Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25535 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25535 nr. 3 |
Vastgesteld 18 december 1997
De vaste commissies voor Buitenlandse Zaken1 en Economische Zaken2 hebben op 20 november 1997 overleg gevoerd met minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken, staatssecretaris Van Dok-van Weele van Economische Zaken en minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking over het regiobeleidsdocument voor Midden-Europa.
Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Leers (CDA) vond het regiobeleidsdocument een nuttig overzicht van beleid en instrumenten maar vroeg zich wel af waarin de herijking is terug te vinden. Het document onderscheidt zich niet erg veel van andere (nuttige) overzichtsdocumenten zoals de jaarlijkse rapportage over het ondersteuningsbeleid Midden- en Oost-Europa. Al die documenten zijn voornamelijk retroperspectief. Lang niet altijd wordt een analyse gemaakt van de meest wenselijke richting, maar gelukkig wordt daarover wel iets gezegd in het voorliggende regiobeleidsdocument. Er staan wel een paar aanzetten tot integratie in, maar toch vond de heer Leers het stuk een te algemeen karakter hebben, terwijl het bovendien niet altijd even consistent is. Ook vond hij dat er kansen worden gemist om werkelijke integratie tussen ontwikkelingssamenwerking en internationale samenwerking te bevorderen. Nog steeds staan er in het stuk zinnen als «er is behoefte aan een betere afstemming», maar daar blijft het dan bij. Ook ontbreekt een nadere invulling van de centrale sturing en is er nog steeds sprake van een versnipperd beleid en een solitaire aanpak. Terecht wordt een zwaar accent gelegd op de toetreding tot de EU, maar niet gezegd wordt wat met het oog daarop zou moeten gebeuren in landen als Roemenië, Bulgarije, Albanië, Macedonië en Moldavië. Het is overigens opmerkelijk dat laatstgenoemd land niet voorkomt in het regiobeleidsdocument.
Het meest opvallende is nog steeds het gebrek aan prioriteitstellingen in het Nederlandse beleid ten aanzien van Midden-Europa. Er is sprake van maar liefst 40 prioriteiten of, zo men wil, hoofdaandachtsgebieden en nog steeds komen er nieuwe bij. Dat komt de effectiviteit van het beleid natuurlijk niet ten goede, vooral ook niet omdat de middelen beperkt zijn en de instrumenten zijn verdeeld over elf ministeries.
De heer Leers merkte vervolgens op de met de herijking beoogde afstemming en samenhang onvoldoende terug te vinden in het regiobeleidsdocument. Hij vroeg zich af welke specifieke taken minister Pronk heeft in het beleid ten aanzien van landen als FYROM, Bosnië-Herzegovina, Moldavië en Albanië.
De heer Leers kon zich vinden in de accentverschuiving in het PSO in oostwaartse richting. Hij vond ook dat er nieuwe prioriteiten moeten worden gesteld. Delen de bewindslieden de opvatting dat het Nederlandse hulpbeleid zich vooral moet richten op de meest nabije Europese buren? Met het oog op de beperkte financiële middelen is daar iets voor te zeggen, maar dan moet wel rekening worden gehouden met de grote verschillen tussen de Visegradlanden aan de ene kant en landen als Roemenië, Bulgarije, Albanië e.d. aan de andere kant. Laatstgenoemde groep landen zijn economisch minder ver ontwikkeld, maar verdienen wel steun omdat ze een essentiële rol spelen in het proces van bevordering van vrede en veiligheid.
Zit er niet een contradictie tussen de terechte accentverschuiving in het PSO en het voorstel van staatssecretaris Van Dok met betrekking tot een PSO+? Het leek de heer Leers dat landen als Tsjechië, Hongarije en Polen niet meer onder het PSO zouden moeten vallen. Als er een verschuiving van het PSO plaatsvindt in oostwaartse richting, moeten dan de programma's niet worden aangepast aan de veranderde behoeften? Het huidige PSO zal niet zo gemakkelijk kunnen inspelen op de economische problemen van de meer oostelijke landen die eigenlijk onder de DAC-criteria zouden moeten vallen.
De heer Leers verbaasde zich erover dat het PSO en het programma MATRA meer zullen worden toegesneden op de voorbereiding van toetreding tot de EU. Als de Visegradlanden worden gesteund in hun economische zelfontplooiing, moeten daarop toch ook niet programma's als het PSO en MATRA van toepassing worden verklaard? Die landen zouden gebruik moeten kunnen maken van het EU-export- en investeringsinstrumentarium, terwijl genoemde programma's vooral betrekking zouden moeten hebben op de meer oostelijk gelegen landen. Er zouden eigenlijk twee sets van instrumenten moeten overblijven: het generieke instrumentarium voor de succesvolle transitielanden en het PSO en MATRA voor de minder ontwikkelde landen. Het PSO en MATRA zijn daarbij dan de twee zijden van dezelfde medaille terwijl OS op de rand van die medaille een belangrijke rol kan spelen.
De heer Leers vond het jammer dat in het MATRA-programma zo weinig aandacht wordt besteed aan de rol van het maatschappelijk middenveld. Er zijn immers talrijke initiatieven die de sociale cohesie in de desbetreffende landen aanmerkelijk zouden kunnen bevorderen. Particuliere en medefinancieringsorganisaties vallen nu zowel bij het PSO als bij MATRA tussen de wal en het schip.
Tussen het voorliggende regiobeleidsdocument en het nog te verschijnen landendocument over Oost-Europa zijn natuurlijk raakvlakken. Zal daarin ook aandacht worden besteed aan de Oekraïne, Bosnië en Moldavië?
Hoe zal de Nederlandse presentie in de in het regiobeleidsdocument besproken landen gestalte worden gegeven? De heer Leers ging ervan uit dat de financiering daarvan niet uit het hulpprogramma komt.
Als gesteld wordt dat Midden-Europa in economisch opzicht van toenemend belang wordt, zal meer aandacht moeten worden besteed aan de instrumenten. Het ligt in de rede dat er op dit punt de komende jaren een intensivering plaatsvindt.
Over het Marshallplan Kok-Van Dok wordt de laatste tijd weinig meer vernomen. De heer Leers zei dat deze benaming onjuiste associaties oproept en dat daarom beter een andere benaming kan worden gekozen. Hoe is de stand van zaken met betrekking tot het plan en de in het vooruitzicht gestelde afstemmingsconferentie?
Vastgesteld moet worden dat het Nederlandse hulpbeleid redelijk effectief is en dat er niet veel geld aan de strijkstok blijft hangen. Toch leek het hem gewenst om ook bij overheidsactiviteiten een maximaal percentage aan overhead vast te stellen.
De heer Van den Bos (D66) vond het regiobeleidsdocument een waardevol document dat een goede aanzet geeft tot integratie van internationale samenwerking en ontwikkelingssamenwerking. Wel vond hij het jammer dat niet is ingegaan op de meer algemene politieke toekomst van Midden-Europa in het licht van toetreding tot de EU en de NAVO. Een van de grootste problemen in de toekomst zal zijn een gedifferentieerde EU van landen die zeer verschillende posities innemen. Veel landen in Midden- en Oost-Europa zijn nogal nationaal georiënteerd; er zijn in ieder geval weinig samenwerkingsvormen. De landen zijn veelal meer op het Westen georiënteerd dan op elkaar.
De regering kiest voor een brede hulpinspanning en niet voor concentratie op een beperkt aantal landen. Kan zij deze keuze eens principieel toelichten? Denkt zij ook niet dat een meer geconcentreerd beleid effectiever is?
Wat betekent de verschuiving in beleid voor landen in Midden-Europa die in de kopgroep zitten? Komt het erop neer dat zij gestraft worden voor succesvol beleid? De heer Van den Bos kon zich voorstellen dat ten behoeve van een land als Slowakije, dat op de wip zit, een extra hulpinspanning wordt gepleegd.
Krijgen de landen die onder de DAC-hulp vallen een andere behandeling dan ze gekregen zouden hebben als ze er niet onder zouden vallen. Kan via de DAC-hulp beter worden voorzien in hun behoeften? Kan de regering de verhouding tussen DAC-hulp en andere hulpvormen politiek motiveren?
Uitgangspunt van het Nederlandse beleid wordt gevormd door de behoeften van de landen in kwestie en niet zozeer het aanbod van Nederlandse kant. Dat is op zich een goed uitgangspunt, maar er zitten wel twee risico's aan. Het eerste is dat de landen, omdat ze niet altijd in staat zijn hun problemen goed te definiëren, afhankelijk worden van NGO's die soms hun eigen voorkeuren hebben. Het tweede is dat zeer nuttige Nederlandse aanbiedingen buiten het programma vallen. De heer Van den Bos noemde in dit verband de Nederlandse deskundigheden op het gebied van privatisering en sociale zekerheid.
Oorspronkelijk zouden vooral het middenveld en de decentrale overheden onder het MATRA-programma vallen. Nu ook de centrale overheden eronder vallen, moet de vraag worden gesteld of dit niet leidt tot een versnippering van het programma. Het leek hem beter de aandacht te blijven richten op de oorspronkelijke doelstelling.
Is de regering ook niet van mening dat elke kandidaat-lidstaat van de EU een volwaardige Nederlandse vertegenwoordiging moet hebben? Zo ja, binnen welke termijn zou dat kunnen worden verwezenlijkt?
De heer Blaauw (VVD) zei blij te zijn met dit overzichtelijke en ook realistische regiobeleidsdocument. De bewindslieden realiseren zich dat het een eerste aanzet is tot een integrale benadering en afstemming van de diverse programma's. Enige versnippering valt natuurlijk nooit te vermijden, maar de eerste stappen in de goede richting zijn gezet. Hij herinnerde eraan dat hij al eerder heeft gepleit voor een afstemming binnen het beleid van de EU-donoren om te voorkomen dat er een teveel aan concurrentie en verspilling ontstaat. Het verdient wellicht aanbeveling aan dit onderwerp een conferentie te wijden.
De heer Blaauw kon zich vinden in de accentverlegging binnen het PSO. Het is inderdaad wenselijk om de aandacht meer te richten op de minder ontwikkelde landen. Het is goed dat Nederland naast het Europese programma zijn eigen bilaterale programma's heeft.
Heeft de betalingsbalanssteun een structureel karakter of is het de bedoeling om Bulgarije uit de problemen te helpen nu het niet meer onder de DAC-hulp valt? Is Slovenië, dat zich bijna weet te kwalificeren als kandidaat-lid van de EU, nog steeds een ODA-land?
Is de regering ondertussen ook van mening dat de milieugulden in bijvoorbeeld Midden- en Oost-Europese landen effectiever kan worden besteed dan in Nederland? Het is evident dat milieu-investeringen in Midden- en Oost-Europa rendabeler zijn dan in Nederland.
Verder vroeg de heer Blaauw zich af of het realistisch is om vrij hoog in te zetten op de CEFTA. Hij had de indruk dat Italië via de CEFTA tracht een eigen beleid te realiseren in een gebied waarin het zo graag een voortrekkersrol speelt.
In hoeverre is de Europese Investeringsbank betrokken bij de hulp aan Midden- en Oost-Europa? De vice-president van de bank heeft te kennen gegeven dat de EIB wat actiever zou moeten worden ten behoeve van het MKB in die landen. De heer Blaauw kon zich dat goed voorstellen.
Kan de minister iets meer vertellen over de NSA? Zit er enige voortgang in het programma?
Vervolgens herinnerde de heer Blaauw aan zijn eerder gedane suggestie om in navolging van het PUM (Project uitzending managers) ook een PUA (Project uitzending ambtenaren) op te zetten. Het Oost-Europaplatform richt zich op het inzetten van mensen die in Nederland hun carrière hebben afgerond en voor een relatief laag bedrag ambtelijke taken kunnen verrichten in Midden- en Oost-Europa. Zijn de bewindslieden bereid deze suggestie nader te bekijken?
Kunnen bij het grote bouwproject in het centrum van Sarajevo niet meer Nederlandse ondernemers worden betrokken? Van bijvoorbeeld AVBB-zijde wordt gewacht op initiatieven van de overheid, maar het omgekeerde geldt ook. Het lijkt daarom gewenst eens met elkaar te gaan spreken over bijvoorbeeld opleidingsfaciliteiten voor managers in de bouw en bouwvakkers zelf. Staatssecretaris Schmitz staat niet onwelwillend tegenover de suggestie om tijdelijk in Nederland verblijvende asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina te laten om- en bijscholen zodat ze bij terugkeer een beroep kunnen uitoefenen.
Ten slotte vroeg de heer Blaauw naar de relaties van Nederlandse kamers van koophandel met kamers van koophandel in Midden-Europa. Het leek hem dat ook langs deze weg de effectiviteit van de hulp kan worden vergroot.
Ook de heer Valk (PvdA) vond het regiobeleidsdocument helder en overzichtelijk. Kan de regering aangeven welke gevolgen de herijking zal hebben voor het Nederlandse beleid ten aanzien van Midden-Europa? Het is van groot belang dat Midden-Europa wordt geïntegreerd in Westerse instituties als NAVO en EU. Hoe dan ook moet worden voorkomen dat er op enigerlei manier een nieuwe tweedeling ontstaat in Europa tussen landen die wel in aanmerking komen voor integratie en landen die voorlopig de boot dreigen te missen.
De heer Valk bepleitte voorts meer beleidsmatige aandacht voor landen als Albanië en Macedonië. Om niet altijd crisisdiplomatie te behoeven bedrijven, zouden ook ministeriële bezoeken moeten worden gebracht in tijden waarin geen branden hoeven te worden geblust. Zijn er wat dit betreft initiatieven te verwachten? Ook is het van groot belang dat in beide genoemde landen een permanente vertegenwoordiging wordt geïnstalleerd, eventueel in samenwerking met andere EU-lidstaten. Voor Slovenië geldt hetzelfde.
Zijn de bewindslieden de mening toegedaan dat de specifieke behoeften van elk land afzonderlijk de inhoud van de hulpverlening dienen te bepalen? Dat de hulpverlening geleidelijk aan wordt verschoven van de Visegradlanden naar landen als Bulgarije en Roemenië zou een goede zaak zijn.
De heer Valk benadrukte vervolgens de noodzaak van coördinatie van de bilaterale hulp aan de landen in Midden-Europa. Het leek hem dat de OESO of de EU hier een goede rol zal kunnen spelen.
Het belang van de ontwikkeling van civil societies kan niet genoeg worden onderstreept. Gemeenten kunnen hierbij een betekenisvolle rol spelen. Eigenlijk zou elke Nederlandse gemeente een jumelage met gemeenten in Midden-Europese landen moeten opzetten. Hoe oordeelt de regering over een eenmalige stimuleringsregeling om gemeenten, die de stap nog niet hebben gezet, over de streep te trekken?
Minister Van Mierlo zei dat het regiobeleidsdocument moet worden beschouwd als een kader voor geïntegreerd beleid. De ervaring leert dat dergelijke beleidsdocumenten een stimulans vormen voor alle departementen om met Buitenlandse Zaken actief en creatief samen te werken. Als zodanig is er sprake van een verandering van de beleidscultuur in Den Haag ten opzichte van het buitenland en het is op dit punt dat de gevolgen van de herijking zich manifesteren. Dat er zoveel prioriteiten worden gesteld, heeft te maken met de Nederlandse betrokkenheid bij allerlei mondiale ontwikkelingen. Het leek de minister dat het regiobeleidsdocument niet het meest geschikte document is om posterioriteiten aan te geven. Wellicht is het beter om in plaats van prioriteiten te spreken van «speciale aandachtsgebieden». Het spreekt overigens voor zich dat de aandacht van Nederland voor vele landen niet wordt bepaald door in alle gevallen dezelfde belangen.
Het MATRA-programma richt zich op NGO's en lagere overheden, maar het is duidelijk geworden dat het programma zich ook dient te richten op relaties met en activiteiten ten behoeve van centrale overheden. De regering is van mening dat zowel MATRA als het PSO meer moeten worden toegesneden op de voorbereiding tot toetreding tot de EU. Op onderdelen raakt MATRA economische belangen, bijvoorbeeld als het gaat om regeling van douanefaciliteiten. Het is een van de resultaten van de herijking dat beide programma's rechtstreekse relaties met elkaar hebben gekregen. Zo is het nu ook mogelijk dat het PSO figureert in landen waaraan nog ontwikkelingshulp wordt gegeven. Beide instrumenten kunnen elkaar als het ware versterken. Verschuiving van PSO-gelden naar de meer oostelijk gelegen landen betekent niet dat de Visegradlanden worden gestraft voor hun goede beleid. De PSO-gelden vallen immers in het niet bij de gelden die in het kader van de toekomstige Europese samenwerking zullen worden overgeheveld.
De minister meende dat de regering de Kamer al voldoende op de hoogte heeft gebracht van haar zienswijze op de meer algemene noties van toetreding van landen in Midden-Europa tot de EU. Het regiobeleidsdocument leent zich ook niet goed voor dergelijke algemene beschouwingen.
Slowakije heeft grote schreden voorwaarts gezet op economisch gebied, maar het zal nog wel enige tijd duren voordat het kan voldoen aan de toetredingsvereisten. Met name in de ontwikkeling naar een civil society is nog sprake van achterstanden.
Het is de bedoeling dat er een Nederlandse vertegenwoordiging wordt gevestigd in alle landen die toetreden tot de EU. De voorbereidingen daarvan zijn in volle gang.
De minister zegde toe de Kamer schriftelijk te zullen informeren over de ontwikkelingen op het terrein van de nuclear safety in Midden-Europa.
Het Central european initiative is een Italiaans initiatief en heeft betrekking op landen als Slowakije, Oostenrijk, Hongarije, Slovenië, Tsjechië e.d. Daarnaast is er het CEFTA, dat een samenwerkingsverband is van Polen, Tsjechië, Slowakije en Slovenië. De EU acht deze vrijhandelsovereenkomst zeer nuttig als een stap in de richting van de EU.
De milieugulden levert in Midden-Europa inderdaad beduidend meer rendement op, maar dat gegeven mag absoluut niet als een excuus gelden om in eigen land dan maar wat minder milieu-investeringen te doen.
Nederland blijft in alle gremia nadrukkelijk oog houden voor coördinatie van bilaterale activiteiten met landen in Midden-Europa.
Ten slotte merkte de minister op dat ook de regering het belang van het middenveld in het proces van maatschappelijke transformatie ten volle onderkent. De financiering van de diplomatieke posten komt uit de algemene budgettering en gaat niet ten koste van specifieke hulpprogramma's.
Staatssecretaris Van Dok-van Weele zei dat in het beleid twee elementen centraal staan: het ondersteunen van het transitieproces in landen in verschillende fasen van ontwikkeling en het steunen van de economische ontwikkeling. De herijking maakt het beter mogelijk om het beleid toe te spitsen op deze twee elementen. Geconstateerd kan worden dat het PSO zeer effectief is, te weten 70%-80%. De meeste hulpprogramma's komen niet verder dan een effectiviteitspercentage van 50. Het PSO is een flexibel programma dat goed kan inspelen op de specifieke problemen van de ontvangende landen en schakelt wel degelijk ook de marktpartijen in. Wat de markt kan doen, hoeft het PSO niet te doen. Bij dit alles dienen natuurlijk de prioriteiten ten aanzien van het transitieproces goed in de gaten te worden gehouden.
Waar nodig worden prioriteiten geherformuleerd. Landen die het goed doen, verdwijnen uit het PSO en dat dienen ze als een compliment voor hun beleid te beschouwen. Dat proces vindt overigens geleidelijk plaats op basis van het PSO+. Dat programma ondersteunt met relatief kleine bedragen de marktontwikkelingen die relevant zijn in de laatste fase. Tegelijkertijd zijn de reguliere PSO-middelen voor landen, die nog niet zo ver zijn, verhoogd.
Het PSO- en MATRA-instrumentarium worden in voorkomende gevallen gecombineerd toegepast ten behoeve van de voorbereiding van toetreding tot de EU. Beide beleidsinstrumenten kunnen elkaar versterken. Polen is druk bezig met de implementatie van Europese regelgeving, maar loopt daarbij aan tegen belemmeringen in de sfeer van de markt. Te denken valt hierbij aan het bureaucratische douanestelsel en nu wordt bezien of bedoelde belemmeringen kunnen worden weggenomen door bedoelde gecombineerde toepassing. In het gecombineerde programma kan wellicht ook iets meer aandacht worden besteed aan de uitwisseling van ambtenaren; daarbij zal ook de suggestie van de heer Blaauw met betrekking tot de PUA's worden betrokken.
Natuurlijk zijn er ook Nederlandse economische belangen in het geding. De export naar Tsjechië zal dit jaar met 19% zijn gegroeid, terwijl de export naar Polen twee maal zo groot is als de export naar China. De export naar en investeringen in geheel Midden- en Oost-Europa verdrievoudigen. Er liggen hier grote kansen voor het midden- en kleinbedrijf en daar wil het MKB-beleid ten departemente graag op inspelen in de vorm van allerlei aanpassingen. De staatssecretaris doelde hier met name op het PSB-instrumentarium.
In het algemeen is het van groot belang dat de particuliere sector in Midden- en Oost-Europa wordt aangemoedigd om het transformatieproces te ondersteunen. Begin volgend jaar zal een werkgroep nadere voorstellen doen met betrekking tot de wijze waarop dat het beste kan gebeuren. De Kamer zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.
De staatssecretaris benadrukte dat zij de rol die het middenveld kan spelen in het transformatieproces niet onderschat. Het ontbreken van een invloedrijk en substantieel middenveld (vakbonden, kamers van koophandel enz.) maakt het transformatieproces er niet gemakkelijker op. Daarom ook worden de ambassades ertoe aangezet zich te gaan bewegen op het middenveld, bijvoorbeeld door mee te helpen om bilaterale relaties te creëren. De staatssecretaris stelde zich voor de Kamer te zijner tijd enige informatie te verschaffen over vorm en inhoud van de netwerken.
De staatssecretaris merkte vervolgens op weinig te voelen voor een eenmalige stimulans aan gemeenten om een jumelage aan te gaan met gemeenten in Midden-Europa. Het draagvlak voor een jumelage moet in de gemeenten zelf ontstaan. Wel wilde zij nagaan welke rol gemeenten kunnen spelen bij het creëren van economische netwerken in het kader van het PSO/MATRA.
Het Nederlandse beleid is er in het algemeen op gericht om de overhead zo gering mogelijk te doen zijn en fraude te bestrijden. Het hanteren van vaste overheadpercentages voor complexe hulpactiviteiten in Midden- en Oost-Europa leek de staatssecretaris echter niet effectief. Het is beter van geval tot geval de juiste verhoudingen te bepalen in relatie tot de geformuleerde doelstellingen.
De staatssecretaris zegde toe na te zullen gaan of de Nederlandse inbreng in TAIEX als voldoende kan worden gekarakteriseerd. Ten slotte merkte zij op het eens te zijn met de heer Van den Bos dat bij de hulpverlening niet uitsluitend moet worden gekeken naar de vragen en behoeften van de landen in kwestie, maar dat ook bezien moet worden welke specifieke deskundigheden Nederland heeft te bieden.
Minister Pronk herinnerde eraan dat een aantal jaren geleden in het kader van de OECD is gepoogd een aantal landen in Midden- en Oost-Europa te bombarderen tot DAC-land. Dat is niet gelukt en het aantal landen uit deze Europese regio dat in aanmerking komt voor officiële DAC-hulp is dan ook verminderd. Landen als Roemenië en Bulgarije zijn weer overgenomen door PSO onder verantwoordelijkheid van Economische Zaken, maar dat betekent niet dat het accent op het economische middenveld is verminderd. Alle landen die liggen op het grondgebied van voormalig Joegoslavië zijn nog wel steeds DAC-land. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn want nergens staat dat Nederland een land dat officieel als ontwikkelingsland wordt gekenschetst hulp moet geven. Als er echter hulp wordt geboden aan een dergelijk land, moet het worden gekwalificeerd als ontwikkelingshulp. Sommige landen hebben moeite met het afvoeren van landen van de DAC-lijst gezien de relaties die zij altijd met het desbetreffende land hebben gehad. Zo hadden de VS grote moeite met het afvoeren van de lijst van Singapore en Israël. Hetzelfde gold voor Nederland met betrekking tot de Antillen. Het is aan de andere kant ook erg moeilijk om landen op de DAC-lijst te krijgen. Het zijn met name de Scandinavische landen die zich daartegen verzetten. Er spelen voor Nederland natuurlijk ook politieke belangen met het oog op de samenstelling van de IMF/WB-kiesgroep. Economische Zaken, Financiën en Buitenlandse Zaken hebben er in eendrachtige samenwerking voor gezorgd dat de hulpstroom naar bijvoorbeeld de Oekraïne en Georgië op peil bleef. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking heeft in dezen een coördinerende taak. Hij heeft een specifieke rol met betrekking tot de overgebleven ontwikkelingslanden: Bosnië, Macedonië en Albanië. Maar ook wat dit betreft is er sprake van een ontschotting van het Nederlandse beleid, onverlet latende de specifieke verantwoordelijkheden van de diverse vakministers. Het beleid ten aanzien van Macedonië is vooral gericht op transitie en niet zozeer op allerlei ontwikkelingsactiviteiten. Het hoofdprobleem wordt gevormd door etnische tegenstellingen binnen Macedonië. Er is onder andere een programma opgezet ten behoeve van onderwijs aan (potentiële) drop-outs uit de Albanese minderheid. Ook is er een geïntegreerd agrarisch ontwikkelingsprogramma om te laten zien dat Nederland aan beide etnische groepen perspectieven wil bieden. In Albanië wordt de hulp eveneens voornamelijk verstrekt via het maatschappelijk middenveld met een nadrukkelijk accent op het stimuleren van de totstandkoming van een civil society. Dat Nederland geen eigen ambassade heeft in Albanië blijkt tot nu toe geen grote hindernis te zijn.
De minister zei evenals de heer Blaauw voorstander te zijn van het inbouwen van extra training in terugkeerprogramma's om mensen de gelegenheid te bieden bij terugkeer in voormalig Joegoslavië een baan te vinden. Daarbij kan inderdaad ook worden gedacht aan bouwvakkers.
Ten slotte zei de minister er evenmin als de staatssecretaris voorstander van te zijn om gemeenten, die nog geen samenwerkingsverband zijn aangegaan met een gemeente in een Midden- of Oost-Europees land, een eenmalige stimulans te geven om die stap wel te zetten.
Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Linden (CDA), ondervoorzitter, Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), H. Vos (PvdA), Verspaget (PvdA), Ybema (D66), Apostolou (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Valk (PvdA), Sipkes (GroenLinks), Woltjer (PvdA), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Roethof (D66), Rouvoet (RPF), Van den Doel (VVD), Meyer (groep-Nijpels), De Haan (CDA), Visser-van Doorn (CDA) en Koenders (PvdA).
Plv. leden: Leers (CDA), Bremmer (CDA), Korthals (VVD), Van der Stoel (VVD), Voûte-Droste (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Lilipaly (PvdA), De Graaf (D66), Van Gijzel (PvdA), Van den Berg (SGP), Rosenmöller (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Dittrich (D66), Hillen (CDA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van Waning (D66), Leerkes (Unie 55+), Bolkestein (VVD), Hendriks, Bukman (CDA), Gabor (CDA) en Dijksma (PvdA).
Samenstelling: Leden: Mateman (CDA), Blaauw (VVD), Van der Vlies (SGP), H. Vos (PvdA), voorzitter, Van Gelder (PvdA), Smits (CDA), Ter Veer (D66), G. de Jong (CDA), Leers (CDA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Hessing (VVD), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66) en Hofstra (VVD).
Plv. leden: Ten Hoopen (CDA), Van Rey (VVD), Van Middelkoop (GPV), Woltjer (PvdA), Sterk (PvdA), De Haan (CDA), Ybema (D66), Wolters (CDA), Lansink (CDA), Terpstra (CDA), Weisglas (VVD), Verbugt (VVD), Meyer (groep-Nijpels), M. B. Vos (GroenLinks), Bakker (D66), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Klein Molekamp (VVD), Witteveen-Hevinga (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Verspaget (PvdA), Adelmund (PvdA), Roethof (D66), Passtoors (VVD), Poppe (SP) en Feenstra (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25535-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.