25 434
Structuurversterking filmindustrie

nr. 31
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 4 juli 2007

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om enkele vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 december 2006 inzake de reactie op het advies van de Raad van Cultuur over filmbehoud (Kamerstuk 25 434, nr. 30). Bij brief van 4 juli 2007 heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Aptroot

Adjunct-griffier van de commissie,

Jaspers

Inhoudsopgave

IVragen en opmerkingen vanuit de fracties 
    
 1.Inleiding 
 2.Projectplan «Beelden voor de toekomst» 
 3.SEO-rapport «Baten in beeld» 
 4.Motie Van der Ham 
    
IIReactie van de minister 

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van de conservering van audiovisueel erfgoed. Dit erfgoed is niet alleen van educatieve en culturele, maar ook van grote economische waarde. Behoud en ontsluiting van ons audiovisuele erfgoed draagt bij aan de Nederlandse kenniseconomie. Ook in verband met de innovatieagenda is deze conservering van dus groot belang. De leden van deze fractie zijn daarom verheugd over de gekozen aanpak van de minister, te weten in samenwerking met het veld een projectplan te ontwikkelen om tot een optimale conservering van het audiovisueel erfgoed te komen. Dit is geheel in lijn met de opvattingen van deze leden op dit terrein.

De leden van PvdA-fractie zijn blij dat uitvoering wordt gegeven aan de motie Van Dam c.s.1, waarin de regering wordt verzocht om op korte termijn een Deltaplan te schrijven waarin aan wordt gegeven hoe waardevol materiaal behouden kan blijven. Zij hebben geen verdere opmerkingen en vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zij kunnen zich in grote lijnen vinden in haar reactie op het advies van de Raad voor Cultuur «Deltaplan voor het Filmbehoud»2 en de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de motie Van Dam c.s. Met de minister onderschrijven deze leden het belang van het instandhouden van audiovisueel materiaal en het vergroten van de toegankelijkheid. Ook zijn zij het eens met de prioriteit die gegeven wordt aan het gebruik voor educatieve doeleinden.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie van de minister op het advies van de Raad voor Cultuur over filmbehoud. Zij hebben hier enkele vragen en opmerkingen bij.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de minister op het advies van de Raad voor Cultuur over filmbehoud. Deze leden zijn positief over het voorstel «Beelden voor de Toekomst» en juichen het toe dat dit project in een breder kader wordt geplaatst, waarbij onder andere wordt uitgegaan van een ketenbenadering en waarbij ook andere dragers van film worden meegenomen. Hoewel de leden van deze fractie de ambities van de minister toejuichen hebben zij een aantal vragen.

De leden van D66-fractie hebben ook kennisgenomen van het advies van de Raad voor Cultuur van 1 augustus 2005. Voorts hebben zij kennisgenomen van de reactie van de minister hierop middels haar brief en van het project «Beelden voor de Toekomst».

De leden van deze fractie zijn zeer verheugd met dit ambitieuze project en waarderen de serieuze inzet van middelen hiervoor. Dit project zal bijdragen aan het behoud van film en breder audiovisueel erfgoed voor Nederland, wat waardevol is gezien de groeiende rol van audiovisuele media voor cultureel bewustzijn en de toepassing binnen het onderwijs en de inbedding van dit erfgoed in de beleving van de Nederlandse geschiedenis.

2. Projectplan «Beelden voor de toekomst»

De leden van de CDA-fractie vragen of in verband met controle op de voortgang van het projectplan «Beelden voor de Toekomst» kan worden volstaan met de afgesproken jaarlijkse verantwoording van de instellingen aan de minister. De conservering van audiovisueel erfgoed is van hoge urgentie. Dit moet op korte termijn en op juiste wijze gebeuren voor het te laat is. Mede omdat er grote belangen op het spel staan en er grote bedragen meegemoeid zijn, is het zeer de vraag of evaluatie na afloop van het project – over zeven jaar – toereikend is. Het is zaak in de gaten te houden op welke wijze het geld besteed wordt of het doel bereikt wordt en het project op koers ligt. De leden van deze fractie willen graag de vinger aan de pols houden. Daarom verzoeken zij de minister de Kamer jaarlijks te informeren over de stand van zaken. Wat zijn de consequenties als blijkt dat het projectplan «Beelden voor de Toekomst» niet in voldoende mate tegemoet komt aan de wens om optimale conservering van audiovisueel erfgoed, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie hechten zeer aan het behoud van het film-, video- en audiomateriaal dat met de operatie «Beelden voor de toekomst» mogelijk wordt gemaakt. Zij stemmen in met de benadering waarbij het materiaal niet alleen geconserveerd, maar ook gebruikt wordt, bijvoorbeeld in educatieve projecten. Wordt er ook een verband gelegd met de activiteiten die in het kader van Cultuur en School plaatsvinden, zo vragen zij. Wordt het project ingezet voor het operationaliseren van de culturele canon voor het onderwijs? De leden van deze fractie achten het van belang de schat aan materiaal optimaal te benutten. De verschillende programma’s kunnen elkaar versterken. Graag ontvangen zij van de minister een toelichting hierop. Zij lezen in de brief dat de minister aangeeft afspraken te willen maken over het geven van prioriteit aan de A-contractfilms. Deze leden vragen of zij voornemens is dit, zoals de Raad voor Cultuur adviseert, op te nemen in de meerjarenbegroting.

De leden van deze fractie merken op dat de minister in haar conclusie voorspelt dat het geheel aan maatregelen de internationale positie van het Filmmuseum en «Beeld en Geluid» verder zal versterken. Kan de minister toelichten hoe deze inspanningen daartoe zullen leiden, zo vragen bovengenoemde leden. Van een internationale context lijkt nauwelijks sprake te zijn.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de minister welke afspraken zij gaat maken met Beeld en Geluid over de prioritering van A-contractfilms? De minister geeft aan dat zij een aanstelling van een consulent niet nodig acht omdat Beeld en Geluid in principe reeds de rol van adviseur inneemt voor de instellingen die de kleinere collectie beheren. Graag willen deze leden weten in hoeverre Beeld en Geluid in staat zal zijn een onafhankelijke positie in te nemen. De leden van deze fractie vragen de minister hoe de specifieke verdeling van het budget zal plaatsvinden en op basis van welk criteria. Tevens vragen zij waarom het consortium ieder jaar een subsidieverzoek in moet dienen en waarom de minister niet heeft gekozen voor een meerjarenbegroting.

De leden van de D66-fractie vragen de minister naar de mogelijkheid om geïnformeerd te worden over de voortgang van het project «Beelden voor de Toekomst».

3. SEO rapport «Baten in beeld»1

De leden van de CDA-fractie vragen of de marktconforme vergoeding die aan private gebruikers gevraagd kan worden voor inzage en gebruik van het audiovisueel materiaal, door instellingen zelf vastgesteld zal worden en of aan deze vergoeding een limiet verbonden is. Wat bedoelt de minister precies met een marktconforme vergoeding, zo vragen deze leden. Betekent dit dat via de inkomsten een deel van het restauratiebudget wordt terugverdiend? Dat kan niet de bedoeling zijn. De leden van deze fractie willen op dit punt graag helderheid. Kan de minister een indicatie geven hoe hoog de bedragen voor de gebruiker van het geconserveerde audiovisueel materiaal zullen zijn? Deze mogen geen barrière vormen voor ontsluiting van kennis. Een onderdeel van het project is immers het audiovisueel materiaal toegankelijk maken voor een zo breed mogelijk publiek. Dit ook met het oog op het innovatief vermogen, het educatieve karakter van het materiaal en het nationaal besef.

De leden van de SP-fractie lezen in het SEO-rapport «Baten in beeld» dat gesteld wordt dat «Beelden voor de toekomst» geen doel op zich is, maar vooral een instrument is om positieve effecten te bewerkstelligen. Als positieve effecten worden genoemd het behoud van cultuur en erfgoed, bijdrage aan de Lissabon-doelstelling, het versterken van het cultuurhistorisch besef, versterking van de democratie en de toename van multimediale geletterdheid. Zeker als het gaat om de laatste drie effecten is het volgens de leden van deze fractie van belang dat er veel gebruik gemaakt gaat worden van de gedigitaliseerde audiovisuele collecties (databank) en dat daarom de drempels voor toegankelijkheid en gebruik zo veel mogelijk geslecht dienen te worden. Dit geldt met name voor het onderwijs. Bovenstaand argument gevoegd bij de verwachte inkomstenstroom voor de consortiumpartners (geen winstoogmerk) van zo’n € 7 miljoen op jaarbasis zijn voor deze leden aanleiding om voor te stellen de toegang en gebruik voor het onderwijs gratis te maken. Graag vernemen de leden een reactie van de minister op dit voorstel.

Meer in zijn algemeenheid vragen bovengenoemde leden naar de mogelijkheden die de minister ziet in een verdergaande prijsdifferentiatie tussen commerciële en niet commerciële afnemers zoals bijvoorbeeld overheden, musea en culturele instellingen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de SEO heeft berekend dat het project aanzienlijke economische baten kan opleveren. Deze baten zullen terugvloeien in het Fonds voor Economische Structuurversterking (FES), waaruit het project voor een groot deel wordt gefinancierd. Zij vragen of de minister voldoende garanties heeft dat de economische baten daadwerkelijk behaald zullen worden. Waarop baseert de minister dat vertrouwen, zo vragen deze leden.

4. Motie Van der Ham2

De leden van D66-fractie willen aandacht vragen voor het audiovisueel vastleggen van met name podiumkunsten, waartoe eerder is opgeroepen met de motie Van der Ham die verzoekt te bezien of door middel van samenwerking tussen de (publieke) omroep en belanghebbenden binnen de podiumkunsten het mogelijk is theatervoorstellingen door middel van registratie beschikbaar te maken voor een breed publiek. Deze leden vinden dit vooral van belang omdat veel theatervoorstellingen slechts matig worden geregistreerd, met zeer eenvoudige apparatuur, en zeer slecht worden gedocumenteerd. Zij achten het van belang dat met name de belangwekkende voorstellingen (bijvoorbeeld toneel, mime en dans) op duurzame wijze worden geregistreerd en bewaard. Bovengenoemde leden wijzen erop dat niet alleen de voorstellingen daardoor voor toekomstig onderzoek bewaard blijft, maar dat deze kunstvormen ook op korte en lange termijn kan worden ontsloten voor een breder publiek, bijvoorbeeld doordat het wordt uitgezonden op televisie. In een eerdere reactie op de motie Van der Ham1 lazen de leden enkel een verwijzing naar de wettelijke taak van de publieke omroep, maar niet naar de wens van de Kamer zoals uitgesproken in de motie, om als departement pro-actief de aanzet tot overleg tussen de sectoren te geven vanuit de het belang van het Nederlands cultureel erfgoed. Zij vragen de minister nogmaals terug te komen op deze motie en er uiting aan te geven.

De leden van de D66-fractie delen de mening van de minister dat de maatschappelijke relevantie van Nederlands audiovisueel «geheugen» en de betrokkenheid van de overheid als financier van het de totstandkoming van het materiaal, de verantwoordelijkheid met zich meebrengt om dit materiaal voor de toekomst veilig te stellen. De leden van deze fractie vragen de minister of en hoe de gedachte achter het project ook op andere kunstvormen kan worden toegepast.

II REACTIE VAN DE MINISTER

1. Inleiding

Ik heb met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief die mijn ambtsvoorganger op 19 december 2006 aan de Kamer heeft gezonden in reactie op het advies van de Raad voor Cultuur over het filmbehoud.2

Ik stel met genoegen vast dat de diverse fracties positief staan ten opzichte van de aanpak die gekozen is om tot een optimale conservering en ontsluiting te komen van de belangrijkste delen van ons audiovisuele erfgoed door middel van het project Beelden voor de Toekomst.

Hierna zal ik ingaan op de vragen en opmerkingen van de leden van de verschillende fracties en zal daarbij de volgorde van het verslag aanhouden.

2. Projectplan «Beelden voor de Toekomst»

De leden van de CDA-fractie vragen of in verband met controle op de voortgang van het project Beelden voor de Toekomst kan worden volstaan met de afgesproken jaarlijkse verantwoording van de instellingen aan de minister. Mede omdat er grote belangen op het spel staan en er grote bedragen mee gemoeid zijn, is het volgens deze leden de vraag of evaluatie na afloop van het project – over zeven jaar – toereikend is. Deze leden willen graag de vinger aan de pols houden en verzoeken de minister om de Kamer jaarlijks te informeren over de stand van zaken.

Het gaat bij Beelden voor de Toekomst inderdaad om een project van indrukwekkende proporties: zowel wat betreft de looptijd, het totaalbudget als wat betreft de hoeveelheid te conserveren en te ontsluiten materiaal. Het is daarom van belang om de vinger aan de pols te houden en bijtijds te kunnen bijsturen, mocht dat nodig zijn. Een evaluatie na afloop van het project is dan niet voldoende. Naast de reguliere jaarlijkse financiële verantwoording aan het ministerie op basis van de geldende controleprotocollen en accountantsverklaringen zal het consortium dat belast is met uitvoering van het project ook jaarlijks verantwoording afleggen over de uitgevoerde activiteiten op terrein van conservering, digitalisering en ontsluiting. Ik beraad mij nog over aanvullende mogelijkheden voor monitoring van het project, waarbij ik een goede balans nastreef tussen uitvoering – dat is de verantwoordelijkheid van het consortium – en het toezicht op de activiteiten – dat is de verantwoordelijkheid van mijn ministerie. Ik ben gaarne bereid om de Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang van dit project.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de consequenties zijn als blijkt dat het project Beelden voor de Toekomst niet in voldoende mate tegemoet komt aan de wens tot optimale conservering van audiovisueel erfgoed.

Laat ik voorop stellen dat de expertise van de consortiumpartijen waar het gaat om conservering van audiovisueel materiaal boven twijfel is verheven. Dat blijkt ook duidelijk uit het advies van de Raad voor Cultuur: op meerdere plaatsen looft de Raad de deskundigheid van de betrokken partijen, met name het Filmmuseum en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.1 Door de hierboven geschetste monitoring van het project kunnen we jaarlijks vaststellen hoe de uitvoering van het project verloopt en zonodig maatregelen treffen.

De leden van de VVD-fractie stemmen in met de benadering waarbij het materiaal niet alleen wordt geconserveerd, maar ook wordt gebruikt, bijvoorbeeld in educatieve projecten. Zij vragen of er een verband wordt gelegd met de activiteiten die plaats vinden in het kader van Cultuur en School. Ook vragen deze leden of het project Beelden voor de Toekomst wordt ingezet voor het operationaliseren van de culturele canon voor het onderwijs.

In het project Beelden voor de Toekomst wordt nadrukkelijk gemikt op gebruik van het geconserveerde en gedigitaliseerde audiovisuele materiaal voor educatieve doeleinden, waaronder gebruik in het onderwijs. De komende jaren zal nader worden bezien op welke wijze dit precies gestalte krijgt, rekening houdend met activiteiten in het kader van Cultuur en School en de culturele canon.

De leden van de VVD-fractie lezen in de brief van mijn ambtsvoorganger dat zij afspraken wil maken over het geven van prioriteit aan de A-contractfilms uit de collectie van de Rijksvoorlichtingsdienst. Deze leden vragen of dit zal worden opgenomen in de meerjarenbegroting. Ook de leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de prioritering van de A-contractfilms.

Ik acht het van belang dat de A-contractfilms uit de collectie van de Rijksvoorlichtingsdienst, die in beheer zijn bij Beeld en Geluid, met de juiste prioriteit worden behandeld. Daarom zal ik in de subsidieafspraken met het consortium en meer specifiek met Beeld en Geluid, expliciet aandacht hieraan besteden. Ik wil de activiteiten die betrekking hebben op deze deelcollectie tot uitdrukking zien komen in de meerjarenbegroting en activiteitenplannen van het projectBeelden voor de Toekomst.

De leden van de VVD-fractie merken op dat mijn ambtsvoorganger in haar brief voorspelt dat het geheel aan maatregelen de internationale positie van het Filmmuseum en Beeld en Geluid verder zal versterken. Zij vragen hoe deze inspanningen daartoe zullen leiden, aangezien van een internationale context nauwelijks sprake lijkt te zijn, aldus deze leden.

In zijn eerdergenoemde advies over filmconservering geeft de Raad voor Cultuur aan, dat zowel het Nederlands Filmmuseum als het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid internationaal «toonaangevend» zijn en «internationaal zeer hoog staan aangeschreven».2 Het project Beelden voor de Toekomst zal ongetwijfeld internationale aandacht trekken, omdat veel (Europese) landen te kampen hebben met aanzienlijke achterstanden in de conservering en ontsluiting van hun audiovisuele erfgoed. De Raad wijst er in zijn advies op dat ook in landen met een sterke cinefiele inslag, zoals Frankrijk, of in landen met een veel bewonderd omroepsysteem, zoals Engeland, de problematiek «onrustbarend» is.1 Voorts is van belang dat de collectie van het Filmmuseum een sterk internationale samenstelling kent. Ten slotte biedt de uitvoering van het project een goede basis voor de participatie in Europese projecten voor digitalisering en uitwisseling.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen graag weten in hoeverre Beeld en Geluid een onafhankelijke positie kan innemen als adviseur van instellingen die kleinere collecties beheren.

Beeld en Geluid vervult reeds de rol van adviseur voor andere instellingen die hun collecties willen veilig stellen en digitaliseren. Daarvoor is een aparte subsidie toegekend waarbij overleg met de sector en transparante verslaglegging voorwaarden zijn. Dit gevoegd bij de professionele inzet van Beeld en Geluid biedt voldoende garantie voor onafhankelijke advisering.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de specifieke verdeling van het budget zal plaats vinden en op basis van welke criteria. Tevens vragen deze leden waarom het consortium ieder jaar een subsidieverzoek moet indienen en waarom de minister niet heeft gekozen voor een meerjarenbegroting.

De verdeling van het budget vindt plaats op grond van een jaarlijkse begroting, die gekoppeld is aan een jaarlijks activiteitenplan. Een meerjarige uitwerking daarvan is reeds opgenomen in het door het vorige kabinet goedgekeurde projectplan, dat de basis vormt voor Beelden voor de Toekomst.

Het vorige kabinet heeft het projectplan goedgekeurd en vanuit het FES-fonds van financiering voorzien. Daarmee is zekerheid geboden aan het consortium dat het project (looptijd 2007–2014) ook daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. Een jaarlijks subsidieverzoek is niettemin noodzakelijk in verband met een zo actueel mogelijke opgave van de voor dat betreffende jaar geplande activiteiten, gekoppeld aan de daarbij horende begroting.

De leden van de D66-fractie vragen naar de mogelijkheid om geïnformeerd te worden over de voortgang van het projectBeelden voor de Toekomst.

Ik verwijs naar het antwoord dat ik eerder gaf in antwoord op een soortgelijke vraag: ik ben bereid om de Kamer jaarlijks over de voortgang van het project te informeren. Informatie over de voortgang zal ook op de website www.beeldenvoordetoekomst.nl te vinden zijn.

3. SEO rapport «Baten in Beeld»

De leden van de CDA-fractie vragen of de marktconforme vergoeding die aan private gebruikers gevraagd kan worden voor inzage en gebruik van het audiovisueel materiaal, door de instellingen zelf vastgesteld zal worden en of aan deze vergoeding een limiet verbonden is. Deze leden vragen wat precies wordt bedoeld met een marktconforme vergoeding. Zij vragen of dit betekent dat via de inkomsten een deel van het restauratiebudget wordt terugverdiend. Dat kan volgens deze leden niet de bedoeling zijn. Zij vragen een indicatie van de kosten voor de gebruikers van het audiovisueel materiaal. Deze kosten mogen geen barrière vormen voor ontsluiting van kennis, aangezien een onderdeel van het project gericht is op het toegankelijk maken van het audiovisuele materiaal voor een zo breed mogelijk publiek.

Het SEO-rapport calculeert een marktconforme vergoeding op grond van de geldende afnemers van diensten en de daarbij horende prijzen, een opslag voor wat men bereid zal zijn te betalen in de toekomst en de betalingsbereidheid bij educatieve toepassingen. Bij dit alles is ook in overweging genomen wat momenteel aan onderzoeksgegevens beschikbaar is over participatie van onderwijsinstellingen in binnen- en buitenland.

De inkomsten die het project genereert tijdens de projectperiode (geraamd op € 19 miljoen), zijn nodig om het project volgens plan uit te voeren. De financiering vanuit het FES is daarvoor niet toereikend.

In het plan is tevens voorzien dat een deel van de projectinkomsten terug vloeit naar het FES-fonds. Dat geschiedt in de periode 2014–2025, dus na afloop van het project.

De kosten voor gebruikers zullen zodanig zijn, dat ze geen barrière vormen voor één van de doelstellingen van het project: het toegankelijk maken van het audiovisuele materiaal voor een zo breed mogelijk publiek.

De leden van de SP-fractie stellen voor de toegang en gebruik van het materiaal voor het onderwijs gratis te maken. Zij vragen een reactie op dit voorstel. Meer algemeen vragen deze leden naar de mogelijkheden die de minister ziet in een verdergaande prijsdifferentiatie tussen commerciële en niet-commerciële afnemers zoals bijvoorbeeld overheden, musea en culturele instellingen.

Het project Teleblik levert momenteel ervaring op met het gratis beschikbaar stellen van audiovisueel materiaal aan educatieve instellingen. Het is de bedoeling dat scholen op termijn een tarief gaan betalen per gebruiker/afnemer voor de kosten van het technisch onderhoud, redactiewerkzaamheden en een vergoeding naar rechthebbenden waar dit van toepassing is. Dit zal een zo laag mogelijk kostendekkend tarief zijn, met inachtneming van de inkomstentaakstelling die het consortium, zoals hierboven beschreven, heeft. In de aanloop van het Teleblik-project is uit marktonderzoek gebleken dat scholen tot een bijdrage bereid zijn. Dit onderzoek dateert van 2004; recent onderzoek is niet gedaan. Prijsdifferentiatie tussen commerciële en niet-commerciële afnemers van het audiovisuele materiaal zal in de loop van het project Beelden voor de Toekomst nader worden bezien. Ten aanzien van het gebruik van materiaal in een educatieve context zal mede gekeken worden naar de ervaringen die binnen Teleblik zijn opgedaan.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de SEO heeft berekend dat het project aanzienlijke economische baten kan opleveren. Deze baten zullen terugvloeien in het Fonds Economische Structuurversterking (FES), waaruit het project voor een groot deel wordt gefinancierd. Zij vragen of de minister voldoende garanties heeft dat de economische baten daadwerkelijk behaald zullen worden. Zij vragen waarop dat vertrouwen is gebaseerd.

Dat vertrouwen is gebaseerd op het onderzoek van SEO, terwijl ook het CPB positief heeft geadviseerd over het projectvoorstel Beelden voor de Toekomst. SEO heeft gekeken naar ervaringscijfers in binnen- en buitenland (Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk). Daarbovenop is een toeslag gehanteerd voor toekomstige betalingsbereidheid bij afnemers, wanneer de kwaliteit van het materiaal en de diversiteit van het aanbod aantrekkelijker worden. Daarnaast zijn er nog andere, ook rendement opleverende verborgen toekomstige positieve effecten, zoals besparingen in reiskosten en reistijden, de baten van gebruik van het materiaal in themakanalen, internationale concurrentiepositie, werkgelegenheid en externe effecten zoals behoud van het culturele erfgoed, cultuurhistorisch besef, versterking van de democratie, realisatie van de Lissabon-doelstelling en multimediale geletterdheid. Deze zaken konden niet verdisconteerd worden in het rendementsplaatje en zullen naar verwachting een positieve invloed hebben op het resultaat.

4. Motie Van der Ham

De leden van de D66-fractie vragen nogmaals aandacht voor de motie Van der Ham1, waarin de Kamer de regering oproept om met omroepen, producenten en theatergezelschappen te overleggen en een plan uit te werken voor een methodiek om theatervoorstellingen door middel van kwalitatief goede registraties beschikbaar te maken – ten eerste, om een breed publiek kennis te laten maken met deze voorstellingen; ten tweede, omdat het van belang is voor de Nederlandse kunstgeschiedenis en cultuur dat registraties van theatervoorstellingen bewaard blijven.

De publieke omroep heeft een duidelijk culturele taak. Hij is misschien wel de grootste culturele instelling in ons land die verschillende functies in zich verenigt. De publieke omroep produceert en distribueert zelf kunst en cultuur maar er is daarnaast ook plaats voor culturele uitingen die in eerste instantie voor andere podia gemaakt zijn. Ik constateer dat de landelijke publieke omroep het nodige op dit terrein doet, bijvoorbeeld in de sectoren film, muziek en cabaret. Het wettelijk voorgeschreven percentage kunst en cultuurprogrammering wordt naar behoren ingevuld. Dat neemt niet weg dat ik mij in de strekking van het eerste deel de motie van Kamerlid Van der Ham kan vinden; ik ben het met de Kamer eens dat samenwerking tussen de publieke omroep en de cultuursector belangrijk is. De Raad voor Cultuur heeft er op gewezen dat die samenwerking beter kan. Ik vind dat de omroep en de cultuursector deze mogelijkheden de komende jaren moeten verkennen, onderzoeken en benutten. Niet in een vorm waarbij de een uitsluitend dienend is aan de ander, maar op grond van gedeelde (culturele) belangen en doelstellingen. Ik heb dit punt reeds ter sprake gebracht bij de publieke omroep en bij de Cultuurformatie, een brede koepel voor culturele instellingen waarin zowel omroep als cultuursector vertegenwoordigd zijn2.

In de motie Van der Ham lees ik ook de wens dat de landelijke publieke omroep dient op te treden als erfgoedbewaarder voor, in het bijzonder, theatergezelschappen. Ik kan aan de publieke omroep geen inhoudelijke programma-eisen stellen en zo deze taak laten vervullen. Daarnaast is de financiële positie van de publieke omroep niet van dien aard dat er ruimte is om deze rol van erfgoedbewaarder uitputtender te vervullen dan nu het geval is. Zoals u weet bewaart het Instituut voor Beeld en Geluid een rijk arsenaal aan audiovisueel erfgoed van televisie, radio, film en muziek. Daaronder bevinden zich ook de registraties van uitingen van podiumkunsten die door de publieke omroep worden uitgezonden. Toch zou het mijns inziens goed zijn als de omroep en de cultuursector vaker gezamenlijk bekijken hoe cultuur onderdeel kan zijn van de taak van de publieke omroep. Ik zal dit meenemen in gesprekken waarin de samenwerking tussen beide aan de orde komt. Voor het overige is het aan de cultuursector om initiatieven te nemen waarbij instellingen zorg dragen voor het vastleggen, bewaren en distribueren van hun erfgoed. Ook binnen de muzieksector zien we dit al gebeuren; aansprekend voorbeeld is Fabchannel. Binnen dit initiatief worden concerten uit diverse popzalen online beschikbaar gesteld voor een breed publiek. Momenteel wordt binnen het project Cultureplayer ook bekeken hoe deze technologie ingezet kan worden bij andere instellingen waaronder het Concertgebouw, IDFA, Holland Festival en het Rijksmuseum.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie of de gedachte achter het project Beelden voor de Toekomst ook op andere kunstvormen kan worden toegepast.

Het project Beelden voor de Toekomst ontleent zijn aantrekkelijkheid aan de grote vraag naar audiovisueel materiaal voor interactief gebruik. Dit bepaalt ook de economische aantrekkelijkheid. Dit geldt niet één-op-één voor andere kunstvormen en is daarom niet eenvoudig in andere domeinen toe te passen. Niettemin wordt in andere sectoren (in het bijzonder het cultureel erfgoed) op dit moment bezien of een dergelijke aanpak navolging kan krijgen.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Abel (SP), Van Leeuwen (SP), Verdonk (VVD), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD), Dibi (GL).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Weekers (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Ten Broeke (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van Bommel (SP), Langkamp (SP), Dezentjé Hamming (VVD), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Nicolaï (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD), Azough (GL).

XNoot
1

Kamerstuk 30 300 VIII, nr. 66.

XNoot
2

OCW0 500 716

XNoot
1

Stichting Economisch Onderzoek te Amsterdam.

XNoot
2

Kamerstuk 30 800 VIII, nr. 69 (gewijzigde motie ter vervanging van Kamerstuk 30 800 VIII, nr. 40).

XNoot
1

Kamerstuk 30 800 VIII, nr. 80.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2006–2007, 25 434, nr. 30.

XNoot
1

Raad voor Cultuur: Advies filmconservering Deltaplan voor het Filmbehoud, Den Haag, 1 augustus 2005.

XNoot
2

Advies Filmconservering, resp. blz. 6 en 12.

XNoot
1

Idem, blz. 6.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 69.

XNoot
2

Zie de recente nota over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid Kunst van leven (22 juni 2007).

Naar boven