nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 8 februari 1999
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel I, onderdeel A, wordt gewijzigd als volgt:
a. In artikel 61 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het tweede lid wordt toegevoegd: De raad geeft daarbij aan of hij
een raadplegend referendum over kandidaten zal houden ten behoeve van de aanbeveling
inzake de benoeming.
2. In het vijfde lid wordt na «gegeven» ingevoegd: , of, indien
een raadplegend referendum ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming
is gehouden, binnen een maand nadat het raadplegend referendum is gehouden.
b. In artikel 61c wordt in het derde lid toegevoegd: Indien een raadplegend
referendum ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming is gehouden,
is deze aanbeveling openbaar.
B
Artikel II, onderdeel A, wordt gewijzigd als volgt:
In artikel 61, vierde lid, wordt «raad» vervangen door: staten.
Toelichting
In het regeerakkoord is vastgelegd dat op korte termijn de mogelijkheid
wordt geopend dat burgers een grotere invloed op de benoeming van de burgemeester
krijgen (Kamerstukken II, 1997–1998, 26 024 nr. 9, blz. 73). Het
regeerakkoord stelt daartoe een aanpassing van het onderhavige wetsvoorstel
in het vooruitzicht met het oog op gemeenten die een volksraadpleging over
kandidaten wensen te houden ten behoeve van de openbare aanbeveling door de
gemeenteraad over een te benoemen burgemeester. Dit vanzelfsprekend
met inachtneming van de discretionaire bevoegdheden van de Kroon conform de
huidige Grondwet.
In het regeerakkoord wordt nog vermeld dat het kabinet, indien hij dit
noodzakelijk acht, over de modaliteiten van deze aanpassing advies kan vragen
aan de nog in te stellen staatscommissie inzake de dualisering van het lokale
bestuursmodel. Het kabinet heeft daarvan afgezien omdat, gelet op de tekst
van het regeerakkoord, andere modaliteiten dan de thans voorgestelde niet
voor de hand liggen. De tekst geeft op de meest eenvoudige wijze uitvoering
aan het regeerakkoord. Advisering door deze staatscommissie, naast de advisering
door de Raad van State, zou daarnaast tot onwenselijke vertraging leiden.
Deze nota van wijziging strekt tot uitvoering van deze afspraak uit het
regeerakkoord.
Uit de in deze nota onder A voorgestelde aanpassingen blijkt dat slechts
enkele eenvoudige voorschriften van overwegend procedurele aard nodig zijn
om het raadplegend burgemeestersreferendum als gemeenten daartoe willen overgaan,
in te passen in de benoemingsprocedure. Deze aanpassingen strekken er materieel
toe de autonome bevoegdheid van de gemeenteraad om een raadplegend referendum
te houden wettelijk zodanig te normeren dat een dergelijk referendum in de
specifieke context van een benoemingsprocedure wordt gevoegd en dat de in
het kader van een meer openbare benoemingsprocedure te stellen zorgvuldigheidseisen
daarin tot gelding worden gebracht. Daarbij gaat het zowel om een goede afbakening
van stappen in de procedure als om duidelijkheid omtrent de positie van kandidaten.
Het belang van een grotere invloed van burgers op de benoeming van burgemeesters,
tot uitdrukking komend in een kiezersuitspraak over door de raad genoemde
kandidaten en in een openbare aanbeveling van de raad, vergt dat op enig moment
in de procedure de vertrouwelijkheid jegens (een deel van) de kandidaten wordt
opgeheven. De zorgvuldigheid vereist dat zulks alleen met hun instemming zal
kunnen gebeuren. Het houden van een raadplegend referendum impliceert in dit
specifieke kader dan ook allereerst dat reeds bij de openstelling van de vacature
voor kandidaten kenbaar moet zijn dat een referendum onderdeel van de procedure
zal uitmaken. Het is daarom noodzakelijk dat de raad dit voornemen in het
eerste overleg met de commissaris over de profielschets naar voren brengt.
Bij de aankondiging van de openstelling van de vacature in de Staatscourant
moeten belangstellenden voor de vacature onmiddellijk op dit gegeven worden
gewezen. Sollicitanten zijn dan voorbereid op de vraag of zij in het kader
van het raadplegend referendum publiekelijk hun kandidatuur willen stellen
voor het burgemeesterschap. Met hun sollicitatiebesluit beantwoorden zij deze
vraag derhalve in beginsel positief. Dat laat echter onverlet dat deze vraag
formeel pas aan de orde komt bij de voorbereiding van het raadplegend referendum.
De vertrouwelijkheid blijft in stand tot aan de vaststelling van de lijst
van door de raad aan de kiezers voor te leggen kandidaten. Op dat moment worden
de namen van deze kandidaten openbaar. De kandidatuur van een sollicitant
die zich vóór dat moment terugtrekt wordt niet openbaar.
In de tweede plaats wordt voorgeschreven dat de raad binnen een maand
nadat het raadplegend referendum is gehouden zijn aanbeveling inzendt. De
aanbeveling van de raad inzake de benoeming waaraan een raadplegend referendum
vooraf is gegaan, dient uiteraard openbaar te zijn. Duidelijk moet zijn welk
gevolg de raad aan de uitslag van het referendum verbindt. Dat is de derde
wijzing die in verband met de introductie van de mogelijkheid van een burgemeestersreferendum
in het wetsvoorstel wordt aangebracht.
De regering is zich ervan bewust dat het onderhavige voorstel de nodige
veranderingen teweeg zal brengen. Verondersteld mag worden dat de kandidaten
zich op enigerlei wijze aan de bevolking zullen presenteren en dat zij daarbij
zullen kunnen steunen op politieke partijen. Verwacht mag worden dat in ieder
geval het gemeentebestuur de bevolking op zakelijke wijze zal informeren omtrent
de kandidaten. Deze verantwoordelijkheid ligt bij het gemeentebestuur omdat
dit ook verantwoordelijk is voor de organisatie van het referendum. Voorts
ligt het in de rede dat de kandidaten zich zullen presenteren aan de bevolking,
bij voorbeeld door middel van discussiebijeenkomsten. De praktijk zal hier
gaandeweg worden gevormd.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal een afzonderlijke
circulaire aan de commissarissen van de Koningin en de gemeentebesturen doen
uitgaan met procedureregels die, indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid
een raadplegend referendum te houden, in acht moeten worden genomen. Belangrijk
element daarin zal zijn het scheppen van zodanige waarborgen dat de vertrouwelijkheid
blijft gehandhaafd tot het moment waarop aan de kiezers een uitspraak over
kandidaten wordt gevraagd.
De wijziging onder B is van redactionele aard.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper