Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25535 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25535 nr. 6 |
Vastgesteld 25 juni 1998
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 26 mei 1998 overleg gevoerd met minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken, minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking en staatssecretaris Van Dok-van Weele van Economische Zaken over:
– het verslag van de staatssecretaris van haar werkbezoek aan Zimbabwe/Mozambique van 17 t/m 25 maart (25 600 XIII, nr. 41);
– de actuele situatie in Zimbabwe (25 600 V, nr. 69);
– de actuele situatie in Nigeria (25 968, nr. 1);
– de actuele situatie in Soedan (25 600 V, nr. 67);
– het regiobeleidsdocument sub-Sahara Afrika (25 535, nr. 2).
Van het overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
Mevrouw Van Ardenne-Van der Hoeven (CDA) vond het positief dat gestreefd wordt naar versterking in bilateraal verband, van de private sector in de ontwikkelingslanden door middel van het programma samenwerking opkomende markten (PSOM). Zij vond het daarom een goede zaak dat in de delegatie van de staatssecretaris vertegenwoordigers van het bedrijfsleven waren opgenomen. Kan de staatssecretaris aangeven waarom ook het onderwijs gerangschikt wordt onder de private sector? Wat is de reden dat het onderwijs vervolgens niet wordt genoemd in programma's voor de ondersteuning van private ondernemingen, maar wel in programma's bedoeld om de overheden te ondersteunen?
De staatssecretaris noemt de landhervormingen een interne kwestie van Zimbabwe. Mevrouw van Ardenne vond dit op zichzelf een juiste visie, maar tekende hierbij wel aan dat ook de mensenrechten bij de landhervormingen een rol spelen. Het betreft immers grond die in het verleden ten onrechte van de zwarte bevolking is afgenomen. Omdat mensenrechten universeel zijn, vond zij dat deze grondproblematiek in gesprekken met de regering van Zimbabwe aan de orde gesteld moet blijven worden. Een extra aansporing om deze problematiek aan de orde te blijven stellen zijn het feit dat landhervorming een onderdeel is van het Lancaster Houseverdrag en het gegeven dat Mugabe dit punt in zijn verkiezingscampagne prominent naar voren heeft gebracht. Eenzelfde onrechtvaardigheid ziet men bij de waterproblematiek. De blanke boeren hebben namelijk wel, maar de zwarte boeren nauwelijks toegang tot water. De wetgeving die deze onrechtvaardigheid bestendigt, dient veranderd te worden.
Voor de beantwoording van de vraag of het bezoek van de staatssecretaris nuttig is geweest, is het van belang te weten of handels- en investeringsbelemmeringen daadwerkelijk zijn opgeheven. Er zijn momenteel nog zoveel belemmeringen in Zimbabwe zelf dat het moeilijk zal zijn om Nederlandse bedrijven voor investeringen in Zimbabwe te interesseren. Mevrouw Van Ardenne vroeg welke afspraken zijn gemaakt om de handels- en investeringsbelemmeringen terug te dringen.
Kan de staatssecretaris aangeven welke initiatieven op het terrein van de ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET) worden ondernomen?
De brief over de actuele situatie in Zimbabwe bevat drie punten die mevrouw Van Ardenne zorgen baarden: de privatisering, de structurele aanpassingsprogramma's en de herverdeling van land.
Mevrouw Van Ardenne vond dat er terecht steun wordt verleend aan de economische hervormingen, maar merkte op dat ook armoedebestrijding nodig blijft en dat deze bij voorkeur geïntensiveerd zou moeten worden. Door de herijking is een breed scala aan nieuwe instrumenten beschikbaar gekomen die bij economische hervormingen en armoedebestrijding ingezet kunnen worden. Is de ambassade al zo op de gevolgen van de herijking ingespeeld dat zij ook daadwerkelijk in staat is om deze instrumenten in te zetten? Als deze instrumenten ingezet worden, dient verder terdege rekening gehouden te worden met de gevolgen die zij hebben voor het milieu. Zo kan bijvoorbeeld een te grote en te snelle groei van het toerisme zeer schadelijk zijn voor de natuur in Zimbabwe.
Mevrouw Van Ardenne vond dat de brief over de actuele situatie in Nigeria de zorgen over de ontwikkelingen op politiek, sociaal en economisch terrein bevestigt. Zo zit Abiola, de winnaar van de presidentsverkiezingen in 1993, nog steeds gevangen en is generaal Abacha waarschijnlijk de enige kandidaat bij de komende verkiezingen. Het bestaan van extreme armoede werd onlangs nog eens bevestigd in een rapport van het UNDP. Zij vond dat het wapenembargo gecontinueerd en de diplomatieke druk verder opgevoerd dienen te worden om de Nigeriaanse regering te bewegen de mensenrechten te respecteren en de politieke gevangenen vrij te laten. Dit laat evenwel onverlet dat er ruimte moet blijven voor ontwikkelingshulp via particuliere en multilaterale kanalen.
De burgeroorlog houdt Soedan al vijftien jaar in zijn greep en leidt tot vrijwel jaarlijks terugkerende hongersnood. Mevrouw Van Ardenne noemde de situatie vrijwel hopeloos en dacht dat een oplossing slechts te vinden is in een scheiding van Noord- en Zuid-Soedan. Het referendum kan wellicht helpen bij het vinden van een oplossing en zij vond dan ook dat de Nederlandse regering dit initiatief moet steunen. Heeft de Intergovernmental authority on development (IGAD) nog wel voldoende prestige om een rol te vervullen bij het verlichten van de nood van de bevolking en bij het zoeken naar een weg om dit conflict te beheersen? Kan het IGAD diplomatieke initiatieven ontwikkelen en in hoeverre kunnen die effectief zijn? Een andere oplossing is in het verleden gezocht in het ontwapenen van de rebellen. Wordt hier nog aan gewerkt? De problematiek in Soedan maakt eens temeer de vraag actueel welke instrumenten ingezet kunnen worden bij conflictbeheersing en conflictpreventie en het leek haar zinnig om hier in een ander overleg dieper op in te gaan.
Mevrouw Van Ardenne vond dat in het regiobeleidsdocument sub-Sahara Afrika het onmogelijke wordt geprobeerd. Afrika is namelijk zo veelzijdig dat het niet doenlijk is om over één Afrika te spreken en om alle Afrikaanse problemen in één document te vangen. Is het de bedoeling van de regering om Afrika een grotere prioriteit te geven binnen het buitenlandbeleid? Zo ja, wat betekent dat dan voor andere regio's?
De regering hecht grote waarde aan het bevorderen van de democratisering en het respect voor mensenrechten. Impliceert dit dat zij vindt dat steun alleen dan verleend kan worden als de regering van een ontvangend land kan aangeven dat er op deze gebieden stappen in de goede richting worden gezet?
De regering geeft in het beleidsdocument aan dat er een accent op armoedebestrijding blijft liggen voor die landen die nog niet toe zijn aan steun binnen een breder macro-economisch kader. Mevrouw Van Ardenne vond dat niet duidelijk is welke landen dit nu precies betreft, hetgeen zij weet aan de grote onderlinge verschillen tussen de landen die in het beleidsdocument worden beschreven. Moeten het macro-economisch beleid en de armoedebestrijding niet ontwikkeld worden in een Europees kader? Door de Loméconventie is dit voor macro-economisch beleid deels al het geval en het is daarom logisch om ook het beleid gericht op armoedebestrijding meer in Europees verband te ontwikkelen.
Mevrouw Van Ardenne verheugde zich over de aandacht die wordt geschonken aan de opbouw van de civil society en het bevorderen van good governance. Zij betreurde het echter dat een cijfermatige onderbouwing van het bijbehorende beleid, gericht op het ondersteunen van maatschappelijke structuren, ontbreekt. Door middel van een dergelijke onderbouwing kan namelijk beter inzicht verkregen worden in de vraag hoe de regering dit beleid vorm denkt te geven.
Regionale samenwerking is van wezenlijk belang voor de economische ontwikkeling van Afrika. Op welke wijze steunt Nederland deze samenwerking?
Ten slotte verbaasde mevrouw Van Ardenne zich over de opmerking dat er twijfels zijn over de handhaving van de mensenrechten in Kongo. Zij vond dit te zwak uitgedrukt. Er bestaat geen twijfel over het feit dat de mensenrechten zowel in Kongo als in Rwanda en Burundi worden geschonden.
De heer Hessing (VVD) complimenteerde de regering met de beleidsnota, die een welhaast academisch karakter heeft. Dit is enerzijds een zwakte omdat het globale karakter van de nota de beoordeling van het beleid bemoeilijkt. Anderzijds biedt het de mogelijkheid om met een meer afstandelijke blik naar de ontwikkelingen in Afrika te kijken. Omdat het Nederlandse beleid te lang heeft bestaan uit klassiek ontwikkelingsbeleid, is het te beperkt van opzet. Hij verheugde zich er daarom over dat recentelijk nieuwe velden voor samenwerking zijn ontdekt, zoals democratisering, handel en investeringen, en dat positieve politieke en economische ontwikkelingen worden ondersteund. Deze eerste resultaten van de herijking dienen echter sneller te worden uitgebouwd. In de opsomming op bladzijde 5 van het regiobeleidsdocument zag hij een aansporing om het beleid nu echt te veranderen. Gelet op de ontwikkelingen buiten en binnen Afrika leek hem een dergelijke verandering onvermijdelijk.
Duurzame ontwikkeling is hoofddoel van het beleid. Deze doelstelling wordt breed gedeeld, hetgeen niet wegneemt dat er verschillen van mening bestaan over de vraag hoe dit doel bereikt dient te worden. De heer Hessing dacht dat het evident anders kan en dat het beleid effectiever vormgegeven kan worden. Er dient meer ingespeeld te worden op de werkelijkheid en de actuele vraag door selectiever te zijn bij de keuze van landen en programma's en door de hulp meer toe te spitsen. De lokale economie kan een dergelijk speerpunt zijn, net zoals het stimuleren van het midden- en kleinbedrijf in de ontwikkelingslanden, het basis- en beroepsonderwijs of de regionale samenwerking. In ieder geval dienen die elementen gestimuleerd te worden die de economie kunnen versterken en die mensen de kans bieden om zelf meer welvaart te verwerven.
De Afrikaanse landen worden mondiger en geëmancipeerder en vragen nadrukkelijk om die investeringen, die het hun mogelijk maken om op een volwaardige manier mee te doen. Vindt de minister ook niet dat er maar schoorvoetend aan deze vraag tegemoet gekomen wordt? Is dit wellicht het gevolg van de enigszins conservatieve ideologie binnen de ontwikkelingssamenwerking? De heer Hessing vond dat het denken over ontwikkelingssamenwerking te veel gericht is geweest op het lenigen van armoede en dat, als men daadwerkelijk aan armoedebestrijding wil doen, andere instrumenten ingezet moeten worden die de oorzaken van de armoede daadwerkelijk aanpakken. Het beleid dient meer bedrijfsmatig uitgevoerd te worden en zich meer te richten op de mogelijkheden die in Afrika aanwezig zijn. Men mag zich niet uit defaitisme bij de vermeende feiten neerleggen. Hij vond dat het reisverslag van de staatssecretaris een goed voorbeeld is van een aanpak gericht op het benutten van kansen. Dit werkbezoek is tevens een illustratie van het nut van de herijking; een beleid dat de ontwikkelingssamenwerking uit zijn «splendid isolation» gehaald lijkt te hebben.
De Nederlandse regering is tegenstander van wapenleveranties aan Afrikaanse landen die zelf medeverantwoordelijk zijn voor het bestaan dan wel het oplopen van spanningen in hun regio. Welke rol kan de gedragscode van de EU in dezen spelen? Heeft men inzicht in de wapenleveranties aan de Afrikaanse landen? De Franse regering, de grootste leverancier van wapens aan Afrika, heeft kans gezien om op twee majeure punten de gedragscode ten eigen faveure aan te passen. Zo komt er geen notificatie aan alle landen en wordt het rapport niet openbaar gemaakt. De heer Hessing keurde dit af en vond dat de Fransen door te dreigen met een veto de EU in een kwalijk daglicht gesteld hebben.
Hoe groot is de steun in Afrika, en met name in Zuid-Afrika, voor het plan van de VS om te komen tot de oprichting van een Afrikaanse interventiemacht? Hij vond dit een goed plan dat de mogelijkheden voor conflictbestrijding, al dan niet in samenwerking met westerse landen, kan vergroten.
De heer Hessing noemde de in het regiobeleidsdocument genoemde instrumenten een wirwar die gesaneerd dient te worden. Verder zit het voorgestelde beleid overvol met criteria en toetsen en wordt al te zeer gestreefd naar absolute rechtvaardigheid. Dit leidt tot overbodige bureaucratie, aangezien er wel degelijk mogelijkheden zijn om een effectiever beleid te ontwikkelen.
De Kamer heeft zich altijd positief uitgelaten over Zimbabwe. Zimbabwe was dan ook een voorbeeldland waar het zijn macro-economische beleid betrof. Momenteel zijn de ontwikkelingen echter minder gunstig. In de brief over de actuele situatie in Zimbabwe wordt echter gewezen op de groeiende onvrede en de problemen bij de herverdeling van de landbouwgrond. De heer Hessing had de indruk dat de regering-Mugabe in een politiek isolement is geraakt en dat zij haar toevlucht neemt tot maatregelen die een gevaar vormen voor het tot nu toe gevoerde financieel-economisch beleid.
Het werkbezoek van de staatssecretaris is een voorbeeld van een andere aanpak van ontwikkelingssamenwerking. De heer Hessing kon zich zeer wel vinden in deze aanpak die ruimte biedt aan een actieve inbreng van het bedrijfsleven en die meer gericht is op de ontwikkeling van de private sector in de ontwikkelingslanden. In het verslag van dit werkbezoek wordt deze andere aanpak beschreven als een accentverschuiving binnen de ontwikkelingssamenwerking. De heer Hessing vond dat met een dergelijke accentverschuiving onvoldoende wordt tegemoetgekomen aan de totaal veranderde behoefte van de ontwikkelingslanden. Het is van belang dat Nederland op de vraag van deze landen inspeelt en zo een echte bijdrage levert aan de armoedebestrijding.
Ten slotte vroeg de heer Hessing de minister om meer actuele informatie over de situatie in Soedan.
Mevrouw Dijksma (PvdA) onderschreef de conclusie van de staatssecretaris dat het bezoek aan Zimbabwe met een delegatie van bedrijven een succes genoemd mag worden.
De minister heeft de vakbond ZTCU uitgenodigd naar Nederland te komen om hier het overlegmodel van de SER te bestuderen, omdat dit model een voorbeeldfunctie voor Zimbabwe kan vervullen. Hoe heeft de ZTCU op dit aanbod gereageerd? Zijn de andere actoren uit het Nederlandse model, werkgevers en overheid, ook uitgenodigd? Welke valkuilen zitten er in het Nederlandse overlegmodel voor een land dat onder structurele aanpassingsprogramma's gebukt gaat?
De mensenrechten worden in het verslag niet genoemd. Heeft de staatssecretaris tijdens haar missie dit onderwerp aangesneden?
Mevrouw Dijksma vroeg of de uitgaven uit het PSOM, gezien de keuze voor bepaalde economische sectoren, bijdragen aan de doelstellingen van de zogenaamde 20/20-regeling voor basisbehoeften. Uit het antwoord op deze vraag kan worden afgeleid welke verhouding er bestaat tussen de economische bezigheden en de sociaal-economische doelstellingen.
In de brief over Zimbabwe schrijft minister Van Mierlo dat de staatssecretaris heeft benadrukt dat voor de verbetering van het investeringsklimaat optimale openheid en duidelijkheid over de landkwestie van wezenlijk belang is. De staatssecretaris gaat nog een stap verder in haar verslag waar zij schrijft dat zij haar gesprekspartners heeft gewaarschuwd voor het negatieve beeld dat zou ontstaan als de landonteigening op een ondoorzichtige wijze en zonder adequate compensatie voor de eigenaars zou geschieden. Welke reactie kreeg zij op deze stellingname?
Naar aanleiding van de brief van minister Van Mierlo over de situatie in Nigeria vroeg mevrouw Dijksma naar de effectiviteit van de EU-sancties. Hoe beoordelen de EU lidstaten de criteria voor het transitieprogramma van Nigeria? Vervolgens vroeg zij of er nog ontwikkelingen zijn rond de voetbalinterland Nederland-Nigeria. Wat vindt men trouwens in andere Europese landen van de manier waarop Nederland met deze interland omgaat?
Uit berichten in de media maakte mevrouw Dijksma op dat er nog steeds te weinig hulp wordt geboden om de nood in Soedan te lenigen. Klopt dit? Zit de EU op één lijn bij de hulpverlening aan Soedan?
De regering is gekomen met een helder en duidelijk regiobeleidsdocument over sub-Sahara Afrika, dat duidelijk maakt hoe belangrijk de regering het Afrikaanse continent vindt. Zij onderschreef het belang dat de regering aan Afrika hecht. Het stuk riep bij haar echter wel de vraag op of de regering van zins is om op systematische wijze Afrikaanse landen en regio's te bezoeken, ook als er geen sprake is van crisis of nood in een land of regio.
De economische ontwikkeling van de Afrikaanse landen staat hoog in het vaandel van de regering. Deze landen kunnen een grotere stroom particulier kapitaal, naast de overheidsbijdragen van donorlanden, goed gebruiken. De regering wil daarom het bedrijfsleven blijvend interesseren voor investeringen in Afrika. Bestaan er, analoog aan de regelingen voor Oost-Europa, regelingen die het risico voor bedrijven die in Afrika investeren, verkleinen?
Hoe ziet de regering de rol van andere Nederlandse overheden, met name gemeenten, die veel kunnen bijdragen aan de opbouw van een civil society in Afrika?
De regering onderkent dat er sprake is van invloedssferen die gebaseerd zijn op de oude koloniale verhoudingen. Deze invloedssferen spelen een belangrijke en soms doorslaggevende rol bij de afweging van landen om wel of niet hulp te bieden. Mevrouw Dijksma noemde in dit verband het conflict in het Grote Merengebied een tragisch dieptepunt. Kan de minister aangeven hoe hij denkt deze erfenis in Europees verband te kunnen overwinnen? Moet het regiobeleidsdocument niet aangevuld worden met een analyse van deze problematiek?
Kan de minister meer duidelijkheid geven over het verband dat de regering wil leggen tussen steunverlening en het democratisch gehalte van de ontvangende landen?
Ten slotte wees mevrouw Dijksma erop dat het FMO ervaren heeft dat het absorptievermogen van de ontwikkelingslanden voor kredieten voor levensvatbare, rendabele projecten beperkt is. Verder bemoeilijkt het grote aanbod van zeer zachte leningen en hulpgiften het ontstaan van een reëel ontwikkelingsklimaat. Kan de regering uiteenzetten hoe zij hulpverslaving tegengaat en hoe de internationale coördinatie verloopt bij het beschikbaar stellen van hulp? Verdient het regiobeleidsdocument op dit punt niet een aanvulling?
Mevrouw Karimi (GroenLinks) constateerde dat minister Van Mierlo en de staatssecretaris in hun brieven de ontwikkelingen in Zimbabwe verschillend beoordelen. De staatssecretaris geeft een positief beeld van de economie en van de bereikte openheid en liberalisatie. De minister is echter een stuk zorglijker. Hebben de bewindslieden hun inzichten in de situatie in Zimbabwe wel onderling besproken?
Het PSOM is een goed programma, mits het echt gericht is op ontwikkelingssamenwerking en niet verwordt tot een vorm van exportbevordering. Met het oog hierop vroeg zij of de hoofddoelstelling van de bedrijven, die deelnamen aan de missie, het verkopen van Hollandse waar was of dat deze bedrijven ook bereid zijn om deel te nemen aan projecten die een bijdrage leveren aan het vergroten van de werkgelegenheid. Welke criteria hanteert men bij het verlenen van financiële ondersteuning aan bedrijven in het kader van het PSOM? Het PSOM is niet alleen opengesteld voor Zimbabwe en Mozambique maar ook voor Ghana en Ivoorkust. Kan de regering al iets zeggen over de resultaten van het PSOM in deze landen en mag de Kamer een evaluatie van het gehele programma tegemoet zien?
Mevrouw Karimi verbaasde zich over de kritiek die de staatssecretaris heeft geleverd op de Zimbabwaanse aanpak van de landhervorming. Keurt de staatssecretaris landhervorming sowieso af, of hebben andere overwegingen een rol gespeeld?
De staatssecretaris heeft de waarde van de intraregionale handel tijdens haar bezoek benadrukt. In het regiobeleidsdocument hecht men hier echter minder waarde aan omdat de markten klein zijn en de producten uit de verschillende regio's vergelijkbaar zijn. Dienen deze beoordelingen niet meer op elkaar afgestemd te worden?
Volgens berichten uit de media zijn er grote logistieke problemen bij de hulpverlening aan Soedan. Het blijkt moeilijk te zijn om de hulp daar te krijgen waar zij het meest nodig is. Welke kanalen gebruikt de regering om haar hulp te distribueren? Bereiken de beschikbaar gestelde middelen en gelden Zuid-Soedan? Mevrouw Karimi wees erop dat de regering van Soedan van deze situatie gebruik zal proberen te maken om uit haar isolement te komen. Is het wel gepast voor de internationale gemeenschap om met het regime in Khartoem om de tafel te gaan zitten en welke grenzen stelt zij zich daarbij? Denkt de minister dat een onafhankelijke staat in Zuid-Soedan levensvatbaar is? Vervolgens wees zij erop dat de landen die in het kader van de IGAD deelnemen aan de vredesonderhandelingen zelf in grensconflicten zijn verwikkeld. Beïnvloeden deze conflicten de vredesonderhandelingen? Hoe beoordeelt de minister voor Ontwikkelingssamenwerking de rol die Oeganda kan spelen?
Mevrouw Karimi betreurde het nog steeds dat de sportboycot van Nigeria door de interland Nederland-Nigeria is doorbroken. De situatie in Nigeria blijft onverminderd zorgelijk. Zij meende dat de vrijlating van een aantal politieke gevangenen een symbolisch gebaar is dat in verband gebracht moet worden met de komende presidentsverkiezingen en niet duidt op daadwerkelijke veranderingen. Hoe beoordeelt de regering de komende verkiezingen en kan zij uitsluitsel geven over de vraag of ook minderheden aan de verkiezingen deel kunnen nemen?
Het regiobeleidsdocument is een goed stuk. Zij betreurde het evenwel dat het door zijn globale karakter weinig aanleiding geeft voor concrete discussie en kritiek. In het document wordt een relatie gelegd tussen de aanpassingsprogramma's en de geconstateerde economische groei. Het is echter niet duidelijk op grond waarvan men deze relatie denkt te mogen leggen. Het vermeende succes van deze programma's moet verder gerelativeerd worden door de constatering dat zij niet hebben geleid tot een verbetering van de betalingsbalans en daarmee tot duurzame ontwikkeling. Is deze relativering voor de regering aanleiding om tot een andere benadering te komen van de aanpassingsprogramma's?
De regering stelt dat het onderscheid tussen humanitaire hulp en structurele ontwikkelingssamenwerking is vervaagd. Mevrouw Karibi vond dit geen goede ontwikkeling en vroeg hoe de regering deze ontwikkeling beoordeelt. Betekent deze ontwikkeling dat er een verschuiving van middelen plaatsvindt in de richting van de humanitaire hulp?
Ten slotte vroeg mevrouw Karibi naar de stand van zaken rond de migratie. Er zijn plannen ontwikkeld die beogen Afrikaanse asielzoekers en vluchtelingen, die niet in Nederland mogen blijven, vrijwillig naar het land van herkomst te laten terugkeren. Zijn deze plannen inmiddels gerealiseerd en wordt er al gebruik gemaakt van deze mogelijkheid?
De heer Hoekema (D66) vond de werkbezoeken die de staatssecretaris heeft afgelegd een goed en mooi voorbeeld van de gerealiseerde herijking. Hij toonde zich een voorstander van het betrekken van het bedrijfsleven bij de internationale samenwerking, maar was minder geporteerd voor gedwongen winkelnering. De staatssecretaris schrijft over de lucratieve handelsmogelijkheden die er voor het Nederlandse bedrijfsleven zouden liggen. Wordt om deze handelsmogelijkheden te bevorderen investeringssteun of exportsteun gegeven? Zitten er bij de door de overheid gesubsidieerde handelscontacten clausuleringen die te maken hebben met die gedwongen winkelnering?
Van verschillende kanten is kritiek geleverd op de neiging van de regering van Zimbabwe om lokale zakenmensen niet bij het beleid te betrekken. Dit is een belangrijke belemmering bij het vergroten van de lokale private investeringen. Deelt de staatssecretaris deze kritiek?
Door de uitvoerend secretaris van de SADC is gepleit voor meer regionalisatie in de verschillende beleidsplannen van de nationale regeringen als middel om de economie te versterken. Deze grensoverschrijdende regionale samenwerking vindt ook de Nederlandse regering van groot belang. De heer Hoekema vroeg of er projecten zijn van de Wereldbank of de EU die deze economische integratie ondersteunen. Welke structurele mogelijkheden ziet de regering om deze regionale samenwerking te bevorderen?
De regering van Zimbabwe maakt een zwakke indruk en heeft een aantal maatregelen genomen, zoals de landhervormingen, de belastingaanslagen en de uitkeringen aan veteranen, die nadelig zijn voor de economische ontwikkeling in Zimbabwe. Hoe nadelig zijn die ontwikkelingen voor de korte termijn en ziet de regering mogelijkheden om deze zorgwekkende ontwikkeling ten goede te keren? De heer Hoekema vroeg de minister voor OS of hij een bijdrage kan leveren aan de financiering van de schuldverplichtingen van Zimbabwe. Vervolgens pleitte hij ervoor telecommunicatie op te nemen in het PSOM.
De situatie in Nigeria blijft zeer zorgelijk en de komende verkiezingen zullen, als de heer Abacha inderdaad kandidaat is, de spanningen in het land nog verder doen oplopen. Is er enige duidelijkheid over de gezondheidstoestand van Abiola? De heer Hoekema meende dat de ontwikkelingen in Nigeria een verscherping van de sancties rechtvaardigen. Ziet de minister van Buitenlandse Zaken verschillen in beoordeling van de situatie tussen de VS en de EU? President Clinton heeft zich namelijk minder negatief uitgelaten over Abacha dan de meeste Europese regeringen. Spelen hier de aanzienlijke handelscontacten tussen de VS en Nigeria een rol? Is het niet zinvol om na te denken over de houding die de EU aan moet nemen als Nigeria onverhoopt de wereldkampioenschappen in Frankrijk zou winnen?
De heer Hoekema constateerde dat er nauwelijks vooruitgang wordt geboekt in de onderhandelingen die onder leiding van het IGAD worden gevoerd. Heeft het IGAD nog wel voldoende gewicht om de onderhandelingen met enige hoop op resultaat te kunnen voeren? Ziet de minister mogelijkheden om langs een andere weg initiatieven te ontplooien die de vrede naderbij kunnen brengen? Verder juichte hij de inspanningen toe die de regering levert bij de hulpverlening voor de hongersnood in Soedan en hoopte hij dat de regering op deze weg verder gaat.
Het regiobeleidsdocument laat een symbiose zien tussen het beleid van het ministerie van EZ en dat voor OS. De heer Hoekema vond dit een positieve ontwikkeling. Verder was hij ook tevreden met de aandacht die aan crisisbeheersing wordt geschonken. Hij vond dat Nederland moet nadenken over de mogelijkheid om militaire steun te verlenen aan regionale militaire inspanningen die onder leiding staan van de OAE. Dat is belangrijk omdat de OAE op dit moment over onvoldoende middelen beschikt om zelfstandig op een effectieve manier te kunnen opereren.
De regering ziet het als haar taak om de onafhankelijkheid van de media in Afrika te bevorderen. Welke middelen kan de regering inzetten om dit te bereiken? Ten slotte vroeg hij de minister voor OS de schuldverlichting voor Afrika in de internationale instellingen te blijven bepleiten. Dit is immers een van de allerbelangrijkste instrumenten om de stabiliteit en de economische groei van Afrika te bevorderen.
De minister van Buitenlandse Zaken zei dat het regiobeleidsdocument het kader geeft waarbinnen het beleid tot ontwikkeling moet worden gebracht. De grote lijn van het document is de verschuiving, waar mogelijk, van de klassieke ontwikkelingssamenwerking naar een beleid dat gericht is op democratisering, conflictbeheersing, het stimuleren van investeringen, handelsbevordering en culturele samenwerking. Omdat het beleidsdocument enige tijd geleden is opgesteld en tot doel heeft de dynamische bewegingen binnen het beleid te beschrijven, komen momentopnamen niet altijd overeen met de in het document geschetste werkelijkheid. Zo heeft de twijfel van de regering over het schenden van de mensenrechten in Kongo inmiddels plaats gemaakt voor het buitengewoon sterke vermoeden dat mensenrechtenschendingen inderdaad plaatsvinden. Het toegespitste beleid ontwikkelt zich voortdurend en wordt besproken in beleidsnotities.
De minister bevestigde dat de bewindslieden van zins zijn om Afrika te blijven bezoeken. Het accent in het regeringsbeleid ligt op ontwikkelingssamenwerking, hetgeen niet wegneemt dat de ontwikkelingen in Afrika steeds vaker de aandacht van de minister van Buitenlandse Zaken en van de staatssecretaris van Economische Zaken vragen.
Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp liggen veelal in elkaars verlengde en bij de inzet van middelen zal het onderscheid steeds verder vervagen. De minister betreurde dit, maar acute noodsituaties moeten nu eenmaal door het bieden van humanitaire hulp worden opgelost vooraleer men kan overgaan tot het bieden van ontwikkelingshulp.
Het bestaan van een Franse en een Engelse invloedssfeer werd door de minister onderkend en hij meende dat deze problematiek het verdiende om in Europees verband besproken te worden. Deze invloedssferen verliezen echter steeds meer aan gewicht door de groeiende invloed van de VS in Afrika. Verder hoopte hij dat er in de toekomst een Europees beleid ontwikkeld kan worden dat de Engelse en Franse invloedssferen ontstijgt.
De minister noemde het een vergissing om alle beleidsaspecten terug te brengen tot prioriteiten en keuzes. Een prioriteitenstelling komt aan de orde wanneer een beperkte hoeveelheid middelen verdeeld moet worden. Een aantal ontwikkelingen in Afrika vereist echter niet zozeer een uitbreiding van de financiële middelen als wel een andere politieke benadering. Een dergelijke beleidsverandering hoeft echter niet ten koste te gaan van andere beleidsonderdelen. Al met al dacht de minister dat Afrika inderdaad een steeds belangrijkere plaats in het beleid van de Nederlandse regering zal innemen.
De situatie in Nigeria is zorgelijk en vooralsnog heeft dit land een weinig hoopvolle toekomst. Het transitieproces noemde de minister een fiasco. Zo zijn de vijf legitieme partijen alle gelieerd aan het huidige regime en hebben zij Abacha naar voren geschoven als enige kandidaat bij de presidentsverkiezingen. De minister vond het opmerkelijk dat Abacha zich formeel nog steeds geen kandidaat heeft gesteld. Hij verwachtte evenwel dat dit alsnog zou gebeuren en dat Abacha op 1 augustus op een ondemocratische manier zal worden gekozen. De mensenrechtensituatie in Nigeria is eerder verslechterd dan verbeterd, ook al zijn een aantal politieke gevangenen vrijgelaten. De meer prominente politieke gevangenen zitten echter nog steeds gevangen en ook de politieke repressie houdt onverminderd aan. De minister zei geen actuele informatie te hebben over de omstandigheden waaronder Abiola gevangen wordt gehouden. Binnen de EU wordt gezocht naar mogelijkheden om het gemeenschappelijke standpunt over Nigeria aan te scherpen. Maatregelen die worden overwogen, zijn een verdere visabeperking en het schrappen van uitzonderingsbepalingen. Een embargo op de toelevering aan de olie-industrie vond de minister het overwegen waard, maar een olie-embargo leek hem moeilijk te organiseren, aangezien een wereldwijd olie-embargo eigenlijk alleen dan mogelijk en effectief is als die wordt ondersteund door een VN-resolutie. De minister betreurde het dat de sportboycot van Nigeria door de interland Nederland-Nigeria en door de deelname van Nigeria aan de wereldkampioenschappen voetbal wordt doorbroken. Mocht de mensenrechtensituatie verder verslechteren dan zal de Nederlandse regering niet aarzelen om deze opnieuw aan de orde te stellen. De EU heeft contacten met de VS over Nigeria. Hij had uit deze contacten de indruk gekregen dat de VS graag zou zien dat de EU haar beleid ten aanzien van Nigeria verscherpt.
De minister ontkende dat er verschil van mening bestaat tussen hem en de staatssecretaris over de actuele situatie in Zimbabwe. De vermeende verschillen zijn het gevolg van het feit dat het verslag van de staatssecretaris van later datum is dan de brief van de minister. Juist in de laatste maanden is een aantal veranderingen ten goede te constateren. Zo heeft de regering van Zimbabwe besloten om de overheidsuitgaven, met name de defensie-uitgaven terug te schroeven. Verder heeft de mensenrechtensituatie zich enigszins verbeterd en heeft de regering een begin gemaakt met het aanpakken van de grondproblematiek. Ook het IMF en de Wereldbank tonen zich momenteel hoopvoller over de ontwikkelingen in Zimbabwe dan voorheen.
Binnen de EU is door Ierland gepleit voor het ontwikkelen van een gezamenlijk standpunt over Soedan. Het is de bedoeling van Ierland dat dit standpunt vervolgens in de discussie op het IGAD partners forum (IPF) in Den Haag wordt ingebracht. Dit forum wordt in juni gehouden en voorgezeten door minister Pronk. Nederland is drie jaar geleden toegetreden tot de vrienden van de IGAD omdat dit forum een van de weinige mogelijkheden is om enige invloed uit te oefenen.
De VS, Frankrijk en Groot-Brittannië hebben hun inspanningen op het terrein van de conflictpreventie gebundeld in het zogenaamde P3-initiatief. Een van de initiatieven is het opzetten van trainingen voor de krijgsmachten van onder meer Senegal, Mali en Zimbabwe. Deze trainingen hebben de bedoeling de troepen van deze landen voor te bereiden op inzet bij operaties die bedoeld zijn voor conflictpreventie of conflictbeheersing. De OAE staat sceptisch tegenover dit initiatief en neemt een terughoudende opstelling in. De OAE vreest namelijk dat het Westen zich op deze wijze probeert te beperken tot het verlenen van materiële steun en dat het Westen niet bereid is om zelf mensen in te zetten. Een verdere complicatie is het feit dat de OAE een standpunt moet formuleren dat voor al haar leden aanvaardbaar is. Dit bemoeilijkt het ontwikkelen van eigen initiatieven.
De minister betreurde het dat de Europese gedragscode over wapenleveranties aan Afrika, als gevolg van het krachtige Franse standpunt, niet die inhoud heeft gekregen die het merendeel van de EU-lidstaten wenste. Men heeft uiteindelijk ingestemd met de huidige code omdat men inzag dat deze code ondanks alles toch een eerste stap in de goede richting is. De code verplicht Frankrijk tot notificatie aan tenminste één land en bevat de mogelijkheid om de code over een jaar uit te breiden. De praktijk moet uitwijzen of de code effectief is.
Ten slotte zei de minister dat het bevorderen van de onafhankelijkheid van de publiciteitsmedia door hem met diplomatieke middelen wordt ondersteund en dat de materiële ondersteuning een taak is van het ministerie voor OS.
De staatssecretaris van Economische Zaken zei dat haar werkbezoek de bedoeling had om in de landen die daaraan toe zijn, instrumenten in te zetten die de economie, de handel en de investeringen bevorderen. Niet alle landen lenen zich voor een dergelijke aanpak. Zo kan een land onder zulke financiële problemen gebukt gaan dat het nog niet zinnig is om, bijvoorbeeld, technische assistentie aan te bieden. Een dergelijk land is meer gebaat bij klassieke ontwikkelingssamenwerking.
Een belangrijke doelstelling van het bezoek was het versnellen van de economische ontwikkeling door, in een eerder stadium dan gebruikelijk was, de investeringen, de handel en de economische samenwerking te stimuleren. Een middel dat hiervoor wordt gebruikt, is de publiek/private samenwerking die beoogt doelstellingen en programma's te combineren met het particuliere initiatief. Het is niet de bedoeling dat de overheid in dit proces een dominante rol speelt, hetgeen niet impliceert dat de missie is opgezet om slechts de participerende bedrijven te laten profiteren van het ingezette instrumentarium. De beide overheden selecteren zelf de programma's en stellen voorwaarden aan de inzet van het instrumentarium; de uitvoering wordt vervolgens zoveel mogelijk aan de betrokken bedrijven overgelaten. De voorwaarden die gesteld worden, houden onder meer verband met het milieu; de belangrijkste voorwaarden betreffen echter de sociale gevolgen van het ingezette instrument.
De staatssecretaris herinnerde eraan dat het een ondersteuningsprogramma van de overheid betreft en dat het verkopen van Nederlandse waar niet het doel van de missie was. Het bedrijfsleven wordt op een manier ingezet die moet leiden tot het oplossen van maatschappelijke problemen en waarbij spin-off en sociale aspecten een minstens even belangrijke rol spelen. Het programma is inderdaad een goed voorbeeld van de herijking, omdat het op het snijvlak ligt van ontwikkelingssamenwerking en handelsbevordering.
De economische situatie van Zimbabwe verschilt aanzienlijk van die van Mozambique. Zo kan het PSOM nog niet worden ingezet in Mozambique, omdat de economische ontwikkelingsfase waarin dit land verkeert projecten in het kader van de Wereldbank en de ontwikkelingssamenwerking vereist. Desondanks kan er al wel een begin worden gemaakt met het leggen van contacten tussen Mozambiquaanse en Nederlandse bedrijven. De staatssecretaris zei dat zij in Zimbabwe had onderstreept hoe belangrijk het is dat dit land zijn stem laat horen bij de WTO en bij andere internationale organisaties. Op regeringsniveau is verder gesproken over mogelijkheden om handelsbelemmeringen te verminderen. Deze handelsbelemmeringen bestaan voor een deel uit importheffingen en dergelijke, maar zijn voor een ander deel het gevolg van een gebrek aan transparantie in het beleid van de Zimbabwaanse regering.
Het gebrek aan transparantie speelt ook een rol bij de landonteigening. De staatssecretaris noemde dit een interne kwestie maar vond dat men terecht probeert om een in het verleden gegroeide onrechtvaardigheid teniet te doen. Een punt van zorg is echter de manier waarop de landonteigening vorm wordt gegeven. In Zimbabwe leeft breed de vrees dat de herverdeling, als gevolg van vriendjespolitiek, niet op een eerlijke manier zal plaatsvinden. Verder bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de vraag of er vergoedingen verstrekt zullen worden bij onteigeningen. De onduidelijkheid rond de landonteigening roept bij buitenlandse investeerders de vraag op of hun rechten in Zimbabwe wel gewaarborgd zijn. Deze argwaan werkt net zo afschrikwekkend als schommelende importheffingen.
De staatssecretaris wees erop dat er binnen de regering een duidelijke taakverdeling is en dat het aan de orde stellen van de mensenrechten niet haar eerste taak is; dat is immers handelsbevordering. Dit neemt niet weg dat zij in gesprekken en door haar keuze van gesprekspartners duidelijk laat zien dat de mensenrechtenproblematiek haar en de Nederlandse regering na aan het hart ligt. Zij had de indruk dat de interesse, die zij toonde voor onderwerpen die niet direct onder handelsbevordering vallen, gewaardeerd werd door haar gesprekspartners.
Bedrijven die een bijdrage kunnen leveren aan de opbouw of versterking van het onderwijs waren opgenomen in de missie. Het betreft hier commerciële bedrijven die scholen bouwen, soft- en hardware verkopen voor het beroepsonderwijs of leermiddelen leveren.
De handelsbelemmeringen aan de grens zijn aan de orde gesteld. Deze kunnen niet onmiddellijk worden opgelost, maar het blijft van groot belang om de regering van Zimbabwe op deze problemen te blijven wijzen. De problemen die bedrijven ondervinden bij het verkrijgen van een werkvergunning voor hun ex-patriats zijn wel onmiddellijk aangepakt. Verder is er ook gereageerd op de problemen die de gebrekkige doorvoer opleveren. De staatssecretaris zei van plan te zijn deze problemen te betrekken bij het PSOM, omdat een goede doorvoer van producten zeker voor de verdere ontwikkeling van de agrarische sector van groot belang is.
Telecommunicatie leent zich niet voor het PSOM, omdat het een dermate winstgevende sector is dat overheidssteun voor de verdere ontwikkeling niet direct nodig is. Men kan volstaan met het, bij wijze van eye-opener, met elkaar in contact brengen van bedrijven.
De staatssecretaris was blij dat de Kamer het buitengewone belang van de regionale samenwerking onderkent. Deze regionalisatie veronderstelt een hechte samenwerking tussen de verschillende regeringen. De staatssecretaris zei dat zij deze samenwerking door prikkelende opmerkingen had proberen te bevorderen.
Om te voorkomen dat het toerisme ten koste gaat van de natuur heeft de regering van Zimbabwe gekozen voor het zogenaamde «high cost, low volumetoerisme».
De kansen voor het MKB zijn in Zimbabwe, Zuid-Afrika en Mozambique erg verschillend. De staatssecretaris vond dat er in deze landen opvallend veel waarde wordt gehecht aan het bevorderen van de vorming van spaartegoeden. Dergelijke tegoeden maken het mogelijk om kredieten te verstrekken die het MKB versterken. De losse structuur van de handel maakt het moeilijk om gerichte projecten voor het MKB te ontwikkelen. Er is echter al enige ervaring met projecten op microniveau in Zuid-Afrika. Deze ervaring, gecombineerd met de kennis en de steun van het FMO en de NGO's, kan gebruikt worden bij het ontwikkelen door EZ en OS van projecten die gericht zijn op het verbeteren van het investeringsklimaat.
De staatssecretaris zei dat zij in Zimbabwe geconstateerd heeft dat het daar bijna onmogelijk is om problemen, zoals de landonteigening, goed door te praten met de betrokken partijen. De Nederlandse ambassade heeft de verschillende partijen daarom al eerder voorgesteld om in Nederland de SER te bezoeken, omdat de overlegstructuur binnen de SER wellicht een voorbeeld zou kunnen zijn voor Zimbabwe. Deze uitnodiging die niet alleen gericht is aan de vakbonden maar ook aan boerenorganisaties, de kamer van koophandel en de regering, is nu herhaald.
Er is in Afrika nog maar weinig ervaring opgedaan met het PSOM. Het doel is uiteindelijk het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. De staatssecretaris meende dat het PSOM op verschillende manieren geëvalueerd kan worden.
Investeringen krijgen een duurzaam karakter door de context waarbinnen zij worden gedaan en niet door het etiket dat ze opgeplakt krijgen. Zo kan een investering in een rozenkwekerij leiden tot scholing voor personeel, een betere watervoorziening en aanscherping van de milieueisen. Het geven van prikkels die een dergelijke ontwikkeling bevorderen, is een van de doelen van de herijking.
De staatssecretaris toonde zich een voorstander van meer samenwerking tussen gemeenten en Rijk op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking. Zij zei met de VNG in gesprek te zijn over de vraag hoe die samenwerking op haar beleidsterrein vorm gegeven kan worden.
De invloed van het oude koloniale systeem is voor een deel terug te vinden in de tariefsverlaging in het kader van de Loméconventie. Deze tariefsverlaging geldt immers alleen voor die ontwikkelingslanden die ooit een kolonie zijn geweest van één van de Europese landen. Een algemene tariefsverlaging in het kader van de WTO, kan ervoor zorgen dat alle ontwikkelingslanden op dit terrein gelijkelijk worden behandeld.
De minister voor Ontwikkelingssamenwerking sprak zijn spijt uit over het feit dat de Kamer nog geen kennis had genomen van de brief van 20 mei 1998 over zijn bezoek aan Soedan. Deze brief is wel tijdig aan de Kamer toegezonden.
De humanitaire hulpverlening in Zuid-Soedan is hervat. Alle vliegvelden zijn geopend en het is mogelijk om grotere afstanden te bestrijken, nu de plaats El Obeid beschikbaar is gekomen als uitvalsbasis voor hulpverlening. Verder ligt er de toezegging dat het Nubagebergte opengesteld zal worden voor humanitaire hulp. Om de behoefte aan hulp en de mogelijkheden voor hulpverlening aan dit gebied in kaart te brengen, zal er een assessmentmissie door de VN worden georganiseerd.
In een aantal gebieden is de mate van ondervoeding vergelijkbaar met die van de hongersnood in 1993. Een grotere catastrofe is echter af te wenden als de mogelijkheden die nu door de strijdende partijen geboden worden, daadwerkelijk benut worden. Een complicatie bij de hulpverlening is het binnenkort invallende regenseizoen. De problemen die dit oplevert, kunnen waarschijnlijk opgevangen worden door gebruik te maken van de grotere vliegtuigcapaciteit.
Tijdens een bijeenkomst van de International advisory committee in Genève op 18 mei jl. is door een aantal landen nieuwe hulp aangeboden. Deze hulp, die mede voortkomt uit waardering voor de geslaagde inspanning van de VN om betere toegang te krijgen tot Soedan, is echter niet volledig toereikend om de gehele operation lifeline Sudan (OLS) te financieren. Er zijn niet zozeer extra financiële middelen nodig voor de aankoop van voedsel als wel voor een oplossing van het tekort aan transportcapaciteit. Nederland levert in 1998 een financiële bijdrage aan de humanitaire hulpverlening van ongeveer 37 mln.
De minister vond dat enig gematigd optimisme over de politieke ontwikkelingen in Soedan gerechtvaardigd is. Als een vervolg op de onderhandelingsronde van oktober 1997 zijn er in mei van dit jaar onderhandelingen gestart die, tegen alle verwachting in, enige vooruitgang te zien hebben gegeven. Deze vooruitgang is niet alleen procedureel maar ook inhoudelijk van aard, omdat het zelfbeschikkingsrecht van Zuid-Soedan is erkend. Als middel om tot zelfbeschikking te komen, is gekozen voor een referendum onder leiding van de VN. De supervisie van de VN garandeert dat dit referendum op een eerlijke manier zal plaatsvinden. De procedurele vooruitgang zit in het feit dat de SPLA en de regering hebben besloten om in augustus een derde onderhandelingsronde te beginnen in Addis Abeba, waarbij het heikele punt van de verhouding van religie en op het programma staat. Een denkbare oplossing voor dit probleem is gelegen in de mogelijkheid dat het zuiden afziet van afscheiding om vervolgens het zelfbeschikkingsrecht te realiseren binnen een regionale structuur die recht doet aan de religieuze pluriformiteit van het land. De minister zei dat hij alle partijen, ook die uit het noorden, aanspoort om deze onderhandelingen over de toekomst van de staat serieus te nemen. Men verkeert immers in de omstandigheid dat, als gevolg van de jarenlange burgeroorlog, een sterk centraal bestuur in de toekomst niet langer tot de reële mogelijkheden behoort. Deze burgeroorlog heeft verder hele bevolkingsgroepen tot een permanent nomadische levensstijl veroordeeld, die de traditionele tribale tegenstellingen in het land nog verder vergroot.
Het ontbreken van een sterke centrale overheid en de spreiding van geweld over heel Soedan is ook een reden tot zorg voor de landen in de regio. Door de versplintering van het geweld en doordat het geweld steeds vaker tribaal is georganiseerd, krijgt het conflict steeds meer een grensoverschrijdend karakter. Zo zijn er vluchtelingenkampen in de buurlanden van Soedan, die door de strijders in Noord- en Zuid-Soedan als een bron van kracht worden gebruikt. De minister noemde als reden om het IPF in Den Haag bijeen te roepen dat momenteel in de buurlanden het besef groeit dat een oplossing voor het conflict in Soedan ook van belang is voor de stabiliteit van hun eigen regimes. De kracht die het IGAD bij de onderhandelingen kan ontwikkelen, is afhankelijk van de eensgezindheid die binnen deze organisatie bestaat. Door spanningen tussen de leden van het IGAD is de daadkracht echter afgenomen; desondanks onderneemt het IGAD momenteel pogingen om tot een oplossing te komen. De minister constateerde onder meer bij de regering van Kenia een nieuw elan, dat tot uitdrukking komt in de pendeldiplomatie die zij voert. De daadkracht van het IPF wordt verder negatief beïnvloed door de toeloop van nieuwe leden die zich aansluiten om via het IGAD/IPF hun eigen belangen te behartigen.
De situatie in Soedan leent zich niet voor grootscheepse initiatieven, zoals het streven naar ontwapening van de rebellen of een algehele wapenstilstand. De grootte van het land en het grote aantal rebellen en rebellenorganisaties maken dat dit soort voorstellen niet geïmplementeerd kunnen worden.
De minister vond dat de huidige onderhandelingen tussen de regering en de SPLA zo mogelijk uit zouden moeten groeien tot een nationale conferentie. Dit moet op vrijwillige basis gebeuren, maar dat dit zal gebeuren, is niet uit te sluiten, omdat langzamerhand bij de vele facties in Soedan het besef groeit dat een vredesregeling ook voor hun eigen overleven van belang is. De consensus die voor zo'n vredesregeling nodig is, kan mogelijkerwijs gevonden worden in overeenstemming over de verhouding tussen religie en staat of over een zekere mate van federalisme. Ondanks het gematigde optimisme van de SPLA en de regering vond de minister het vredesproces zeer fragiel, omdat er ook groepen zijn voor wie de continuering van de strijd inmiddels de enige reden van bestaan is.
De minister zei geschrokken te zijn van de analyse van de heer Hessing dat het klassieke ontwikkelingsbeleid niet inspeelt op de werkelijkheid en de vraag van de ontwikkelingslanden zelf. De ontwikkelingssamenwerking is altijd gebaseerd geweest op de vraag vanuit de ontwikkelingslanden en op een analyse van de werkelijkheid. De reden dat er in eerste instantie wordt ingespeeld op de vraag van de regeringen van ontwikkelingslanden is gelegen in het feit dat de natuurlijke partners van de Nederlandse regering de regeringen van de ontwikkelingslanden zijn. Vanaf het ontstaan van de ontwikkelingssamenwerking is het beleid gericht op het ontwikkelen van de civil society.
De werkelijkheid verandert en verschilt van land tot land. In het Nederlandse ontwikkelingsbeleid heeft men altijd getracht deze verschillende werkelijkheden te analyseren en te begrijpen. Vervolgens wordt er geprobeerd om een antwoord te formuleren; soms is dat een Nederlands antwoord maar veel vaker wordt een antwoord in coördinatie met andere landen en internationale instituten gegeven. De minister benadrukte dat de verwachtingen van de Nederlandse regering over de mogelijkheden op de korte en middellange termijn voor een verhoging van de binnenlandse besparingen gebaseerd zijn op studies van de Wereldbank en het IMF en niet op Haags inzicht. Het is een feitelijke vaststelling dat meer dan de helft van de Afrikaanse landen geen spaarquotum hoger dan 5% tot 7% kan verwezenlijken. Voor de landen die dit wel kunnen is, op hun instigatie, een breder beleid ontwikkeld. Deze verbreding is in de nota geformuleerd als een uitbreiding van de klassieke ontwikkelingssamenwerking naar democratisering en conflictpreventie en als een behoedzame ontwikkeling van handel, investeringen en culturele samenwerking. Dergelijk beleid is echter pas mogelijk geworden na het einde van de koude oorlog en afhankelijk van de politieke en sociaal-economische situatie.
De minister wees erop dat veel conflicten in de ontwikkelingslanden geen breuk in een trend zijn, maar een structurele oorzaak hebben. Deze conflicten zijn veelal een gevolg van de nasleep van het koloniale verleden, van de spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen en van slecht bestuur. Het structurele karakter van deze conflicten leidt ertoe dat het onderscheid tussen humanitaire hulpverlening en ontwikkelingssamenwerking vervaagt. Het beleid voor landen die met dergelijke conflicten worden geconfronteerd, moet immers allereerst worden gericht op het bewerkstelligen van een zekere mate van macro-economische en politieke stabiliteit.
Armoedebestrijding is de toespitsing van een ontwikkelingsbeleid dat aan iedereen ten goede moet komen. De minister wees de tegenstelling die gecreëerd wordt tussen armoedebestrijding en armoedeleniging af. De manier waarop aan armoedebestrijding vorm wordt gegeven, is afhankelijk van de omstandigheden in het desbetreffende land; het is niet zo dat werkelijke armoedebestrijding louter en alleen mogelijk is door stimulering van de private sector. Ontwikkelingssamenwerking moet erop gericht zijn, mensen een basis te verschaffen die het hen mogelijk maakt om op de markt actief te worden. Deze primaire doelstelling laat onverlet dat Nederland als één van de eerste landen het belang heeft onderkend van het stimuleren van particuliere investeringen en met dat doel jaarlijks een bedrag van 120 mln. ter beschikking stelt aan het FMO en de Global coalition for Africa heeft opgericht. Verder heeft Nederland door te helpen bij de bestrijding van corruptie, de verbetering van infrastructuur en ORET-programma's gepoogd het absorptievermogen waar mogelijk te vergroten.
Ten slotte wees de minister de kwalificatie van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid als ideologisch conservatief volstrekt af; Nederland wordt in de wereld erkend als één van de meest grensverleggende landen. Het Nederlandse beleid heeft zich verder nooit in een «splendid isolation» bevonden. Integendeel, juist Nederland heeft het beleid gericht op vredesbevordering, handelsbevordering, milieubescherming en conflictpreventie wereldwijd bevorderd.
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Van Middelkoop (GPV), Pronk (PvdA), Van Gijzel (PvdA), Hillen (CDA), Valk (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Hessing (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Milliano (CDA), Van Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA) en Van Dok-van Weele (PvdA).
Plv. leden: Korthals (VVD), Bolkestein (VVD), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Zijlstra (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rijpstra (VVD), De Haan (CDA), Ter Veer (D66), Van Bommel (SP), Ybema (D66), Eurlings (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Geluk (VVD), Gortzak (PvdA), Van den Akker (CDA), Leers (CDA), Vendrik (GroenLinks), Swildens-Rozendaal (PvdA) en Arib (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25535-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.