nr. 40
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 14 april 2000
Op 4 april 2000 heeft de president van de rechtbank te Den Haag uitspraak
gedaan in het kort geding dat namens de NVV tegen de Staat is aangespannen
en dat is gericht tegen de uitleg die de Staat heeft gegeven aan het arrest
van het hof te Den Haag van 20 januari 2000, zoals deze ook is weergegeven
in de brief aan uw Kamer van 1 februari 2000 (kamerstukken II 1999/2000, 25 448,
nr. 39). De geschilpunten betreffen de 60%-afroming bij overgang van het varkensrecht
en het plafond van het varkensrecht. De NVV meent – anders dan de Staat –
dat de 60%-afroming bij overgang van het varkensrecht behoort tot de bepalingen
die onlosmakelijk zijn verbonden met de door het hof buiten werking gestelde
tweede korting, bedoeld in artikel 31 van de Wet herstructurering varkenshouderij
(Whv). Ook meent de NVV dat het plafond van het varkensrecht, inclusief de
10%-korting, niet geacht kan worden sedert de inwerkingtreding van de Whv
onverkort te hebben gegolden. De president heeft de NVV in het ongelijk gesteld.
De president oordeelt dat uit de overwegingen van het hof niet is af te
leiden dat het hof tevens de vermindering van varkensrechten ten gevolge van
afroming disproportioneel zou hebben geacht. Artikel 31, tweede lid, Whv strekt
er slechts toe een verband tussen de artikelen 18, derde lid, en 20, tweede
lid, Whv aan te brengen in die zin dat wanneer reeds een substantiële
vermindering van het aantal varkensrechten door afroming heeft plaatsgevonden,
niet vervolgens nog de in artikel 31, eerste lid, Whv bedoelde maximale korting,
maar een lagere korting op het resterende aantal varkensrechten zal worden
toegepast. Naar voorlopig oordeel biedt het arrest van het hof geen steun
voor de stelling van de NVV dat de afroming bij overgang onlosmakelijk is
verbonden met artikel 31 Whv.
Volgens de president heeft de Staat terecht betoogd dat het arrest van
het hof consequenties voor het verleden heeft. Per 20 januari 2000 geldt immers
het oordeel dat de Whv, met uitzondering van de tweede korting, niet in strijd
is met het EG-verdrag en/of het Eerste Protocol van het EVRM en
ook nimmer is geweest. De Staat mag weer onverkort toepassing geven aan de
Whv, met uitzondering van artikel 31 en de daarmee onlosmakelijk verbonden
voorschriften. De in de periode van 23 februari 1999 tot 20 januari 2000 aan
het Bureau Heffingen verzonden kennisgevingen van transacties van varkensrechten,
die in verband met het kort geding van 4 mei 1999 nog niet zijn verwerkt,
kunnen alsnog geregistreerd en verwerkt worden, ook met terugwerkende kracht
tot de datum van binnenkomst van de kennisgeving. Indien varkenshouders op
basis van het kortgedingvonnis van 23 februari 1999 meer varkens hebben gehouden
dan op grond van de Whv was toegestaan, kan hen dit nu worden verweten. Of
bedoelde varkenshouders in de gegeven omstandigheden strafrechtelijk zouden
kunnen worden vervolgd staat buiten dit geding.
Een afschrift van het vonnis treft u hierbij aan.1
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L. J. Brinkhorst