nr. 2
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 2 september 1997
In het Algemeen Overleg met de Vaste commissie voor Justitie op 27 augustus
1997 heb ik toegezegd de door de leden van de commissie gestelde feitelijke
vragen met betrekking tot het beleid inzake langdurig illegalen schriftelijk
te beantwoorden. Met deze brief wil ik deze toezegging gestand doen.
De leden Dittrich en Rijpstra hebben verzocht om een reactie over de gevolgen
van het Europees Vestigingsverdrag voor het toelatingsbeleid.
Ik ben van oordeel dat onderdanen van de Verdragsluitende partijen aan
het Europees Vestigingsverdrag geen recht op eerste toelating kunnen ontlenen.
Op grond van artikel 10 van het Verdrag kunnen Verdragspartijen de toelating
van onderdanen van andere partijen weigeren indien hiervoor ernstige sociale
of economische redenen voor zijn. In het bij genoemd Verdrag behorende protocol
(afdeling I) is opgenomen dat Verdragspartijen nationale criteria kunnen aanleggen
bij de beoordeling van deze gronden. Dit wordt door Nederland ingevuld met
het restrictieve toelatingsbeleid. Voor de vestiging als zelfstandige betekent
dit dat er een wezenlijk Nederlands belang vastgesteld moet kunnen worden.
Wel kunnen aan dit Verdrag rechten worden ontleend als het gaat om voortgezet
verblijf na eerder legaal verblijf in Nederland. De uitwerking van deze verdragsverplichting
is neergelegd in hoofdstuk B5 van de Vreemdelingencirculaire 1994.
Het lid Aiking heeft in dit verband gewezen op artikel 3 van het Verdrag
voor de Rechten van het kind. In aanvulling op hetgeen ik reeds tijdens het
Algemeen Overleg heb medegedeeld, wil ik u wijzen op hetgeen is neergelegd
in de memorie van toelichting van de goedkeuringswet van het Verdrag (TK,
1992–1993, 22 855, nr. 3, pag. 15). Ten aanzien van artikel 3 stelt
de toelichting dat het belang van het kind geen absolute voorrang heeft boven
andere belangen. Er kunnen situaties zijn waarin andere belangen, zoals van
rechtvaardigheid of van de maatschappij evenzeer van betekenis
kunnen zijn. Indien sprake is van een conflict van belangen dient echter in
de regel het belang van het kind de doorslag te geven.
In het kader van de toetsing van een individueel geval aan het op klemmende
redenen van humanitaire aard gestoelde beleid ten aanzien van langdurig illegalen
wordt al rekening gehouden met de positie van het gezin en daarmee ook de
positie van het kind.
Diverse leden hebben gewezen op divergerende rechterlijke uitspraken met
betrekking tot de positie van schoolgaande kinderen. Hiervan is inderdaad
sprake geweest. In de eerste helft van 1995 heeft met name de rechtbank Amsterdam
de nadruk gelegd op de schoolgaande kinderen als humanitair toelatingscriterium.
In een aantal gevallen is het beroep om die reden dan ook gegrond verklaard.
Dit hing samen met het feit dat de rechtbank van oordeel was dat de Staat
geen specifiek standpunt dienaangaande had ingenomen. Naar aanleiding van
vragen van de rechtbank heb ik bij brief van 12 juli 1996 expliciet aangegeven
dat het enkele feit dat sprake is van schoolgaande kinderen onvoldoende is
om op basis van klemmende redenen van humanitaire aard af te wijken van de
algemene beleidsregel. Dit heb ik eveneens op vragen van het lid Verhagen
aan de Kamer meegedeeld. Overigens is in de zaak van de familie Gümüs
door de rechtbank te Amsterdam uitspraak gedaan waarbij bekend was dat er
schoolgaande kinderen waren.
Een belangrijke consequentie van het creëren van een uitzondering
voor gevallen waarin sprake is van schoolgaande kinderen is de mogelijke doorwerking
van een dergelijke uitzondering in met name het gezinsherenigingsbeleid. Het
zal dan immers moeilijk te verdedigen zijn dat in voorkomende gevallen het
feit dat er schoolgaande kinderen in het geding zijn niet tot een uitzondering
aanleiding zou moeten geven.
Daarnaast wijs ik nog op de relatie met de Koppelingswet, waarin als uitgangspunt
is neergelegd dat het feit dat er sprake is van schoolgaande kinderen verblijfsrechtelijk
gezien van geen enkele betekenis is. Er kunnen nimmer verblijfsrechten aan
worden ontleend.
Het voorlopig cijfermateriaal wijst uit dat in 1995 in het totaal 7 gevallen
het beroep op de rechter gegrond is verklaard. In 1996 kwam het in 6 gevallen
tot gegrondverklaring. Voor 1997 zijn (nog) geen gevallen geregistreerd waarbij
de rechter het beroep gegrond heeft verklaard. In 10 van de 13 zaken is naar
aanleiding van de rechterlijke uitspraak, de aanvraag alsnog ingewilligd op
basis van het beleid van voor 15 maart 1995 of op basis van het zgn. drie-jarenbeleid.
In de overige gevallen is op dit moment niet met zekerheid de grond voor verblijfsaanvaarding
te achterhalen.
Het lid Rijpstra heeft gevraagd om afdoeningscijfers van de jaren 1995
tot heden. In 1995 zijn in totaal 304 zaken in eerste aanleg afgedaan, waarbij
in 256 gevallen een afwijzende beslissing is genomen. In 1996 zijn in totaal
601 zaken afgedaan, waarbij in 565 afwijzend is beslist. In 1997 zijn tot
augustus 320 zaken afgedaan, waarbij in 298 zaken afwijzend is beslist.
De cijfers die ik op 27 november 1995 aan uw Kamer heb doen toekomen waren
indicatief. Pas later is het definitieve geregistreerde cijfermateriaal beschikbaar
gekomen.
Het lid Rijpstra heeft verzocht om voorbeelden van zaken waarin na 15
maart 1995 gebruik gemaakt is van de discretionaire bevoegdheid om op grond
van klemmende redenen van humanitaire aard af te wijken van het beleid. Slechts
in enkele gevallen is ingewilligd omdat sprake was van zeer bijzondere omstandigheden,
bijvoorbeeld een gehandicapt kind of een ernstige ziekte van (een
van de) gezinsleden. In een aantal gevallen lag een positief advies van de
Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken ten grondslag aan verblijfsaanvaarding.
Het lid Apostolou heeft gevraagd waarom legaal verblijf in het huidige
beleid niet meetelt voor de opbouw van de 6-jaarstermijn. Het beleid met betrekking
tot langdurig illegalen is een uitzonderingsbeleid dat naar zijn aard eindig
is en dat restrictief wordt toegepast. Het toepassen van het beleid op vreemdelingen
die een relevante periode van hun verblijf legaal hier te lande hebben verbleven
verdraagt zich niet met de ratio van het beleid. Indien een vreemdeling aangezegd
is Nederland te verlaten, is in dat geval expliciet duidelijk gemaakt dat
de betrokken vreemdeling niet tot Nederland wordt toegelaten. In dat opzicht
is er een onderscheid met degenen (i.c. de illegalen) die nog nooit expliciet
te horen hebben gekregen dat zij Nederland moeten verlaten. Deze zienswijze
wordt gevolgd in de jurisprudentie.
Ik vertrouw er op u met het voorgaande voorlopig voldoende te hebben ingelicht.
De Staatssecretaris van Justitie,
E. M. A. Schmitz