25 437
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen bordeelverbod)

nr. 54
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 april 2007

Bijgaand stuur ik u de tweede evaluatie opheffing bordeelverbod. Deze brief bevat een korte schets van de achtergrond van deze tweede evaluatie. Daarna volgt een beschouwing met betrekking tot het proces. Een uitgewerkte kabinetsreactie op deze evaluatie zal in de tweede helft van 2007 volgen.

Op 1 oktober 2000 is het algemene bordeelverbod opgeheven. Vervolgens is in 2001 de eerste evaluatie van de wetswijziging van start gegaan. De eindrapporten hiervan zijn in 2002 opgeleverd. Op het moment van de eerste evaluatie was de vergunningverlening bij de meeste gemeenten nog niet afgerond en aan toezicht en handhaving was nog nauwelijks begonnen. Vandaar dat er een tweede evaluatie is aangekondigd. Deze tweede evaluatie opheffing bordeelverbod is inmiddels door het WODC afgerond. Het onderzoek bestaat uit de volgende drie deelonderzoeken:

– Verboden bordelen: evaluatie opheffing bordeelverbod: niet-legale prostitutie;

– Evaluatie opheffing bordeelverbod: gemeentelijk beleid;

– Evaluatie opheffing bordeelverbod: de sociale positie van de prostituees 2006.

De resultaten uit deze onderzoeken zijn samengevoegd in een overkoepelend rapport van het WODC. Deze vier onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd1.

Deze onderzoeksrapporten tezamen vormen een tweede evaluatie van de opheffing van het bordeelverbod, preciezer gezegd: een evaluatie van de opheffing van het exploitatieverbod op prostitutie. Bij deze evaluatie hebben de zes beleidsdoelstellingen, zoals bij de opheffing van het bordeelverbod geformuleerd, als leidraad gediend. In de uitwerking van de kabinetsreactie op deze evaluatie zal de inhoud van het coalitieakkoord worden betrokken. Vanwege de complexiteit van het beleidsterrein en de gewenste betrokkenheid van het maatschappelijk veld bij de discussie is het niet mogelijk gebleken om op korte termijn met een afgewogen en integrale kabinetsreactie te komen.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven