Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202025422 nr. 259

25 422 Opwerking van radioactief materiaal

Nr. 259 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 november 2019

Op 7 september 2017 heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het «Onderzoek Externe beveiliging nucleaire inrichtingen» van de Inspectie Veiligheid en Justitie (verder: Inspectie). Het gaat om een onderzoek naar de plannen Externe Beveiligingsorganisatie (EBO) van de politie1. Deze plannen worden opgesteld door de regionale eenheden van de politie waarin de nucleaire inrichting is gevestigd en worden vastgesteld door de betrokken burgemeester en officier van justitie. De plannen (EBO) bevatten een omschrijving van de wijze van optreden van de politie in die gevallen waarin de dreiging bij een nucleaire inrichting zulke extreem gewelddadige of andere vormen aanneemt, dat daar op eigen kracht door de nucleaire inrichting geen weerstand tegen kan worden geboden.

In de bovenbedoelde brief heeft de Minister aangegeven dat hij samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu (nu: de Minister voor Milieu en Wonen) een meer uitgebreide reactie zal gegeven op het onderzoek van de Inspectie en daarbij ook zal ingaan op het onderzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), de toezichthouder op de nucleaire sector, naar de afstemming van de plannen Interne Beveiligingsorganisatie (IBO) op de plannen EBO van de politie. Nu dat laatste onderzoek is afgerond kom ik, mede namens de Minister voor Milieu en Wonen, met deze brief de bovenbedoelde toezegging na. Ook gaat deze brief in op de opvolging van de aanbevelingen van de Inspectie.

De interne en externe beveiligingsorganisatie van nucleaire inrichtingen

De primaire verantwoordelijkheid voor de beveiliging van een nucleaire inrichting ligt bij de nucleaire inrichting (feitelijk: de vergunninghouder op grond van de Kernenergiewet). Deze inrichting is volgens de regelgeving op basis van de Kernenergiewet verplicht een beveiligingspakket op te stellen. De nucleaire inrichting is verplicht die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om nucleair materiaal en informatie/data/kennis te beveiligingen tegen diefstal en sabotage. Dit pakket aan organisatorische, elektronische, ICT, bouwkundige en andere maatregelen wordt aangeduid als het plan IBO.

Daarnaast is de nucleaire inrichting verantwoordelijk voor een adequate aansluiting van het plan IBO op het plan EBO van de politie. De nucleaire inrichting moet zoveel weerstand bieden dat een tijdige respons van de politie mogelijk is.

Voor verdere achtergrondinformatie over de inhoud, invulling en uitwerking van de nucleaire beveiliging wordt verwezen naar de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 28 april 2016 over de beveiliging van Nederlandse nucleaire inrichtingen2.

ONDERZOEK INSPECTIE EXTERNE BEVEILIGING NUCLEAIRE INRICHTINGEN (2017)

In het bovenbedoelde onderzoek van de Inspectie uit 2017 naar de externe beveiliging van de nucleaire inrichtingen komen twee hoofdonderzoeksvragen aan de orde:

  • 1) Op welke wijze geeft de politie per nucleaire inrichting uitvoering aan de beveiligingsmaatregelen ten behoeve van de externe beveiligingsorganisatie?

  • 2) Op welke wijze stemt de politie de maatregelen ten behoeve van de externe beveiligingsorganisatie af met de veiligheidsregio?

Ad. 1) De Inspectie concludeert dat de politie-eenheden doordacht invulling geven aan de externe beveiliging van de nucleaire inrichtingen. De plannen EBO zijn in goed overleg met de nucleaire inrichtingen opgesteld. Tevens signaleert de Inspectie enkele verbeterpunten in de uitvoering van de afspraken uit de plannen EBO. Deze verbeterpunten betreffen:

  • het IBO-EBO-overleg tussen de nucleaire inrichting en de politie;

  • het oefenen van de scenario’s uit het plan EBO, waarbij met name wordt aangegeven dat de meldkamer als schakel niet of nauwelijks in deze oefeningen wordt betrokken.

Ad. 2) De tweede onderzoeksvraag betrof de aansluiting van het plan EBO met de veiligheidsregio indien een security-incident overgaat in een safety-incident. De politie maakt dan de afweging of, en zo ja, welke informatie uit plan EBO van belang is voor de plan- en besluitvorming van de veiligheidsregio en delen deze informatie met de veiligheidsregio. De Inspectie stelt vast dat de plannen EBO en de plannen van de veiligheidsregio op papier geen conflicten kennen.

De hoofdconclusie uit het rapport van de Inspectie luidt dan ook:

«De Inspectie is positief over de manier waarop politie-eenheden invulling geven aan de externe beveiliging van de nucleaire inrichtingen. De planvorming EBO is op orde, maar de Inspectie concludeert dat op een aantal punten nog verdere uitwerking mogelijk is. De Inspectie signaleert tegelijkertijd enkele verbeterpunten in de uitvoering van de in de plannen vastgelegde afspraken op het gebied van samenwerken en oefenen

Opvolging van het Inspectierapport externe beveiliging nucleaire inrichtingen

De politie heeft de verbeterpunten uit het rapport van de Inspectie opgepakt. De politie heeft hiervoor in 2018 de Handreiking Externe Beveiliging Organisatie (Handreiking EBO) en de landelijke blauwdruk operationeel plan EBO opgesteld. De Handreiking EBO en de landelijke blauwdruk operationeel plan EBO zijn ontwikkeld om een grotere eenduidigheid en kwaliteit van de door de politie op te stellen plannen EBO te realiseren.

De handreiking EBO omvat generieke kaders, die van toepassing zijn op alle plannen EBO. Ook de noodzaak tot gezamenlijk oefenen is in de handreiking opgenomen. De Handreiking EBO beschrijft onder meer de uitgangspunten, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en rollen van de partijen die betrokken zijn bij het opstellen van de EBO voor de betreffende nucleaire instelling («koude fase») en voor het optreden bij een dreiging of crisis («warme fase»).

De landelijke blauwdruk operationeel plan EBO gaat daarnaast in op kernaspecten zoals:

  • een beschrijving van de nucleaire instelling, inclusief de risicofactoren en aanwezige EBO-beveiligingsmaatregelen;

  • een actueel overzicht van alle relevante contactgegevens (bedrijven, functionaliteiten, liaisons, etc.) bij zowel de preparatie als de opschaling;

  • de in het kader van de aansluiting EBO -IBO gemaakte afspraken omtrent informatie-uitwisseling, communicatie en wijze van te nemen maatregelen.

Mede op basis van de bovenbedoelde handreiking en blauwdruk is in ieder van de vier regionale eenheden van de politie waarin een nucleaire inrichting is gevestigd een nieuw plan Externe Beveiligingsorganisatie (EBO) tot stand gekomen. Deze zijn opgesteld door de politie en vastgesteld door de betrokken burgemeester en de officier van justitie.

Deze operationele plannen EBO zijn onder meer afgestemd met:

  • het beveiligingspakket en het plan IBO van de nucleaire inrichtingen;

  • de operationele plannen en procedures van de politie en

  • het binnen de veiligheidsregio geldende regionale crisisplan.

Mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de Inspectie hebben de eenheden afspraken gemaakt met de nucleaire inrichtingen over het IBO-EBO overleg teneinde te verzekeren dat de interne en de externe beveiliging goed op elkaar aansluiten.

Ook hebben de eenheden aangegeven dat de meldkamer wordt betrokken bij het oefenen van de scenario’s uit de EBO plannen.

RAPPORT ANVS OVER DE AANSLUITING VAN DE PLANNEN IBO OP DE PLANNEN EBO (2019)

De ANVS heeft door middel van inspecties en interviews met de beveiligingsdeskundigen van de nucleaire inrichtingen gericht getoetst hoe de beveiligingspakketten van de nucleaire inrichtingen, de plannen IBO, aansluiten op de plannen EBO van de politie.

Gezien het feit dat de inhoud van desbetreffende beveiligingspakketten Staatsgeheim-Confidentieel is, wordt in deze brief niet uitgebreid ingegaan op de bevindingen van dit onderzoek, wel wordt hieronder ingegaan op de eindconclusie van het rapport van de ANVS.

Eindconclusie rapport ANVS over de aansluiting van het plan IBO op het plan EBO:

Het rapport van de ANVS geeft aan dat alle nucleaire inrichtingen op basis van hun eigen analyses tot de conclusie komen dat er voldoende interne beveiligingsmaatregelen (plan IBO) zijn genomen om in combinatie met de verwachte respons (plan EBO politie) aan de beveiligingsverplichtingen te voldoen. De ANVS heeft onderzocht of de conclusies van de nucleaire inrichtingen over de aansluiting van de interne beveiliging op de externe beveiliging gerechtvaardigd zijn. De ANVS geeft daarbij aan dat de aanrijtijden van de politie van groot belang zijn voor deze analyses. De ANVS pleit ervoor om deze aanrijtijden voor alle nucleaire inrichtingen op basis van de praktijk proefondervindelijk vast te stellen.

De ANVS concludeert dat geen reden is gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de nucleaire inrichtingen verrichte analyses. De kwaliteit van de analyses wordt weliswaar in belangrijke mate bepaald door de kwaliteit van beschikbare gegevens, maar deze is volgens de ANVS voldoende om een gerechtvaardigd vertrouwen te hebben in deze analyses. De analyses van enkele nucleaire inrichtingen zijn minder diepgaand. Dit zijn, zo geeft de ANVS aan, echter inrichtingen met een lager risico en dit rechtvaardigt de lagere diepgang van deze analyses.

Opvolging van het rapport ANVS over de aansluiting van het plan IBO op het plan EBO

Een goede aansluiting van de interne beveiliging op de externe beveiliging is van groot belang omdat de beveiliging van de nucleaire inrichtingen hiermee staat of valt. Het is daarom goed dat de ANVS geen reden heeft te twijfelen aan de analyses van de nucleaire inrichtingen dat die aansluiting op orde is. Zoals de ANVS stelt, is een realistische inschatting van de aanrijtijden van de politie van groot belang bij die analyses. Het gaat daarbij zowel om de aanrijtijden van de reguliere politie als de aanrijtijden van de onderdelen van de Dienst speciale interventies van de politie.

Naar aanleiding van deze conclusie zal de politie, waar dit nog niet het geval is, de nucleaire inrichtingen zoveel mogelijk helderheid bieden over de hierboven bedoelde aanrijtijden. Waar het gaat om de aanrijtijden van de reguliere politie zal de politie waar mogelijk ten behoeve van de hierboven bedoelde analyses voor alle nucleaire inrichtingen op basis van metingen in de praktijk een aanrijdtijd vaststellen. Dit omdat zo een meer realistische inschatting tot stand komt van de aanrijtijden van de reguliere politie dan door het hanteren van de landelijke streefnorm voor spoedmeldingen. Ook zal de politie waar mogelijk maatwerk leveren voor wat betreft de te hanteren aanrijtijden van de onderdelen van de Dienst speciale interventies van de politie.

Ten slotte

Het onderzoek van de Inspectie is positief over de manier waarop de politie onder het gezag van de betrokken burgemeester en officier van justitie invulling geeft aan de (preparatie en planvorming voor de) externe beveiliging van de nucleaire inrichtingen.

De ANVS heeft in haar onderzoek geen reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de nucleaire inrichtingen verrichte analyses waaruit blijkt dat de aansluiting van de plannen IBO op de plannen EBO op orde is.

De korpschef van de politie onderschrijft deze conclusies. Ik kan me hier dan ook in vinden. De aanbevelingen uit de onderzoeken zijn of worden opgepakt. Voor een belangrijk deel gaat het daarbij om lokaal maatwerk uitgevoerd onder het gezag van de betrokken burgemeester en officier van justitie. Juist door dit maatwerk kunnen de interne en externe beveiligingsmaatregelen voor de afzonderlijke nucleaire inrichtingen goed op elkaar worden afgestemd en kan ook rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van deze inrichtingen en de lokale omstandigheden. De recente totstandkoming van een nieuw plan EBO in ieder van de eenheden waarin een nucleaire inrichting is gevestigd, bevestigt dat de beveiliging van de nucleaire inrichtingen onverminderd de aandacht heeft op lokaal niveau.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 25 422, nr. 205

X Noot
2

Kamerstuk 32 645, nr. 66