Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199725415 nr. 3

25 415
Aanpassing van een aantal wetten in verband met de invoering van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

1.1. Algemeen

Het voorliggende wetsvoorstel vloeit voort uit een zestal in 1996 bij de Staten-Generaal aanhangig gemaakte voorstellen van wet. Het gaat hierbij om de volgende voorstellen:

– Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (kamerstukken II 1995/96, nr. 24 698)

– Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (kamerstukken II 1995/96, nr. 24 758)

– Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (kamerstukken II 1995/96, nr. 24 760)

– Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (kamerstukken II 1995/96, nr. 24 776)

– Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (kamerstukken II 1995/96, nr. 24 877) en

– Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (kamerstukken II 1996/97, nr. 25 047).

Al deze wetsvoorstellen zijn inmiddels tot wet verheven. De twee laatstgenoemde wetten zijn in werking getreden met ingang van 1 maart 1997. De beoogde datum van inwerkingtreding van de vier eerstgenoemde wetten is 1 januari 1998.

Met de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) wordt de premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), voorheen opgebracht door werknemers, een werkgeverspremie. De werkgever betaalt een basispremie, die voor alle werkgevers gelijk is, en daarboven een gedifferentieerde premie, waarvan de hoogte afhankelijk is van het arbeidsongeschiktheidsrisico in zijn bedrijf. In de Wet Pemba wordt tevens werkgevers de mogelijkheid geboden tot eigen risico dragen. Zij dragen alsdan voor de eerste vijf jaar arbeidsongeschiktheid van hun werknemers de lasten van de WAO-uitkering. Werkgevers die eigen risicodrager worden zijn de gedifferentieerde premie niet verschuldigd. Met het oog op een effectieve invoering van premiedifferentiatie en eigen risico dragen is de verzekering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) voor werknemers geïncorporeerd in de WAO. De AAW wordt ingetrokken en voor niet-werknemers komen twee wettelijke regelingen inzake geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid, voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen: Waz) en voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten: Wajong). De als gevolg van de wijziging in het financieringsregime noodzakelijke overgang van middelen uit het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds – dat wordt opgeheven – naar het Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen alsmede de overgang naar het nieuwe regime van lopende rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkering worden geregeld in de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Invoeringswet Pemba).

De totstandkoming van de Wet Pemba, de Waz, de Wajong en de Invoeringswet Pemba brengt de noodzaak met zich tot aanpassing van een aantal wetten. In het bijzonder gaat het om de volgende aanpassingen.

Door het intrekken van de AAW als gevolg van de invoering van de Wet Pemba, de Waz en de Wajong komen verwijzingen in de verschillende wetten naar de AAW ofwel te vervallen of worden vervangen door verwijzingen naar de Waz, de Wajong dan wel naar beide laatstgenoemde wetten. Waar in het kader van wetgeving evenwel de noodzaak bestaat om te blijven refereren naar tijdvakken waarover recht op AAW-uitkering bestond, is op de desbetreffende plaatsen de AAW gehandhaafd. De wijziging van de Wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria is daar een voorbeeld van.

Doordat als gevolg van de Wet Pemba de WAO-premie geheel ten laste van de werkgever komt dienen bepalingen die voorzien in inhouding op het loon van de werknemer van premie op grond van de WAO, te vervallen. Dit voorstel van Wet aanpassing nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Aanpassingswet Pemba) voorziet in de noodzakelijke aanpassingen van wetten als gevolg van de invoering van het Pemba-complex.

Met de invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997) en de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Invoeringswet Osv 1997) is een nieuwe organisatie tot stand gebracht voor de uitvoering van de sociale verzekeringswetten. De uitvoering van de sociale verzekeringswetten is overgegaan van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming en de bedrijfsverenigingen naar het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Door uitvoeringsinstellingen worden deze werkzaamheden in opdracht van en in naam van het Lisv uitgevoerd.

Door deze wijzigingen in de organisatiestructuur van de uitvoering van de sociale verzekeringswetten zijn via de Invoeringswet Osv 1997 de bestaande wetten aangepast.

Bij de totstandbrenging van de Osv 1997 en de Invoeringswet Osv 1997 enerzijds en de Wet Pemba, de Waz, de Wajong en de Invoeringswet Pemba anderzijds is bij de indiening van de desbetreffende wetsvoorstellen gekozen voor gescheiden wetgevingstrajecten. Bij de Osv 1997 en de Invoeringswet Osv 1997 is geen rekening gehouden met de totstandkoming van de Pemba-voorstellen. Bij de Wet Pemba, de Waz, de Wajong en de Invoeringswet Pemba is geen rekening gehouden met de totstandkoming van de Osv 1997 en de Invoeringswet Osv 1997. Het voorliggende wetsvoorstel bevat bepalingen die voorzien in een onderlinge aanpassing van de betrokken wetten.

Naast de genoemde aanpassingen die dit wetsvoorstel bevat, zijn in dit wetsvoorstel nog een aantal bepalingen opgenomen die voorzien in herstel van een aantal omissies en vergissingen, opgetreden bij de totstandkoming van de Pemba-voorstellen en de Osv 1997 en Invoeringswet Osv 1997.

Een tweetal wijzigingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 inzake uitkeringen in verband met bevalling op grond van de Waz en de vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering voor ontwikkelingswerkers worden nader gemotiveerd in het artikelsgewijze deel van deze toelichting.

Voorts zijn in dit wetsvoorstel een aantal wijzigingen van inhoudelijke aard opgenomen. In de eerste plaats betreft het wijzigingen die voortvloeien uit de behandeling van de wetsvoorstellen inzake het Pemba-complex in de Eerste Kamer. Deze wijzigingen hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

– een delegatiebepaling die het mogelijk maakt om ontwijkgedrag ten aanzien van premiedifferentiatie door kleine werkgevers te voorkomen. Gebleken is dat deze mogelijkheid zich zou kunnen voordoen, wanneer de kleine werkgever gebruik maakt van de keuzemogelijkheid om de premiemutatie stapsgewijze door te voeren («trapje op, trapje af-mogelijkheid»). Voorts zou de kleine werkgever ook twee jaren de maximumpremie kunnen ontlopen door eigenrisicodrager te worden. Om beide mogelijkheden van ontwijkgedrag te voorkomen wordt in het kader van dit wetsvoorstel de Wet Pemba gewijzigd. Om juridisch-technische redenen is het niet mogelijk om de regeling inhoudelijk in de wet te treffen. In de Wet Pemba wordt daarom een delegatiebepaling opgenomen die de mogelijkheid om dit bij nadere regelgeving te doen opent. Deze regeling zal gestalte krijgen in het Besluit premiedifferentiatie WAO.

– een versoepeling van de voorwaarde om een vrijwillige verzekering voor de WAO af te sluiten, met het oog op situaties waarin men vanuit de status van werknemer een bedrijf of zelfstandig beroep begint, dan wel start als meewerkende echtgenoot. In overeenstemming met de brief van 18 april 1997 aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I, 24 758, nr. 95f; in afschrift ook aan de Tweede Kamer) wordt de huidige voorwaarde dat men tenminste drie jaar onafgebroken wettelijk verzekerd moet zijn geweest tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid teruggebracht tot één jaar. Hiertoe wordt via de Invoeringswet Pemba (art. XXXII) de WAO gewijzigd.

– het opnemen van een middelingsregeling terzake van de premieheffing voor de Waz. Deze wijziging is eveneens aangekondigd in genoemde brief van 18 april 1997. Een daartoe strekkende wijziging van de Waz (nieuw artikel 72a) is opgenomen in dit wetsvoorstel.

– het ongedaan maken van een niet-beoogde inperking van de reikwijdte van het instemmingsrecht van de Ondernemingsraad. Deze inperking zou het gevolg zijn van een wijziging van artikel 27, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden die is opgenomen in de Invoeringswet Pemba (artikel XLII). Aangezien deze inperking niet werd beoogd, wordt deze wijziging in dit wetsvoorstel ongedaan gemaakt.

Naast deze wijzigingen, die voortvloeien uit de behandeling van de wetsvoorstellen in de Eerste Kamer, bleken voorts de volgende wijzigingen van inhoudelijke aard noodzakelijk:

Samenloopregeling uitkeringsrechten Waz/WAO

Uit nadere analyse is gebleken dat de samenloopregeling die in de Waz is opgenomen een aantal bezwaren oproept. Deze bezwaren hebben aanleiding gegeven om de terzake getroffen regeling in de Waz in het kader van dit wetsvoorstel op een andere wijze vorm te geven. De wijzigingen strekken ertoe om de samenloopregeling aan de uitkeringskant meer in overeenstemming te brengen met het karakter van de Waz als afzonderlijke verzekering en met de regeling die in de Waz terzake van gecombineerde inkomsten aan de premiekant is getroffen.

De wijzigingen die op dit onderdeel worden voorgesteld kunnen als volgt worden toegelicht.

De thans getroffen regeling

In de Waz is thans wat de samenloopregeling tussen een WAO- en Waz-uitkering betreft aangesloten bij de huidige samenloopregeling terzake van WAO- en AAW-uitkeringen. De huidige samenloopregeling WAO/AAW is met name geregeld in artikel 36a AAW en artikel 46a WAO en de daarop gebaseerde nadere regelgeving. In de Waz wordt daarop aangesloten in artikel 59. Dat artikel bevat de hoofdlijnen van de samenloopregeling en biedt ruimte voor nadere regelgeving. Via een nog te treffen algemene maatregel van bestuur zouden de hoofdlijnen van de samenloopregeling nader dienen te worden uitgewerkt.

Zoals opgemerkt levert het overzetten van de samenloopregeling WAO/AAW naar de Waz een aantal problemen op.

Een eerste probleem is dat de huidige, aan de AAW/WAO-systematiek ontleende, samenloopregeling aan de uitkeringskant niet aansluit op de samenloopregeling die in de Waz aan de premiekant is getroffen. Kern daarvan is dat, ingeval er naast winstinkomen ook inkomen uit loondienst is, het looninkomen voor de Waz-premieheffing als franchise fungeert (met als minimum de basisfranchise). Dit betekent dat geen Waz-premie wordt geheven wanneer de Waz-inkomsten onder de WAO-inkomsten liggen; wanneer de Waz-inkomsten hoger zijn dan de WAO-inkomsten wordt alleen over het meerdere Waz-premie geheven.

Voor de samenloop van rechten op een WAO- en een AAW-uitkering geldt als hoofdregel dat alleen de WAO-uitkering tot uitbetaling komt. In bepaalde gevallen kan, in afwijking op de hoofdregel, de AAW-uitkering (gedeeltelijk) toch naast de WAO-uitkering tot uitbetaling komen. Als betrokkene in betekenende mate deels werkte als zelfstandige en deels als werknemer kan de AAW-uitkering bij een bepaald aantal minimum-uren bijvoorbeeld gedeeltelijk worden uitbetaald, naar rato van het gemiddeld gewerkt aantal uren als zelfstandige. Deze benadering sluit niet aan bij de voor de Waz-franchise gehanteerde samenloopregeling. Het is gewenst om hierin meer congruentie te brengen.

In de tweede plaats zou het overnemen van de AAW/WAO-systematiek in de Waz tot merkwaardige uitkomsten kunnen leiden. Uitkomst zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat wordt voorzien in een gedeeltelijke Waz-uitkering voor degene die gelijktijdig als werknemer én als zelfstandige werkte maar alleen uitvalt uit loondienst. Hij ontvangt dan niet alleen een WAO-uitkering, maar ook een gedeeltelijke Waz-uitkering, hoewel de verdiensten van betrokkene als zelfstandige door de arbeidsongeschiktheid niet verminderd zijn. Betrokkene krijgt in dit soort gevallen dus teveel. Het is gewenst om dergelijke tekortkomingen in de nieuwe systematiek te voorkomen.

In de derde plaats zou, om tot gelijke uitkomsten ten opzichte van de AAW te komen, voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid voor de Waz ook rekening moeten worden gehouden met inkomen uit WAO-verzekerde arbeid. Dat gebeurt namelijk bij de AAW ook. Bij de AAW is dat passend, omdat het om een volksverzekering gaat. Betrokkene is immers als ingezetene verzekerd, dus ook als werknemer. Het is dan logisch dat voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ook de inkomsten als werknemer in de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid worden betrokken. Deze inkomsten tellen derhalve voor de AAW mee bij de vaststelling van het maatmaninkomen en de resterende verdiencapaciteit. Bij een aparte regeling voor zelfstandigen is het echter onzuiver om voor de mate van arbeidsongeschiktheid rekening te houden met het looninkomen dat immers niet voor de Waz verzekerd is. Het is daarom gewenst om de samenloopregeling Waz/WAO meer in overeenstemming te brengen met het karakter van de Waz.

De inhoud van de wijzigingsvoorstellen

Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld de getroffen samenloopregeling in de Waz te wijzigen. De wijzigingsvoorstellen komen in hoofdlijnen op het volgende neer:

– bij gelijktijdige samenloop van verzekeringen wordt de hoogte van de Waz-uitkering ingeval van samenloop met een WAO-recht, gebaseerd op de Waz-inkomsten, voor zover die de inkomsten uit dienstbetrekking in de zin van de WAO overtreffen. Hiermee wordt aansluiting verkregen met de samenloopregeling aan de premiekant. De WAO fungeert dus als hoofdverzekering, de Waz-uitkering kan daarop voor het «surplus-inkomen» aanvullen. Van gelijktijdige samenloop is sprake als iemand gelijktijdig voor de Waz als voor de WAO verzekerd is, omdat hij zowel Waz-verzekerde als WAO-verzekerde arbeid verricht.

– In lijn met het minimumkarakter van de Waz is een aanvullende regeling gewenst voor gevallen waarbij de inkomsten uit dienstbetrekking onder het minimumloon blijven. De Waz-uitkering kan in dat geval aanvullen tot 70% van het minimumloon. De bescherming van de Waz tot het minimumniveau blijft hierdoor intact. In afwijking van de hoofdregel geldt dit ook voor gevallen, waarbij de inkomsten uit dienstbetrekking het Waz-inkomen overschrijden.

– Daarnaast kan sprake zijn van volgtijdelijke werkzaamheden. Het betreft de situatie, waarin men eerst alleen werkzaam in loondienst was, daaruit wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is uitgevallen en nadien werkzaam is als zelfstandige. Wordt men daarna toegenomen arbeidsongeschikt dan is sprake van volgtijdelijke samenloop van uitkeringsrechten. Ook de spiegelbeeldige situatie (eerst zelfstandige, daarna uitval, daarna werken in loondienst, vervolgens weer uitval) is denkbaar. Er kan in die situaties op het moment van de toename van de arbeidsongeschiktheid sprake zijn van zowel een ophoging van de oorspronkelijke uitkering, als toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO resp. Waz). Hoofdlijn is dat de Waz-uitkering alleen wordt uitbetaald, voor zover deze de WAO-uitkering overtreft.

De hiervoor geschetste wijzigingen zijn geregeld in een wijziging van artikel 8 en artikel 59 van de Waz.

De wijzigingsvoorstellen gelden alleen voor nieuwe gevallen. Voor hen kunnen de wijzigingsvoorstellen afwijken ten opzichte van de huidige, aan de WAO/AAW-ontleende systematiek. De afwijking in uitkomst hangt sterk af van de concrete casuspositie. In een aantal gevallen is de uitkomst gelijk aan de huidige situatie. In een aantal gevallen kan een aanzienlijk hogere of aanzienlijk lagere uitkomst resulteren ten opzichte van de huidige situatie. Dit is mede afhankelijk van de soort samenloop, het aantal als werknemer of als zelfstandige gewerkte uren en de genoten inkomsten. Omdat hierdoor een betere samenloopregeling tot stand komt, acht ik deze afwijkingen geen bezwaar. Voor bestaande gevallen blijft op grond van de Invoeringswet Pemba de huidige samenloopregeling materieel van kracht. Dit is ook logisch omdat bij deze gevallen de premieheffing Waz geen rol speelt.

Overgangsbepaling in verband met de uitbreiding van de reikwijdte van het regres

Met de Wet Pemba wordt de omvang van het regres uitgebreid met het AAW-deel. Dit is geregeld in hoofdstuk I, onderdeel GG (wijziging artikel 90, eerste lid, WAO). Er is echter niet voorzien in een overgangsbepaling op grond waarvan de nieuwe bepaling niet ziet op feiten die zich voor invoering van de Wet Pemba hebben voorgedaan. Door wijziging van de Invoeringswet Pemba (nieuw artikel XIa) wordt hier in het kader van dit wetsvoorstel (artikel XVI, onderdeel F) alsnog in voorzien.

De genoemde inhoudelijke wijzigingen worden in het artikelsgewijze deel van de toelichting (par. 1.2) nader toegelicht. Daarnaar moge worden verwezen. In paragraaf 2 is ter wille van de duidelijkheid een overzicht gegeven van de wetten die in het kader van dit wetsvoorstel worden gewijzigd.

1.2. Artikelsgewijs

Artikel VII, onderdeel C. Wet op de loonbelasting 1964

De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen vloeien grotendeels voort uit het vervallen per 1 januari 1998 van de AAW. Verder wordt met de hierin opgenomen wijziging van artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bereikt dat uitkeringen op grond van de Waz en de Wajong, net als uitkeringen op grond van de AAW tot nu toe en uitkeringen op grond van de WAO, voor de toepassing van het arbeidskostenforfait en de aanvullende alleenstaande ouderaftrek, niet worden aangemerkt als inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Bevallingsuitkeringen op grond van de Waz worden wel aangemerkt als inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Uitkeringen AAW worden hier niet meer genoemd omdat deze uitkeringen zich na 1 januari 1998 niet meer kunnen voordoen. Overeenkomstige wijzigingen met betrekking tot de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zijn opgenomen in respectievelijk artikel VIII en artikel XVI, onderdeel X.

Artikel XVI. Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen

Onderdeel H (artikel XIa)

Artikel 90 van de WAO beperkte het regresrecht van het Lisv tot het WAO-deel van de uitkering. Het AAW-deel bleef buiten het regresrecht. Met de Wet Pemba wordt de omvang van het regres uitgebreid doordat de gehele uitkering wordt aangemerkt als WAO-uitkering en een AAW-deel daarin ontbreekt. Dit is geregeld in artikel I, onderdeel GG van de Wet Pemba (wijziging artikel 90, eerste lid, WAO). Het is evenwel niet de bedoeling geweest de uitbreiding van de reikwijdte van het regresrecht mede te laten werken voor gevallen van arbeidsongeschiktheid, ingetreden voor invoering van de Wet Pemba. Een daartoe noodzakelijke overgangsbepaling op grond waarvan het gewijzigde artikel 90 niet ziet op feiten die zich voor invoering van de Wet Pemba hebben voorgedaan ontbreekt. Door wijziging van de Invoeringswet Pemba (nieuw artikel XIa) wordt hier in het kader van dit wetsvoorstel alsnog in voorzien.

Onderdeel N, onder E en F (artikel XXXII: WAO)

Met de wijziging van artikel 81, eerste lid, onderdeel c, van de WAO wordt een versoepeling bereikt van de voorwaarde om een vrijwillige verzekering voor de WAO af te sluiten, met het oog op situaties waarin men vanuit de status van werknemer een bedrijf of zelfstandig beroep begint, dan wel start als meewerkende echtgenoot. De bestaande voorwaarde dat men tenminste drie jaar onafgebroken wettelijk verzekerd moet zijn tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid wordt teruggebracht tot één jaar. In verband hiermee dient artikel 82 van de WAO tevens te worden gewijzigd.

Onderdeel X (Artikel XLVI: Wet op de inkomstenbelasting 1964)

De wijzigingen in onderdeel 1 onder B, C en E alsmede in onderdeel 5 strekken ertoe de in de Invoeringswet Pemba opgenomen wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, aan te passen aan de wijzigingen van laatstbedoelde wet per 1 januari 1997.

Onderdeel 1 onder D bevat een wijziging van artikel 30a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 die in de plaats komt van de thans in de Invoeringswet Pemba opgenomen wijziging van dat artikel. De bedoeling van die wijziging zoals die in de Memorie van Toelichting op de Invoeringswet Pemba is weergegeven (Kamerstukken II 1995/96, 24 776, nr. 3, blz. 65/66), komt daarmee echter niet te vervallen. Die bedoeling houdt in dat uitkeringen ingevolge de Waz voor de inkomstenbelasting in beginsel worden aangemerkt als een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard (artikel 30a, eerste lid, onderdeel b). Ter vergemakkelijking van de belastingheffing zullen deze uitkeringen onder de loonheffing worden gebracht. Daarbij zullen zij tevens worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en derhalve niet worden begrepen in de grondslag voor de premieheffing Waz. Omdat bij de oorspronkelijk in de Invoeringswet Pemba opgenomen wijziging van artikel 30a evenwel de vraag kan rijzen of het aanmerken als loon uit vroegere dienstbetrekking wel doorwerkt naar de inkomstenbelasting, is de wijziging van artikel 30a thans iets anders verwoord.

Onderdeel 4 bevat een nieuw artikel 72 voor de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hierin is een overgangsbepaling opgenomen voor de bestaande vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor ontwikkelingswerkers welke tot 1 januari 1998 zijn gebaseerd op artikel 59a AAW en na die datum doorlopen ingevolge artikel 81, tweede lid, onderdeel b, WAO. Om zeker te stellen dat WAO-uitkeringen ingevolge deze verzekeringen integraal belast blijven, worden deze uitkeringen aangemerkt als periodieke uitkeringen van publiekrechtelijke aard. Dit resultaat komt overeen met de vergelijkbare bepaling in artikel 30a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dit artikel luidt tot 1 januari 1998.

Artikel XXII. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Onderdeel B (artikel 8 Waz)

Op grond van artikel 73 van de Waz geldt met betrekking tot de premieheffing een franchise. Indien een verzekerde naast zijn Waz-inkomsten inkomsten uit dienstbetrekking (in de zin van de WAO) geniet, gelden deze laatste inkomsten als franchise bij de premieheffing, tenzij deze inkomsten lager liggen dan de algemene franchise, in welk geval de algemene franchise geldt. Nu voor de premieheffing de inkomsten uit dienstbetrekking in aanmerking worden genomen, wordt in de uitkeringssfeer ook rekening gehouden met de premieheffingskant. Dit leidt tot een aantal wijzigingen in artikel 8 Waz. Deze wijzigingen hebben betrekking op de situatie dat iemand zowel verzekerde is in de zin van de Waz als in de zin van de WAO, ofwel omdat hij loon uit dienstbetrekking geniet, ofwel omdat hij recht heeft op een loondervingsuitkering, zijnde een uitkering op grond van de WAO, op grond van de ZW of op grond van de WW. De nieuwe leden 11 tot en met 17 van artikel 8 Waz voorzien in deze wijzigingen. Deze wijzingen strekken er toe te regelen dat op de grondslag van de Waz-uitkering de inkomsten uit dienstbetrekking in mindering worden gebracht.

Elfde lid

Het elfde lid regelt de situatie dat iemand gelijktijdig werkzaam was als verzekerde in de zin van de Waz en als verzekerde in de zin van de WAO, op hetzelfde moment uitvalt uit beide werkzaamheden en een gelijktijdig recht op Waz- en WAO-uitkering heeft. Aangezien bij de premieheffing de inkomsten uit dienstbetrekking in mindering werden gebracht op het premieplichtig Waz-inkomen, heeft betrokkene alleen premie betaald over het deel waarmee de Waz-inkomsten de WAO-inkomsten overstegen. De grondslag voor de Waz-uitkering is dan tevens dat surplus. Op de grondslag voor de Waz-uitkering wordt het loon dat betrokkene verdiende voor ingang van zijn WAO-uitkering in mindering gebracht. Voor deze berekening wordt enerzijds voor de grondslag Waz ten hoogste het maximum premie-inkomen genomen, anderzijds ten hoogste het maximum dagloon dat aan de WAO-uitkering ten grondslag ligt. Dat betekent in het uitzonderlijke voorbeeld dat iemand f 200 000 aan winst en f 180 000 aan inkomsten uit dienstbetrekking heeft genoten, dat de grondslag Waz niet f 20 000 bedraagt, omdat de maximum-premiegrens rond de f 84 000 op jaarbasis ligt. In dit voorbeeld wordt van die fl. 84 000 het dagloon afgetrokken, zijnde ± f 77 000 op jaarbasis. De grondslag is in dit voorbeeld dan f 7000.

Twaalfde lid

Het twaalfde lid regelt de situatie dat iemand gelijktijdig werkzaam was als verzekerde in de zin van de Waz en als verzekerde in de zin van de WAO, maar alleen uitvalt voor zijn Waz-werkzaamheden en niet voor zijn WAO-werkzaamheden. Alsdan is bij de gelijktijdige werkzaamheden ook het WAO-loon in de franchise van de premieheffing betrokken. In de uitkeringssituatie vertaalt zich dat door de grondslag voor de Waz, met als maximum het maximaal premie-inkomen te verminderen met het loon dat hij als werknemer ontving op de dag van intreden van zijn Waz-arbeidsongeschiktheid. Ook in dit geval is dat loon gemaximeerd op het maximum dagloon voor de uitkering.

Dertiende lid

Het dertiende lid regelt de omgekeerde situatie. Iemand heeft recht op een loondervingsuitkering, zijnde een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, ziekengeld op grond van de ZW of een uitkering op grond van de WW (loongerelateerde uitkering, vervolguitkering, kortdurende uitkering of een uitkering op grond van hoofdstuk IV van die wet). Vervolgens raakt hij arbeidsongeschikt in de zin van de Waz. Als franchise heeft voor zijn Waz-werkzaamheden voor de premieheffing de loondervingsuitkering gediend. Deze uitkering komt alsdan in mindering op de grondslag van de Waz. Het gaat daarbij om de uitkering die hij op de dag voor intreden van zijn arbeidsongeschiktheid genoot. Eventuele latere wijzigingen in de loondervingsuitkering leiden niet tot aanpassing van de grondslag, maar worden op grond van artikel 59 van de Waz meegenomen voor de vaststelling van het te betalen bedrag aan Waz-uitkering. In het kader van dit lid kan nog worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot het elfde en twaalfde lid, het niet uitmaakt of er sprake is geweest van gelijktijdig verrichten van werkzaamheden als Waz- en als WAO-verzekerde.

Gecombineerde toepassing twaalfde en dertiende lid

Het kan voorkomen dat een verzekerde op het moment dat hij arbeidsongeschikt raakt, zowel loon verdient als een uitkering ontvangt op grond van de WAO, de ZW of de WW. Alsdan is zowel het twaalfde als het dertiende lid van toepassing. Het volgende voorbeeld dient ter verduidelijking.

Iemand heeft wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering van f 12 000 per jaar. Daarnaast werkt hij een aantal uren per week in loondienst en verdient daarmee f 18 000 per jaar. Naast dat loon en die uitkering werkt hij als zelfstandige en behaalt daarmee een winst van f 35 000 per jaar. Hij raakt arbeidsongeschikt. Alsdan wordt zijn grondslag op grond van het twaalfde lid verminderd met het bedrag van de looninkomsten, zijnde f 18 000. Tevens wordt op grond van het dertiende lid zijn grondslag verminderd met het bedrag van de WAO-uitkering, zijnde f 12 000. Een Waz-grondslag van f 5 000 op jaarbasis resteert. Deze grondslag staat vast. Mocht het zo zijn dat zijn WAO-uitkering tezelfdertijd of enige tijd later wordt verhoogd wegens toeneming van zijn WAO-arbeidsongeschiktheid, dan leidt dat niet tot aanpassing van de Waz-grondslag. Eventueel vindt in dat geval op grond van artikel 59, tweede lid, anticumulatie plaats, nl. wanneer de werkzaamheden als Waz-verzekerde zijn aangevangen nadat betrokkene uit hoofde van een voorafgaande dienstbetrekking WAO-uitkering geniet.

Veertiende lid

Het veertiende lid strekt ertoe een minimumbescherming te waarborgen. Het kan voorkomen dat iemand zowel als verzekerde in de zin van de Waz als als verzekerde in de zin van de WAO beneden het minimumloon verdient, doch uit beide werkzaamheden te zamen wel het minimumloon of meer ontvangt. Alsdan werken het elfde, twaalfde en dertiende lid onredelijk uit. Aan de hand van een voorbeeld kan de werking van het veertiende lid worden verduidelijkt. Stel minimumloon op maandbasis is f 2 100. Een persoon verdient als zelfstandige f 1 000 en als werknemer f 1 100. De regel van het elfde lid zou er toe leiden dat zijn grondslag Waz f 0 bedraagt. In geval van volledige arbeidsongeschiktheid zou hij dan geen uitkering krijgen op grond van de Waz en f 770 aan WAO-uitkering. Daarmee komt deze persoon, met f 770, ver onder het minimum terecht, terwijl zijn totale verdiensten op het minimumloon zaten. Deze situatie is ongewenst. In verband daarmee regelt het veertiende lid dat bij WAO-inkomsten beneden het minimumloon het minimum-loon als uitgangspunt voor de grondslagbepaling Waz wordt genomen, waarop vervolgens de WAO-inkomsten in mindering worden gebracht. Alsdan heeft deze persoon als grondslag f 2 100 – f 1 100 = f 1 000 en bedraagt zijn Waz-uitkering 70% van f 1 000 = f 700. Daarnaast ontvangt hij WAO-uitkering ter hoogte van f 770. Te zamen brengt hem dat op f 1 470, zijnde 70% van het minimumloon.

De regel van het veertiende lid lijdt uitzondering wanneer de totale inkomsten beneden het minimumloon lagen. In dat geval is er geen reden de minimumbescherming te verstrekken. Alsdan wordt als Waz-grondslag het bedrag genomen dat op grond van het tweede tot en met zesde lid wordt vastgesteld.

Vijftiende lid

Het vijftiende lid strekt er toe zeker te stellen dat de berekening op grond van het elfde tot en met dertiende lid, welke uitkomst deze ook kent, nooit een bedrag op kan leveren hoger dan het minimumloon, als omschreven in het zevende lid.

Zestiende en zeventiende lid

In het zestiende en zeventiende lid wordt achtereenvolgens geregeld dat vakantie-uitkeringen worden meegerekend in de berekening op grond van het elfde tot en met veertiende lid en dat uitkeringen uit hoofde van vrijwillige verzekeringen buiten beschouwing blijven.

Onderdeel R (artikel 59 Waz)

In artikel 8 van de Waz worden regels gesteld inzake de grondslagvaststelling bij gelijktijdige samenloop van verzekeringen. Een arbeidsongeschiktheiduitkering kan evenwel in de loop van de tijd aan herziening zijn onderworpen. Het gewijzigde artikel 59 van de Waz stelt regels in de situatie van volgtijdelijkheid van werkzaamheden, waarbij een betrokkene ofwel eerst als verzekerde in de zin van de Waz werkzaam was en daarna als werknemer ofwel eerst als werknemer en daarna als verzekerde in de zin van de Waz en waarbij, anders dan in de situaties, beschreven in artikel 8, sprake is van enerzijds toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, anderzijds herziening van uitkering.

Eerste lid

Het eerste lid ziet op de situatie dat iemand eerst als verzekerde in de zin van de Waz werkzaam was, dan wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid recht heeft op een Waz-uitkering en daarna, voor zijn resterende verdiencapaciteit, arbeid in loondienst gaat verrichten. Vervolgens is bij hernieuwde uitval tezelfdertijd sprake van recht op toekenning van WAO-uitkering en recht op herziening van Waz-uitkering. Als beide uitkeringen geheel tot uitbetaling zouden komen, zou betrokkene meer ontvangen dan op grond van zijn arbeidsverleden gerechtvaardigd is. Het volgende voorbeeld laat dat zien.

Iemand heeft als zelfstandige gewerkt en daarmee winst behaald ter hoogte van het minimumloon (stel f 2 100 op maandbasis). Hij raakt gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontvangt aan Waz-uitkering f 440. Vervolgens gaat hij in dienstbetrekking werken tegen een loon van f 1 500 per maand. Daarna valt hij wegens arbeidsongeschiktheid volledig uit en is 80–100% arbeidsongeschikt. Op grond van artikel 8 is en blijft zijn grondslag Waz f 2 100. Artikel 8, elfde tot en met dertiende lid, zijn immers niet van toepassing. Bij volledige arbeidsongeschiktheid zou zijn Waz-uitkering worden verhoogd tot f 1 470. Daarnaast heeft hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking recht op WAO-uitkering ter hoogte van f 1 050. Dat zou een totaalresultaat opleveren van f 2 520 aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, terwijl hij nooit meer heeft verdiend dan f 2 100. Dat resultaat is uit een oogpunt van inkomensderving niet wenselijk en wordt dan ook gecorrigeerd volgens de regel in het eerste lid. De Waz-uitkering (f 1 470) wordt betaald voor zover zij de WAO-uitkering (f 1 050) overtreft (= f 420). Omdat evenwel de Waz-uitkering voorafgaande aan de herziening hoger was, nl. f 440, blijft hij f 440 ontvangen naast zijn WAO-uitkering van f 1 050. Dat vloeit voort uit de regel in het eerste lid dat de Waz-uitkering in ieder geval wordt uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.

Tweede lid

Het tweede lid regelt de omgekeerde situatie dat iemand eerst in dienstbetrekking werkzaam was, dan wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAO-uitkering en daarna, voor zijn resterende verdiencapaciteit, werkzaamheden als zelfstandige gaat verrichten. Vervolgens is tezelfdertijd sprake van recht op toekenning van Waz-uitkering en recht op herziening van WAO-uitkering. Evenals in de situatie, beschreven bij het eerste lid, zou, als beide uitkeringen geheel tot uitbetaling zouden komen, betrokkene meer ontvangen dan op grond van zijn arbeidsverleden gerechtvaardigd is. Het volgende voorbeeld verduidelijkt een en ander. Een persoon ontvangt wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid f 2 500 WAO-uitkering per maand op basis van een maandloon van ongeveer f 6 000. Hij gaat voor zijn resterende verdiencapaciteit werken als zelfstandige en behaalt een winst van f 3 000 per maand. Daarna valt hij wegens arbeidsongeschiktheid volledig uit en is 80–100% arbeidsongeschikt. Op grond van artikel 8, dertiende lid, is zijn grondslag Waz f 500 (= Waz-inkomsten – WAO-uitkering). Zijn Waz-uitkering zou dan f 350 per maand bedragen. Daarnaast heeft hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking recht op herziening van zijn WAO-uitkering, waarmee deze uitkering uitkomt op 70% van zijn dagloon. Zijn WAO-uitkering gaat alsdan naar f 4 200. Te zamen komen deze bedragen uit op f 4 550, zijnde meer dan 70% van wat hij ooit verdiend heeft. Dat resultaat is uit een oogpunt van inkomensderving niet wenselijk en wordt gecorrigeerd volgens de regel in het tweede lid. De Waz-uitkering wordt betaald voor zover deze de herziene WAO-uitkering overtreft. In dit voorbeeld is dat niet het geval en de Waz-uitkering komt dus niet tot uitbetaling.

Derde lid

In dit lid is de situatie van samenloop van bevallingsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Waz geregeld. Aangezien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in beginsel een langere duur kent dan de bevallingsuitkering, en bovendien de bevallings-uitkering 100% van de grondslag bedraagt, is in het derde lid bepaald, dat de bevallingsuitkering alleen tot uitbetaling komt voor zover zij de arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.

Vierde en vijfde lid

Deze leden bevatten gelijke bepalingen als artikel 8, zestiende en zeventiende lid.

Zesde lid

De verscheidenheid van situaties waarbij sprake is van samenloop van uitkeringen is dermate groot, dat niet uitgesloten mag worden geacht dat de regeling in de eerste artikelleden in een aantal van die situaties niet of niet voldoende voorziet. In verband daarmee wordt in dit lid de mogelijkheid geboden regels te stellen.

Onderdeel U (artikel 72a Waz)

Overeenkomstig de toezegging, gedaan in de brief van 18 april 1997 aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I, 24 758, nr. 95f; in afschrift ook aan de Tweede Kamer) wordt een middelingsregeling terzake van de premieheffing voor de Waz opgenomen. Deze middelingsregeling is vervat in een nieuw artikel 72a van de Waz. Bij deze middelingsregeling is in belangrijke mate aangesloten bij de middelingsregeling die de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (artikel 66a) kent.

Om voor de middelingsregeling in aanmerking te komen dient een verzekerde aan een aantal voorwaarden te voldoen. Allereerst moet betrokkene drie jaar premieplichtig zijn geweest in het kader van de Waz. Niet vereist is dat in een jaar werkelijk premie is betaald. Is een verzekerde in een jaar daadwerkelijk premieplichtig als zelfstandige of als beroepsbeoefenaar, maar heeft hij als gevolg van het feit dat hij verlies lijdt dan wel weinig winst of inkomsten heeft genoten geen premie betaald in een jaar, dan kan dat jaar meetellen voor de middelingsregeling.

Middeling vindt op aanvraag plaats over drie aaneengesloten gehele kalenderjaren. Deze periode wordt het middelingstijdvak genoemd. De verzekerde is vrij in de keuze van het middelingstijdvak, met dien verstande dat een kalenderjaar niet in twee verschillende middelingstijdvakken kan worden betrokken. Het kalenderjaar waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt kan niet in het middelingstijdvak worden betrokken.

De middeling vindt plaats op basis van het premie-inkomen. Uitgangspunt voor de berekening van de middelingsteruggaaf is het verschil van de premie die over de jaren van het middelingstijdvak is geheven, en de premie die verschuldigd zou zijn indien het premie-inkomen in elk van de jaren een derde gedeelte zou bedragen van het totaal van de – ten minste op nihil te stellen – premie-inkomens in die jaren. Middeling leidt tot een teruggaaf van premie, voor zover het verschil tussen de geheven premie en de herrekende premie meer beloopt dan f 1200,-. Uitsluitend hetgeen boven dat bedrag uitgaat, wordt teruggegeven.

Zoals in genoemde brief van 18 april jl. ook is aangeduid meen ik, dat het niet voor de hand ligt om negatieve inkomensbestanddelen te betrekken in de middelingsregeling. Vooral de verhouding met de middelingsregeling aan de uitkeringskant is hierbij van belang. Bij deze middeling aan de uitkeringskant worden verliezen op nihil gesteld. Indien bij de premieheffing wél negatieve inkomensbestanddelen in aanmerking zouden worden genomen, zou dus een afwijkend traject ontstaan in vergelijking met de uitkeringskant. Bovendien zouden dan beide middelingsregelingen steeds het gunstigst uitwerken voor de zelfstandige. Middeling, waarbij wél rekening wordt gehouden met negatieve inkomensbestanddelen aan de premiekant, betekent immers een lager totaalbedrag aan premie, terwijl middeling zónder verliescompensatie een hoger uitkeringsniveau oplevert. Voorts verdient overweging dat voor de premieheffing van de Waz reeds een forse franchise van f 29 000,- geldt, waarbij geen premie wordt betaald. Met name vanwege de gewenste parallellie ten opzichte van de middelingsregeling aan de uitkeringskant acht ik het gewenst dat negatieve inkomensbestanddelen niet bij de middelingsregeling worden betrokken.

In het derde lid van artikel 72a wordt aangegeven welke termijnen gelden voor indiening van een aanvraag om middeling.

De aldus vormgegeven middelingsregeling leidt in de structurele situatie tot een premiederving van ca. 29 mln. Als gevolg hiervan zal het premiepercentage bovenwaarts moeten worden bijgesteld. Het gaat hierbij om een premieverhoging met ca. 0,20%.

Artikel XXII, onderdelen T en V (artikel 71, eerste lid, en 75 Waz)

De wijzigingen opgenomen in deze onderdelen zijn van technische aard.

De persoon die meewerkt in de onderneming van de echtgenoot kan daarvoor een reële arbeidsbeloning ontvangen of kiezen voor meewerkaftrek. De persoon die een reële arbeidsbeloning ontvangt wordt in de Waz aangemerkt als beroepsbeoefenaar als hij geen dienstbetrekking heeft in de zin van de WAO, en als zodanig in de premieheffing Waz betrokken. Daarentegen wordt de persoon die kiest voor de meewerkaftrek, in de Waz aangemerkt als meewerkend echtgenoot en dus niet als beroepsbeoefenaar. Deze persoon is wel verzekerd voor de Waz, maar heeft door de opzet van de meewerkaftrek geen premie-inkomen. In verband daarmee behoeft deze verzekerde niet in artikel 71, eerste lid, te worden vermeld als premieplichtige. Onderdeel T ziet hierop.

De wijziging opgenomen in onderdeel V houdt verband met de wijziging per 1 januari 1997 van artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hierdoor is het niet langer mogelijk in artikel 75, vierde lid, van de Waz te verwijzen naar artikel 64 maar dient een zelfstandige bepaling te worden opgenomen met dezelfde strekking. Met die bepaling wordt bereikt dat voor inkomsten uit tegenwoordige arbeid die niet voortvloeien uit een dienstbetrekking in de zin van de WAO, ondanks het feit dat een aanslag inkomstenbelasting achterwege blijft vanwege de inhouding van loonheffing, toch een aanslag Waz kan worden opgelegd.

Artikel XXVI. Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

Onderdeel A, onder 11, sub 7° (artikel 75f, derde lid, WAO)

In artikel 75f, derde lid, van de WAO is bepaald dat het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming onder goedkeuring van Onze Minister regels stelt met betrekking tot het aan eigenrisicodragers in rekening brengen van zeer specifieke kosten die met het eigenrisicodragen gepaard gaan. Het betreft onder meer de kosten in verband met de beoordeling van de aanvraag om eigenrisicodrager te worden. Vanwege de wenselijkheid dat de uitvoeringsinstellingen deze kosten op uniforme wijze toedelen aan eigenrisicodragers voorzag de Wet Pemba in regels door het Tica.

Het is gewenst deze bepaling aan te passen aan de situatie die is ontstaan met de inwerkingtreding van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. In verband met de nieuwe uitvoeringsstructuur ligt het niet voor de hand om de aan het Tica opgedragen taak op te dragen aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Het Lisv is immers formeel de instantie die de WAO uitvoert. Namens het Lisv vindt de feitelijke uitvoering plaats door uitvoeringsinstellingen met wie het Lisv een contract heeft afgesloten. Er mag van uit worden gegaan dat het Lisv een uniform en correct gedrag door uitvoeringsinstellingen ten aanzien van het in rekening brengen van bedoelde kosten aan eigenrisicodragers zal bewerkstelligen. Dit zal tot uitdrukking moeten komen in een zakelijke prijs.

Teneinde de mogelijkheid uit te sluiten dat hiervan onverhoopt een belemmering zou uitgaan om eigenrisicodrager te worden is voorzien in de bevoegdheid voor Onze Minister om zo nodig regels te treffen.

Onderdeel A, onder 12, sub 7° (artikel 78a WAO)

In de wijziging van artikel I onderdeel CC van de Wet Pemba (artikel XXVI, onder 12, sub 7°), wordt een nieuw artikel 78a WAO geïntroduceerd. Voor alle duidelijkheid wordt vooraf opgemerkt dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op kleine werkgevers. Op grond van dit artikel kan de mogelijkheid van het ontwijken van de maximumpremie door kleine werkgevers worden tegengegaan. Deze ontwijkmogelijkhed betreft de zgn. «trap op trap af»- werkgever die eigen risico-drager wordt voordat de «trap af-fase» geheel is doorlopen (onderdeel a), alsmede de kleine werkgever die eigen-risicodrager wordt en nog een of twee jaren de maximumpremie verschuldigd zou zijn (onderdeel b).

Deze werkgever is derhalve nog aan het Lisv een bedrag verschuldigd. Dit bedrag komt – kort gezegd – voor de zgn. «trap op trap af»-werkgever overeen met hetgeen hij in de «trap op fase» te weinig heeft betaald. Voor de werkgever die, bij continuering van premiedifferentiatie de maximumpremie nog verschuldigd zou zijn, komt dit bedrag overeen met het verschil tussen minimum- en maximumpremie.

Omtrent de precieze wijze van vaststelling van dit bedrag worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Vanwege de samenhang met de premiedifferentiatie zal deze materie eveneens geregeld worden in het Besluit premiedifferentiatie WAO. Dit besluit zal dus mede komen te berusten op het voorgestelde artikel 78a WAO.

2. Overzicht van de gewijzigde wetten en wetsvoorstellen

I. HET MINISTERIE VAN JUSTITIE

I. Beroepswet

II. (voorstel-) Koppelingswet (24 233)

III. Wetboek van Koophandel

II. HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN

IV. Wet Rietkerk-uitkering

III. HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

V. Wet op de studiefinanciering

VI. Wet op het basisonderwijs

IV. HET MINISTERIE VAN FINANCIËN

VII. Wet op de loonbelasting 1964

VIII. Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

V. HET MINISTERIE VAN DEFENSIE

IX. Uitkeringswet gewezen militairen

VI. HET MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

X. Wet individuele huursubsidie

VII. HET MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT

XI. Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds

VIII. HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

XII. Algemene Kinderbijslagwet

XIII. Algemene nabestaandenwet

XIV. Algemene Ouderdomswet

XV. Arbeidsvoorzieningswet 1996

XVI. Invoeringswet nieuwe- en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen;

K. Coördinatiewet Sociale Verzekering

L. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

M. Ziektewet

N. Werkloosheidswet

O. Wet financiering volksverzekeringen

P. Toeslagenwet

Q. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

R. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

S. Algemene bijstandswet

T. Wet arbeid gehandicapte werknemers

U. Wet op de Ondernemingsraden

V. Wet op de inkomstenbelasting 1964

W. Wet financiële voorzieningen privatisering ABP

X. Wet privatisering ABP

Z. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen

AA. Burgerlijk Wetboek

XVII. Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997

XVIII. Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid

XIX. Jeugdwerkgarantiewet

XX. Organisatiewet sociale verzekeringen 1997

XXI. Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

XXII. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

XXIII. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en (voorstel-)Koppelingswet (24 233)

XXIV. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

XXV. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en (voorstel-) Koppelingswet (24 233)

XXVI. Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

XXVII. Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en (voorstel-) Koppelingswet (24 233)

XXVIII. Wet premieregime bij marginale arbeid

IX. HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

XXIX. Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

XXX. Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet

XXXI. Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers

XXXII. Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945

XXXIII. Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

XXXIV. Overgangswet verzorgingshuizen

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave