25 533
Regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet)

nr. 73
AMENDEMENT VAN HET LID ROETHOF TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 621

Ontvangen 3 april 1998

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Aan artikel 20.2 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

3. Totdat hoofdstuk 13 van deze wet in werking treedt, wordt in het tweede lid «13g, met dien verstande dat in het eerste lid, onderdeel a, vervalt «waaronder technische aftapbaarheid»» vervangen door: 13g.

II

Artikel 20.12 komt als volgt te luiden:

Artikel 20.12

Voor aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten die reeds op grond van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen in hun hoedanigheid van houder van de concessie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, van houder van een infrastructuurvergunning, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel t, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, van houder van een vergunning als bedoeld in artikel 13a van de Wet op telecommunicatievoorzieningen, van houder van een registratie als bedoeld in de artikelen 22a en 23a van de Wet op de telecommunciatievoorzieningen verplichtingen met betrekking tot het aftappen van hun netwerken of diensten hebben, blijven de regels, bij of krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen met betrekking tot de aftapbaarheid van hun telecommunicatie-infrastructuur onderscheidenlijk hun draadomroepinrichting onderscheidenlijk hun telecommunicatie-inrichting, en de regels met betrekking tot het verlenen van medewerking aan de uitvoering van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het afluisteren of opnemen van de telecommunicatie, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, alsmede artikel 64a van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen van kracht totdat hoofdstuk 13 van deze wet in werking treedt.

III

Aan artikel 20.18 wordt, onder aanduiding van de bestaande tekst als eerste lid, een lid toegevoegd, luidende:

2. Het ontwerp van een koninklijk besluit krachtens welke een of meer artikelen van hoofdstuk 13 in werking treden wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Het besluit kan worden genomen nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van het koninklijk besluit bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

Toelichting

Dit amendement strekt tot het uitstellen van de inwerkingtreding van hoofdstuk 13 (Bevoegd aftappen) van het wetsvoorstel.

Het is gewenst de uitkomst van de behandeling van het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden (kamerstukken II 1996/97, nr. 25 403), van het wetsvoorstel inlichtingen- en veiligheidsdiensten (kamerstukken II 1997/98, 25 877), maar eveneens van de nota wetgeving voor de elektronische snelweg (kamerstukken II 1997/98, 25 880) af te wachten.

Ook de vraag of de elektronische snelweg volledig aftapbaar moet zijn verdient, vanwege de impuls die hiervan uitgaat op het gebruik van verfijnde versleutelingstechnieken, nadere bestudering.

Door de kamers bij de inwerkingtreding van hoofdstuk 13 te betrekken, kan de opportuniteit van de inwerkingtreding worden beoordeeld.

Roethof


XNoot
1

Vervanging in verband met een wijziging in de ondertekening.

Naar boven