25 422 Opwerking van radioactief materiaal

Nr. 105 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 augustus 2013

Met deze brief informeer ik u over de hoofdlijnen van het nationale programma voor radioactief afval en verbruikte splijtstof dat ik van plan ben eind 2014 naar uw Kamer te sturen.

Op grond van de Europese richtlijn 2011/70/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval is Nederland verplicht een dergelijk programma op te stellen. In het nationale programma wordt het beleid voor het beheer van radioactief afval van het ontstaan tot aan de beheeroptie voor de zeer lange termijn beschreven.

De basis van het Nederlandse beleid voor radioactief afval stamt uit 1984: veilig en verantwoord beheer door centrale opslag van radioactief afval in speciaal daarvoor ontworpen gebouwen bij de COVRA voor een periode van ten minste 100 jaar. Hierna is eindberging in de diepe ondergrond (geologische berging) voorzien. Het kabinet gaat in het nationaal programma uit van het huidige beleid. Op een aantal punten wordt het programma aangevuld.

Hoogradioactief afval dient vele duizenden jaren veilig te worden beheerd totdat de straling zodanig is gedaald dat het afval niet meer gevaarlijk is. Internationaal wordt geologische berging als de meest veilige optie voor het beheer op de zeer lange termijn gezien. Verschillende landen, waaronder Finland, Zweden, Frankrijk en Zwitserland, hebben daar dan ook al voor gekozen.

Maar omdat ik merk dat de stap van bovengrondse opslag naar geologische berging in de maatschappij vragen oproept, vind ik het belangrijk om nog eens inzichtelijk te maken wat de voor- en nadelen van de verschillende opties voor het beheer op de zeer lange termijn in Nederland zijn. Daarom laat ik het komende jaar een studie doen naar de effecten van de beheersopties voor de zeer lange termijn, waaronder bovengrondse opslag en geologische berging. Inspraak van het publiek bij ondermeer de keuze van de te bestuderen beheersopties is hierbij voorzien. Overigens worden in het nationale programma geen locaties aangewezen voor geologische berging; daarvoor is het nog veel te vroeg.

In aanvulling op het huidige beleid:

  • wordt voor het realiseren van een eindberging internationale samenwerking niet bij voorbaat uitgesloten. In deze duale strategie wordt zowel de lijn van realisatie van een nationale als internationale eindberging gevolgd. Eindberging is voor een land met een klein kernenergieprogramma de duurste stap in het beheer van radioactief afval. Het realiseren van een eindberging met andere landen kan aantrekkelijk zijn vanwege ondermeer schaalvoordelen;

  • worden randvoorwaarden gesteld aan de mogelijkheid om radioactieve (afval)stoffen naar COVRA te importeren. COVRA is gedimensioneerd op de te verwachten Nederlandse behoefte aan opslagcapaciteit voor de komende periode van ten minste 100 jaar;

  • wordt de mogelijkheid opengehouden om af te wijken van het gekozen tijdpad van bovengrondse opslag bij COVRA indien toekomstige ontwikkelingen of innovaties daartoe aanleiding geven. Door de keuze voor langjarige bovengrondse opslag kan Nederland flexibel met dit tijdpad omgaan;

  • wordt de mogelijkheid opgehouden om flexibel om te gaan met de keuze voor het lange termijn beheer. Het uitgangspunt nu is dat al het Nederlandse radioactieve afval vanwege schaalvoordelen op termijn in een geologische eindberging wordt geplaatst, maar voor laag- en middelradioactief afval volstaat een oppervlakteberging in principe ook. Bij internationale samenwerking kan flexibiliteit hierin van belang zijn.

Bovendien wordt in het nationale programma uiteengezet hoe:

  • de maatschappij blijvend en open betrokken wordt bij de totstandkoming van het nationale programma en beleidskeuzes die daarin worden gemaakt. Ervaringen in andere landen laten zien dat maatschappelijke steun onmisbaar is voor een succesvol beleid voor het beheer van radioactief afval op lange termijn. Het publiek en andere betrokkenen worden daarom nadrukkelijk hierbij betrokken. Het is duidelijk dat een technisch wetenschappelijke benadering niet voldoende is om aan maatschappelijke verwachtingen te voldoen;

  • voorkomen wordt dat risico’s en financiële lasten van het beheer van radioactief afval worden afgewenteld op toekomstige generaties. Het programma geeft de te zetten stappen aan.

Hiernaast wordt in het kader van het nationale programma:

  • aan het bestuur van de eilanden van Caribisch Nederland het aanbod gedaan om een inventarisatie te maken van de hoeveelheid aanwezig radioactief afval met als doel om deze uiteindelijk af te voeren naar de COVRA;

  • bezien of financiering van noodzakelijk onderzoek en ontwikkeling van een eindberging kan worden meegenomen in de tarieven van COVRA. Op dit moment vindt financiering van het noodzakelijke onderzoek steeds ad-hoc plaats. In het onderzoeksprogramma moet dan worden gekeken naar aspecten die nog niet in het buitenland onderzocht zijn of worden.

Ik ga er van uit dat het beheer van radioactief afval, ook in de toekomst, een zaak is die iedereen aangaat. De huidige generatie heeft gebruik gemaakt van kernenergie en dient daarom ook de nodige stappen te zetten om een veilig en verantwoord beheer in de toekomst, ook na de opslagperiode van 100 jaar, mogelijk te maken. In onze moderne samenleving is iedereen direct of indirect betrokken bij sectoren die radioactief afval produceren.

radioactief afval ontstaat ondermeer bij de productie van kernenergie en medische isotopen en bij toepassingen in onderzoeksinstellingen, ziekenhuizen en gas- en olie-industrie. Momenteel is ca. 68 m3 hoogradioactief afval bij COVRA opgeslagen. Hiervan is ca. 90% afkomstig van de productie van kernenergie, de overige 10% is voor het grootste deel afkomstig van de onderzoeksreactor Petten, waar medische isotopen worden geproduceerd. Daarnaast zijn bij COVRA ca. 10.070 m3 laag- en middelradioactief afval en 13.350 m3afval van natuurlijke oorsprong opgeslagen. Dit afval is afkomstig van ondermeer industrie, ziekenhuizen, onderzoekslaboratoria, uraniumverrijking etc.

Ik ben van plan uiterlijk eind 2014 het ontwerpprogramma en de bijbehorende verkenning van de beheersopties voor de lange termijn effecten van eindberging naar uw Kamer te sturen. Ook worden deze stukken dan ter inzage gelegd.

Het vastgestelde programma wordt uiterlijk 23 augustus 2015 naar de Europese Commissie gestuurd. Daarna dient iedere drie jaar over de voortgang te worden gerapporteerd.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Naar boven