25 453
«Witte» illegalen regeling

nr. 8
GEWIJZIGDE MOTIE VAN HET LID AIKING-VAN WAGENINGEN TER VERVANGING VAN DIE GEDRUKT ONDER NR. 4

Voorgesteld 4 september 1997

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat het «Verdrag inzake de rechten van het kind», door Nederland op 6 februari 1995 geratificeerd, een duidelijker rol dan tot nu toe dient te spelen bij de beoordeling over mogelijke verblijfsrechten;

overwegende, dat uit de jurisprudentie blijkt, dat niet alle betrokken rechters in Nederland zich voldoende bewust zijn van het gewicht van art. 3 lid 1 van bedoeld verdrag, waarin de belangen van het kind «de eerste overweging» dienen te vormen bij welke maatregel dan ook, waarbij kinderen betrokken zijn (ook van hier te lande verblijvende illegalen);

constaterend, dat uitzetting van illegaal hier verblijvende gezinnen, waarvan de kinderen volledig geïntegreerd blijken te zijn in de Nederlandse samenleving, de belangen van deze kinderen schade toebrengt daar zij in het land van herkomst tot de «ontheemden» behoren, hetgeen in strijd is met letter en geest van genoemd verdrag;

verzoekt de regering de richtlijnen zodanig aan te passen, dat afzonderlijk wordt gewezen op bedoelde verdragsbepalingen, zodat de rechter zich het gewicht daarvan realiseert en hem een duidelijker houvast wordt geboden bij de beoordeling of al dan niet tot uitzetting van het «witte illegalen» gezin dient te worden besloten,

en gaat over tot de orde van de dag.

Aiking-van Wageningen

Naar boven