Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200225437 nr. 28

25 437
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen bordeelverbod)

nr. 28
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 september 2001

Ter voorbereiding van het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie voor Justitie op 18 oktober a.s. deel ik u het volgende mede.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel ter opheffing van het algemeen bordeelverbod heb ik u namens de regering toegezegd dat gedurende twee jaar na inwerkingtreding (per 1 oktober 2000) de effecten van deze wetswijziging gevolgd zullen worden, zodat er na twee jaar een gedegen evaluatie kan worden gemaakt, waarover uw Kamer zal worden geïnformeerd. In deze brief wil ik u nader informeren over de wijze waarop de monitoring en evaluatie zijn vormgegeven.

Monitoring (het volgen van ontwikkelingen en het oppikken van signalen uit de praktijk) en evaluatie (diepgaander analyse van de effecten van de wetswijziging en het daarmee samenhangende beleid) zijn twee verschillende maar wel met elkaar verbonden activiteiten.

Monitoring

Ten behoeve van de monitoring is na de opheffing van het bordeelverbod een landelijk «monitoringsoverleg prostitutie» gestart. Bij dit overleg zijn de relevante vertegenwoordigers uit het veld en van de overheid betrokken (zie bijlage 1). Elk van de betrokkenen neemt vanuit diens specifieke positie en activiteiten signalen en ontwikkelingen waar in de praktijk van de prostitutie en brengt deze ervaringen in het overleg naar voren. In het monitoringsoverleg worden ontwikkelingen besproken en mogelijke knelpunten geïnventariseerd. Dit monitoringsoverleg vindt tenminste vier keer per jaar plaats.

Evaluatie

Daarnaast is gestart met de landelijke evaluatie van de nieuwe wetgeving en het mede daarop gebaseerde prostitutiebeleid. In dat kader is het van belang te beseffen dat het prostitutiebeleid niet alleen onder de verantwoordelijkheid valt van mijn departement. Zo heeft bijvoorbeeld het ministerie van VWS ten aanzien van het welzijn van en de gezondheidszorg voor prostituees een eigen verantwoordelijkheid en vallen werkgerelateerde aspecten van de positie van prostituees meer onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van SoZaWe. Het ministerie van BZK en de gemeenten hebben een belangrijke taak ten aanzien van de regulering van prostitutie en de beheersing van openbare orde en veiligheidsproblemen. Justitie heeft een primaire taak waar het gaat om de bestrijding van strafbare vormen van exploitatie en de uitvoering en handhaving van het vreemdelingenbeleid.

Aangezien het doel is de exploitatie van prostitutie zoveel mogelijk te benaderen als een «gewone» economische activiteit in onze maatschappij, gelden voor deze branche ook de rechten en plichten rond het ondernemerschap. Aan fiscale- en sociale verzekeringsverplichtingen moet door de branche worden voldaan. Anderzijds moet de branche ook gebruik kunnen maken van diverse voorzieningen die er voor zelfstandig ondernemers zijn. De ministeries van EZ en Financiën zijn om die reden ook betrokken.

Ik heb op mij genomen om de landelijke monitoring en de evaluatie namens mijn betrokken ambtsgenoten te coördineren. Wat het onderzoek en de evaluatie op dit beleidsterrein erg lastig maakt, is de complexiteit van het verschijnsel prostitutie. Het zal niet gemakkelijk zijn om betrouwbare en harde conclusies te trekken. Om toch een zinvolle evaluatie uit te voeren, met gebruikmaking van de resultaten van de nulmetingen, heb ik laten nagaan wat mogelijke indicatoren kunnen zijn voor het bereiken van de gewenste effecten van de wetswijziging. Een algemene beschrijving van deze effectindicatoren heb ik u reeds gegeven bij de schriftelijke beantwoording van de kamervragen 18 t/m 23 van de CDA fractie (TK 25 437, nr. 27). Deze indicatoren vormen de basis voor een omvangrijk onderzoek naar de gevolgen, neveneffecten en knelpunten die zich in de (nog maar korte) periode na de wetswijziging hebben voorgedaan.

Dit landelijke evaluatie onderzoek zal worden begeleid door het Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatie Centrum van Justitie. Voor het feitelijke veldwerk zullen door het WODC diverse externe bureaus worden geselecteerd. Het WODC zal, na afronding van de deelonderzoeken, ook de overkoepelende rapportage opstellen.

In bijlage 2 bij deze brief treft u een beknopt overzicht aan van de verschillende deelonderzoeken die ten behoeve van de evaluatie worden verricht. De onderzoeken zijn inmiddels gestart of zullen dit najaar starten.

Ik streef er naar u uiterlijk 1 oktober 2002, mede namens mijn betrokken ambtsgenoten, de overkoepelende rapportage over de evaluatie aan te bieden.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

BIJLAGE 1 Betrokkenen bij het landelijk monitoringsoverleg prostitutie

– Ministerie van Justitie

– Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

– Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

– Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

– Ministerie van Economische Zaken

– Ministerie van Financiën

– Vereniging van Nederlandse Gemeenten

– Gemeente Amsterdam

– Gemeente Den Haag

– Gemeente Rotterdam

– projectleider prostitutie/mensenhandel van De Nederlandse Politie

– Openbaar Ministerie

– Belastingdienst

– Gak

– Arbeidsinspectie

– IND

– Bureau Nationaal Rapporteur Mensenhandel

– Stichting Soa-bestrijding

– Mr. A. de Graafstichting (als voorzitter van het Landelijk Prostitutie Overleg, waarin onder meer door belangenvertegenwoordigers van prostituees, exploitanten en klanten en de Stichting Tegen Vrouwenhandel wordt deelgenomen)

– WODC

BIJLAGE 2 Overzicht van deelonderzoeken ten behoeve van de evaluatie van de wetswijziging opheffing algemeen bordeelverbod

 DeelonderzoekDoelOnderzoekspopulatie
AGemeentelijk beleid en vergunningverleninginzicht verkrijgen in de wijze waarop gemeenten na het opheffen van het bordeelverbod aan de slag zijn gegaan met het vormgeven van het prostitutiebeleid en hun eerste ervaringen daarbij.alle gemeenten in Nederland
BProstitutie in verborgen sectoren/strafbare prostitutie (verschuivingen)inzicht verkrijgen in de aard en omvang van onvrijwillige prostitutie (minderjarigen en personen zonder een vereiste verblijfstitel) en verschuivingseffecten. a-selecte steekproef uit prostituees en exploitanten, met name in moeilijk toegankelijke en deels niet gereguleerde sectoren (straat-, thuisprostitutie, escort, 06-prostitutie, hosselcircuit) (prostituees en exploitanten in gereguleerde sectoren worden op evt. verschuivingseffecten bevraagd in onderzoek C)
CGereguleerde prostitutiebedrijven, (knelpunten)inzicht verkrijgen in de sociale positie en psychosociaal welzijn van prostituees in de gereguleerde prostitutie.a-selecte steekproef uit prostituees en exploitanten in gereguleerde sectoren (clubs, raamprostitutie, escort, thuisprostitutie, etc.)
DMaatschappelijke instellingen (banken, verzekeraars, etc.) (knelpunten)inzicht verkrijgen in de wijze waarop maatschappelijke instellingen zich opstellen tegenover prostituees en exploitanten wanneer zij een beroep doen op voorzieningen die deze instellingen bieden en knelpunten die zich daarbij voordoen. a-selecte steekproef uit maatschappelijke instellingen (banken, verzekeraars, Kamers van koophandel, etc.) (prostituees en exploitanten worden op deze punten bevraagd in onderzoek C)
EUitvoerings- en handhavingsorganisaties (GAK, Belastingdienst, politie, OM, Arbeidsinspectie, e.a.) (knelpunten)inzicht verkrijgen in de wijze waarop (landelijke) uitvoerings- en handhavingsorganisaties (van de overheid) zich opstellen tegenover prostituees en exploitanten en de belemmeringen die prostituees en exploitanten ondervinden bij een beroep op voorzieningen die deze instellingen bieden. Inzicht verkrijgen in de wijze waarop deze organisaties zich hebben voorbereid op de opheffing van het bordeelverbod (voorlichting, regelgeving, controle en toezicht, etc) en knelpunten die zich daarbij voordoen. Expertschatting van het nalevingsniveau. Alle uitvoerende en handhavende instellingen via de landelijke overkoepelende organisaties (GAK, politie, belastingdienst, arbeidsinspectie, etc.) (prostituees en exploitanten worden op deze punten bevraagd in onderzoek C)
FImago van de (exploitatie van) prostitutie. Normalisering beroepsgroep.inzicht verkrijgen in de mate waarin prostitutie en de exploitatie van prostitutie worden geaccepteerd door de Nederlandse bevolkinga-selecte steekproef uit de Nederlandse bevolking (prostituees en exploitanten worden op deze punten bevraagd in onderzoek C)
GLokale overheidsdiensten (brandweer, bouw- en woningtoezicht, GGD, e.a.) (knelpunten)inzicht verkrijgen in de wijze waarop lokale overheidsdiensten zich opstellen tegenover prostituees en exploitanten en de belemmeringen die prostituees en exploitanten ondervinden bij een beroep op voorzieningen die deze instellingen bieden. Inzicht verkrijgen in de wijze waarop deze diensten zich hebben voorbereid op de opheffing van het bordeelverbod (voorlichting, regelgeving, controle en toezicht, etc). a-selecte steekproef uit lokale diensten (GGD, RIAGG, Arbo-dienst, Bouw- en Woningtoezicht, etc.) (prostituees en exploitanten worden op deze punten bevraagd in onderzoek C)