Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25453 nr. 9 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25453 nr. 9 |
Vastgesteld 4 september 1997
De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 27 augustus 1997 overleg gevoerd met staatssecretaris Schmitz van Justitie over haar brief van 17 juli 1997 (25 453, nr. 1) inzake de zogenaamde witte-illegalenregeling.
Van het overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Dittrich (D66) stelde vast dat mensen die zich over de kwestie van de witte-illegalen een mening hebben gevormd te kennen hebben gegeven dat het hoogste recht soms kan verkeren in het hoogste onrecht en zich hebben afgevraagd of de mensen er voor de regels zijn of de regels voor de mensen. Samen met de staatssecretaris heeft de Kamer begin 1995 regels opgesteld voor mensen die al lange tijd illegaal in Nederland wonen. De hoofdregel was en is dat iemand die zonder toestemming van de overheid in Nederland woont dient te vertrekken. Tegelijkertijd werd echter beseft dat dat soms onredelijk kan zijn. Als de overheid aan iemand die illegaal in Nederland verblijft in 1991 of daarvoor een sofi-nummer heeft gegeven en belasting en premies heeft geïnd gedurende minstens zes jaar, kan alsnog een verblijfsvergunning worden verstrekt. De desbetreffende regeling eindigt eind 1997. De familie Gümüs heeft de harde gevolgen van de geldende regels een gezicht gegeven en de vraag rijst of tot uitzetting van mensen moet worden overgegaan die niet aan het criterium van zes jaar voldoen maar die wel gedurende die periode in eigen levensonderhoud hebben voorzien, geïntegreerd zijn in de samenleving en schoolgaande kinderen hebben. Dat geldt overigens niet alleen voor de familie Gümüs; er zijn andere gezinnen die in een vergelijkbare situatie verkeren.
De D66-fractie laat zich door een Chinees spreekwoord leiden dat zegt: «Bij het maken van wetten is gestrengheid vereist, maar bij de toepassing ervan genade». De fractie vindt dat de regels uit 1995 in de praktijk soms te hard uitpakken en ziet ze graag soepeler toegepast. Tijdens het debat over de Koppelingswet heeft zij daartoe voorstellen ingediend, waar de meerderheid van de Kamer zich echter niet in kon vinden. Daarom ook was de heer Dittrich verheugd dat de staatssecretaris heeft aangeboden overleg te plegen over de circulaire. Het moet mogelijk zijn een oplossing te vinden voor de mensen die niet aan het zesjarencriterium voldoen.
De heer Boeles, hoogleraar migratierecht, heeft erop gewezen dat artikel 10 van het Europees vestigingsverdrag (EVV), waarbij ook Turkije zich heeft aangesloten, de mogelijkheid biedt aan Turkse migranten om op voet van gelijkheid met EU-onderdanen in EU-landen te werken. Hoe oordeelt de staatssecretaris over deze redenering?
De datum waarop een illegaal een verblijfsvergunning aanvraagt, is het meetmoment. De heer Dittrich zei zich te kunnen voorstellen dat dit moment wordt verlegd naar de datum waarop de regeling wordt beëindigd (december 1997), los van de vraag of de persoon in kwestie al dan niet is uitgeprocedeerd. Daartoe behoeft de circulaire niet te worden veranderd, want een en ander is geregeld in de ambtelijke werkinstructie die in de Kamer niet is besproken. Maar ook als wordt teruggerekend vanaf eind december 1997 zullen er mensen zijn die niet kunnen aantonen dat zij vanaf december 1991 onafgebroken in Nederland hebben gewerkt. Daarom zal ook het zesjaarcriterium soepeler moeten worden toegepast. Het criterium van verzekerde dagen kan soms onredelijk uitpakken voor mensen die bijvoorbeeld seizoenarbeid hebben verricht of een korte periode werkloos zijn geweest. Daarom vond de heer Dittrich dat het criterium moet zijn dat men zes jaar lang in eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien en dat er een voldoende mate van inburgering is. Dat laatste is moeilijk te meten, maar een meetfactor zou kunnen zijn het al dan niet hebben van schoolgaande kinderen. Er zijn rechters die rekening houden met de mogelijkheid dat een kind psychische schade lijdt als het Nederland wordt uitgezet. Er zijn echter ook rechters die zich strikt aan de circulaire houden en enkel het zesjaarcriterium hanteren. Omdat de Vreemdelingenwet nog steeds geen hoger beroep kent, blijft het beeld diffuus. Hopelijk zal dit algemeen overleg ertoe leiden dat er meer eenduidigheid komt in de uitwerking van het op politiek niveau vastgestelde beleid.
De staatssecretaris heeft tot nu toe ervoor gekozen niet of nauwelijks an de geldende regeling af te willen wijken. Daar valt juridisch gezien weinig op af te dingen. Toch vroeg de heer Dittrich de staatssecretaris de zo-even door hem genoemde criteria te verwerken in de regeling en niet tot uitzetting van de familie Gümüs en van mensen in vergelijkbare posities over te gaan. Hij zou het zeer toejuichen als tijdens dit algemeen overleg zou blijken dat de meerderheid van de Kamer en de staatssecretaris gronden vinden om de familie Gümüs en anderen in een vergelijkbare positie een verblijfsvergunning te geven. Mocht dat niet zo zijn, dan is de fractie van D66 voornemens tijdens een plenair debat een motie van die strekking in te dienen.
De heer Apostolou (PvdA) benadrukte dat het in dit overleg niet over individuele gevallen gaat maar om de regeling als zodanig. Het besluit van de staatssecretaris met betrekking tot de familie Gümüs wordt door velen als onrechtvaardig beschouwd. De PvdA-fractie doet dat echter niet omdat zij met de staatssecretaris van mening is dat op grond van de in overleg met de Kamer vastgestelde regeling de beslissing alleszins is te rechtvaardigen. De heer Apostolou sprak waardering uit voor de opstelling van de staatssecretaris die voor moeilijke afwegingen staat in dezen. Hij waardeerde het zeer dat de staatssecretaris met de Kamer een gedachtewisseling over deze ingewikkelde en moeilijke materie wil voeren. De vele protesten en de commentaren in de publieke media kunnen niet onbeantwoord blijven. De Kamer dient te reageren op maatschappelijke vraagstukken die velen bezighouden. De PvdA-fractie constateert met voldoening dat de discussie in een positief klimaat heeft plaatsgevonden. De solidariteit tussen autochtonen en vreemdelingen getuigt van een goede gezindheid, acceptatie en waardering voor elkaar. Dat zijn elementen die in het vreemdelingenbeleid van onschatbare waarde zijn.
De PvdA-fractie is tot de conclusie gekomen dat een nadere omschrijving van de circulaire van maart 1995 gerechtvaardigd is. De circulaire moet naar haar mening worden aangevuld met een omschrijving van de eerste alinea van de paragraaf waarin het volgende staat: «Bij de afwijking van het beleid ten aanzien van illegalen dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de band die de betrokken vreemdeling met Nederland heeft opgebouwd tijdens zijn illegale verblijf en de banden die hij nog heeft met het land van herkomst. Daarbij zijn onder meer van belang de aard en de duur van het verblijf in Nederland, de gezinssituatie, kennis van de Nederlandse taal en bekendheid bij andere overheidsdiensten». De nadere omschrijving van deze regels dient naar de mening van de PvdA-fractie in te houden dat, indien aan de voorwaarde van zes jaar onafgebroken inkomen uit arbeid niet wordt voldaan alsnog een verblijfsvergunning wordt verleend als sprake is van de volgende omstandigheden:
a. de betrokken vreemdeling verbleef minimaal zes jaar onafgebroken in Nederland en voorzag gedurende zijn verblijf zelf in zijn levensonderhoud.
b. de betrokken vreemdeling heeft kinderen die in Nederland zijn geboren of die hier langdurig verbleven; een of meerdere kinderen hebben gedurende een substantiële periode in Nederland onderwijs genoten. (Over de invulling van het begrip «substantiële periode» zou nog nader overleg moeten worden gevoerd).
c. de betrokken vreemdeling kan aantonen dat hij een band heeft met Nederland, hetgeen blijkt uit de kennis van de Nederlandse taal, de mate van integratie in zijn woon- en leefomgeving en zijn bekendheid bij andere overheidsinstellingen.
Het spreekt voor zich dat er overigens geen andere bezwaren mogen bestaan tegen het verlenen van een verblijfsvergunning. De PvdA-fractie is van mening dat haar voorstel, dat binnen de grenzen van de circulaire blijft, tot vaststaand kader voor de beoordeling van verblijfsvergunningaanvragen biedt. De tijdelijkheid van de circulaire blijft en er wordt niet getornd aan de algemene regels die in het kader van de Koppelingswet zijn vastgelegd. Wel wordt de mogelijkheid tot een verblijfstitel geboden aan degenen die onder de regeling vallen en degenen die een aanvraag hebben ingediend. Bovendien blijft de groep die het betreft beperkt en overzichtelijk. Als de staatssecretaris zich in dit voorstel kan vinden, dient zij zo snel mogelijk een besluit met betrekking tot de familie Gümüs te nemen.
Met de regeling inzake de langdurige illegalen zijn de problemen met betrekking tot de toelating van vreemdelingen niet opgelost. Een overheid die niet iedere vreemdeling wil toelaten, kan niet om pijnlijke keuzen heen. Zij zal voortdurend worden geconfronteerd met ingewikkelde situaties die om een antwoord vragen. Niet alles kan in regels worden vastgelegd. Daarom zou de staatssecretaris in ruimere zin dan de Kamer in het verleden heeft gesuggereerd van haar discretionaire bevoegdheden gebruik moeten maken. De heer Apostolou pleitte in dit verband voor een actiever voorlichtingsbeleid. Vaak wordt in de media gereageerd op basis van gebrekkige of verkeerde informatie. Hij was zich ervan bewust dat zich grote dilemma's voordoen in het toelatingsbeleid. De PvdA-fractie wil echter de lastige problemen op dit terrein niet uit de weg gaan en wil daarom nadere voorstellen doen.
De heer Apostolou vroeg verder nog aandacht voor de positie van een legaal in Nederland verblijvende die door wijziging van de verblijfstitel zijn verblijfsvergunning is kwijtgeraakt terwijl betrokkene is blijven werken. Op dit moment worden aanvragen afgewezen omdat de gewerkte jaren in de periode dat hij een verblijfsvergunning bezat niet worden meegeteld op grond van het feit dat men zes jaar illegaal in Nederland moet zijn geweest. Een dergelijke handelwijze stemt niet overeen met de geest van de regeling. Hoe oordeelt de staatssecretaris hierover?
Ten slotte vroeg de heer Apostolou wat er gaat gebeuren met degenen die voor 31 december 1997 wel aan de gestelde eisen voldoen, maar hun aanvraag enkele jaren geleden hebben ingediend. Is het mogelijk de circulaire te laten expireren in combinatie met een opschoning van de nu nog lopende aanvragen?
Mevrouw Sipkes (GroenLinks) stelde vast dat deze zomer duidelijk is geworden dat er een breed draagvlak bestaat voor een humaner vreemdelingenbeleid. Met de familie Gümüs heeft de illegaal in Nederland verblijvende een gezicht gekregen. Zij waardeerde het in de brief van de staatssecretaris vervatte aanbod om te discussiëren over de witte-illegalen, omdat de familie Gümüs symbool staat voor gelijksoortige gevallen die echter veelal naamloos zijn en te maken hebben met veel onzekerheden.
In maart 1995 is de witte-illegalenregeling in de vorm van een circulaire gegoten. Hoewel tijdens het desbetreffende overleg in februari 1995 in de Tweede Kamer de algemene indruk bestond dat de circulaire geen wijziging in het beleid zou betekenen, bleek het toch een aanscherping te zijn geweest. Zo wordt pas vanaf maart 1995 de aanvraagdatum van de verblijfsvergunning strikt als peildatum gehanteerd, terwijl voordien de zesjarentermijn nog doortelde totdat was beslist op het bezwaarschrift. Veel rechtshulpverleners zijn echter uitgegaan van de oude regeling omdat de beleidswijziging lang niet overal was doorgedrongen. Men zou kunnen zeggen dat dit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. In het kader van het nieuwe beleid worden ook aanvragen van vreemdelingen, die de zes jaar op enkele maanden na niet halen, afgewezen. De staatssecretaris maakt nauwelijks meer gebruik van haar bevoegdheid om af te wijken van de strikte zesjareneis. Humanitaire omstandigheden zijn kennelijk veranderd in zeer schrijnende gevallen.
Mevrouw Sipkes vond dat in ieder geval voor degenen die per 31 december 1997, als de regeling wordt beëindigd, zes jaar in Nederland zijn verbleven een soepeler beleid dient te worden gevoerd. Het gaat om een beperkt aantal gevallen. Deze mensen moeten dan wel in eigen onderhoud hebben voorzien en dienen blijk te hebben gegeven van de wens om in de Nederlandse samenleving te integreren. Het leek haar dat de gemeenten, die zich dan hebben te baseren op een samenstel van op landelijk niveau geformuleerde criteria, in staat moeten worden geacht in dezen een doorslaggevend advies te geven.
Mevrouw Sipkes merkte vervolgens op zeer onlangs geconfronteerd te zijn met een geval waarin een illegale Marokkaan, die evenals zijn (zwangere) vrouw een aanvraag had ingediend om in aanmerking te komen voor de witte-illegalenregeling, op het vliegtuig naar Marokko is gezet. Het uitzetten van een illegaal in Nederland verblijvende persoon aan de vooravond van een debat over de mogelijkheid de regels te verruimen vond zij onbegrijpelijk. Dit is wel een zeer starre uitleg van de regels zonder enig begrip voor humanitaire aspecten. Wil de staatssecretaris toezeggen dat er geen uitzettingen meer zullen plaatsvinden totdat er een duidelijker (wellicht soepeler) beleid is ontwikkeld?
Mevrouw Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels) was evenals de staatssecretaris van mening dat het niet wenselijk is, individuele gevallen in de Tweede Kamer aan de orde te stellen. Dat neemt niet weg dat het geval-Gümüs de directe aanleiding is voor dit algemeen overleg. De afgelopen maanden ontbrak het niet aan creatieve ideeën om aandacht te vragen voor deze familie. De diverse activiteiten hebben de verdraagzaamheid van de Nederlandse samenleving van een zonnige kant laten zien. Politiek Den Haag moet dit signaal uit de samenleving oppakken en moet komen tot een humane oplossing van de gerezen problemen. Hopelijk zal dit algemeen overleg ertoe leiden dat zoveel mogelijk schrijnende gevolgen van de huidige regeling worden weggenomen.
De staatssecretaris ziet terecht op grond van de huidige regeling geen enkele mogelijkheid om soortgelijke aanvragen als van de familie Gümüs in te willigen. Regels zijn er om gehandhaafd te worden. Mevrouw Aiking voegde hieraan toe dat desondanks in dit soort gevallen allereerst gelet zal moeten worden op de gevolgen van de in het geding zijnde kinderen. Zij vond het onwenselijk om de ontwikkeling van kinderen in een vertrouwde omgeving te verstoren. In artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind staat dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen. Het leek mevrouw Aiking dat dit een dwingende bepaling is, die zij overigens in de discussie tot nu toe had gemist.
De heer Rijpstra (VVD) stelde vast dat de staatssecretaris in het plenaire debat van 15 februari 1995 heeft bevestigd dat er in individuele zwaarwegende gevallen, los van de circulaire, ruimte blijft voor toetsing op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Dat is een goede zaak en valt ook binnen de bevoegdheden van de staatssecretaris, waarvan zij de afgelopen jaren zeker gebruik zal hebben gemaakt.
De VVD-fractie is en blijft van mening dat de circulaire duidelijk aangeeft onder welke strikte voorwaarden een persoon, die niet rechtmatig in Nederland verblijft, kan worden toegelaten. Iedereen van buiten de EU heeft te allen tijde het recht een aanvraag tot toelating in te dienen. Daarvoor gelden regelingen als het EVV, de regeling werknemer in loondienst, de zelfstandigenregeling en associatieverdragen. Als een persoon op grond van dergelijke regelingen in aanmerking komt voor vestiging in Nederland, kunnen daar moeilijk bezwaren tegen worden ingebracht. In haar brief van 27 november 1995 stelt de staatssecretaris dat er in de periode van 1 januari 1995–1 november 1995 63 aanvragen zijn ingediend op grond van de illegalencirculaire. Daarvan zijn er in eerste aanleg 51 afgewezen en 12 ingewilligd. Hoe is het verder gegaan met de 51 afgewezenen? En wat waren de resultaten van de aanvragen die na 1 november 1995 zijn ingediend?
In de circulaire staat dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden om af te wijken van staand beleid ten aanzien van illegalen met name aandacht dient te worden besteed aan de band die de vreemdeling met Nederland heeft opgebouwd tijdens zijn verblijf en de banden die hij nog heeft met het land van herkomst. Er wordt dan gekeken naar de aard en de duur van het verblijf in Nederland, de gezinssituatie, de kennis van de Nederlandse taal en de bekendheid bij andere overheidsdiensten. Bij de behandeling van de Koppelingswet is afgesproken dat kinderen van illegalen onderwijs mogen volgen, maar dat dit geen beletsel voor uitzetting mag zijn. Het leek de heer Rijpstra daarom dat het argument van schoolgaande kinderen niet mag worden gebruikt om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Ook uitgeprocedeerde asielzoekers met kinderen moeten terugkeren naar het land van herkomst.
De coördinerend vice-president van de rechtbank in Den Bosch schreef in NRC/Handelsblad van 9 augustus jl. het volgende: «Van politici mag worden verwacht dat zij de nodige consistentie bij hun besluitvorming en regelgeving aan de dag leggen. De personen en instanties die de regelgeving moeten uitvoeren en daarover waar nodig moeten rechtspreken, worden in een lastig parket gebracht als op het ene moment door politici zus en op het andere moment zo wordt beslist». Dit leek de heer Rijpstra een essentieel gegeven. De huidige circulaire is helder en biedt de nodige waarborgen, waaronder de discretionaire bevoegdheden van de staatssecretaris. De VVD-fractie heeft dan ook geen enkele behoefte aan een aanpassing dan wel verruiming ervan.
Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) schetste in het kort de voorgeschiedenis van de witte-illegalenregeling en de positie van haar fractie bij de behandeling ervan. Zij benadrukte dat de Kamer zich moet realiseren dat de regeling dient te worden toegepast en dat er dus mensen zijn die erbuiten zullen vallen. Handhaving van regels in het vreemdelingenrecht is nodig ter voorkoming van willekeur en rechtsongelijkheid. Vastgesteld moet worden dat de familie Gümüs op grond van de geldende regels niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. De Kamer wordt overigens geconfronteerd met een vreemde procedure nu de staatssecretaris de Kamer verzoekt te debatteren over de witte-illegalenregeling nu er zoveel publiciteit en publieke discussie is geweest. De staatssecretaris wil terecht niet over de familie Gümüs debatteren, maar zij kan natuurlijk niet verhinderen dat deze kwestie telkenmale impliciet aan de orde komt. Iedereen die een aanvraag tot een verblijfsvergunning indient, heeft recht op een zorgvuldige beoordeling, vooral ook omdat een afwijzing een bijzonder hard gelag is voor betrokkenen.
Is de huidige regeling, inclusief de hardheidsclausule, naar het oordeel van de staatssecretaris juist toegepast? Is het waar dat er rechterlijke uitspraken zijn waarbij wel een humanitaire uitzondering is gemaakt terwijl de aanleiding van minder belang leek? Voorts vroeg mevrouw Bijleveld of de huidige regeling naar de mening van de staatssecretaris volstrekt eenduidig wordt uitgelegd. Ook vroeg zij zich af hoe het kan dat Poolse prostituées wel een verblijfsvergunning krijgen. Hebben prostituées uit geassocieerde landen het recht op het voeren van een onderneming in Nederland? Zijn er sinds de uitspraak al meer verzoeken binnengekomen? Het moge duidelijk zijn dat de CDA-fractie niet kan instemmen met het beleid op dit punt.
Als iemand bewust illegaal in Nederland is, is dat het gevolg van een keuze. Geconfronteerd met de gevolgen van die keuze heeft de Kamer alleen te beoordelen of de regeling is toegepast. Mevrouw Bijleveld begreep overigens niet waarom de staatssecretaris eerdere aanzeggingen tot uitzetting niet heeft geëffectueerd, waardoor de problematiek in het onderhavige geval alleen maar groter is geworden. De CDA-fractie vindt in ieder geval dat de huidige regeling moet worden gehandhaafd en consequent moet worden toegepast.
De heer Van den Berg (SGP) zei mede namens de fracties van GPV en RPF te spreken. Hij stelde vast dat in de onderhavige materie het spanningsveld tussen beleid/regelgeving en toepassing ervan in individuele gevallen zich pregnant voordoet. Telkenmale kan worden vastgesteld hoe gevoelig dit beleidsterrein is. De Kamer moet zich echter bewust blijven van de grenzen van haar verantwoordelijkheid. Het is niet aan haar om over individuele gevallen te spreken of om circulaires te wijzigen. De Kamer heeft het beleid van staatssecretaris te toetsen, maar dient het formuleren van dat beleid aan de staatssecretaris over te laten.
Het is volstrekt duidelijk dat het vreemdelingenbeleid een restrictief karakter dient te hebben, juist om ervoor te zorgen dat mensen die gegronde redenen hebben om te vluchten -bijvoorbeeld bij gevaar voor lijf en leden – een ruimhartige toegang wordt geboden.
De staatssecretaris heeft tot nu toe niet anders gedaan dan het in overeenstemming met de Kamer geformuleerde beleid uitvoeren. Daarvoor valt zij te prijzen. De vraag is nu of dat beleid niet tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Uiteindelijk heeft de staatssecretaris de bevoegdheid om individuele gevallen te toetsen. Wat dat betreft is het de vraag of er überhaupt een circulaire nodig is, omdat het uiteindelijk toch weer gaat om de toetsing van individuele gevallen. De verwikkelingen ronden de familie Gümüs bewijzen dat.
De hamvraag is nu of wijzigingen van de regels nodig zijn. De heer Van den Berg was voorshands niet die mening toegedaan. Wel sprak hij zijn bevreemding erover uit dat de staatssecretaris aan de Kamer vraagt of wijzigingen nodig zijn. Het leek hem dat de staatssecretaris hier een eerste verantwoordelijkheid heeft en daarom vroeg hij naar haar oordeel in dezen.
Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel mensen niet aan het jaartallencriterium voldoen? Het antwoord op deze vraag is medebepalend voor de vraag of de huidige regeling moet worden gewijzigd. Jurisprudentie wijst uit dat rechters niet eenduidig omgaan met het begrip «klemmende redenen van humanitaire aard». Ziet de staatssecretaris hierin aanleiding om dat begrip te verfijnen? Rechtsongelijkheid dient te allen tijde te worden vermeden, maar verfijning van regelgeving verhindert niet dat er altijd weer nieuwe grenzen en obstakels in individuele gevallen opdoemen.
De heer Van den Berg sloot zich aan bij de vragen naar mogelijkheden in het kader van het EVV. Hij zei met afschuw kennis te hebben genomen van het feit dat in het kader van EG-associatieverdragen prostituées in Nederland een verblijfsvergunning krijgen. Hij vond dat moreel zeer verwerpelijk en tegen de achtergrond van de affaire-Gümüs ook buitengewoon wrang.
Concluderend merkte de heer Van den Berg geen aanleiding te zien de staatssecretaris te verzoeken haar beleid te wijzigen.
De heer Hendriks zei dat alles pleit voor een humaner en barmhartiger beleid ten aanzien van illegale vreemdelingen. Het gaat immers om mensen die graag in Nederland willen wonen en geenszins van plan zijn zich in te laten met criminele activiteiten.
Het antwoord van de staatssecretaris
De staatssecretaris sprak haar dank uit voor het feit dat met de Kamer kan worden gesproken over de witte-illegalenregeling en voor de wijze waarop het debat wordt gevoerd. In dit debat staan vragen naar recht en rechtvaardigheid centraal. Wat voor de ene – een illegaal – recht is in een bepaalde situatie kan voor de andere – een asielzoeker – onrecht of gebrek aan rechtvaardigheid inhouden. Daarnaast dient de vraag gesteld te worden wat voor deze mensen kan worden gedaan en waar de grenzen liggen. Als regels worden aangepast of verruimd, zullen ongetwijfeld nieuwe grenzen opdoemen.
Het vastleggen van regels geeft aan de ene kant duidelijkheid voor degenen die de regels moeten toepassen, maar laat aan de andere kant minder ruimte voor het hanteren van humanitaire criteria. De staatssecretaris beschikt overigens nog steeds over een discretionaire bevoegdheid, waarvan zij echter geen gebruik kan maken als evident wordt afgeweken van de vastgestelde regels. Zoals verwoord in de brief, geldt dit laatste ook in het geval van de familie Gümüs. De bewindsvrouwe zei respect te hebben voor de wijze waarop vele Amsterdammers zich solidair hebben verklaard met de familie Gümüs, maar wees erop dat er families zijn die in een vergelijkbare positie verkeren maar die de steun van een actiecomité moeten ontberen. Uitzetting van de familie Gümüs is opgeschort in afwachting van het debat met de Kamer. De staatssecretaris sprak de hoop uit dat vanuit de Kamer werkbare suggesties zullen worden gedaan die de in sommige opzichten vervelende gevolgen van de witte-illegalenregeling teniet zullen doen. Als de Kamer uitspreekt dat er in de regeling meer ruimte moet worden geboden voor de witte illegalen, was zij gaarne bereid na te gaan of daartoe mogelijkheden zijn en die in het kabinet aan de orde te stellen. Voorshands wordt het door het kabinet voorgestane beleid verwoord in de brief. Dat er van kabinetswege prijs wordt gesteld op een openbaar debat over de witte-illegalenregeling heeft alles van doen met het feit dat er erg veel publiciteit is geweest over de witte illegalen en veel mensen van hun betrokkenheid blijk hebben gegeven. Als regels niet goed worden begrepen of worden bestempeld als «inhumaan» is er alle aanleiding voor een discussie op politiek niveau.
De staatssecretaris benadrukte dat aan de brief geen verwachtingen kunnen worden ontleend. Alleen omdat het kabinet op een verantwoorde manier wil omgaan met de maatschappelijke discussie, is er wellicht enige ruimte voor aanpassing van de regeling. Zij stelde vast dat er in de Kamer geen communis opinio over de te volgen route bestaat. Sommige fracties vinden dat de bestaande regels onverkort moeten worden toegepast, terwijl andere vinden dat er naar enige ruimte moet worden gezocht. De staatssecretaris deelde mee het resultaat van dit algemeen overleg aan de orde te zullen stellen in het kabinet.
Ten slotte zegde de staatssecretaris toe de resterende vragen schriftelijk te zullen beantwoorden en daarbij ook in te gaan op de van verschillende kanten – onder andere van prof. Boeles – gedane suggesties en voorstellen vanuit de commissie. Zij wees er nog op dat ten departemente zeer terdege is nagegaan hoe groot het realiseerbaarheidsgehalte van al die suggesties is.
De heer Dittrich (D66) vroeg de staatssecretaris in het kabinet ook aandacht te vragen voor het feit dat er geen uniforme rechterlijke uitspraken worden gedaan. Als er naar aanleiding van het kabinetsberaad nieuw beleid wordt ontwikkeld, zou het wel heel pijnlijk zijn als dat niet van toepassing zou zijn op de familie Gümüs, ook al gezien de aard van het maatschappelijke debat over de situatie waarin dit gezin is terecht gekomen. Hopelijk zal de Kamer zeer snel op de hoogte worden gesteld van de resultaten van het kabinetsberaad.
De heer Apostolou (PvdA) zei benieuwd te zijn naar de reactie van het kabinet op de tijdens dit algemeen overleg gedane suggesties. Er dient uiteraard zo snel mogelijk te worden gereageerd. Hij wees er nog op dat rechters verschillende uitspraken hebben gedaan, met name in gevallen waarin kinderen in het geding zijn. Ook dat pleit voor een aanpassing van de circulaire. Verder zei de heer Apostolou benieuwd te zijn naar de reacties van VVD en CDA op zijn voorstellen, die zich overigens niet buiten het kader van de circulaire bewegen.
Mevrouw Sipkes (GroenLinks) stelde vast dat de staatssecretaris van mening is sinds maart 1995 niet meer over discretionaire bevoegdheden in individuele gevallen te beschikken. Is dat echter wel een juiste interpretatie van de discussie in de Kamer? Het leek haar dat de Kamer indertijd meer ruimte voor de staatssecretaris wenste dan enkel een strikte toepassing van het zesjarencriterium.
Mevrouw Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels) zei niet gepleit te hebben voor een versoepeling van de regels, maar aandacht te hebben gevraagd voor een dwingend verdrag waarin de belangen van de kinderen centraal staan en waarop de rechters zich kunnen beroepen in gevallen die in het schemergebied liggen.
De heer Rijpstra (VVD) wilde graag weten hoe vaak de staatssecretaris gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire bevoegdheden. Hij benadrukte dat de huidige regeling niet mag worden beoordeeld aan de hand van één geval en vond dat de regeling voldoende juridische mogelijkheden biedt om individuele gevallen te beoordelen. Er is voor de fractie van de VVD voorshands geen reden om tot een verruiming van de regeling over te gaan. De heer Rijpstra merkte ten slotte op benieuwd te zijn naar de reactie van het kabinet op de voorstellen van de heren Dittrich en Apostolou.
Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) benadrukte dat het de verantwoordelijkheid van de regering is om beleid te formuleren en dat de Kamer in de eerste plaats een controlerende taak heeft. Zij wachtte dan ook met belangstelling de resultaten van het kabinetsberaad af en herhaalde dat haar fractie geen voorstander is van verruiming van de regeling.
De heer Van den Berg (SGP) had begrip voor het streven van de staatssecretaris om zo zorgvuldig mogelijk te handelen, reden waarom zij de brief heeft geschreven. Ook hij wachtte gaarne de nadere voorstellen van de staatssecretaris af.
De heer Hendriks sprak de hoop uit dat de staatssecretaris op zo kort mogelijke termijn de Kamer een nieuwe regeling zal aanbieden. Het leek hem dat reacties uit de samenleving en uit de Kamer daar alle aanleiding toe geven.
Staatssecretaris Schmitz zegde toe de voorstellen en suggesties van de heren Dittrich en Apostolou zorgvuldig te beoordelen en op korte termijn een gemotiveerde reactie aan de Kamer te doen toekomen. Toen in maart 1995 de regeling werd gewijzigd, zijn de bevoegdheden van de staatssecretaris ingeperkt. Zij herinnerde zich dat werd aangedrongen op een terughoudend gebruik van die bevoegdheden.
Staand beleid dient te worden uitgevoerd en het kan niet zo zijn dat, als om welke reden dan ook het publieke debat over illegalen opleeft, toepassing van het beleid wordt opgeschort totdat de regeling is gewijzigd.
Het door mevrouw Aiking gereleveerde verdrag inzake de positie van kinderen zegt niets over de wijze waarop aan het uitzettingsbeleid gestalte dient te worden gegeven. Het spreekt voor zich dat daarbij niet voorbij wordt gegaan aan de rechten en de positie van kinderen.
Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Rabbae (GroenLinks), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD), O. P. G. Vos (VVD) en Van Vliet (D66).
Plv. leden: Smits (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), R. A. Meijer (groep-Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Biesheuvel (CDA), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Roethof (D66), Leerkes (Unie 55+), Van den Doel (VVD), Weisglas (VVD), De Koning (D66) en Apostolou (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25453-9.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.