Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25535 nr. 8 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25535 nr. 8 |
Vastgesteld 4 maart 1999
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 en de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken2 hebben op 27 januari 1999 overleg gevoerd met minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken en minister Herfkens voor Ontwikkelingssamenwerking over het regiobeleidsdocument Caribisch gebied (25 535, nr. 5).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Hessing (VVD) constateerde dat het onderhavige beleidsdocument een integraal beeld van de regio verschaft en tevens een goed uitgangspunt biedt voor de verdere beleidsontwikkeling terzake die nu overigens nog erg mager is te noemen. De samenvatting en de beleidsvoornemens bevatten 26 punten die gekarakteriseerd kunnen worden als appels en peren, groen, rijp en overrijp door elkaar.
Door de lange voorbereidingsduur van twee jaar, zijn bepaalde gegevens uit het stuk inmiddels wat achterhaald. Kunnen de bewindslieden derhalve geactualiseerd aangeven welke prioriteiten zij stellen voor deze regio in het algemeen en de afzonderlijke landen in het bijzonder? Welke initiatieven worden bijvoorbeeld door het Koninkrijk en de EU genomen om het gebrek aan economische integratie en samenwerking tussen de leden van de Associatie van Caribische Staten (ACS) te verbeteren?
Paragraaf 6 van het lijstje met aanbevelingen behelst een sterke relativering van de preferentiële systemen. Er ontstaat een grote afhankelijkheid en kwetsbaarheid van die landen, waardoor ze op afstand dan wel buiten de werkelijkheid van de wereldhandel komen te staan. Het verdient dan ook de voorkeur zich te oriënteren op gerichte ondersteuning van bijvoorbeeld de economische structuur of de opbouw van de private sector in die landen.
Het Europees optreden met betrekking tot de bananenproblematiek kan gekarakteriseerd worden als een blunder van de Europese Commissie en een blamage voor de Europese Unie. Landen die drijven op de bananencultuur dienen zo snel mogelijk de werkelijkheid te accepteren en hun structuur aan te passen en andere bronnen van inkomsten te realiseren. Hiervoor zijn mechanismen beschikbaar, zoals diversificatie en het zich richten op kansrijke sectoren en het midden- en kleinbedrijf, waarbij de desbetreffende landen voor hulp een beroep zouden moeten kunnen doen op Nederland en de Europese Unie. Voor de werkgelegenheid en het economisch fundament in deze regio is het van groot belang dat de private sector wordt bevorderd, onder meer door gebruikmaking van de ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET) en het Europees ontwikkelingsfonds (EOF).
Kernpunt van het beleidsdocument is het verbeteren van de economische structuur. De kwalitatief goede rapporten van de Wereldbank kunnen bij de beleidsontwikkeling op dat punt een belangrijke rol spelen, evenals het VNO/NCW-rapport «Samen in de markt» uit 1998. Welke aanbevelingen neemt de regering hieruit over en op welke wijze is zij voornemens het bedrijfsleven erbij te betrekken? Is hierbij ook een rol weggelegd voor het Internationaal monetair fonds (IMF)?
De heer Hessing vernam graag een reactie van de bewindsvrouw op de naar zijn oordeel volstrekt achterhaalde omschrijving van ontwikkelingssamenwerking, zoals opgenomen in paragraaf 8 van het beleidsdocument. Kunnen beide bewindslieden overigens aangeven waaraan de 1 mld. ecu die de Europese Unie de afgelopen vijf jaar naar het Caribisch gebied heeft gestuurd, is besteed en tot welke concrete resultaten die hulp heeft geleid?
In paragraaf 11 staat dat de Nederlandse Antillen wellicht kunnen fungeren als expertisecentrum voor overheidsdiensten. Wordt hiermee bedoeld dat het financiële beleid of het gevangeniswezen op de Nederlandse Antillen een goede voorbeeldwerking hebben voor de regio? Aan welke overheidsdiensten wordt dan gedacht? In dezelfde paragraaf wordt zelfs nog de suggestie van duurzame ontwikkelingsverdragen (DOV) genoemd, een ontwikkeling die met klem te ontraden is.
De heer Hessing onderschreef het belang van het tijdig anticiperen op de openstelling van Cuba en op het alsdan verder uitbouwen van de relaties met dit land. Na beëindiging van het bewind van Castro zal dit eiland een belangrijke rol in de regio kunnen gaan spelen, waarbij er in economisch opzicht gigantische mogelijkheden voor Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba liggen. Hij deed dan ook de suggestie om in samenwerking met onder meer het bedrijfsleven, waaronder de banken, een taskforce voor Cuba in het leven te roepen. In dat licht zou het wellicht ook wenselijk zijn dat de minister van Buitenlandse zaken, de minister voor Ontwikkelingssamenwerking of de staatssecretaris van Economische Zaken over niet al te lange termijn met een economische parallelle missie een bezoek bracht aan Cuba. Ook zou ter versterking van die relatie het instrument van ORET kunnen worden ingezet. Is de regering tevens bereid om met betrekking tot dit pro-actieve beleid aangaande Cuba een aparte notitie te produceren, waarin onder meer wordt aangegeven welke Cubaanse sectoren kansrijk zijn voor Nederland en de Antillen en Aruba?
Aangaande de aanpak van de drugsproblematiek in de regio (paragraaf 19) is de samenwerking tussen Nederland en de Verenigde Staten essentieel. Hoe intensief is die relatie momenteel en zal die nog verder uitgebouwd worden, ook met landen zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Spanje? Wellicht is instelling van een taskforce op dit beleidsterrein eveneens het overwegen waard.
De heer Hessing vroeg vervolgens aandacht voor de regionale en bilaterale samenwerking. In de regio zijn een aantal ontwikkelingsorganisaties actief, zoals de Caribbean Community and Common Market (CARICOM) en de ACS. Welke steun krijgen zij van de Europese Unie en welke mogelijkheden zijn er in deze regio specifiek voor Nederland waar het ontwikkelingssamenwerking betreft? Kansrijke sectoren in dit gebied zijn onder meer transport, energie (zonnecollectoren) en communicatie.
De heer Hoekema (D66) vroeg allereerst een reactie van de bewindslieden op het recente krantenbericht dat de VS de EU hebben beschuldigd achter de actie te zitten van twee Caribische landen om de bananenproblematiek niet op de agenda van de WTO te krijgen. Overigens neemt Nederland, zoals bekend, binnen de EU over de bananen een gezamenlijk standpunt in, hetgeen de VS en de Cariben bekend is.
Door de grote kwetsbaarheid van het Caribisch gebied voor natuurrampen, zoals onlangs weer is gebleken in Colombia, is het van belang dat de Nederlandse presentie aldaar qua humanitaire hulpverlening en economische wederopbouw goed vorm wordt gegeven. Aandachtspunten hierbij zijn goede organisatie, vlotte informatievoorziening, adequate logistiek en afdoende coördinatie tussen de hulpaanbieders.
Wat betreft de ontwikkelingen in Cuba pleitte de heer Hoekema ervoor, met name het economisch engagement van Nederland in dat land te versterken, evenals de betrokkenheid van Nederlandse instellingen bij de dragers van veranderingen in Cuba die identificeerbaar zijn. Het is belangrijk dat Nederland zich tijdig instelt op het leveren van een materiële bijdrage aan het tijdperk na Castro, waarbij er ook voortdurend aandacht zal moeten zijn voor de mensenrechtensituatie aldaar. Voor een bezoek van een minister lijkt het in dat licht nog te vroeg.
De positie van de Antillen in het Caribisch gebied en in de Caribische samenwerkingsorganen blijft Nederlandse steun verdienen en dient verder versterkt te worden, hetgeen voor de kracht en het zelfrespect van de Antillen van groot belang is. De zelfstandige vertegenwoordiging van de Antillen in organen als CARICOM moet worden gestimuleerd.
Het functioneren van de kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba is een belangrijk instrument in de strijd tegen de drugshandel, dat mede gelet op de verhouding van het Koninkrijk met de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk veel aandacht moet blijven krijgen. Met betrekking tot de aanpak van de drugsproblematiek in bredere zin was er naar de mening van de heer Hoekema ook een intensieve rol weggelegd voor de Verenigde Naties. Daarnaast liggen er via bilaterale contacten mogelijkheden voor maatregelen die verdergaan dan alleen repressie en bestrijding van smokkel van drugs.
In het kader van het streven naar good governance en democratie in de regio dient de kwaliteitsverbetering van politie en justitie aldaar beleidsprioriteit van Nederland te zijn. Welke instrumenten zijn daartoe voorhanden via bilaterale of multilaterale programma's?
Waar er signalen zijn van mogelijke bedreigingen van de kwaliteit van de duurzaamheid van het ecologisch systeem in de regio als gevolg van massatoerisme, is het van groot belang dat Nederland de ontwikkelingen op dat punt scherp in de gaten houdt. Duurzaamheidsverdragen met landen zoals Costa Rica kunnen hieraan een positieve bijdrage leveren.
De heer Eurlings (CDA) moest constateren dat ook het onderhavige beleidsdocument te vaag en te vrijblijvend is om echt als integraal en richtinggevend voor de toekomst te kunnen functioneren, zeker waar het gaat om de realiseerbaarheid van de daarin geschetste en beoogde ideaalsituatie. Hij wees op het belang van een integraal en ambitieus beleid voor de Cariben, vooral in een tijd waarin de VS hun inspanningen hebben teruggebracht tot maatregelen ter bestrijding van drugshandel. Het is wenselijk dat Nederland, liefst in Europees verband, aandacht heeft voor de economische en sociale structuurversterking van deze regio, vooral omdat het Koninkrijk met zijn overzeese gebiedsdelen op economisch, sociaal, wetenschappelijk en cultureel vlak een voortrekkersrol zou kunnen vervullen.
De rol van de Nederlandse Antillen en Aruba als springplank en toegangspoort van Nederland in de Cariben zal mede gestalte dienen te krijgen door forse investeringen in onder andere telecom, harde infrastructuur en opleidingen. Zeker is dat in een sfeer van pappen en nathouden en gefrustreerde relaties de overzeese koninkrijksdelen nooit die rol kunnen vervullen die hun in het beleidsdocument wordt toebedacht. In dat licht kan een topconferentie met de Nederlandse Antillen en Aruba onder leiding van de Nederlandse minister-president nuttig zijn, waarbij enerzijds harde noten gekraakt worden over financiële saneringen en de problematiek van kansloze Antilliaanse immigranten en anderzijds duidelijke afspraken gemaakt worden om de in het beleidsdocument voorgestane economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Verder was de heer Eurlings benieuwd te vernemen hoe de Nederlandse regering de door het Koninkrijk opgebouwde goodwill in de regio verder wil uitnutten.
Wat stellen de bewindslieden zich concreet voor bij het in het document geformuleerde uitgangspunt dat ten aanzien van de noodzakelijke structuurversterkende maatregelen voor het Caribisch gebied, Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Spanje een actiever beleid voor deze regio zal blijven entameren? Hoe denken zij de Antillen en Aruba bij dat actievere beleid te betrekken?
Bestrijding van drugshandel verdient een zeer hoge prioriteit, waarbij de internationale aanpak een absolute must is. Wat zijn de eerste ervaringen van de verbeterde maritieme samenwerking die op 1 januari 1998 van start is gegaan en wat is het standpunt van de Nederlandse regering over de behoefte van de Antillen om meer eigen sturing te geven aan de kustwacht? Kan al iets gemeld worden over de Nederlandse ratificatie van het verdrag met Frankrijk aangaande Sint Maarten en wat is de visie van de Nederlandse regering op het op 2 januari jl. door Suriname en de VS ondertekende akkoord over drugsbestrijding? Heeft laatstgenoemd akkoord ook gevolgen voor de uitlevering tussen Nederland en Suriname van van drugscriminaliteit verdachte personen?
Nederland heeft zich altijd gekeerd tegen het discriminerende invoerregime voor bananen. Na de veroordeling in hoger beroep in het kader van de World Trade Organisation (WTO) zal er voor de korte termijn een acceptabele preferentiële behandeling voor ACS-bananen moeten komen. Welke regeling staat Nederland in dit verband voor en hoe denkt het de Caribische bananensector concurrerend te maken of alternatieve inkomstenbronnen voor de regio aan te boren?
Meer aandacht voor Latijns-Amerika vertaalt zich onder meer in het terugdringen van de armoede- en migratieproblematiek en in het opbouwen van goede, lucratieve economische relaties. Niet alleen voor Nederland maar ook voor de Nederlandse Antillen en Aruba snijdt het mes hierbij duidelijk aan twee kanten.
Volgens het beleidsdocument kunnen ontwikkelingsprogramma's zoals voor Suriname, Jamaica en Haïti worden uitgebouwd naar landen zoals Guyana en de Dominicaanse Republiek. Hoewel dit op zichzelf positief is, valt het op dat hierbij extra ontwikkelingsaandacht wordt vermeld, hetgeen de vraag doet rijzen hoe dit zich verhoudt tot het concentratiebeleid van Ontwikkelingssamenwerking. Graag verkreeg de heer Eurlings meer duidelijkheid over de ware intenties en doelstellingen op dit vlak.
Openstelling van Cuba zal het beeld van het Caribisch gebied sterk veranderen en derhalve is het goed om daarop nu reeds te anticiperen. Kan aangegeven worden wat precies wordt verstaan onder het «hiertoe intensiveren van de activiteiten van de ambassade in Havana», zoals verwoord in het beleidsdocument? Nederland zou zich er op Europees niveau voor moeten inzetten dat een gedragscode wordt aanvaard die aangeeft onder welke voorwaarden Europese bedrijven zaken kunnen doen met Cuba, met als uitgangspunt dat de activiteiten van deze bedrijven niet bijdragen aan het staatssysteem van Castro. Op die manier kan ook een passend Europees antwoord gegeven worden op de Amerikaanse Helms-Burton Act. Daarnaast zal via non-gouvernementele organisaties geprobeerd moeten worden om de civil society aldaar te versterken.
De positie van Nederland ten opzichte van Suriname blijft behoorlijk buiten beschouwing in het document. Op een creatieve manier en via nieuwe kanalen dient Nederland continu te proberen de bevolking van Suriname te helpen in dit land dat zienderogen verloedert door slecht bestuur, zo meende de heer Eurlings.
Mevrouw Karimi (GroenLinks) vroeg naar aanleiding van de recente natuurramp aldaar of Colombia de Nederlandse regering reeds om hulp verzocht heeft en, zo ja, wat daarop haar reactie is geweest. In zijn algemeenheid wees zij op het belang dat bij de wederopbouw van landen die door natuurrampen zijn getroffen, ingespeeld wordt op de eerdere problemen die er daar al waren op het gebied van economie, infrastructuur etc.
Het onderhavige beleidsdocument hinkt op twee gedachten. Enerzijds wordt er melding gemaakt van de gebrekkige mogelijkheden voor de landen in de regio om voordeel te behalen uit de liberalisatie en om te integreren in de wereldeconomie en anderzijds wordt de conclusie getrokken dat het van belang is om door te gaan met het ondersteunen van de regio in de richting van meer liberale economieën. Wat is de visie van de bewindslieden hierop, ook met betrekking tot de sociale gevolgen van bijvoorbeeld structurele aanpassingsprogramma's?
Een volgende vraag die rijst is wat de waarde van het beleidsdocument is in relatie tot de actuele discussies over het beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Is er nog wel sprake van een betrouwbare overheid als straks blijkt dat in het kader van genoemd beleid, beslissingen worden genomen die afwijken van de in het document geformuleerde uitgangspunten voor bijvoorbeeld Jamaica en Haïti?
De sociale verpaupering in Suriname, vooral op het gebied van gezondheidszorg, volkshuisvesting en onderwijs, is uitermate zorgelijk, terwijl de economie daar bovendien tekenen van witwaspraktijken laat zien. Welk beleid voert de Nederlandse regering in dezen ten behoeve van de Surinaamse bevolking zelf? Bieden de sectorspecialisten op de Nederlandse ambassade hierbij ook ondersteuning? Met name de Surinaamse vrouwen kunnen een heel belangrijke rol spelen als het erom gaat onderwerpen op de agenda te zetten.
Verder was mevrouw Karimi benieuwd te vernemen of Nederland de overige rijksdelen betrekt bij de hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en bij de Agenda 2000.
Zij sloot zich aan bij de opmerkingen van de heer Hoekema over Cuba.
De heer Van Oven (PvdA) constateerde dat door de lange voorbereidingstijd het onderhavige beleidsdocument enigszins gedateerd is. Zo rijst de vraag hoe de daarin geconstateerde wens om Suriname actief te betrekken bij regionale initiatieven zich verhoudt tot de huidige verzakelijking in de relatie die wordt bepleit. Geldt ook het uitgangspunt dat de bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsrelatie met Suriname, Haïti en Jamaica zal worden voortgezet, nog onverkort? Is het document overigens ook in overeenstemming met de nieuwe Antilliaanse regering opgesteld die immers kort voor de totstandkoming van dit stuk is aangetreden?
Verhevigde aandacht voor Cuba, onder meer in de vorm van een notitie terzake, beoordeelde de heer Van Oven als terecht, hoewel hij de tijd voor het sturen van een taskforce nog niet rijp achtte. Naast aandacht voor de economie, zal onverminderd krachtig het oog moeten worden gehouden op de mensenrechtensituatie aldaar.
Gelet op de ervaringen die onder meer zijn opgedaan met Trinidad in relatie tot de aanwezigheid aldaar van de heer Bouterse, is het de vraag of het in het document vermelde streven dat de desbetreffende landen zich aansluiten bij de VN-drugsverdragen, afdoende resultaat zal opleveren. Zou de Nederlandse regering niet actiever naar het sluiten van bilaterale rechtshulpverdragen met landen in die regio moeten streven?
De heer Van Oven verwees vervolgens naar een brief die door minister Martha aan de Staten van de Nederlandse Antillen is gestuurd waarin melding wordt gemaakt van een gesprek met minister Van Aartsen, waarbij naast de kustwacht, de mogelijkheid van intensieve samenwerking met de VS aangaande de drugsbestrijding aan de orde is geweest. Moet gevreesd worden dat in de praktijk de kustwacht vervangen zal worden door een drugsbestrijdingscentrum op Curaçao van Amerikaanse zijde?
Het beleidsdocument ontbeert een analyse en visie terzake van het onderlinge personenverkeer van de Caribische landen. Een aantal kleinere eilanden is het gewoon om op betrekkelijk informele wijze onderdanen van andere eilanden toe te laten, hetgeen gelet op de op- en neergaande economieën op de verschillende eilanden, consequenties kan hebben voor de migratie van onder meer werkloze Antillianen naar Europese landen. In dat verband is ook van belang het grensverdrag tussen Nederland en Frankrijk ten aanzien waarvan de Antilliaanse regering een negatief standpunt zou hebben ingenomen.
Omtrent de coördinatie van het buitenlands beleid heeft het contactplan in mei 1996 een betrekkelijk scherp gestelde notitie ontvangen van de Staten van de Antillen, waarin een sterke claim wordt gelegd op die delen van het buitenlands beleid van het Koninkrijk die uitsluitend de Antillen en Aruba raken. Hoewel de heer Van Oven het verlangen onderschreef van de Antillen om een zekere rol te spelen in met name de Caribische regio, onder meer in het kader van CARICOM en ACS, verbaasde hij zich er wel over dat de weerslag daarvan niet is terug te vinden in het voorliggende beleidsdocument.
De heer Van Middelkoop (GPV) sprak zijn waardering uit voor het voorliggende inzichtelijke en leerzame beleidsdocument. In het Caribisch gebied zijn evidente koninkrijksbelangen aan de orde, onder andere op het gebied van de veiligheid, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in de aanwezigheid van de Koninklijke marine op de Antillen en Aruba. Waar in het verleden kortstondig sprake is geweest van een Caribische federatie, wijst de realiteit uit dat het gebied op dit moment politiek en maatschappelijk totaal geen eenheid is. Het belang van een goede samenwerking in de Cariben tussen het Koninkrijk en de VS is evident, vooral die tussen de Nederlandse marine en de Amerikaanse coastguard van de VS.
Refererend aan het op blz. 11 van dit document gestelde, dat voor een goede beleidsuitvoering wat betreft de regio nauwe samenwerking noodzakelijk is tussen het departement van Buitenlandse Zaken, het bureau Buitenlandse betrekkingen en de directie Buitenlandse betrekkingen, vroeg hij naar de specifieke positie van laatstgenoemde twee instellingen die, naar mag worden aangenomen, toch ook de belangen behartigen van de gebieden die ze zelf vertegenwoordigen.
De heer Van Middelkoop had er behoefte aan de economische gevolgen van de eventuele openstelling van Cuba te relativeren, aangezien het hier een markt betreft van niet meer dan 10,9 miljoen inwoners met vooralsnog weinig koopkracht. Voorlopig is Nederland economisch gezien dan ook vele malen belangrijker voor Cuba dan omgekeerd. Daarnaast wijst de praktijk in Midden-en Oost-Europa uit dat een communistisch land dat opengaat, gedurende vele jaren problemen krijgt met drugs en criminaliteit. Bovendien zal door de omslag in Cuba dit land voor met name Amerikaanse toeristen buitengewoon aantrekkelijk worden, met alle negatieve toeristisch-economische gevolgen van dien voor de Antillen en Aruba.
De heer Van Middelkoop hechtte er voorts groot belang aan dat het Nederlands parlement en de Staten van de Antillen en Aruba tijdig geïnformeerd worden over de te volgen procedure met betrekking tot de totstandkoming van het besluit Landen en gebiedsdelen overzee (LGO), dat ingevolge het Verdrag van Amsterdam voor het jaar 2000 zijn beslag zal moeten krijgen.
Hij had verder behoefte aan een nadere toelichting op de zijns inziens wat nevelige passage in paragraaf 11, blz. 8 van het document, waar wordt gesproken van het kanaliseren van Nederlandse OS-thema's.
Waar van de regionale organisaties in het gebied de ACS potentieel als de meest belangrijke kan worden beschouwd, vroeg hij wat staatsrechtelijk/volkenrechtelijk gezien de relatie is tussen de ACS en het Koninkrijk en de landen die het vertegenwoordigt. Wat is precies de status van het lidmaatschap en wat is concreet de inzet van het Koninkrijk ten aanzien van deze associatie?
De heer Van Middelkoop deelde het in het beleidsdocument verwoorde streven omtrent verruiming van het postennet en de detachering van Antilliaanse en Arubaanse ambtenaren op posten in de regio, maar vroeg zich tegelijkertijd af wat daarvan in de praktijk terecht zal komen, gelet op het feit dat reeds in het verleden al meerdere malen van dit streven melding is gemaakt zonder dat dit tot nu toe tot zichtbare resultaten heeft geleid.
Ten slotte vroeg hij of ingevolge het nieuw in te zetten beleid van OS, de in het document gehanteerde beleidsuitgangspunten voor onder meer Jamaica en Haïti nog wel van kracht zijn.
De minister voor Ontwikkelingssamenwerking gaf te kennen dat gelet op het huidige ingezette ontwikkelingssamenwerkingsbeleid de paragrafen 8 en 11 van het onderhavige beleidsdocument als vervallen kunnen worden beschouwd. Gevolg van genoemd beleid is onder meer dat wat betreft het Caribisch gebied eigenlijk alleen Haïti voldoet aan de nu geldende armoedecriteria, terwijl ten aanzien van het criterium good governance de ontwikkelingen in dat land duidelijk zijn verslechterd, zodat een structurele bilaterale relatie vooralsnog niet in het verschiet ligt. Wanneer de situatie in Haïti verbetert, zal overwogen worden de hulp alsdan allereerst via multilaterale kanalen op ruimhartige wijze te hervatten. De minister refereerde verder aan de gedachte die internationaal steeds meer postvat, dat met name voor de small island states die een specifieke kwetsbaarheid hebben, de vertaling van de mate van armoede in termen van het bruto nationaal product niet geheel meer opgaat. Voorts moest zij tot haar spijt constateren dat regionale instellingen zoals de Economic Commission for Latin America and the Caribbean (ECLAC) vooralsnog geen enkele interesse tonen voor de Caribische agenda. Lidmaatschap van het Koninkrijk van de Caribische ontwikkelingsbank, inclusief sociaal fonds, is dan ook zeer gewenst.
De toekomst van de Antillen en Aruba ligt weliswaar besloten in integratie ervan in de regio, maar helaas is er nog steeds grote huiver bij deze overzeese gebiedsdelen om zelf actief te participeren in regionale organisaties. De maximale inspanningen van Nederland om die huiver weg te nemen, hebben tot nu toe weinig tot geen resultaat opgeleverd.
In het internationale debat over de toekomst van Lomé is de inzet van Nederland dat de hulp wordt gericht op met name de armste landen, hetgeen ook consequenties zal hebben voor de omvang van de hulp uit het Europees ontwikkelingsfonds richting het Caribisch gebied. Evaluatie van de hulpverlening via dat fonds zal wellicht aan de orde komen in het kader van de nog uit brengen notitie over de kwaliteit van het Europees kanaal. Probleem is overigens dat de Europese Commissie in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Wereldbank geen onafhankelijke evaluatie-eenheid heeft.
In Loméverband is ook de handelsproblematiek onderwerp van bespreking. Nederland is voorstander van handelspreferenties voor de minst ontwikkelde landen. Voor de Caribische regio zijn met name de marktopeningen die vanuit het noordelijk gedeelte van het westelijk halfrond worden geboden, van groot belang. Het Caribbean Basin Initiative is wat dat betreft dan ook belangrijker dan hetgeen Europa terzake te bieden heeft. Gelet op het aantal donoren, zoals Canada, de VS en de EU, en de omvang van de hulp die ze bieden, is er vooralsnog niet veel reden om Nederland er in bilateraal opzicht aan toe te voegen.
In overleg met het departement van Economische Zaken wordt op dit moment gewerkt aan inkorting van de ORET/MILIEV-lijst die Nederland hanteert. Overigens is Cuba zeer geïnteresseerd in plaatsing op die lijst. Momenteel vinden de eerste voorzichtige besprekingen plaats in de Club van Parijs over de eventuele openstelling van dat land, dat overigens nog steeds geen lid is van IMF en Wereldbank.
Hoewel op dit moment nog geen precies inzicht bestaat in de noden in Colombia als gevolg van de natuurramp, is wel duidelijk dat noodhulp dringend gewenst is. Vanuit de Nederlandse ambassade aldaar is meteen na de ramp een bedrag van f.100 000 ter beschikking gesteld voor het lenigen van de eerste noden. Na inventarisatie van de hulpbehoeften zal bezien worden welk bedrag uit het noodhulpfonds beschikbaar kan worden gesteld. Bij de wederopbouw zal zo veel mogelijk geprobeerd worden om ingebakken fouten in het ontwikkelingsproces op zowel ecologisch als sociaal terrein weg te nemen. De minister zag dergelijke noodhulpverlening overigens los van de vraag over het al dan niet aangaan van een bilaterale structurele relatie met zo'n land.
Met betrekking tot de DOV-formule is op dit moment sprake van een wapenstilstand in de Nederlandse politiek in afwachting van de nadere evaluatie.
De zorgwekkende situatie rond de bananenproblematiek houdt behoorlijke risico's in voor het toekomstig functioneren van het mechanisme van geschillenbeslechting. Nederland probeert in dezen dan ook een matigende invloed uit te oefenen. Voor de internationale rechtsorde zou het rampzalig zijn als vanwege dit dossier het rule base systeem onderuit werd gehaald.
Zoals ook al uit beleidsdocument blijkt, zijn er wat betreft Suriname geen nieuwe verwikkelingen te melden. Los van de rol van de niet-gouvernementele organisaties, voorzag de minister door de houding van het Surinaamse landsbestuur voorlopig geen OS-activiteiten op bilateraal terrein. De Wereldbank hanteert strenge regels en normen voor samenwerking, onder andere op het terrein van good governance en milieu. Deze instelling heeft al meerdere malen te kennen gegeven geen relatie met Suriname aan te kunnen gaan vanwege alleen al het feit dat dit land zijn economie baseert op het onverantwoord kappen van het tropisch regenwoud.
Wat betreft het op liberalisatie gerichte beleid van IMF en Wereldbank geldt ten aanzien van de Caribenregio met haar uiterst kleine markten, dat zij eigenlijk geen andere keus heeft dan openstelling om zich economisch goed te ontwikkelen.
Ten aanzien van de detachering van Antilliaanse en Arubaanse ambtenaren was de minister één geval bekend. In het jaar waarin Nederland voorzitter was van de EU, is op de Nederlandse missie van de WTO te Genève enige tijd een Antilliaan werkzaam geweest.
De minister van Buitenlandse Zaken was voornemens om bij de totstandkoming van toekomstig uit te brengen regiobeleidsdocumenten ook een breed forum van belanghebbenden te betrekken, teneinde het draagvlak ervoor te verbreden. Eveneens zal getracht worden om in die documenten voortaan bondiger en scherper prioriteiten te formuleren. Los van de relatie met de koninkrijksdelen aldaar, is het Caribisch gebied, hoewel van belang, overigens geen prioriteit en geen speerpunt in het Nederlands buitenlands beleid. Over het beleidsdocument over deze regio vindt twee keer per jaar overleg plaats met de Antillen en Aruba, overleg dat ook heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de totstandkoming van het onderhavige beleidsdocument. Bovendien is er destijds op Sint Maarten een conferentie gehouden met vertegenwoordigers van deze gebiedsdelen en met ambassadeurs van landen uit de regio, teneinde zoveel mogelijk draagvlak te krijgen voor dat stuk, ten aanzien waarvan ook de nieuwe regering van de Antillen geen enkele distantie heeft betoond.
Het rapport «Samen in de markt» van de hand van VNO/NCW zal betrokken worden bij de verdere gedachtevorming over het Nederlands beleid inzake de Cariben.
In het kader van het EU-beleid tot afschaffing dan wel een zo restrictief mogelijke toepassing van de doodstraf, vond de minister het verontrustend dat in de landen in deze regio de doodstraf in toenemende mate ten uitvoer wordt gelegd. Met name in CARICOM-verband wordt geprobeerd om te komen tot harmonisatie van het doodstrafbeleid.
In het beleidsdocument wordt nadrukkelijk en terecht aandacht besteed aan de drugsbestrijding. Op dat punt is nauwe samenwerking met de koninkrijksdelen Antillen en Aruba en met Brazilië en Colombia van groot belang voor Nederland. Daarnaast zijn er toenemende contacten met de VS, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Waar het probleem met wortel en tak dient te worden uitgeroeid, verdienen productiebeperking en onderschepping van drugstransporten bijzondere belangstelling. Waar mogelijk wordt ook een koppeling gelegd met veiligheid, bestrijding en ontwikkelingssamenwerking.
Het gesprek met de minister van Justitie van de Antillen over de kustwacht, waaraan de heer Van Oven refereerde, heeft zich toegespitst op het verlangen van de Nederlandse regering dat de Antilliaanse regering snel komt met de evaluatie van de kustwacht. Na ommekomst van die evaluatie zal die uiteraard ook aan de Tweede Kamer ter beschikking worden gesteld. Nederland hecht zeer aan instandhouding van die kustwacht. De discussie spitst zich dan ook veeleer toe op de bevoegdheidsverdeling terzake. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om de zogeheten forward operating location (FOL) in de plaats te laten treden van die kustwacht. Over die FOL's vindt momenteel overleg plaats tussen het Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Met inachtneming van het statuut, is het van belang dat de Antillen en Aruba in staat worden gesteld een zekere positie binnen de regio te ontwikkelen, onder meer ten aanzien van de dienstensector. Te dien aanzien moet dan ook sprake zijn van een volstrekt volwassen relatie tussen de koninkrijksdelen. Zo is er geen enkele reden die zich ertegen verzet dat de Antillen en Aruba zelf geassocieerd lid worden van de ACS. Terughoudendheid en vreesachtigheid van Nederlandse zijde aangaande versterking van genoemde positie van deze eilanden in deze regio is dan ook niet op haar plaats. Er dient van beide kanten volledig opening van zaken gegeven te worden over aspecten van het buitenlands beleid, zeker waar deze de regio betreffen. Dit komt reeds tot uitdrukking in het feit dat inmiddels de banden en de contacten met het bureau Buitenlandse betrekkingen zijn aangehaald. Ook wordt gedacht aan bepaalde vormen van detachering. Op dit moment zijn al Antillianen werkzaam op de Nederlandse ambassades in Washington, Port of Spain en Havana.
De problematiek inzake Sint Maarten zal onderwerp van gesprek zijn bij de behandeling van het verdrag begin februari. Het dubbelvisumvereiste geldt overigens alleen voor risicovluchten. Bovendien zal er niet sprake zijn van vrije toegang van onderdanen van EU-lidstaten.
De minister was voorstander van voorzichtige beleidsvoering met betrekking tot het inspelen op de toekomstige openstelling van Cuba, mede onder verwijzing naar het gemeenschappelijk EU-standpunt terzake. Dat inspelen dient hand in hand te gaan met de bevordering van de mensenrechtensituatie aldaar. In dit kader is inmiddels een platform opgericht bestaande uit VNO/NCW, Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat, dat in februari voor het eerst bijeenkomt. Binnenkort zal een ambtelijke missie van de zijde van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Economische Zaken naar Cuba gaan. Bovendien zal de directeur-generaal politieke zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken de volgende week naar Cuba afreizen. Bezoeken op politiek niveau dienen alleen gearrangeerd te worden als ze bijdragen tot bevordering van de mensenrechtensituatie aldaar. Door de Transatlantic Business Dialogue is inmiddels een gedragscode geformuleerd die ook door VNO/NCW is geaccepteerd. Een van de belangrijke thema's daarvan is rechtstreekse betaling en werving van werknemers. Waar mogelijk zal dit soort elementen bij het bedrijfsleven in de aandacht worden aanbevolen.
Het op 2 januari jl. door Suriname en de VS ondertekende akkoord over drugsbestrijding, waarop de heer Eurlings doelde, staat geheel los van de discussie tussen Nederland en Suriname over de binnenlandse situatie in laatstgenoemd land.
Met Trinidad en Brazilië zijn inmiddels rechtshulpverdragen gesloten, terwijl met een aantal andere landen in de regio nog overlegd wordt over het afsluiten van dergelijke verdragen.
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Apostolou (PvdA), Van Gijzel (PvdA), Voorhoeve (VVD), Hillen (CDA), Valk (PvdA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, Hessing (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), M. B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Van der Knaap (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Wilders (VVD).
Plv. leden: Dijkstal (VVD), Bolkestein (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF), Belinfante (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Patijn (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Zijlstra (PvdA), Eurlings (CDA), Cherribi (VVD), De Haan (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van Bommel (SP), Harrewijn (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Remak (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Van den Akker (CDA), Leers (CDA), Vendrik (GroenLinks), Feenstra PvdA), Balemans (VVD).
Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), Te Veldhuis (VVD), Ter Veer (D66), Rosenmöller (GroenLinks), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Van Middelkoop (GPV), Zijlstra (PvdA), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Voorhoeve (VVD), Van der Hoeven (CDA), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), De Graaf (D66), Van Oven (PvdA), Gortzak (PvdA), Van der Knaap (CDA), Balkenende (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Van Bommel (SP), Oplaat (VVD), Albayrak (PvdA), E. Meijer (VVD), Brood (VVD).
Plv. leden: Rijpstra (VVD), Bolkestein (VVD), Van den Berg (SGP), Van Gent (GroenLinks), Van Vliet (D66), Rouvoet (RPF), Valk (PvdA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Van de Camp (CDA), Weisglas (VVD), Van Wijmen (CDA), Hillen (CDA), Timmermans (PvdA), Dittrich (D66), Koenders (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Stroeken (CDA), Atsma (CDA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), De Cloe (PvdA), Marijnissen (SP), O. P. G. Vos (VVD), De Boer (PvdA), Van den Doel (VVD), Luchtenveld (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25535-8.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.