nr. 12
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 1 februari 1999
Inleiding
Zoals ik heb aangekondigd tijdens de debatten met uw Kamer, naar aanleiding
van de hongerstaking in de St. Agneskerk te Den Haag, op 8 respectievelijk
15 december 1998 heb ik de dossiers van de betrokken personen nader bestudeerd,
om te kunnen beoordelen of ik in voorkomende schrijnende gevallen alsnog gebruik
diende te maken van mijn discretionaire bevoegdheid.
Alvorens nader in te gaan op de resultaten van mijn nadere bestudering
wil ik nogmaals ingaan op het tot 1 januari 1998 geldende «witte-illegalenbeleid»
en het gebruik van de discretionaire bevoegdheid.
Witte illegalenbeleid
Het zogenaamde witte-illegalenbeleid was geldig tot 1 januari 1998. De
basis voor deze regeling was de schijn van legaliteit die bij sommige vreemdelingen
was gewekt door de Nederlandse overheid aangezien zij gedurende hun illegaal
verblijf aan allerlei (wettelijke) verplichtingen van de overheid voldeden,
zoals het afdragen van belastingen en sociale premies.
Dit beleid bepaalde, dat een vreemdeling om voor verblijf in aanmerking
te komen moest aantonen dat hij op het moment van de aanvraag , de zogenaamde
peildatum, minimaal zes jaar ononderbroken in Nederland verbleef en gedurende
die periode aantoonbaar 200 dagen per jaar inkomen uit arbeid – waaronder
seizoensarbeid – of een inkomensvervangende uitkering had ontvangen
waarvoor premies, loonheffing en/of inkomstenbelasting waren afgedragen, zoals
uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheids-verzekering.
Ook wettelijke vakantiedagen (25 werkbare dagen per jaar bij een volledige
arbeidstijd) zijn verzekerde dagen en telden mee voor de regeling.
Een aanvraag om toelating werd in conform het gestelde in de vreemdelingencirculaire
in elk geval niet ingewilligd indien er sprake was van een van de volgende
weigeringsgronden:
a. gecontroleerd vertrek uit Nederland in die periode;
b. het verstrekken van onjuiste gegevens;
c. het bezit van valse documenten;
d. criminele antecedenten.
Tot 15 maart 1995 bestond er een zogenaamde «zes-mintoets»,
waardoor in zeer bijzondere gevallen in afwijking van de voorwaarden alsnog
kon worden overgegaan tot verblijfsaanvaarding.
Bij aanvragen van een vergunning tot verblijf door langdurig illegalen
die ná 1 januari 1998 zijn ingediend, wordt getoetst of er sprake is
van dermate bijzondere omstandigheden dat toelating op grond van klemmende
redenen is geïndiceerd.
In het kader van de behandeling van de Koppelingswet in juni 1998 is door
leden van de Tweede Kamer opnieuw aandacht gevraagd voor vreemdelingen die
geen beroep meer konden doen op het op 1 januari 1998 beëindigde illegalenbeleid.
Hierbij is uitdrukkelijk niet gekozen voor een nieuwe regeling aangezien iedere
nieuwe regeling met daarbij behorende einddatum voor het beleid, nieuwe schrijnende
grensgevallen zou opleveren. Tijdens het plenair debat van 25 juni 1998 is
een motie aangenomen van de leden Dittrich (D'66) en Albayrak (PvdA) om in
voorkomende schrijnende gevallen verstandig gebruik te maken van de discretionaire
bevoegdheid.
Gebruik discretionaire bevoegdheid in voorkomende gevallen
Het gebruiken van de discretionaire bevoegdheid gebeurt daar waar het
gaat om een samenstel c.q. combinatie van bijzondere factoren, die er in hun
onderlinge samenhang bezien, toe leiden dat de toepassing van het beleid in
het concrete individuele geval getuigt van een onbedoelde bijzondere hardheid.
Het gaat hierbij met name om factoren – uiteraard in hun onderlinge
samenhang – als een zeer lange verblijfsduur in Nederland, medische
factoren, gezinsomstandigheden en overige klemmende redenen van humanitaire
aard.
Tegen deze achtergrond heb ik persoonlijk alle dossiers van de hongerstakers
die hebben verbleven in de St. Agneskerk opnieuw bestudeerd. Ik merk hierbij
op dat ik bij de start van de heroverweging de indruk had dat het ging om
personen die net niet aan de geldende beleidscriteria voldeden. Ik heb echter
tijdens de beoordeling moeten vaststellen dat in een substantieel aantal van
de zaken zelfs bij benadering niet aan die beleidscriteria werd voldaan.
Ik hecht eraan hier op te merken dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst
in alle zaken zorgvuldig aan het zogenaamde witte illegalenbeleid, zoals hiervoor
beschreven, heeft getoetst.
Van de 132 personen heb ik vastgesteld dat 7 personen nooit een aanvraag
om toelating hebben ingediend. Daarnaast heb ik vastgesteld dat in 64 gevallen
sprake is van een nog niet afgeronde procedure in verband met een aanvraag
om toelating. In 61 gevallen heeft de rechter reeds een voor betrokkene negatieve
uitspraak gedaan, die in rechte onaantastbaar is.
Bij 7 personen is sprake geweest van het verstrekken van onjuiste gegevens,
danwel het bezit van vervalste documenten. Bij 42 personen is sprake geweest
van een of meerdere uitzettingen. Ik merkte eerder op dat een uitzetting geldt
als een contra-indicatie. Ik heb die, bij de toepassing van mijn
discretionaire bevoegdheid, niet opgevat als een absolute verhindering om
eventueel tot verblijfsaanvaarding te kunnen besluiten. Overigens merk ik
op dat in bovengenoemde voorbeelden er zich een combinatie kan hebben voorgedaan
van de hiervoor geschetste omstandigheden.
Ik heb in 13 gevallen een dusdanige combinatie van bijzondere factoren
geconstateerd, dat ik het gebruik van mijn discretionaire bevoegdheid voor
die personen en hun eventuele gezinsleden, op dit moment gerechtvaardigd acht.
Het gaat in hier in totaal om circa 40 personen die alsnog een vergunning
tot verblijf zullen ontvangen op grond van eerder bedoelde combinatie van
individuele klemmende redenen van humanitaire aard.
In de overige gevallen zou verblijfsaanvaarding alleen mogelijk zijn door
het wijzigen van het terzake geldende beleid.
Nadere procedure
De betrokken vreemdelingen zijn heden door middel van een brief ingelicht
over de uitkomst van de nadere bestudering van hun dossiers en zullen voor
de eventuele verdere afhandeling van hun verzoeken nader worden geinformeerd
door de vreemdelingendiensten van hun woon- of verblijfplaats, die schriftelijk
zijn ingelicht over de uitkomst van de individuele heroverweging. Voor degenen
die zijn uitgeprocedeerd en wier verblijf niet alsnog aanvaard wordt, betekent
dit dat zij Nederland binnen dertig dagen dienen te verlaten. Voor degenen
die nog in procedure zijn met betrekking tot hun verblijfsaanvraag betekent
dit dat deze procedure wordt voortgezet indien niet tot verblijfsaanvaarding
wordt besloten.
Overigens deel ik u mee dat ik contact heb gehad met de bemiddelaars van
de hongerstakers en hen op de hoogte heb gesteld van de resultaten van mijn
heroverweging.
Tot slot deel ik u mee, dat de door de heer Dittrich gedane suggestie
om de door betrokken vreemdelingen betaalde premies te kapitaliseren en aan
hen terug te geven bij vertrek, niet mogelijk is binnen de huidige regelgeving.
De Staatssecretaris van Justitie,
M. J. Cohen