technisch beheer en de onderhoudsactiviteiten, verrekend.

Door middel van een convenant zijn de tarieven vastgesteld. Aan de hand van af te sluiten contracten van de Regionale Militaire Commandanten met de business-units (Regionale directies), worden de jaarlijkse uitgaven vastgelegd.

05. Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht

Algemeen

De uitgaven binnen het artikel 05.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke luchtmacht zijn verdeeld in drie ressorts (inclusief wachtgelden): Commando Tactische Luchtmacht (CTL), Decentrale Ondersteunende eenheden (DOE) en Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht (HKKLu). Het artikel 05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeert de begroting van de Koninklijke luchtmacht.

De totaal geraamde uitgaven van de Koninklijke luchtmacht voor de jaren 1998 tot en met 2002 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
05.20 Personeel en materieel     
– Commando Tactische luchtmacht788 287787 080779 951778 600777 511
– Decentrale Ondersteunende eenheden287 855277 273274 430273 281272 381
– Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht696 248705 054706 076702 662738 921
– Wachtgelden en inactiviteitswedden23 73620 40216 95114 35314 477
Totaal Personeel en materieel1 796 1261 789 8091 777 4081 768 8961 803 290
      
05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur902 062782 813713 609821 444820 582
Totale uitgaven2 698 1882 572 6222 491 0172 590 3402 623 872

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés worden, conform de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

05.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Als gevolg van de gewijzigde begrotingsindeling naar aanleiding van de integratie van de begrotingsartikelen personele en materiële exploitatie en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) wordt met ingang van deze begroting inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven per organisatorisch ressort van de resultaatverantwoordelijke eenheden (RVE'n).

De uitgaven voor de materiële uitgaven worden in toenemende mate geraamd op de plaats waar ook de uitvoering plaatsvindt. Dit past in het beleid van de Koninklijke luchtmacht om via decentralisatie te komen tot een Verbeterd Economisch Beheer (VEB). De uitgaven die inmiddels op decentraal niveau worden geraamd betreffen zowel uitgaven voor het instandhouden van het onderdeel (uitgaven van huishoudelijke aard) als uitgaven ten behoeve van de uitvoering van de taak van het onderdeel. Het beleid is gericht op voortgaande decentralisatie van budgetten.

Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. Met ingang van de begroting 1998 worden de bedragen voor de reguliere wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel op het artikelonderdeel 05.20.13 geraamd en verantwoord.

Voor de thans beschikbare bedrijfsvoeringsbudgetten per ressort zijn in bijlage 16 afzonderlijke conversietabellen opgenomen. In bijlage 14 zijn de gerealiseerde begrotingsbedragen voor het jaar 1996 en de verwachte verplichtingen en uitgaven voor het begrotingsjaar 1997 opgenomen volgens de oude indeling van begrotingsartikelen en artikelonderdelen.

De personeelssterkte van de Koninklijke luchtmacht is uitgebreid met 274. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de hoofdstukken 2 en 4 van de memorie van toelichting. Het aantal overtolligen is gedaald en daarmee de BDOS-uitgaven. Dit vindt zijn weerslag in de uitgaven voor het Sociaal Beleidskader. Door de daling van het aantal overtolligen is tevens de geraamde instroom in de wachtgeld/SBK-regelingen kleiner.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 05.01   118 473115 227115 236115 048 
– artikel 05.02   814 775813 644801 994791 004 
– artikel 05.03 1023 565178 624180 121179 174181 792 
– artikel 05.04161 10270 316292 138541 756755 778485 637579 776 
Totaal overgeheveld161 10270 326315 7031 653 6281 864 7701 582 0411 667 620 
Nieuwe mutaties   140 265– 68 770125 16896 292 
Stand ontwerp-begroting 1998161 10270 326315 7031 793 8931 796 0001 707 2091 763 9121 664 904
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 05.01   118 473115 227115 236115 048 
– artikel 05.02   814 775813 644801 994791 004 
– artikel 05.03   171 471170 231173 339176 421 
– artikel 05.04   608 442600 981621 849622 573 
Totaal overgeheveld   1 713 1611 700 0831 712 4181 705 046 
Nieuwe mutaties   82 96589 72664 99063 850 
Stand ontwerp-begroting 1998   1 796 1261 789 8091 777 4081 768 8961 803 290

Integratie tot één artikel personeel en materieel

De aangegeven overhevelingen uit de begrotingsartikelen 05.01, 05.02, 05.03 en 05.04 houden verband met de integratie tot het gecombineerde begrotingsartikel 05.20 Personeel en materieel voor de Koninklijke luchtmacht.

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de uitgaven- en de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Uitgavenmutaties:    
Loonbijstelling 199728 68722 96522 32323 118
Prijsbijstelling 199714 77815 03815 34315 423
Personele raming– 173– 7276 86412 152
Inhuur tijdelijk personeel7 0007 0007 0007 000
Extra uitgaven opleidingen vliegers1 80010 8009 9009 700
Extra uitgaven kleding7 8008 5005 7005 400
Toeneming verplaatsingsuitgaven3 0006 3001 2001 400
Bijdrage aan de Koninklijke landmacht voor de Koninklijke Militaire Academie– 9 756– 6 938– 6 932– 7 807
Doelmatigheidsmaatregelen– 21 491– 15 436– 23 386– 31 337
Logistieke ondersteuning Patriot3 8003 300  
Publicatie en drukwerken1002 6002 400– 200
Logistieke uitgaven schietterrein3 8003 300– 100– 300
Conversie opleidingen Apache  18 0008 000
Facilitair management Defensie Telematica Organisatie2000200020002000
Instandhouding velduitrusting400400– 11 200400
Wachtgelden en inactiviteitswedden23 73620 40216 95114 353
Diverse bijstellingen17 48410 222– 1 0734 548
Totaal van de uitgavenmutaties82 96589 72664 99063 850
Majeure verplichtingenmutaties:    
Doorwerking van de uitgavenmutaties82 96589 72664 99063 850
Onderhoud Apache– 17 0007 0009 00013 000
Conversie opleidingen Apache  18 0008 000
Aanschaf oefenmunitie12000– 17 000  
Engineering services (GLGW)25 000– 25 000  
Cooperative Logistic Supply Support Arrangement (CLSSA)50 000– 48 00050 000 
Diverse bijstellingen– 12 700– 75 496– 16 82211 442
Totaal van de verplichtingenmutaties140 265– 68 770125 16896 292

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

Loon- en prijsbijstelling 1997

De verplichtingen- en uitgavenniveaus zijn aangepast aan de prijs- en loonbijstellingsbedragen 1997. In de inleiding van de artikelsgewijze toelichting is hierover een nadere toelichting gegeven.

Inhuur tijdelijk personeel

In de raming is rekening gehouden met een aantal technische bijstellingen zoals de mutatie voor inhuur van tijdelijk personeel. De mutatie betreft een andere wijze van boeken van ingehuurd personeel. Waar ze eerst op een materieelartikel bij het project werden verantwoord, is dat nu het geval bij de personele uitgaven. In de mutatie zijn ook de uitgaven meegenomen voor uitzendkrachten, die nodig zijn om door reorganisaties opengevallen plaatsen tijdelijk op te vullen. Het betreft opengevallen plaatsen die nog maar enige tijd zullen bestaan of plaatsen waarvoor de opvolger nog niet beschikbaar is.

Personele raming

Met de mutaties is de personeelssterkte afgestemd op het uitvoeren van operationele taken op de vliegbases.

Meeruitgaven opleidingen vliegers

De invoering van nieuwe vliegtuigtypes en helikopters leidt, in combinatie met de aantrekkingskracht van de civiele luchtvaart, tot een toename van de instroombehoefte aan vliegers en tot hogere uitgaven aan opleidingen voor piloten van jachtvliegtuigen en helikopters (Apache, Chinook, Cougar en de Search and Rescue-helikopter, type AB 412).

Meeruitgaven kleding

In verband met de grotere diversiteit aan vliegtuigtypen en taken zijn extra uitgaven met meerjarige doorwerking opgenomen voor de uitrusting van vliegtuigbemanning. Rekening is gehouden met de overgang op woodland-gevechtskleding, die door tussenkomst van de Koninklijke landmacht wordt gekocht.

Bijdrage aan de Koninklijke landmacht voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA)

Het aandeel van de Koninklijke luchtmacht in de uitgaven van de KMA is naar de Koninklijke landmacht overgeheveld.

Doelmatigheidsmaatregelen

De doelmatigheidmaatregelen zijn als volgt te specificeren:

Afslanking Centrale Organisatie/Haagse Staven

Dit betreft een functiereductie van 8 vte'n in 1998, oplopend tot 44 vte'n vanaf 2000 in de beleids- en beleidsondersteunende functies bij de Haagse staf van de Koninklijke luchtmacht. Met deze maatregel wordt een doelmatigheidswinst gegenereerd van f 1,3 miljoen in 1998, oplopend tot f 3,9 miljoen structureel vanaf 2000.

Maatregelen Onderhoud en Logistiek

In het kader van het project Onderhoud en Logistiek is de mogelijkheid onderzocht om de omvang van gevoerde voorraadartikelen terug te brengen. Bij de Koninklijke luchtmacht heeft dat geleid tot een incidentele opbrengst en een structurele. De incidentele opbrengst (f 16,6 miljoen) betreft met name een éénmalige aanpassing op de omvang van de oorlogsvoorraad in 1998. Daarnaast is het budget voor de aanvulling van handelsgebruikelijke artikelen enigszins aangepast. De totale besparing van deze maatregelen beloopt ongeveer f 11 miljoen structureel.

Netherlands Armed Forces Integrated Netwerk (Nafin)

Het project Nafin wordt door de Koninklijke luchtmacht gerealiseerd. Het Nafin zal deel gaan uitmaken van de Defensie Telematica Organisatie (DTO). Aangezien de DTO een agentschap is, zal voor het gebruik van de diensten van de DTO moeten worden betaald. Dit geldt ook voorzover gebruik wordt gemaakt van het Nafin. De budgetten voor de exploitatie van Nafin waren door alle beleidsterreinen centraal bij de Koninklijke luchtmacht neergelegd. Gezien de nieuwe inbedding van Nafin bij het agentschap DTO zijn deze budgetten weer geretourneerd.

Premies BBT

Op termijn zullen in het kader van de doelmatigheidsoperatie een aantal premies voor BBT'ers worden afgeschaft (besparing f 1,5 miljoen).

Oprichting/ontvlechting Defensie Telematica Organisatie (DTO)

DTO omvat naast het Duyverman Computercentrum (DCC) onder andere het dienstencentrum automatisering (DCA) van de Koninklijke luchtmacht. De DTO krijgt de status van agentschap en zal de gebruikers voor afgenomen diensten factureren. In deze begroting is rekening gehouden met de ontvlechting van DCA waarmee tevens budget beschikbaar komt voor de betaling van de te verwachten facturen. Deze wijzigingen hebben geleid tot een herschikking binnen dit artikel. Als gevolg van deze maatregel wordt een besparing van f 5,5 miljoen gerealiseerd.

Logistieke ondersteuning Patriot

Extra fondsen zijn opgenomen voor de logisitieke ondersteuning van het Patriotsysteem. Een nieuwe «Letter of Offer and Acceptance» wordt afgesloten voor engineering services.

Publikaties en drukwerken

Extra fondsen zijn geraamd voor technische orders en vliegkaarten die nodig zijn in verband met het toenemend aantal verschillende wapensystemen en vliegtuigen.

Logistieke uitgaven schietterreinen

In verband met de toegenomen trainingsbehoefte zijn additionele uitgaven geraamd voor logisitieke uitgaven schietterreinen, onder ander voor oefeningen op Kreta.

Conversie opleidingen Apache

Om voortdurend te kunnen beschikken over operationele vluchten van de bewapende helikopter, wordt de opleiding voor de conversie van het A-type naar het D-type uitgevoerd terwijl ook operationeel wordt gevlogen. Als gevolg hiervan ontstaat een aanzienlijke meerbehoefte aan vlieguren en volgen er op termijn hogere uitgaven in verband met onderhoud. Voorshands wordt ervan uitgegaan dat de toenemende exploitatie-uitgaven vóór 2000 binnen de beschikbare middelen kunnen worden opgevangen.

Facilitair management Defensie Telematica Organisatie (DTO)

Vooruitlopend op de vorming van de DTO is rekening gehouden met additionele behoeften op het gebied van automatisering die zullen resulteren in een contract voor facilitair management van de DTO.

Instandhouding velduitrusting

Het betreft een technische mutatie. De uitgaven inzake aanschaffingen voor de ondersteuning van de «Reaction Forces» worden in het vervolg geraamd en verantwoord op het investeringsartikel.

Wachtgelden en invaliditeitswedden

Met ingang van de begroting 1998 worden de uitgaven voor wachtgelden en inactiviteitswedden inclusief de uitvoeringskosten verantwoord bij de beleidsterreinen. Hiertoe zijn de budgetten overgeheveld van het beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen naar de begroting van de Koninklijke luchtmacht. Een ramingsaanpassing is doorgevoerd.

Diverse bijstellingen

Deze mutatie bestaat uit een groot aantal kleine ramingsaanpassingen die een gevolg zijn van voortschrijdend inzicht en nieuwe informatie.

Majeure verplichtingenmutaties

Voor het onderhoud van de Apache-helikopter zijn relevante gegevens beschikbaar gekomen waardoor de raming voor het aangaan van verplichtingen voor onderhoudscontracten is bijgesteld.

In verband met een reeds afgebouwde hoeveelheid oefenmunitie is nu versneld aanvulling noodzakelijk.

De vermindering van engineering services voor de geleide wapens is hoger geweest dan waarop was gerekend. Daarom dient eerder dan was voorzien een nieuw contract te worden aangegaan.

Een Cooperative Logistic Supply Support Arrangement (CLSSA) voorziet in de bevoorrading van onderdelen. Door grote bestellingen op dit contract is het gecontracteerde budget eerder bereikt en zijn versneld aanvullingen op het contract nodig.

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden

De verplichtingen en uitgaven per begrotingsressort en voor wachtgelden (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
– Commando Tactische luchtmacht788 287787 080779 951778 600777 511788 287787 080779 951778 600777 511
– Decentrale Ondersteunende eenheden287 855277 273274 430273 281272 381287 855277 273274 430273 281272 381
– Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht694 015711 245635 877697 678600 535696 248705 054706 076702 662738 921
– Wachtgelden en inactiviteitswedden23 73620 40216 95114 35314 47723 73620 40216 95114 35314 477
Totaal Personeel en materieel1 793 8931 796 0001 707 2091 763 9121 664 9041 796 1261 789 8091 777 4081 768 8961 803 290

De verplichtingen en uitgaven Commando Tactische luchtmacht

Het ressort Commando Tactische luchtmacht (CTL) bestaat uit de Groep Jachtvliegtuigen, de Groep Helikopters, de Groep Grond-Lucht Geleide Wapens, de Luchttransportvloot en het Air Operations Control Station.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel28 85628 17728 05828 08628 08628 85628 17728 05828 08628 086
05.20.02 Militair personeel606 595603 717601 341600 035599 285606 595603 717601 341600 035599 285
05.20.03 Overige personele uitgaven70 60071 70066 90066 80065 60070 60071 70066 90066 80065 600
05.20.04 Materiële uitgaven82 23683 48683 65283 67984 54082 23683 48683 65283 67984 540
Totaal788 287787 080779 951778 600777 511788 287787 080779 951778 600777 511

Activiteitentoelichting

CTL ontplooit de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden van de Koninklijke luchtmacht;

– het inzetten van de operationele eenheden van de Koninklijke luchtmacht.

Om in staat te blijven de opgedragen taken uit te voeren geeft de BDL specifieke richtlijnen uit, die zijn neergelegd in diverse trainings- en oefenplannen. De onderdelen van de Koninklijke luchtmacht worden veelal in de praktijk getoetst tijdens de diverse vredesoperaties waarin wordt geparticipeerd. Momenteel wordt met grotere detachementen deelgenomen aan de operatie Sfor. Daarnaast worden militairen van de Koninklijke luchtmacht op individuele basis ingezet voor operaties in het kader van Navo, VN en Weu. Door de operationele inbedding van de slagkracht van de Koninklijke luchtmacht in internationaal verband wordt bereikt dat op vrijwel dagelijkse basis met bondgenoten wordt samengewerkt in zowel «combined» als «joint» verband.

Voor het jaar 1998 zijn de volgende belangrijke activiteiten voorzien:

– naar verwachting zullen F-16 eenheden van de Koninklijke luchtmacht in 1998 blijven deelnemen aan operaties ter ondersteuning van Sfor in het voormalige Joegoslavië. Teneinde aan de kwaliteitsnormen te blijven voldoen wordt deelgenomen aan diverse realistische oefeningen, veelal in het buitenland. Zo wordt met F-16 squadrons onder andere deelgenomen aan de oefeningen Integrated Combat Training (Nederland), oefeningen in Zuid-Europa (Dynamic Mix, Distant Thunder en Strong Resolve) en training in de Verenigde Staten (Red Flag). Tevens worden in Canada de laagvliegoefeningen rond Goose Bay voortgezet.

– de Tactische Helikopter Groep KLu (THG) oefent regelmatig met de Luchtmobiele brigade en met de MultiNational Division Central (MND/C). Naarmate de invoering van de verscheidene helikoptertypen vordert en de mogelijkheden toenemen, nemen de mogelijkheden voor deelname aan vredesoperaties toe. Voorts worden daarnaast voor de THG oefeningen voorzien zoals in Noorwegen en Polen (de zogenaamde Falcon-oefeningen) en in Spanje.

– de Grond-Lucht Geleide Wapens (GLGW) oefenen eveneens veelal in internationaal verband, waarbij de nadruk vooral ligt op standaardisatie van procedures en koppeling aan systemen van andere landen (VS en BRD).

Door de Geleide Wapeneenheden zal worden deelgenomen aan ondermeer de oefeningen Maple Flag (Canada), Joint Project Optic Windmill (Nederland), Roving Sands (Verenigde Staten, overigens alleen personeel) en aan de oefeningen Dynamic Mix en Strong Resolve waar ook F-16's aan deelnemen.

– de Koninklijke luchtmacht werkt op het gebied van luchttransport zeer nauw en intensief met andere landen samen. De luchttransportvloot van de Koninklijke luchtmacht is in staat, afhankelijk van de operationele mogelijkheden, overdag en 's nachts personeel en materieel te vervoeren, onder vrijwel alle weers- en crisisomstandigheden. Dit geschiedt ook ten behoeve van andere krijgsmachtdelen en bondgenoten. Daarnaast draagt de Koninklijke luchtmacht bij aan humanitaire activiteiten die voortvloeien uit overeenkomsten met Ontwikkelingssamenwerking en het ministerie van Buitenlandse Zaken;

– Het Air Operations Control Station (AOCS) te Nieuw Milligen levert personele ondersteuning aan het Navo-commandocentrum te Vicenza (Italië). Het AOCS fungeert tevens als nationale gevechtsleidingsschool en zal dit ook voor alle theoretische luchtverkeersbeveiligingsopleidingen worden, ook voor de andere krijgsmachtdelen.

05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, en het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort CTL.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n420417417417417
– gemiddeld salarisx f 168 70567 57167 28567 35367 353
– totaal toegelicht bedragx f 100028 85628 17728 05828 08628 086

05.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, en het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CTL. Vanaf 1998 is de extra behoefte op de THG en de vliegbasis Eindhoven om operationele taken uit te voeren verwerkt.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n8 3458 3528 3298 3148 314
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n5 9755 9885 9585 9385 938
– gemiddeld salarisx f 178 18577 61977 64077 67777 551
– totale uitgavenx f 1000467 158464 780462 582461 246460 496
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n2 3702 3642 3712 3762 376
– gemiddeld salarisx f 158 83458 77258 52358 41358 413
– totale uitgavenx f 1000139 437138 937138 759138 789138 789
Totaal toegelicht bedragx f 1000606 595603 717601 341600 035599 285

05.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn sterk afhankelijk van de personeelssterkte. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en inhuur van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). Het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid wordt geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel materiële uitgaven.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren2727272727
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 172 29670 81570 63070 63070 630
– totale uitgavenx f 10001 9521 9121 9071 9071 907
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)8 7658 7698 7468 7318 731
– gemiddeld per vtex f 17 8327 9587 4317 4327 295
– totale uitgavenx f 100068 64869 78864 99364 89363 693
Totaal toegelicht bedragx f 100070 60071 70066 90066 80065 600

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Inhuur van tijdelijk personeel is een decentrale verantwoordelijkheid. In tijden van grote drukte wordt, om de werkdruk op een redelijk peil te houden, personeel ingehuurd op tijdelijke basis.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het ramingskengetal is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven met betrekking tot voeding, reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen en de overige personele zaken. De geraamde behoefte is divers, waardoor de geraamde uitgaven in de jaren verschillen.

05.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken, het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid en de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en reservedelen.

De taken van de onderdelen van de CTL zijn vastgelegd in managementcontracten (taakopdrachten). Met betrekking tot de huishoudelijke uitgaven vormen de uitgaven voor nieuwe inventarisgoederen een belangrijke post. De verantwoordelijkheid voor het kleiner onderhoud aan infrastructuur en de inrichting is gedecentraliseerd.

Hiertoe behoort tevens de controle op de omvang van bijvoorbeeld milieuheffingen. Voor het gebruik van computercapaciteit op de DTO worden de onderdelen zelf belast. Daarnaast zijn ze ook verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van eigen systemen.

Dit artikelonderdeel bevat ook operationele uitgaven ten behoeve van het onderhoud van vliegtuigen en betaling van landingsrechten. Ook vindt het onderhoud van voertuigen in belangrijke mate decentraal plaats. De grote contracten met betrekking tot de aanschaf van onderhoudsartikelen staan vooralsnog geraamd bij het ressort HKKLu.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- & A- deskundigheidaantal mensjaren11111
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1310 000300 000300 000300 000300 000
– totale uitgavenx f 1000310300300300300
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)8 7658 7698 7468 7318 731
– gemiddeld per vtex f 19 3479 4869 5309 5509 648
– totale uitgavenx f 100081 92683 18683 35283 37984 240
Totaal toegelicht bedragx f 100082 23683 48683 65283 67984 540

Toelichting inhuur O-, I- en A-deskundigheid

Dit kengetal is samengesteld uit de ramingen van de onderdelen die onder het ressort CTL vallen. De raming is gebaseerd op ervaringsgegevens met betrekking tot de behoefte aan deze deskundigheid.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Het ramingskengetal is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven voor huisvesting, commandantenfondsen, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen en overige materiële zaken. De afname van het personeel leidt tot een toename van de automatiseringsbehoeften. Met name door deze toenemende behoefte is een lichte stijging in de kengetallen waar te nemen.

De verplichtingen en uitgaven Decentrale Ondersteunende eenheden

Het ressort Decentrale Ondersteunende eenheden (DOE) bestaat uit het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren (DMVS), het Depot Elektronisch Materieel (DELM) en de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO), de Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL), de Luchtmacht Elektronische School (LETS), de Luchtmacht Meteorologische Groep (LMG), de 2e Luchtmacht Verbindingsgroep (2LVG) en een aantal overige kleine, zowel nationale als internationale, organisatie-eenheden.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
05.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel57 05955 80455 56653 57253 57257 05955 80455 56653 57253 572
05.20.06 Militair personeel169 603166 969165 264165 209165 209169 603166 969165 264165 209165 209
05.20.07 Overige personele uitgaven20 10020 50019 50019 30018 90020 10020 50019 50019 30018 900
05.20.08 Materiële uitgaven41 09334 00034 10035 20034 70041 09334 00034 10035 20034 700
Totaal287 855277 273274 430273 281272 381287 855277 273274 430273 281272 381

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

De activiteiten die door het ressort Ondersteunende eenheden worden uitgevoerd zijn erop gericht zodanige voorwaarden te scheppen dat de eenheden van de Koninklijke luchtmacht in materieel en in personeel opzicht kunnen voldoen aan de vereiste operationele doelstellingen.

De activiteiten binnen het materieel-logistieke functiegebied omvatten het innoveren, instandhouden en verbeteren van de wapen- en overige systemen van de eenheden van de Koninklijke luchtmacht en het beschikbaar stellen van de materiële middelen die nodig zijn om het materieel van de Koninklijke luchtmacht gebruikgereed te maken en te houden. De systemen waar de activiteiten in hoofdzaak betrekking op hebben betreffen de F-16 jachtvliegtuigen, helikopters, lesvliegtuigen, geleide wapens en overige ondersteunende systemen. Voor het jaar 1998 zijn voor de genoemde systemen de volgende directe uren (capaciteit) gepland (x 1000):

 
OmschrijvingDMVSDELMTotaal
– Planmatig/preventief aantal uren onderhoud/modificatie19665261
– Aantal uren incidenteel/correctief onderhoud15587242
– Aantal uren engineering9341134
Totaal aantal uren444193637

De activiteiten van de opleidingsinstituten KMSL en LETS bestaan uit het verzorgen van opleidingen, voor militair personeel, naast de opleidingen die worden verzorgd aan de Koninklijke Militaire Academie of het Instituut Defensie Leergangen. De opleidingsactiviteiten omvatten het geven van initiële- en bijscholingsopleidingen aan nieuw en zittend personeel. Verder worden opleidingen verzorgd die gevolgd moeten worden om voor een hogere functie en/of rang in aanmerking te komen.

Voor 1998 staan de volgende productie-aantallen (uitgedrukt in opgeleide cursisten; een opleiding kan uit diverse cursussen bestaan) gepland:

OmschrijvingAantal cursisten
  
– algemene militaire- en kaderopleidingen1 018
– initiële functie-opleidingen  663
– loopbaanopleidingen   359
– overige opleidingen11 320

05.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort DOE.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n839835835805805
– gemiddeld salarisx f 168 00866 83166 54666 54966 549
– totaal toegelicht bedragx f 100057 05955 80455 56653 57253 572

05.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort DOE .

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n2 3402 3172 2992 2982 297
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 6771 6621 6421 6391 638
– gemiddeld salarisx f 177 72177 03676 94977 03477 081
– totale uitgavenx f 1000130 338128 034126 351126 258126 258
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n663655657659659
– gemiddeld salarisx f 159 22359 44359 22859 10659 106
– totale uitgavenx f 100039 26538 93538 91338 95138 951
Totaal toegelicht bedragx f 1000169 603166 969165 264165 209165 209

05.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn sterk afhankelijk van de personeelssterkte. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen). Het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid wordt geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel 05.20.08 Materiële uitgaven.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren1413131312
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 169 71469 30870 84669 30871 000
– totale uitgavenx f 1000976901921901852
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 1793 1523 1343 1033 102
– gemiddeld per vtex f 16 0166 2185 9285 9295 818
– totale uitgavenx f 100019 12419 59918 57918 39918 048
Totaal toegelicht bedragx f 100020 10020 50019 50019 30018 900

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Deze kengetallen zijn gebaseerd op de decentrale ramingen voor de inhuur van tijdelijk personeel. De inhuur bestaat uit contracten van verschillende tijdsduur en verschillend tarief die zijn omgerekend naar mensjaren. Door de afronding in het aantal mensjaren ontstaan variaties in de hoogte van het kengetal.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het ramingskengetal is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven met betrekking tot voeding, reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen en de overige personele zaken.

05.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken, de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid alsmede de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en reservedelen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- & A-deskundigheidaantal mensjaren22222
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1265 000237 500237 500237 500237 500
– totale uitgavenx f 1000530475475475475
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)3 1793 1523 1343 1033 102
– gemiddeld per vtex f 112 76010 63610 72911 19111 033
– totale uitgavenx f 100040 56333 52533 62534 72534 225
Totaal toegelicht bedragx f 100041 09334 00034 10035 20034 700

Toelichting inhuur O-, I- en A-deskundigheid

Dit kengetal is samengesteld uit de decentrale ramingen bij de ondersteunende eenheden. De raming is gebaseerd op ervaringsgegevens met betrekking tot de behoefte aan deze deskundigheid. Door de afronding van het aantal mensjaren ontstaat variatie in de hoogte van de kengetallen.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Het ramingskengetal is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven voor huisvesting, commandantenfondsen, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen en overige materiële zaken. De behoeften worden veelal individueel geraamd. Door de grote diversiteit in de geraamde behoeften ontstaan verschillen in de omvang van de ramingen.

De verplichtingen en uitgaven Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht (HKKLu)

Het ressort HKKLu bestaat uit de Staf Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, de Directie Operatiën KLu, de Directie Materieel KLu, de Directie Personeel KLu, de Directie Economisch Beheer KLu en het Korps Luchtmacht Staven.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
05.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel39 54435 82835 70435 43335 43341 29037 57437 45037 17937 179
05.20.10 Militair personeel61 26859 02854 27350 35150 65162 01959 77955 02451 10251 402
05.20.11 Overige personele uitgaven124 499125 112135 935123 681115 199111 234123 242116 558113 981113 499
05.20.12 Materiële uitgaven468 704491 277409 965488 213399 252481 705484 459497 044500 400536 841
Totaal694 015711 245635 877697 678600 535696 248705 054706 076702 662738 921

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort HKKLu omvatten:

– het voeren van het operationele beleid van de Koninklijke luchtmacht;

– zowel leidinggevende als ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de onder de Koninklijke luchtmacht ressorterende eenheden;

– het er mede zorg voor dragen dat de eenheden van de Koninklijke luchtmacht kunnen voldoen aan de gestelde normen en randvoorwaarden;

– het voeren van een personeelsbeleid dat er op is gericht de Koninklijke luchtmacht te allen tijde en in alle omstandigheden te doen beschikken over de gewenste aantallen voor hun taak berekend en gemotiveerd personeel;

– het voeren van materieelbeleid gericht op de materieel-logistieke processen «voorzien in», «instandhouden» en «afvoeren»;

– het bevorderen en bewaken van de doelmatigheid van de Koninklijke luchtmacht door het vormgeven aan en het uitvoeren van het financieel-economisch beleid en het toetsen van de rechtmatigheid van de bestedingen.

De uitgavenverdeelstaat

 
Bedragen x f 100019981999200020012002
Uitgaven HKKLu:696 248705 054706 076702 662738 921
Volledig toe te rekenen aan:     
– apparaatsuitgaven HKKLu149 542139 032134 036132003130 147
      
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:     
– CTL273 700311 600304 200289 700320 700
– DOE77 82186 84686 49486 29186 270
Niet specifiek toe te rekenen:195 185167 576181 346194 668201 804

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

De totaal geraamde uitgaven hebben enerzijds betrekking op de uitgaven voor de eigen HKKLu-bedrijfsvoering en anderzijds op de uitgaven voor de andere ressorts van de Koninklijke luchtmacht, waarvan een deel uniek is toe te rekenen. Onder de HKKLu-bedrijfsvoeringsuitgaven worden de personele en materiële uitgaven voor alle onder de HKKLu ressorterende eenheden begrepen zoals de uitgaven voor bureaugoederen, inventarisartikelen en kleinschalige automatisering.

De uitgaven die uniek aan CTL zijn toe te rekenen betreffen in het bijzonder de uitgaven voor vliegtrainingen en oefeningen (waaronder de oefeningen Goose Bay en Red Flag), de aanschaf van onderdelen voor de helikopters en de vastvleugelige vliegtuigen, vliegtuigonderhoud (inbesteding en uitbesteding), onderhoud infrastructuur en onderhoud bewapeningsmaterieel.

De uitgaven die uniek aan DOE zijn toe te rekenen betreffen vooral de uitgaven voor vliegopleidingen (f 62,7 miljoen in 1998), het aandeel van de Koninklijke luchtmacht in het budget voor het Central European Pipeline System (CEPS), de defensie pijpleiding organisatie (DPO) en het onderhoud van de infrastructuur. De uitgaven voor vliegopleidingen betreffen zowel de initiële opleidingen voor vliegers op Woensdrecht als de opleidingen in onder meer de Verenigde Staten: ENJJPT (initiële opleiding voor jachtvlieger), Tucson (F-16 opleiding) en Fort Hood (Apache-opleiding). Ook de uitgaven voor de opleidingen voor de vliegers van de transportvloot (de Herculesvliegtuigen, de KDC-10's, de Fokkers 50 en 60 en de Gulfstream) worden tot de uitgaven voor vliegopleidingen gerekend.

De niet specifiek aan andere ressorts toe te rekenen uitgaven zijn op grond van doelmatigheidsoverwegingen en specifieke deskundigheid bij het ressort HKKLu ondergebracht. Deze uitgaven hebben voornamelijk betrekking op uitrustingsgoederen (zoals tenten en rantsoenen), personele uitgaven (voor dienstopleidingen, transport, opslag en woningbeheer) en materiële uitgaven (voor werkplaatsuitrustingen, drukwerken en publikaties, onderhoud elektrisch en elektronisch materieel, wetenschappelijke ondersteuning NLR, bedrijfsstoffen, brandstof voor vliegtuigen en motorvoertuigen en diensten van de agentschappen DTO en DGW&T).

In het kader van het Verbeterd Economisch Beheer wordt nog onderzocht of een aanvullend deel van de hiervoor genoemde uitgaven naar de andere ressorts kan worden gedecentraliseerd. Op termijn kan dit onderzoek leiden tot een verschuiving van budgetten en bevoegdheden van het ressort HKKLu naar de overige ressorts van de Koninklijke luchtmacht.

05.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort HKKLu.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n542499498494494
– gemiddeld salarisx f 173 04471 89271 78771 82071 820
– totaal toegelicht bedragx f 100039 59035 87435 75035 47935 479
– niet-actief personeelaantal vte'n3232323232
– gemiddeld salarisx f 153 12553 12553 12553 12553 125
– totaal toegelicht bedragx f 10001 7001 7001 7001 7001 700
Totale uitgavenx f 100041 29037 57437 45037 17937 179

Toelichting burgerpersoneel

De kengetallen zijn gebaseerd op de raming voor de salarisuitgaven voor actief en niet-actief personeel. De bij dit ressort vermelde aantallen niet actief-personeel hebben betrekking op alle ressorts van de Koninklijke luchtmacht.

05.20.10 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort HKKLu.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n858833772714697
waarvan:  
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n612592543494477
– gemiddeld salarisx f 177 59577 09376 62877 50880 899
– totale uitgavenx f 100047 48845 63941 60938 28938 589
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n246241229220220
– gemiddeld salarisx f 159 06958 67258 58158 24158 241
– totale uitgavenx f 100014 53114 14013 41512 81312 813
Totaal toegelicht bedragx f 100062 01959 77955 02451 10251 402

05.20.11 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en het inhuren van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en/of bovenformatieve arbeidsplaatsen).

In dit artikelonderdeel zijn ook de uitgaven opgenomen van de vliegopleidingen voor al het bestaand en nieuw vliegend materieel. Door het grote aantal verschillende typen vliegtuigen is er ook sprake van een groot aantal verschillende opleidingen. Bij de nieuwe helikopters is sprake van het twee-vliegerconcept. Dat heeft geleid tot een grote behoefte aan vliegers en vergt een grote inspanning op het gebied van opleidingen.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren411910107
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 171 43972 36871 80071 80066 000
– totale uitgavenx f 10002 9291 375718718462
– overige persoonsgebonden personele uitgaven HKKLuaantal vte'n (bp en mp)1 4551 3861 3241 2621 245
– gemiddeld per vtex f 16 9427 0717 2517 5287 711
– totale uitgavenx f 100010 1009 8009 6009 5009 600
– kleding en uitrusting vliegersaantal vliegers450450450450450
– gemiddelde uitgaven per vliegerx f 115 55614 0007 7787 7787 778
– totale uitgavenx f 10007 0006 3003 5003 5003 500
– overige kleding en uitrustingaantal vte'n mp11 56411 52411 42211 34711 330
– gemiddelde uitgaven per vte mpx f 11 2631 1371 1471 1541 156
– totale uitgavenx f 100014 60013 10013 10013 10013 100
– overige persoonsgebonden personele uitgaven totaal Kluaantal vte'n (bp en mp)13 33913 30813 20513 09513 078
– gemiddeld per vtex f 11 0411 136927792793
– totale uitgavenx f 100013 88415 12112 24610 37210 367
Totaal toegelicht bedragx f 100048 51345 69639 16437 19037 029

Toelichting algemeen

De ramingen voor de reguliere overige personele uitgaven zijn met bovenstaande ramingskengetallen toegelicht. Daarnaast worden binnen het ressort HKKLu de uitgaven geraamd van 68 vliegers in opleiding. De raming hiervoor in het jaar 1998 bedraagt f 62,721 miljoen.

Toelichting inhuur tijdelijk personeel

Deze kengetallen zijn gebaseerd op de ramingen voor de inhuur van tijdelijk personeel. In de ramingen zijn de gevolgen van de reorganisaties af te lezen. In verband hiermee wordt de tijdelijke behoefte aan personeel niet ingevuld door plaatsingen van vast personeel maar door inhuur. Door de voortgang in de reorganisaties krijgt de nieuwe structuur vorm en neemt de behoefte aan inhuur af. Door de afronding van de inhuur in mensjaren ontstaan variaties in de hoogte van het kengetal.

Toelichting overige persoonsgebonden personele uitgaven

Het ramingskengetal is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven met betrekking tot voeding, reizen, verplaatsen, representatie, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen en de overige personele zaken. De stijging van het kengetal is een gevolg van de personeelsreductie waardoor per vte een stijging optreedt van het gemiddeld aantal dienstreizen.

Toelichting specifieke ramingskengetallen

Bij kleding is een splitsing aangebracht in kleding voor vliegers en overig militair personeel. Omdat de kleding centraal wordt aangeschaft is bij de overige kleding uitgegaan van de totale personeelssterkte militair personeel Koninklijke luchtmacht.

De hoogte voor 1998 en 1999 in de kengetallen voor kleding en uitrusting voor vliegers wordt veroorzaakt door de aanschaf van specifieke kleding voor zeer koude en zeer warme streken. De overige persoonsgebonden personele uitgaven van de Koninklijke luchtmacht betreffen diverse personele behoeften die vooralsnog centraal worden aangeschaft.

05.20.12 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken, het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid en de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en reservedelen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- & A- deskundigheidaantal mensjaren2917171717
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1250 483253 471253 471253 471253 471
– totale uitgavenx f 10007 2644 3094 3094 3094 309
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)1 4551 3861 3241 2621 245
– gemiddeld per vtex f 119 82819 13820 86523 39522 108
– totale uitgavenx f 100028 85026 52527 62529 52527 525
Totaal toegelicht bedragx f 100036 11630 83431 93433 83431 834
Overige materiële uitgavenx f 1000445 591453 625465 110466 566505 007
Totaal materiele uitgavenx f 1000481 705484 459497 044500 400536 841

Toelichting inhuur O-, I- en A-deskundigheid

Dit kengetal is gebaseerd op de specifieke raming voor dit soort personeel. De raming is gebaseerd op ervaringsgegevens en de kennis over meerjarige projecten. Op basis daarvan is de behoefte aan deze deskundigheid geraamd. Door de afronding van het aantal mensjaren ontstaat variatie in de hoogte van de kengetallen.

Toelichting persoonsgebonden materiële uitgaven

Het ramingskengetal is gebaseerd op de gedecentraliseerde uitgaven voor huisvesting, commandantenfondsen, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen en overige materiële zaken.

Toelichting overige materiële uitgaven

Het voor 1998 geraamde bedrag van f 451,7 miljoen heeft in het bijzonder betrekking op uitgaven gedaan door de HKKLu die, al of niet uniek, gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan CTL of DOE. Een toelichting op deze uitgaven is te vinden bij de toelichting op de uitgavenverdeelstaat.

05.20.13 Wachtgelden en inactiviteitswedden

Met ingang van de ontwerpbegroting 1998 worden de wachtgelden bij de beleidsterreinen verantwoord en niet meer bij het beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen.

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke luchtmacht. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord, die voor de Koninklijke luchtmacht uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien.

Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde bedragen en ramingskengetallen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal142101664025
– bedrag per uitkeringsjaarx f 133 61333 20832 30330 42526 680
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0004 7733 3542 1321 217667
Overige wachtgelden burgerpersoneel:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal100104979589
– bedrag per uitkeringsjaarx f 128 97028 96228 99028 36828 146
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0002 8973 0122 8122 6952 505
Wachtgelden SBK/UBMO       
militair personeel:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal11699807072
– bedrag per uitkeringsjaarx f 157 05253 28345 81340 05739 125
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0006 6185 2753 6652 8042 817
Werkloosheidsbesluit BBT-militairen:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal163141133123121
– bedrag per uitkeringsjaarx f 126 73027 36227 50427 41527 438
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0004 3573 8583 6583 3723 320
Overige wachtgelden militair personeel:      
– aantallen in uitkeringsjarenaantal2524222119
– bedrag per uitkeringsjaarx f 144 36040 70835 50033 52433 579
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0001 109977781704638
Totaal toegelicht met ramingskengetallenx f 1 00019 75416 47613 04810 7929 947
Bij: uitvoeringskostenx f 1 0003 9823 9263 9033 5614 530
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 00023 73620 40216 95114 35314 477

Toelichting op wachtgelden

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het SBK en de UBMO worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie. Verdere bijstellingen van de geraamde uitgaven zijn dan ook niet uit te sluiten. Het beleid blijft erop gericht de instroom in de wachtgeldregelingen zoveel mogelijk te beperken.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie van de Koninklijke luchtmacht. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel van de Koninklijke luchtmacht, zowel binnen als buiten de (rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Koninklijke luchtmacht. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel en overige personele uitgaven. De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 05.20.13.

 
Sociaal Beleidskader (bedragen x f 1000)199719981999200020012002
– Om-, her-, bijscholing en outplacement400400400400400400
– Verplaatsen3001 200    
– Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel5 8384 7733 3542 1321 217667
– Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel8 3376 6185 2753 6652 8042 817
– BDOS plaatsingen militair personeel05 3229 3684 9281 238 
– Afwikkeling BVLOM2 321  
Totaal Sociaal Beleidskader17 19618 31318 39711 1255 6593 884

Na een gedetailleerde vergelijking van functiebestanden en de actuele personeelsbestanden blijkt een substantieel deel van de overtolligen, al dan niet na omscholing of bijscholing, voor herplaatsing in aanmerking te komen. Door de ervaringen met het SBK-instrumentarium in combinatie met gedetailleerd inzicht in de ontwikkeling van personeels- en functiebestanden, inclusief de doelmatigheidsmaatregel, is het verantwoord de voorziene overtolligheid verder te verminderen.

05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur die niet onder het begrotingsartikel 05.20 Personeel en materieel worden geraamd en verantwoord.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief en de vervanging van verouderd materieel. Door snelle, ingrijpende ontwikkelingen van moderne technologieën worden hoge eisen gesteld aan het materieel, met name op de aspecten bescherming, vuurkracht en mobiliteit. Voor het materieel binnen de operationele ressorts van de Koninklijke luchtmacht is voor de komende jaren een aantal kwalitatieve en kwantitatieve hoofdaandachtspunten onderkend: de vervanging/verbetering van de F-16 en zijn bewapening, de realisatie van het Nafin-communicatienetwerk en de verbetering van de capaciteit voor de «extended air defence/theater missile defence» (EAD/TMD)-taak van de Koninklijke luchtmacht.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 05.05422 883113 838158 993164 753136 705141 551 
– artikel 05.06128 49475 339142 658390 286379 2651 072 8441 434 975 
– artikel 05.08911 5622 386127 39525 80372 211 610 200 
Totaal overgeheveld1 040 09880 608383 891575 082616 2291 209 5492 186 726 
Nieuwe mutaties   707 729– 56 489– 202 756– 9 161 
Stand ontwerp-begroting 19981 040 09880 608383 8911 282 811559 7401 006 7932 177 565460 056
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 05.05   171 305206 141183 555135 355 
– artikel 05.06   375 801416 008419 241594 806 
– artikel 05.08   345 108258 065208 663137 265 
Totaal overgeheveld   892 214880 214811 459867 426 
Nieuwe mutaties   9 848– 97 401– 97 850– 45 982 
Stand ontwerp-begroting 1998   902 062782 813713 609821 444820 582

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Luchtverkenningssysteem266 300   
Netherlands Armed Forces Integrated Network105 000   
Zelfbescherming F-16– 105 000105 000  
Midlife Update-productie57 000   
Midlife Update-gerelateerd – 7200069 000 
Final Approach32 000 – 105 000 
Simulator transporthelikopters50 000   
Mobiele Meldings- en Gevechtsleidingsfaciliteit   140 000
Shorad220 000   
Verbetering lucht-grond wapens  – 68 000 
Medium Surface to Air Missile studie   – 137 000
Verbetering lucht-lucht geleide wapens  – 108 000 
PAC-3 missiles128 000– 83 000  
Man Portable Air Defence   – 36 000
Overige mutaties– 45 571– 6 4899 24423 839
Totaal van de verplichtingenmutaties707 729– 56 489– 202 756– 9 161

Toelichting op de nieuwe verplichtingenmutaties

Om in de behoefte te voorzien niet alleen op lage maar ook op middelbare hoogte luchtverkenningen met de F-16 te kunnen uitvoeren, dient het bestaande, en verouderde, Orpheus Luchtverkenningssysteem te worden vervangen. Tevens wordt hiermee in de behoefte voorzien om «near-real-time» informatie te verzenden. De contractering is vertraagd en is nu gepland voor 1998. Hierdoor is een verplichting van f 266,3 miljoen van 1997 doorgeschoven naar 1998.

Doordat het Netherlands Armed Forces Integrated Network-project is herijkt, zijn de fondsen voor fase 2 en 3 geherfaseerd.

De contractering van de Anti Radiation Missile (ARM) is vertraagd en nu voorzien in 1999. Hierdoor is f 105 miljoen aan verplichtingen doorgeschoven van 1998 naar 1999. Realisatie is voorzien in de periode 1999–2002.

Contracten inzake de Midlife Update-productie worden in 1998 afgesloten voor wat betreft het resterende deel van het programma Pacer Windmill. Dit programma betreft met name de inbouw van de MLU-kits in de F-16 vliegtuigen.

Om de vlieger in staat te stellen zijn sensoren en wapens op een doel te richten en dit in het vizier te houden, is een Helmet Mounted Cueing System noodzakelijk als onderdeel van de MidLife Update nationale aanvulling. In 2000 wordt hiervoor een contract afgesloten.

Voor de opleiding en training van vliegers zal in 1998 een contract worden afgesloten voor de aanschaf van een simulator voor de transporthelikopters.

Contractering van de Mobiele Meldings- en gevechtsfaciliteit is gepland voor 2001, waarbij mogelijkheden tot samenwerking met Navo-partners worden onderzocht.

Nadere ramingsbijstellingen zullen plaatsvinden bij de projecten Final Approach (FAPP) landings-systemen, de aanschaf van de Short Range Air Defense-systemen vanwege vertraging in het besluitvormingsproces waardoor de verplichting is doorgeschoven, de verbetering van de lucht- grond geleide bewapening, de aanschaf van de aanvulling Beyond Visual Range Missiles is uitgesteld, de studie van de Medium Surface to Air Missile als opvolger van het HAWK-systeem en de vervroeging van het contractjaar 1999 naar 1998 inzake de PAC-3 missiles waarbij rekening wordt gehouden met een voorlooptijd van drie jaar teruggerekend van levering vanaf 2001.

Diverse overige mutaties hebben eveneens geleid tot aanpassing van de momenten van aanbesteding.

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
LAS-FLIR– 33 344– 7 2467 765– 13 021
Integrated electronic warfare2 50019 700– 17 600– 6 800
Naderingsapparatuur  – 7 400– 28 500
Mode S helikopters   – 6 500
Verbetering lucht-grond geleide wapens1 2691 200– 7 700– 27 000
Ground Controlled Approach systemen Microwave Landing System – 8 000– 13 500– 8 500
Aanpassing MLU F-16 productie– 1 000– 6 000– 42 500– 70 500
ALQ-13119 300   
Shorad11 000– 79 000– 35 000125 000
Simulator transporthelikopters 5 00021 00024 000
Intis– 4 000– 4002 3003 000
Vervanging VHF-UHF– 7 000– 1 0008 000 
Programma management helikopters– 2 5002 600  
PAC-3 missiles5 0005 000  
Digital Electronic Engine Control system23 000– 13 000– 10 000 
Overige mutaties– 4 377– 16 255– 3 215– 37 161
Totaal van de uitgavenmutaties9 848– 97 401– 97 850– 45 982

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

Als onderdeel van de nationale aanvulling MLU is het project nachtzicht- en laseraanstralingsapparatuur geherfaseerd. De fondsen voor «integrated electronic warfare» zijn geherfaseerd.

In verband met de door de International Civil Aviation Organization (ICAO) verplicht gestelde uitbreiding van de Secundary Surveillance Radar (SSR)-apparatuur zijn in 2002 extra fondsen geraamd voor de zogenaamde Mode «S» voor de helikopters. Hierdoor kunnen in het steeds drukker wordende luchtruim eigen vliegtuigen zo goed mogelijk worden begeleid.

Voor de aanschaf van de Lucht-Grond precisiewapens (Maverick) waarvoor in de periode 1997–2000 fondsen zijn geraamd, wordt in 1997 een opdracht geplaatst. Omdat de contracten voor de noodzakelijke verbeteringen van de overige lucht-grond bewapening en de toekomstige aanschaf van nieuwe lucht-grond bewapening pas in 2000 worden verwacht, zijn fondsen verschoven naar een latere periode.

CGA-systemen MLS: Voor de vervanging van de huidige rondzoekradars van de vliegbases zijn fondsen geraamd vanaf 2000. De aanschaf van de rondzoekradars, die zorgdragen voor de zogenaamde Sector Approach van vliegtuigen, wordt verwacht in de periode 2000–2002. Tevens zijn vanaf 2001 fondsen opgenomen voor de vervanging van de huidige Precision Approach Radars van de vliegbases. De aanschaf van deze systemen, die zorgdragen voor de zogenaamde Final Approach van de vliegtuigen, is in de periode 2001–2003 gepland.

Midlife update productie F-16: het contract met de Amerikaanse overheid is gebaseerd op conservatieve ramingen. Uit nieuwe inzichten, mede gebaseerd op realisatiecijfers van het project, blijkt dat het betalingsschema naar beneden kan worden aangepast.

Voor de verbetering van een deel van de beschikbare ALQ 131-apparatuur met een signaalverwerker, zijn extra fondsen geraamd.

De mutatie op het Shorad-project betreft verschuiving van de afsluittijdstippen van de contracten.

In 1998 worden naar verwachting tevens contracten afgesloten voor simulatorfaciliteiten voor transporthelikopters. Hiervoor zijn extra fondsen geraamd.

Voor de aanschaf van het Intelligence Information System (Intis) zijn in 1999 fondsen geraamd. Het Intis-project betreft de automatisering van de verwerking van extern binnenkomende informatie ten behoeve van de inlichtingenfunctie, alsmede voor het verspreiden van informatie naar de diverse onderdelen van de Koninklijke luchtmacht. De aanschaf vindt plaats in de periode 1999–2002.

Vervanging VHF/UHF: voor de vervanging van de bij AOCS Nieuw Milligen (lokaal en forward relay) geïnstalleerde Engineering Critical Item radio-apparatuur wordt in 1998 een contract gesloten. In 1998 en 1999 wordt de vervanging gerealiseerd.

In de periode 1999–2001 zijn fondsen gereserveerd voor de vervanging van Engineering Critical Item-radio's die op de vliegbases in gebruik zijn.

Programma management helikopters: Voor de Reaction Force-taken van de Koninklijke luchtmacht dient rekening te worden gehouden met een langere omlooptijd van reservedelen bij reparaties op het derde echelon, waardoor de klasse II voorraden tijdelijk onder het vereiste niveau kunnen dalen en de inzetbaarheid van de hoofdwapensystemen (waaronder de helikopters) in gevaar komt. Teneinde de klasse II voorraad permanent op peil te kunnen houden, zijn extra investeringen in reservedelen van de diverse helikopters noodzakelijk. Hiervoor zijn in 1998 en 1999 fondsen geraamd.

Om de levering van de Patriot Advanced Capability-3 missiles voor het Patriot-systeem aan te laten sluiten op de modificatie van het systeem (het project Post Development Build-5/Sweep Down-5), dient rekening gehouden te worden met betalingen in 1998 en 1999. Dit betekent een verschuiving binnen het projectbudget.

De mutatie van Digital Electronic Engine Control betreft een verschuiving van de projectfondsen. Zo sluiten de betalingen beter aan op de levering van de modificatiekits.

De overige mutaties bestaan uit een groot aantal betalingsactualiseringen en ramingsaanpassingen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Vliegtuigmaterieel136 51042 941103 223578 38814 152400 977252 88297 963150 263138 096
Vervoermiddelen48 08829 92518 80115 64120 79734 82735 42533 25026 15025 050
Elektrisch en elektronisch materieel480 06390 353213 007364 609145 272196 186249 659165 923215 619221 122
Bewapeningsmaterieel357 07670 3507 8001 043 41036 10049 77640 725117 525189 703105 300
Springstoffen en munitie199 500527 50013 00019 52322 91684 54469 862193 400
Overig materieel68 58010 7706 89510 350165 31019 68523 60533 87034 35010 315
Infrastructuur192 494115 901129 567152 16778 425181 088157 601180 534135 497127 299
Totaal1 282 811559 7401 006 7932 177 565460 056902 062782 813713 609821 444820 582

Toelichting op de ramingsbedragen per artikelonderdeel

Vliegtuigmaterieel

De uitgaven ten laste van dit artikelonderdeel betroffen tot 1992 voor een belangrijk deel de uitgaven voor de aanschaf van de F-16 met de initiële reservedelen, de documentatie, de reservemotoren en gronduitrusting voor de depots, de speciale gereedschappen en de simulatoren. De laatste F-16 is in 1992 geleverd. Vanaf 1979 zijn in totaal 213 vliegtuigen geleverd. Door vredesverliezen resteren er nu nog 183.

In 1993 is besloten dat 138 F-16 vliegtuigen een «midlife update» (MLU) krijgen, zodat deze tot ongeveer 2010 operationeel en technisch voor hun taak berekend blijven. De uitgaven op dit artikel betreffen dan ook de uitgaven die verbonden zijn aan de MLU en aan de projecten die een nationale aanvulling zijn op de MLU. Dit betreft onder meer de aanschaf van nachtzicht- en laserdoelaanstralingsapparatuur.

Voorts worden op dit artikelonderdeel de uitgaven geraamd die voornamelijk betrekking hebben op de aanschaf van (transport) vliegtuigen. De jaarlijks fluctuerende uitgaven worden hoofdzakelijk bepaald door contractueel vastgelegde betalingsschema's, die afgestemd zijn op de voortgang in de productie bij de leveranciers.

De ontwikkelingsfase van de MLU is nagenoeg afgerond. Door de ervaringen met de eerste MLU-kits is de ontwikkeling van de configuratie gereed. In 1998 zal de aandacht voornamelijk gericht zijn op de inbouw van de MLU-kits in de Nederlandse F-16's. Daarnaast wordt verder gestudeerd op de nationale aanvullingen op de MLU. Voor het project Laserdoelaanstralingsapparatuur en de infraroodnavigatieapparatuur (LAS/FLIR), dat deel uitmaakt van de nationale aanvulling op de MLU, is het onderzoek inmiddels afgesloten.

Vervoermiddelen

De uitgaven op dit artikelonderdeel betreffen de aanschaf/vervanging van voertuigen. De vervanging van technisch veroudere voertuigen vindt enerzijds plaats door de aanschaf van nieuwe voertuigen. Anderzijds vinden aanschaffingen plaats voor de revisie van deze voertuigen. Hierop kunnen aanzienlijke besparingen gerealiseerd worden. Bij deze uitgaven wordt altijd gekeken naar de mogelijkheid om de voertuigen te reviseren in plaats van te vervangen. Aangezien veel voertuigen wel oud zijn maar nog relatief weinig gereden hebben, zijn daar regelmatig mogelijkheden toe. Voor de explosievenopruimingsdienst zullen nieuwe gepantserde voertuigen gekocht worden. Voor dit project wordt samengewerkt met de Koninklijke landmacht.

Elektrisch en elektronisch materieel

Onder dit artikelonderdeel vallen de uitgaven voor elektrisch en elektronisch materieel ten behoeve van systemen voor grond- en verbindingsapparatuur. In de jaren 1996 tot en met 2001 is rekening gehouden met het Nafin-project (fase 1 t/m 3). Ook de vervanging van het verouderde lucht-verkenningssysteem (Orpheus) is in dit artikelonderdeel geraamd. Voorts is een aantal met de modernisering van de F-16 samenhangende projecten op dit artikelonderdeel geraamd zoals ALQ131 (elektronische afweer), Pacer Slip (Structural Life Improvement Program) en Digital Electronic Engine Control.

Bij de modernisering van de F-16 komen ook systemen aan de orde die de zelfbescherming van de F-16 verbeteren en die de werkdruk van de vlieger kunnen verlichten. Onder deze systemen vallen het Electronic Warfare Management System en het Missile Warning System (MWS). Het laatste systeem waarschuwt tegen de nadering van infraroodraketten. Voor het eerste systeem is de verwerving gaande. Voor de verwerving van het MWS zijn fondsen opgenomen.

Bewapeningsmaterieel

Bewapeningsprojecten, zoals het vuurleidingssysteem Flycatcher, handvuurwapens, verbetering van de Hawk van TRIAD (Project Improvement Program III), ALVD Stinger Post en Shorad, zijn bepalend voor de uitgaven op dit artikelonderdeel.

Springstoffen en munitie

Dit artikelonderdeel betreft het kwalitatief en kwantitatief op peil houden of brengen van de oorlogsvoorraad munitie, bommen en raketten, vooral voor de F-16 vliegtuigen. De aanpassing van de bewapening van de F-16 is terug te vinden in de aanschaf van moderne wapens die een grote mate van precisie bereiken. Hieronder vallen de lasergeleide bommen, de radargeleide lucht-lucht raketten (de Amraam) en de Maverick-raket voor grondaanvallen. Van de Maverick-raketten zijn tijdelijk geleasde exemplaren beschikbaar. Er wordt voorzien in de aanschaf van eigen exemplaren.

Overig materieel

In het algemeen worden de uitgaven op dit artikelonderdeel bepaald door projecten (zoals de vervanging van werkplaats- en gronduitrustingen) met een geringe financiële omvang, die een bedrijfsmatig karakter hebben.

Infrastructuur

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor renovatie en nieuwbouw van infrastructurele voorzieningen ten behoeve van de Koninklijke luchtmacht. De investeringen als gevolg van eisen die de milieuwetgeving stelt worden eveneens op dit artikel geraamd en verantwoord. De behoefte aan nieuwbouw is vastgelegd in het Behoefte Plan Nieuwbouw (BPN). De behoefte wordt onder meer bepaald door de herstructureringsmaatregelen binnen de Koninklijke luchtmacht.

De opdracht voor deze behoeften wordt vervat in het Bouwprogramma Nieuwbouw KLu (BNKLu). De omvang van het BNKLu is met de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T) afgestemd op de beschikbare verwerkingscapaciteit. In 1998 is voor DGW&T-apparaatsuitgaven f 25,3 miljoen opgenomen. De uitgaven voor milieumaatregelen worden eveneens op dit artikel geraamd en verantwoord. Voor milieu-uitgaven is in 1998 een bedrag van f 21,9 miljoen opgenomen. De prioriteit van het bouwprogramma ligt ook voor de komende jaren bij de projecten die worden bepaald door de herstructurering van de Koninklijke luchtmacht.

In de Novemberbrief van 1994 is uiteengezet wat het beleid van het ministerie van Defensie is ten aanzien van milieu-maatregelen. Dit beleid is in het budget van de Koninklijke luchtmacht verwerkt.

06. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE MARECHAUSSEE

Algemeen

De uitgaven bij het beleidsterrein Koninklijke marechaussee zijn binnen het artikel 06.20 Personeel en materieel als één ressort (inclusief wachtgelden) opgenomen. Het artikel 06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeert de begroting van de Koninklijke marechaussee. De totaal geraamde uitgaven van de Koninklijke marechaussee voor de jaren 1998 tot en met 2002 zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 100019981999200020012002
06.20 Personeel en materieel392 696399 388397 348395 720396 980
06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur40 19838 73245 41550 64247 875
Totaal432 894438 120442 763446 362444 855

Uitgaven die betrekking hebben op samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés worden, conform de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/95, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

06.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Als gevolg van de gewijzigde begrotingsindeling naar aanleiding van de integratie van de begrotingsartikelen personeel en materieel en de introductie van het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) wordt met ingang van deze begroting inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven van de resultaatverantwoordelijke eenheid Koninklijke marechaussee. Ter toelichting op het bedrijfsvoeringsbudget wordt volstaan met één geïntegreerde tekst voor het artikel 06.20 Personeel en materieel.

De bedrijfsvoeringsuitgaven van de Koninklijke marechaussee worden in vijf vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven, materiële uitgaven en wachtgelden en inactiviteitswedden. Met ingang van de begroting 1998 worden de wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel op het artikelonderdeel 06.20.05 geraamd en verantwoord.

Voor het thans beschikbare bedrijfsvoeringsbudget is in bijlage 16 een conversietabel opgenomen. In bijlage 14 zijn de gerealiseerde begrotingsbedragen voor het jaar 1996 en de verwachte verplichtingen en uitgaven voor het begrotingsjaar 1997 opgenomen volgens de oude indeling van begrotingsartikelen en artikelonderdelen.

De personeelssterkte van de Koninklijke marechaussee is uitgebreid met 287. Deze uitbreiding heeft voor 50 betrekking op de inzet bij uitzendingen in het kader van vredesoperaties, voor 87 vanwege een uitbreiding van de militaire politietaak en 150 ten behoeve van de intensivering van het vreemdelingenbeleid. Een uitgebreide toelichting staat in de hoofdstukken 2 en 3 van de memorie van toelichting.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 06.01   9 4249 4529 4879 562 
– artikel 06.02   301 016304 572303 036301 700 
– artikel 06.03   30 21429 38329 38329 570 
– artikel 06.04  3 23338 75638 87539 74739 130 
Totaal overgeheveld  3 233379 410382 282381 653379 962 
Nieuwe mutaties   13 51117 18116 67015 926 
Stand ontwerp-begroting 1998  3 233392 921399 463398 323395 888403 039
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 06.01   9 4249 4529 4879 562 
– artikel 06.02   301 016304 572303 036301 700 
– artikel 06.03   30 21429 38329 38329 570 
– artikel 06.04   38 53138 80038 77238 962 
Totaal overgeheveld   379 185382 207380 678379 794 
Nieuwe mutaties   13 51117 18116 67015 926 
Stand ontwerp-begroting 1998   392 696399 388397 348395 720396 980

Integratie tot één artikel personeel en materieel

De aangegeven overhevelingen uit de begrotingsartikelen 06.01, 06.02, 06.03 en 06.04 houden verband met de integratie tot het gecombineerde begrotingsartikel 06.20 Personeel en materieel voor de Koninklijke marechaussee.

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw zijn als volgt over de artikelonderdelen te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Loonbijstelling 19978 2456 2026 0316 181
Prijsbijstelling 19971 1291 2441 2521 278
Doelmatigheidsmaatregelen– 241– 691– 1 391– 2 616
Aanvullingen ten behoeve van militaire politietaak 6 1006 1006 100
Aanvulling in verband met uitzendingen en flexibiliteit 3 5003 5003 500
Wachtgelden en inactiviteitswedden1 0411 1441 1281 333
Overige bijstellingen3 337– 31850150
Totaal van de nieuwe mutaties13 51117 18116 67015 926

Toelichting op de nieuwe mutaties

Loon- en prijsbijstelling 1997

De verplichtingen- en uitgavenniveaus zijn aangepast aan de loon- en prijsbijstellingsbedragen voor het jaar 1997. In de inleiding van de artikelsgewijze toelichting is hierover een nadere toelichting gegeven.

Doelmatigheidsmaatregelen

Op grond van de derde tranche van de doelmatigheidsoperatie draagt de Koninklijke marechaussee bij aan de reductie CO-Haagse staven (oplopend tot f 1,2 miljoen) en de maatregelen inzake de rijopleiding (f 0,135 miljoen). Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan maatregelen ten aanzien van het werkveld «Bibliotheken en documentatiecentra», de taakstelling in het kader van de oprichting van de Defensie Telematica Organisatie (DTO) (f 0,1 miljoen) en diverse andere kleine maatregelen (f 1,2 miljoen). Voorts zijn voor de jaren 1998 en 1999 gelden gereserveerd voor te verwachten SBK-uitgaven. Gezien de personele ontwikkeling van de Koninklijke marechaussee wordt dit geld aangewend voor om- en herscholing.

Aanvullingen ten behoeve van militaire politietaak

In reactie op de uitkomsten van de evaluatie van de militaire politietaak is f 6,1 miljoen toegevoegd aan het budget van de Koninklijke marechaussee. Hiermee wordt een uitbreiding van 87 ten behoeve van de militaire politietaak bereikt.

Aanvullingen in verband met uitzendingen en flexibiliteit

Vanwege diverse beleidsintensiveringen (onder andere Schengen) is er een grotere druk op de inzet van het marechausseepersoneel. Om de inzet voor uitzendingen in het kader van vredesoperaties ook in de toekomst mogelijk te maken en te zorgen voor flexibiliteit is f 3,5 miljoen aan het budget van de Koninklijke marechaussee toegevoegd. Het aantal wordt met 50 uitgebreid.

Wachtgelden en inactiviteitswedden

Met ingang van 1998 worden de wachtgelden burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel van de Koninklijke marechaussee op dit artikel 06.20 Personeel en materieel, artikelonderdeel 06.20.05, geraamd en verantwoord en niet meer op het beleidsterrein 02. Pensioenen, wachtgelden en uitkeringen.

Overige bijstellingen

De uitkomsten van de Snip-ramingen en de in de plannen opgenomen maatregelen leiden tot diverse kleinere bijstellingen en herschikkingen van de budgetten. Het betreft alle artikelonderdelen van het artikel Personeel en materieel.

De verplichtingen en uitgaven naar artikelonderdeel

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
06.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel10 77110 77510 81010 83710 83410 77110 77510 81010 83710 834
06.20.02 Militair personeel310 837316 453313 549311 093314 728310 837316 453313 549311 093314 728
06.20.03 Overige personele uitgaven30 68231 34131 59031 85032 41930 68231 34131 59031 85032 419
06.20.04 Materiële uitgaven39 59039 75041 24640 77543 08839 36539 67540 27140 60737 029
06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden1 0411 1441 1281 3331 9701 0411 1441 1281 3331 970
Totaal392 921399 463398 323395 888403 039392 696399 388397 348395 720396 980

Algemene toelichting op de ramingsbedragen

Met ingang van 1998 wordt extra personeel aangesteld als gevolg van de besluitvorming naar aanleiding van de evaluatie van de militaire politietaak en ten behoeve van uitzendingen en de noodzakelijke flexibiliteit. Hiervoor is respectievelijk f 6,1 en f 3,5 miljoen in de begroting opgenomen.

De werving van nieuw personeel leidt tot een maximaal beroep op het opleidingscentrum Koninklijke marechaussee. De behoefte aan nieuw personeel is groter dan het opleidingscentrum kan verwerken. Daardoor treedt vertraging in de vulling van de formatie op. Vanaf 1999 kan echter sneller op uitbreidingen worden gereageerd omdat dan – in tegenstelling tot nu – relatief grote groepen wachtmeesters BBT uitstromen.

Door deze personen maximaal contractverlenging aan te bieden en gelijktijdig de wervings- en opleidingsinspanning te verhogen kan flexibel en snel worden ingespeeld op formatie-uitbreidingen. In 1996 is begonnen met de reorganisatie van het opleidingscentrum. Momenteel wordt nieuwbouw van het opleidingscentrum voorbereid. In de komende jaren zal vooral het hogere beroep op het opleidingscentrum leiden tot extra uitgaven voor personeel en materieel.

Algemene taken

De Koninklijke marechaussee is in de eerste plaats verantwoordelijk voor de politiezorg ter handhaving van de interne veiligheid van de Staat in het algemeen en die van de krijgsmacht in het bijzonder.

Activiteitentoelichting

De Koninklijke marechaussee onderscheidt de volgende hoofdactiviteiten:

– civiele politietaken;

– militaire politietaken;

– algemene ondersteuning.

Het civiele taakgebied betreft de volgende hoofdactiviteiten:

– beveiliging Koninklijk Huis;

– politie- en veiligheidstaak burgerluchtvaartterreinen;

– beveiliging ambtswoning van de minister-president;

– bestrijding grensoverschrijdende criminaliteit;

– bijstandverlening Sint Maarten;

– beveiliging transporten van De Nederlandsche Bank;

– ondersteuning van de politie;

– grensbewaking;

– vreemdelingentoezicht.

Het militaire taakgebied kent de volgende hoofdactiviteiten:

– de politietaak krijgsmacht, onder andere de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen, het begeleiden van militaire transporten, vredesoperaties en ordehandhaving;

– de beveiliging van militaire objecten.

Bij het ondersteunend taakgebied kunnen de volgende activiteiten worden onderscheiden:

– stafondersteuning;

– executieve ondersteuning, waaronder:

* bijzondere beveiligingen;

* verkeersbegeleiding;

* ere-escorten;

* recherche-onderzoeken;

* opleidingen.

Toelichting per artikelonderdeel

06.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van de Koninklijke marechaussee.

Ramingskengetallen burgerpersoneel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– actief personeelaantal vte'n157157157157157
– gemiddeld salarisx f 167 90467 93068 15368 32568 306
– totale uitgavenx f 100010 66110 66510 70010 72710 724
– niet-actief personeelaantal vte'n22222
– gemiddeld salarisx f 155 00055 00055 00055 00055 000
– totale uitgavenx f 1000110110110110110
Totaal toegelicht bedragx f 100010 77110 77510 81010 83710 834

06.20.02. Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten die betrekking hebben op het militair personeel van de Koninklijke marechaussee.

Ramingskengetallen militair personeel

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Sterkte begroting 1998aantal vte'n4 7044 8774 8464 8244 903
waarvan:
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n3 2093 1833 1523 1373 119
– gemiddeld salarisx f 172 79672 27372 13271 92171 918
– totale uitgavenx f 1000233 603230 045227 359225 615224 313
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n1 4951 6941 6941 6871 784
– gemiddeld salarisx f 151 66251 00850 88050 66950 681
– totale uitgavenx f 100077 23486 40886 19085 47890 415
Totaal toegelicht bedragx f 1000310 837316 453313 549311 093314 728

06.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte. De uitgaven hebben onder meer betrekking op reis- en verblijfkosten, verplaatsen, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel (uitzendkrachten op formatieve en bovenformatieve arbeidsplaatsen). Het inhuren van O-, I- en A-deskundigheid wordt geraamd en verantwoord ten laste van het artikelonderdeel materiële uitgaven.

Ramingskengetallen overige personele uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur tijdelijk personeelaantal uren38 27637 70136 29429 24322 745
– gemiddeld salarisx f 13130313131
– totale uitgavenx f 10001 1781 1481 117900700
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)4 8615 0345 0034 9815 060
– gemiddeld per vtex f 16 0705 9986 0916 2146 269
– totale uitgavenx f 100029 50430 19330 47330 95031 719
Totaal toegelicht bedragx f 100030 68231 34131 59031 85032 419

Toelichting

De inhuur van tijdelijk personeel hangt mede samen met de vulling van de organisatie. Het beleid is erop gericht het aantal uren inhuur te beperken.

Het gemiddeld bedrag per vte is voor de overige persoonsgebonden personele uitgaven geen vast gegeven. Fluctuaties treden op door wijzigingen in de personele sterkte bij een vastgesteld budget.

06.20.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven van algemene en specifieke aard, waaronder de aankoop van inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van onroerende zaken, de inschakeling van externe deskundigen en de aankoop van brandstoffen, olie en smeermiddelen, munitie en reservedelen.

Ramingskengetallen materiële uitgaven

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
– inhuur O-, I- en A-deskundigheidaantal uren6 2006 2006 2006 2004 425
– gemiddeld salarisx f 1226226226226226
– totale uitgavenx f 10001 4001 4001 4001 4001 000
– persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)4 8615 0345 0034 9815 060
– gemiddeld per vtex f 16 1506 0016 1576 2525 526
– totale uitgavenx f 100029 89730 20730 80331 13927 961
Totaal toegelicht bedragx f 100031 29731 60732 20332 53928 961
Overige materiële uitgavenx f 10008 0688 0688 0688 0688 068
Totaal materiële uitgavenx f 100039 36539 67540 27140 60737 029

Toelichting

Vanwege het aantal lopende en nog op te starten automatiseringsprojecten wordt pas in het laatste jaar van de ramingsperiode een vermindering van het aantal uren aan inhuur van O-, I- en met name A-deskundigheid mogelijk geacht.

Het bedrag per vte is voor de persoonsgebonden materiële uitgaven geen vast gegeven. Fluctuaties treden op door wijzigingen in de personele sterkte bij een vastgesteld budget. Het nu toegelichte bedrag betreft de uitgaven voor onderhoud van gebouwen en terreinen, bureauzaken, inventarisgoederen en klein materieel, informatiesystemen, huisvestingskosten, data- en telecommunicatie, geneeskundig materiaal, overige materiële zaken, instandhouding operationeel materieel en constateren strafbare feiten.

De overige materiële uitgaven betreft voornamelijk het onderhoud en exploitatie van voertuigen en bedrijfsstoffen.

06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden

Met ingang van de ontwerpbegroting 1998 worden de wachtgelden bij de beleidsterreinen verantwoord.

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke marechaussee.

Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

Ramingskengetallen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
OmschrijvingEenheid19981999200020012002
Overige wachtgelden burgerpersoneel:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal44433
– bedrag per uitkeringsjaarx f 129 25026 25022 50023 00023 000
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000117105906969
Werkloosheidsbesluit BBT-militairen:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal1114141935
– bedrag per uitkeringsjaarx f 143 45541 28641 50042 68441 800
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 0004785785818111 463
Overige wachtgelden militair personeel:       
– aantallen in uitkeringsjarenaantal810888
– bedrag per uitkeringsjaarx f 124 37521 10025 75025 37523 500
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000195211206203188
Totaal toegelicht begrotingsbedragx f 1 0007908948771 0831 720
Uitvoeringskostenx f 1 000251250251250250
Totaal wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 0001 0411 1441 1281 3331 970

De uitkeringen in het kader van het werkloosheidsbesluit BBT-militairen bepalen in hoge mate het totaal van dit artikelonderdeel. Door het tijdelijke vullingsprobleem is het beleid er op gericht zoveel mogelijk BBT-militairen verlenging van hun contract aan te bieden (nadienen). Hierdoor kunnen de WBBT-uitgaven worden beperkt. Aan het eind van de ramingsperiode wanneer het huidige vullingsprobleem is opgelost, zal het nadienen worden beperkt. De uitgaven inzake het besluit werkloosheid BBT-militairen zullen tegen die tijd naar verwachting weer toenemen.

06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor investeringen in groot materieel en infrastructuur.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief, en vervanging van verouderd materieel. Door snelle ingrijpende ontwikkelingen van moderne technologieën worden hoge eisen gesteld aan het materieel, met name op de aspecten mobiliteit, bereikbaarheid, tele- en datacommunicatie. Voor het materieel binnen het operationele veld is voor de komende jaren een kwalitatief en kwantitatief belangrijk aandachtspunt onderkend, te weten: de introductie van het C 2000-project ter vervanging van het huidige mobilofoonnet.

Ten laste van dit artikel worden onder meer de uitgaven geraamd voor nieuwbouw, renovatie en aankoop van onroerend goed. Ook de investeringen als gevolg van de eisen die de milieuwetgeving stelt, zoals bodemsanering, worden op dit artikel geraamd en verantwoord.

Enkele grotere projecten zullen in 1998 worden opgeleverd en in gebruik worden genomen. Het betreft hier met name de nieuwbouw voor de Haagse staf (Clingendael) en de nieuwbouw voor de brigade Seedorf.

Naar verwachting zal in 1998 de nieuwbouw voor de staf van het district Noord-Holland/Utrecht beginnen. Het gebouw komt op het terrein van de Marinekazerne Amsterdam en moet eind 1999 worden opgeleverd. De Koninklijke marechaussee zal dan geen gebruik meer maken van de Kolonel Six-kazerne en de Robert Kochkazerne te Amsterdam.

Aan de begroting van de Koninkijke marechaussee zijn met ingang van 1998 fondsen toegevoegd voor de uitbreiding van de militaire politietaak alsmede fondsen ten behoeve van internationale uitzending en het verhogen van de flexibiliteit. Deze fondsen zullen in 1998 voor een belangrijk deel ingezet worden voor de realisatie van infrastructurele aspecten van genoemde taken.

Ten laste van dit artikel worden ook uitgaven gedaan ten behoeve van op economische gronden te vervangen materieel, zoals onder andere voertuigen, wapens, munitie en automatiseringsmiddelen.

In 1998 zal een begin worden gemaakt met het aanpassen van cellencomplexen als gevolg van de invoering van de «Regeling cellencomplex» door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 06.05  8 8009 90112 01815 62918 729 
– artikel 06.06  3 78228 95524 74326 76332 092 
Totaal overgeheveld  12 58238 85636 76142 39250 821 
Nieuwe mutaties   6 8421 7712 1231 934 
Stand ontwerp-begroting 1998  12 58245 69838 53244 51552 75541 839
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
    19981999200020012002
Overheveling uit:         
– artikel 06.05   7 40111 21815 62918 429 
– artikel 06.06   25 95525 74327 66330 279 
Totaal overgeheveld   33 35636 96143 29248 708 
Nieuwe mutaties   6 8421 7712 1231 934 
Stand ontwerp-begroting 1998   40 19838 73245 41550 64247 875

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Aanvullingen ten behoeve van de militaire politietaak6 100    
Aanvullingen in verband met uitzendingen en flexibiliteit3 500    
Prijsbijstelling 19979459791 1361 252
Overige bijstellingen– 3 703792987682
Totaal6 8421 7712 1231 934

Toelichting op de nieuwe mutaties

Aanvullingen ten behoeve van de militaire politietaak

In reactie op de uitkomsten van de evaluatie van de militaire politietaak is f 6,1 miljoen toegevoegd aan het budget van de Koninklijke marechaussee. In 1998 worden deze gelden eerst voor materiële uitgaven gebruikt.

Aanvullingen in verband met uitzendingen en flexibiliteit

In 1998 wordt in afwachting van de instroom van het personeel de f 3,5 miljoen die aan het budget van de Koninklijke marechaussee is toegevoegd, besteed aan de aanpassing van de infrastructuur bij de brigades.

Overige bijstellingen

De besluitvorming naar aanleiding van het lange-termijnprogramma van de Koninklijke marechaussee en de besluitvorming in het kader van de actualisering van de prioriteitennota hebben geleid tot de herschikking van diverse kleinere budgetten. Dit heeft onder andere betrekking op een bijdrage van de Koninklijke marechaussee aan het Militaire Revalidatie Centrum (MRC).

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
Vervoermiddelen en vaartuigen8 0009 0009 25010 0008 9008 0008 5009 0009 7508 500
Elektrisch en elektronisch materieel7 5007 5008 0009 0008 3005 7007 0008 0008 5007 000
Automatiseringsmiddelen6 6005 3005 9007 5006 70010 2507 0007 5008 0006 500
Bewapeningsmaterieel7757751 0001 3001 0001 0001 0001 0001 0001 000
Springstoffen en munitie1 0001 0001 1001 5001 0001 0001 1001 2001 4001 000
Telefooninstallaties1 0001 0001 2001 6001 0001 0001 1001 2001 5001 100
Overig groot materieel1 0481 0361 3001 8741 4511 7361 6001 4851 5961 508
Infrastructuur19 77512 92116 76519 98113 48811 51211 43216 03018 89621 267
Totaal45 69838 53244 51552 75541 83940 19838 73245 41550 64247 875

Toelichting op de ramingsbedragen per artikelonderdeel

Vervoermiddelen en vaartuigen

Het voertuigenpark van de Koninklijke marechaussee bestaat uit transporters, personenauto's, motoren, vrachtauto's en pantserwagens. In verband met afstoting van veel verouderd materieel in 1996 en 1997 kan in 1998 met een lager bedrag worden volstaan.

Elektrisch en elektronisch materieel

De geraamde bedragen zijn bestemd voor de uitbreiding en vervanging van (data)communicatieapparatuur. Daarnaast dient in de toekomst rekening te worden gehouden met een bijdrage van de Koninklijke marechaussee in het communicatieproject C2000 als opvolger van het Interim Landelijk Mobilofoonnet.

Automatiseringsmiddelen

In 1997 en 1998 zullen investeringen dienen te worden gedaan in automatiseringssystemen die in belangrijke mate bepalend zijn voor de bedrijfsvoering van de Koninklijke marechaussee. Als belangrijkste systemen worden genoemd:

– het opnieuw opzetten van het Passagiers Afhandelingssysteem in samenwerking met de immigratie- en naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie;

– het invoeren van een mobiel bevragingssysteem (Mobilist) in voertuigen;

– het invoeren van districts- en brigadenetwerken (KMARIM);

– het invoeren van een systeem ten behoeve van de ondersteuning van de justitiële dienst met behulp van fotoconfrontatie;

– de invoering van een geïntegreerd meldkamersysteem ter ondersteuning van de operationele meldkamer.

Bewapeningsmaterieel

Het bedrag is bestemd voor de onderhoudsaanschaf van het diverse in gebruik zijnde bewapeningsmaterieel.

Springstoffen en munitie

Het bedrag is vooral bestemd voor de aanschaf van munitie om de schietvaardigheid te onderhouden.

Telefooninstallaties

Het geraamde bedrag is bestemd voor de uitbreiding en vervanging van telefooninstallaties, faxen en mobiele telefoonapparatuur.

Overig groot materieel

Hieronder worden uitgaven geraamd ten behoeve van uitbreiding en vervanging van materieel, zoals apparatuur voor beroepsvaardighedentraining en kopieermachines.

Infrastructuur

In 1998 komen de laatste termijnen van de nieuwbouw voor de Koninklijke marechaussee in Den Haag tot betaling.

Voor de brigades Seedorf en Katwijk vindt nieuwbouw plaats. Deze projecten zijn in 1997 aangevangen en worden in 1998 afgerond.

Voorts is in passieve componenten van het KMARIM (onder andere bekabeling) voorzien.

Voor het honorarium van het agentschap DGW&T is in 1998 een bedrag van f 0,7 miljoen in de begroting opgenomen.

08. BELEIDSTERREIN MULTI-SERVICE PROJECTEN EN ACTIVITEITEN

08.01 Luchtmobiele brigade

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Overeenkomstig de door de Kamer aanvaarde motie-Van Middelkoop (Kamerstukken II, 1990/91, 21 991 X, nr. 18) zijn de oprichting van en de investeringen voor de luchtmobiele brigade onderworpen aan de procedure controle grote projecten.

De specifiek voor de oprichting van de luchtmobiele brigade benodigde investeringen worden op dit artikel verantwoord.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19951996199719981999200020012002
Stand ontwerp-begroting1997  82 50568 22693 49398013 566 
1e suppletore wet 1997  101 062  
Nieuwe mutaties  82 77112 908– 48 0102 67366 528 
Stand ontwerp-begroting 19981 883 851163 435266 33881 13445 4833 65380 094 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1996199719981999200020012002
Stand ontwerp-begroting 1997  470 717412 646266 938300 740350 366 
1e suppletore wet 1997  34 947  
Nieuwe mutaties  – 69920 62528 35312 83512 270 
Stand ontwerp-begroting 1998 436 065504 965433 271295 291313 575362 636178 185

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en de uitgaven opbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedragen x f 10001998199920002001
Verplichtingenmutaties    
Ramingsbijstellingen:     
– Bewapende helikopter– 9 571– 54 6832 67366 528
– Transporthelikopter19 7134 356   
– Overige, specifieke materieelprojecten1 872    
– Infrastructuur grondcomponent5202 003   
Prijsbijstelling 1997:     
– Infrastructuur luchtcomponent374314  
Totaal van de verplichtingenmutaties12 908– 48 0102 67366 528
Uitgavenmutaties    
Ramingsbijstellingen:     
– Bewapende helikopter13 2825 278– 12 164– 837
– Transporthelikopter– 19 3196 81912 164837
– Overige, specifieke materieelprojecten9 242    
– Infrastructuur landcomponent5202003   
– Luchtmobiel speciaal voertuig– 3 725    
Prijsbijstelling 1997:    
– Bewapende helikopter11 16811 32912 54412 264
– Transporthelikopter9 1602 6131006
– Infrastructuur luchtcomponent297311191 
Totaal van de uitgavenmutaties20 62528 35312 83512 270

Toelichting op de nieuwe verplichtingenmutaties

De verplichtingenmutaties zijn een gevolg van verschuivingen in de aanvullende investeringen voor de Bewapende helikopter en de Transporthelikopter en vertraging in de aanschaf van Overig specifiek materieel. De verschuiving bij de Infrastructuur landcomponent is een gevolg van het uitstellen van de werkzaamheden aan het oefenterrein De Haar.

Toelichting op de nieuwe uitgavenmutaties

De uitgavenmutaties bij de Bewapende helikopter en de Transporthelikopter zijn een gevolg van herschikkingen in de aanvullende investeringen. De mutatie in de uitgaven voor het Luchtmobiel speciaal voertuig is overeenkomstig het betalingsschema opgesteld in overleg met de leverancier. De betalingen voor het Overig specifiek materieel zullen grotendeels in 1998 plaatsvinden omdat de verplichtingen later (in 1997) worden aangegaan dan oorspronkelijk verwacht. De verschuiving bij de Infrastructuur landcomponent is een gevolg van het uitstellen van de werkzaamheden aan het oefenterrein De Haar.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingenUitgaven
 1998199920002001200219981999200020012002
08.01.01 Bewapende helikopter39 25634 4903 65380 094 257 910233 550294 022361 794178 185
08.01.02 Transporthelikopter19 7134 356   139 75348 20612 264842 
08.01.03 Luchtmobiel speciaal voertuig     15 150    
08.01.04 Persoonsgebonden uitrusting           
08.01.05 Overige, specifieke materieelprojecten1 872    9 242    
08.01.06 Infrastructuur grondcomponent5202 003   5202 003   
08.01.07 Infrastructuur luchtcomponent19 7734 634   10 69611 5327 289  
Totaal81 13445 4833 65380 094 433 271295 291313 575362 636178 185

Toelichting per artikelonderdeel

Bewapende helikopter

De eerste Apache AH-64D helikopters zullen vanaf 1999 binnenstromen. Als interimoplossing worden 12 Apache AH-64A helikopters geleased van de Verenigde Staten.

Transporthelikopter

Inmiddels zijn de zeven gemodificeerde Chinook helikopters in gebruik genomen. De zes nieuwe Chinook helikopters zullen vanaf 1998 binnenstromen. De instroming van de Cougar helikopters zal naar verwachting eind 1997 voltooid zijn.

Luchtmobiel speciaal voertuig

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op de verwerving van lichte voertuigen, die met behulp van transporthelikopters kunnen worden vervoerd. De verplichting voor de aanschaf van de «Véhicule Léger Aéromobile» van Lohr Industries uit Frankrijk is in 1996 aangegaan. Het voertuig zal in licentie door DAF Special Products worden gebouwd. Naar verwachting zal de instroming het laatste kwartaal van 1997 aanvangen.

Persoonsgebonden uitrusting

Op dit artikelonderdeel werden de uitgaven geraamd die voortvloeien uit de verwerving van parka's, speciale slaapzakken en overige persoonsgebonden uitrusting. Dit deelproject is afgesloten.

Overige, specifieke materieelprojecten

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op speciaal voor de luchtmobiele genie en logistieke eenheden bestemd materieel, zoals minibouwmachines, mijnenvelddoorbraakuitrustingen en speciale geniemunitie.

Infrastructuur grondcomponent

De op dit artikelonderdeel opgenomen uitgaven hebben betrekking op infrastructurele aanpassingen voor de grondcomponent van de luchtmobiele brigade te Assen en Schaarsbergen.

Infrastructuur luchtcomponent

De op dit artikelonderdeel opgenomen uitgaven hebben betrekking op infrastructurele aanpassingen voor de luchtcomponent van de luchtmobiele brigade, te weten de Tactische helikoptergroep te Soesterberg en Gilze-Rijen.

08.02 Vredesoperaties

De grondslag van het artikel

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van vredesoperaties. De uitgaven betreffen het verplichte Nederlandse aandeel (contributies) in de kosten van VN-operaties (1,59%) en de additionele uitgaven die het gevolg zijn van de deelneming van de Nederlandse krijgsmacht aan vredesoperaties.

De additionele uitgaven hebben betrekking op:

– personele exploitatie, waaronder toelagen en reis- en verblijfkosten;

– materiële exploitatie, waaronder brandstofverbruik, verbruiksartikelen, gebruiksgereedmaken en onderhoud en herstel van materiaal.

Momenteel neemt de Nederlandse krijgsmacht deel aan een aantal vredesoperaties in en rondom het voormalige Joegoslavië, alsmede aan enkele kleinere operaties elders in de wereld. De Navo Sfor-operatie in het voormalige Joegoslavië en vanuit Italië (Villafranca en Sigonella) worden niet door de Verenigde Naties (VN) gefinancierd. Als gevolg hiervan ontvangt Nederland voor deze operaties geen VN-vergoedingen.

De uitgaven

Opbouw uitgaven vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1996199719981999200020012002
Stand ontwerp-begroting 1997 330 302288 024303 024303 023303 024303 024 
1e suppletore wet 1997  – 54 000– 47 500– 35 200– 54 400– 54 900 
Nieuwe mutaties
Stand ontwerp-begroting 1998  234 024255 524267 823248 624248 124248 124

De onderverdeling naar contributies en vredesoperaties

De onderverdeling naar contributies en vredesoperaties (x f 1000)
OmschrijvingUitgaven
 19981999200020012002
VN-contributies41 25061 25061 25061 25061 250
F-16's Villafranca20 000
Sfor50 000
Voorziening voor Vredesoperaties144 274206 573187 374186 874186 874
Totaal255 524267 823248 624248 124248 124

Voor de gegevens over volume en prestaties, zoals gegevens over de personele inzet bij vredesoperaties, wordt verwezen naar paragraaf 1.5.4 van de memorie van toelichting «Overzicht Nederlandse bijdragen aan vredesoperaties».

VN-contributies

Deze contributies betreffen het verplichte Nederlandse aandeel in de kosten van VN-operaties geraamd.

F-16's Villafranca

Deze regel bevat de raming van de additionele uitgaven voor de Nederlandse deelneming met F-16's aan Sfor vanuit Villafranca (voorheen operatie Deny Flight). Politieke besluitvorming heeft plaatsgevonden over deelneming aan deze operatie tot en met de eerste helft van 1998.

Sfor

Het betreft hier een voortzetting van de deelneming van een gemechaniseerd bataljon inclusief ondersteunende eenheden aan Sfor in Bosnië. Politieke besluitvorming heeft plaatsgevonden over deelneming aan deze operatie tot en met de eerste helft van 1998.

Voorziening voor Vredesoperaties

Op deze regel is de resterende voorziening voor vredesoperaties opgenomen.

08.03 Doelmatigheidsbesparingen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de besparingen verantwoord als gevolg van maatregelen ter verbetering van de doelmatigheid. Deze maatregelen zijn nu uitgevoerd. Daarom wordt dit artikel in deze ontwerpbegroting voor het laatst gevoerd.

De in te boeken bezuinigingen

Opbouw van de bezuinigingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1996199719981999200020012002
Stand ontwerp-begroting 1997   – 28 057– 61 234– 158 046– 155 210 
1e suppletore wet 1997
Nieuwe mutaties   28 05761 234158 046155 210 
Stand ontwerp-begroting 1998        

Doelmatigheidsbesparingen

In de beleidsbrief van november 1994 zijn onder andere structurele maatregelen aangekondigd om de kosten van «overhead» en van ondersteunende delen van de defensie-organisatie te verminderen. De besparingsmogelijkheden doen zich op verschillende terreinen voor en zijn vooral gericht op de verbetering van de doelmatigheid. In bijlage 3 van de brief zijn de besparingsrichtingen opgenomen. Voor de nog resterende reeks in te boeken doelmatigheidswinst bevat deze ontwerp-begroting de te nemen maatregelen. Met de totale opbrengst van de maatregelen is vanaf het jaar 2000 de structurele besparing van f 450 miljoen per jaar verwezenlijkt. Vanaf de begroting 1996 is elk jaar een deel van de besparing ingeboekt op basis van de op dat moment concreet uitgewerkte maatregelen. Onderstaand is aangegeven welk deel van de totale besparing in de respectievelijke begrotingen is verwerkt.

 
Verwerkte besparingen (bedragen x f 1000)19961997199819992000
– met de begroting 199675 000121 380167 557181 703192 043
– met de begroting 199728 62054 386107 06399 911
– met de ontwerpbegroting 1998 (zie onderstaande toelichting op de nieuwe mutaties)28 05761 234158 046
Totaal75 000150 000250 000350 000450 000

Toelichting op de nieuwe mutaties

De verwachte bruto-opbrengst van de diverse maatregelen alsmede de met de maatregelen samenhangende investeringen (kosten voor de baat) zijn niet geheel in overeenstemming met de omvang en fasering van de in de ontwerpbegroting 1997 resterende taakstelling. Door middel van budgetoverhevelingen tussen dit artikel en de beleidsterreinen is dit faserings- en omvangsverschil geaccomodeerd binnen het defensiebudget.

De nieuwe mutaties zijn als volgt te specificeren:

<
 
bedragen x f 100019971998199920002001
Budgetoverhevelingen tussen beleidsterreinen38 19654 81047 37257 42414 338
Externe opleidingen– 6 900– 6 900– 6 900– 6 900– 6 900
Geestelijke verzorging– 4 211– 4 211– 4 211– 4 211– 4 211
Geneeskundige verzorging– 5 000– 5 000– 5 000– 1 500– 1 500
Controletoren 5 8405 8405 8405 840
Verkeer en vervoer 7 0007 0007 0007 000
CO/Haagse staven 5 00010 00015 00015 000
Voorlichting 1 5141 5141 5141 514
Bidoc 2 2942 2942 2942 294
Militaire geschiedenis 300300300300
Bemiddelingsopleidingen BBT'ers 7 50015 30015 30015 300
Afschaffing BBT-premies    8 250
Samenvoeging diverse opleidingen 3 080