nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 29 april 1998
Bijgaand gelieve U twee beleidsdocumenten aan te treffen, te
weten China en Sub Sahara Afrika.1
Bij de aanbieding van dit tweetal – de Kamer ontving eerder de beleidsdocumenten
Mercosur, Midden-Europa en Midden-Oosten – lijkt het nuttig andermaal
toe te lichten waarom de regering deze stukken uitbrengt.
De documenten zijn een produkt van de herijking van het buitenlands beleid.
Zoals uiteengezet in de Herijkingsnota en zoals met de Kamer besproken zijn
buitenland en binnenland minder strikt dan voorheen van elkaar te scheiden.
Binnenlandse ontwikkelingen beïnvloeden het buitenlands beleid meer dan
vroeger en omgekeerd is veel van wat in het buitenland gebeurt van rechtstreeks
binnenlands belang. Bij deze ontwikkeling past dat naast het ministerie van
Buitenlandse Zaken vele andere Haagse ministeries belangstelling hebben voor
en belangen hebben in het buitenland.
Evenzo heeft de Herijkingsnota geconcludeerd dat Nederland meer aandacht
zou kunnen besteden aan zijn bilaterale betrekkingen met andere landen en
dat de interdepartementale coördinatie op dit terrein zou kunnen worden
verbeterd.
Om de twee bovenstaande redenen heeft de regering besloten tot de vervaardiging
van regio- en landenbeleidsdocumenten. Deze documenten beogen een geïntegreerd
kader te bieden voor het Nederlandse beleid in de komende jaren met betrekking
tot de desbetreffende regio of het desbetreffende land. Het zijn documenten
op hoofdlijnen; de nadere uitwerking vindt plaats in de jaarlijkse Memories
van Toelichting, beleidsnotities en brieven aan de Kamer etc. De documenten
komen tot stand in overleg met andere departementen en ontlenen daaraan hun
geïntegreerde karakter. De posten worden eveneens bij het overleg betrokken,
terwijl ook gesprekspartners buiten de overheid kunnen worden geconsulteerd.
Regio- en beleidsdocumenten hebben een beschrijvend gedeelte gevolgd door
een uiteenzetting over de voornaamste kenmerken van het Nederlandse beleid
en de instrumenten die voor de uitvoering van dat beleid beschikbaar zijn
of door de regering beschikbaar worden gemaakt. Zij worden bewust zo kort
mogelijk gehouden, terwijl ook naar een zo groot mogelijke mate van leesbaarheid
wordt gestreefd. Zij zijn niet in de eerste plaats bedoeld voor specialisten,
maar voor een ieder die om politieke, journalistieke, economische etc. redenen
in het betrokken land of regio belang stelt. De documenten zijn dus openbaar.
Dat stelt wel enige grenzen aan wat daarin over andere landen kan worden geschreven.
Zoals hierboven reeds aangegeven zijn de documenten in aanzienlijke mate
het resultaat van interdepartementale samenwerking. Zij vormen daarvan echter
tevens een begin. Voor de uitwerking en uitvoering van de beleidslijnen die
in de documenten zijn neergelegd, is andermaal interdepartementaal
overleg vereist. Het is op deze wijze dat daadwerkelijk geïntegreerd
beleid tot stand komt en de instrumenten die daarbij worden ingezet zoveel
mogelijk op elkaar worden afgestemd. De beleidsdocumenten zijn dus niet een
doel op zichzelf, maar vormen een belangrijk markeringspunt in een voortgaand
proces van vormgeving aan onze bilaterale betrekkingen.
In mijn brief van 12 september 1997, kenmerk DGRB-33/97 stelde ik reeds
gaarne naast mijzelf steeds mijn ambtgenoten voor Ontwikkelingssamenwerking
en van Economische Zaken bij het overleg met de Kamer betrokken te zien. Ontwikkelingssamenwerking
vormt een belangrijk onderdeel van het buitenlandse beleid, terwijl de Minister
van Economische Zaken nauw bij de totstandkoming van de documenten is betrokken
wegens het belang van economische belangenbehartiging dat in de herijking
van het buitenlands beleid sterk is benadrukt.
Het beleidsdocument Caraïbisch gebied, dat in goed overleg met de
Koninkrijkspartners tot stand komt, zal de Kamer in de loop van de maand mei
toegaan. In de komende maanden kan de Kamer documenten tegemoet zien over
Duitsland, Rusland, Noord-Afrika, Golfregio, Zuid-Azië en het Andesgebied.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo