Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25382 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25382 nr. 4 |
Vastgesteld 27 november 1997
De algemene commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissies voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken2 en voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij3 hebben op 23 oktober 1997 overleg gevoerd met staatssecretaris Patijn van Buitenlandse Zaken en minister Voorhoeve voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken over de recente ontwikkelingen rondom het LGO-besluit (Kamerstuk 25 382).
Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Rosenmöller (GroenLinks) ging ervan uit dat de Kamer de regering niet hoeft te overtuigen van het belang van de LGO-regeling voor de partners in het Koninkrijk. De economische activiteiten en de daarmee verbonden werkgelegenheid ingevolge de preferentiële regelingen zijn van eminent belang voor met name de Nederlandse Antillen en in mindere mate Aruba. In 1990 zijn afspraken gemaakt met betrekking tot de zesde LGO-regeling, de evaluatie na vijf jaar en een nieuwe regeling vanaf 2000.
De fractie van GroenLinks is buitengewoon kritisch over het optreden van de Nederlandse regering in koninkrijksverband ten aanzien van de wijzigingen in het LGO-besluit. Het Luxemburgs voorzitterschap werkte begin oktober toe naar ultieme besluitvorming over het al lang slepende LGO-dossier. De heer Rosenmöller kon zich op basis van de ter inzage gelegde vertrouwelijke informatie niet aan de indruk onttrekken, dat de uiteindelijke afweging van de ministerraad op 3 oktober een andere is geweest dan die van de permanente vertegenwoordiger, die het Luxemburgse voorstel niet heeft aanbevolen bij de regering. Waarom is diens advies niet opgevolgd? Zijn de gevolmachtigde ministers vanaf het begin van de besprekingen op de hoogte gehouden? Zijn zij door de besluitvorming op vrijdag 3 oktober voor een onaangename verrassing geplaatst? Er is na het besluit van de ministerraad een procedure ex artikel 12 gevolgd. In het weekend is tussen de minister-presidenten overlegd en heeft een particuliere onderneming een kort geding aangespannen. De heer Rosenmöller noemde het minachting voor de rechter, dat de regering niet heeft willen wachten op de uitspraak van de rechter die rond 14.00 uur mocht worden verwacht, maar om 11.30 uur al in Brussel een stemverklaring in de Algemene Raad heeft afgelegd.
Gevraagd of hij van mening is dat uitspraken van welke Europese ministerraad ook maar maanden moeten worden opgeschort als een burger in welk land ook een kort geding heeft aangespannen over een onderwerp waarop die uitspraken betrekking hebben, zei de heer Rosenmöller zich te beperken tot de voorliggende situatie, omdat er al zo'n twee jaar over dit onderwerp werd onderhandeld en het daarom zijns inziens bestuurlijk correct zou zijn geweest als de Nederlandse regering op de rechterlijke uitspraak had gewacht alvorens een stemverklaring af te leggen.
De minister wees erop dat vrijdag 3 oktober de rijksministerraad tot twee maal toe over dit onderwerp heeft gesproken, dat is afgesproken het overleg in het weekend voort te zetten en maandag 6 oktober om 9 uur ten derde male te vergaderen om een standpunt te formuleren voor de voor die dag bijeengeroepen Algemene Raad. Zondagavond laat heeft een bedrijf een kort geding aangespannen. Het heeft de stukken daarvoor pas op maandagochtend beschikbaar gesteld. Als de rijksministerraad en de Algemene Raad dan hadden moeten wachten totdat er naar aanleiding van een dergelijke actie uitspraken waren gedaan, dan zou inderdaad iedereen de besluitvorming in de Europese Unie op elk willekeurig moment volledig kunnen verlammen.
De heer Rosenmöller (GroenLinks) betoogde dat er bij een uitspraak in kort geding in essentie sprake is van een uitspraak (met tijdelijk karakter) van de rechter in een spoedeisende en urgente situatie. Dat kort geding was pas mogelijk ná de eerste besluitvorming in de ministerraad op 3 oktober. Hij bleef erbij dat de handelwijze van de Nederlandse regering bestuurlijk niet correct is geweest.
Hij was ook kritisch over wat de regering heeft gezegd in de Europese ministerraad, omdat toen toch is gesteld dat de Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse regeringen hebben ingestemd. De staatssecretaris kan toch moeilijk achteraf zeggen, dat die verklaring uitsluitend bedoeld was voor de specifieke situatie op dat moment in de EU-Raad.
Dat Nederland twee kort gedingen heeft aangespannen en verloren, betekent politiek prestigeverlies, maar is wel de ultieme consequentie van de juridisering van iets wat in het Koninkrijk als probleem is ervaren. Juridisering van dit conflict zal weinig heilzaam zijn en schade aan de koninkrijksbanden toebrengen. Is het de bedoeling dat het hoger beroep dat de Nederlandse regering heeft aangetekend, wordt afgerond vóór 30 november, het moment waarop de huidige vrijwaringsmaatregelen aflopen?
De Nederlandse regering heeft in Brussel onvoldoende rekening gehouden met de belangen van vooral de Antillen en in mindere mate Aruba, aldus de heer Rosenmöller, die twee mogelijkheden noemde voor een weer naar elkaar toegroeien van Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba. De eerste mogelijkheid is, dat Nederland in essentie terugkomt op zijn standpunt, verwoord in de stemverklaring van 6 oktober, want het gaat wel om 3000 ton suiker, maar niet om 160 000 ton rijst. Immers – de regering heeft dat zelf ook geschreven – van die 160 000 ton moet het contingent rijst (125 000 ton) worden afgetrokken dat de ACS-landen rechtstreeks naar de Europese markt exporteren. Het is waar dat dit contingent vorig jaar niet is gehaald, zodat de Antillen en Aruba meer hebben kunnen exporteren, maar investeerders willen zekerheid. Het is dus slechts zeker dat beide landen 35 000 ton rijst mogen exporteren. Is dat niet een forse verslechtering ten opzichte van het Ierse voorstel?
Wanneer in Europees verband blijkt dat terugkomen op het eerder ingenomen standpunt niet haalbaar is, dan is de enige mogelijkheid dat de Nederlandse regering een volledige schadeloosstelling geeft voor het economische en werkgelegenheidsverlies. Over deze compensatie zou overeenstemming moeten bestaan met beide andere partners in het Koninkrijk, die immers tegen de door de Nederlandse regering gemaakte afweging waren. Desgevraagd verklaarde de heer Rosenmöller dat het hem niet uitmaakte waar het geld daarvoor vandaan kwam, maar dat hij niet de indruk had dat Brussel het ter beschikking wil stellen. Het initiatief zal in ieder geval van de Nederlandse regering moeten komen.
De heer Van Middelkoop (GPV) sprak van een bizar dossier en van een lose-losescenario dat de Nederlandse Antillen en Aruba veel werkgelegenheid kost – er is gesproken over een effect vergelijkbaar met het sluiten van zes tot zeven Fokkerfabrieken – Nederland irritaties oplevert bij de Uniepartners en het koninkrijksverband onder spanning heeft gezet. Het zou onrechtvaardig zijn om de verontwaardiging hierover alleen op beide bewindslieden te richten, terwijl het om Europese besluitvorming gaat die door de veertien andere lidstaten gewenst werd. De heer Van Middelkoop had graag beschikt over de notitie inzake de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk, in het bijzonder wat de betekenis ervan betreft voor de Caribische partners, maar gegeven de huidige omstandigheden kan het wel even duren voordat deze partners er commentaar op leveren. Hij kon overigens bewondering opbrengen voor de vasthoudendheid en staatsrechtelijke en spitsvondige intelligentie van deze koninkrijkspartners, al deelde hij niet al hun argumenten. Soms is de gelijkberechtigdheid van de landen binnen het Koninkrijk een fictie, maar nu is duidelijk wat gelijkberechtigdheid kan betekenen als het erop aan komt.
In het overleg van 11 september over de Algemene Raad heeft de staatssecretaris op de vraag naar de stand van zaken ten aanzien van het LGO-besluit gezegd: «Er is momenteel sprake van duidelijke overeenstemming binnen het Koninkrijk over de tactische benadering van de handelsregeling. (...) De confrontatie met zware vrijwaringsmaatregelen van de Europese Commissie en de scherpe beoordeling in de Raad hebben de collega's van de Nederlandse Antillen en Aruba doen inzien, dat er niets anders te bereiken was dan die onderhandelde beperking». De brief van 10 oktober (25 382, nr. 2) geeft een heel andere beschrijving. Hoe kan dat? De heer Van Middelkoop had overigens waardering voor de openhartige vermelding dat de gevolmachtigde ministers tegen het in de rijksministerraad genomen besluit hebben gestemd.
Hij was het met de heer Rosenmöller eens dat de interventie van de minister van Buitenlandse Zaken op 6 oktober een ongelukkige was. Bij wijze van uitzondering heeft de Kamer daarvan een afschrift gekregen. Dat is niet gebruikelijk, omdat de Raden niet openbaar zijn. Kan de algemene commissie voor Europese Zaken vaker afschriften van de interventies krijgen? Dat zou leerzaam zijn.
De heer Van Middelkoop vond het onbegrijpelijk dat er in Brussel geen melding is gemaakt van het 's morgens nog tegenstemmen door de gevolmachtigde ministers.
De statendelegatie heeft 14 oktober in het gesprek met de commissies voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken en voor Europese Zaken nogal wat informatie verstrekt over het LGO-dossier. De statenleden zeiden dat de permanente vertegenwoordiger het onaanvaardbaar had uitgesproken over het resultaat dat voorlag voor de vergadering van de Algemene Raad van 6 oktober en dat eenzelfde standpunt was ingenomen in de coördinatiecommissie Europese Unie en associatieaangelegenheden. Vandaar hun vraag waarom minister Van Mierlo op 6 oktober «omgegaan» is.
De staten hebben het dossier zeer grondig kunnen doornemen. Desgevraagd is de vaste commissie toegezegd dat zij dit dossier op bepaalde onderdelen vertrouwelijk ter inzage kon krijgen. Wie heeft de Antilliaanse statenleden inzage gegeven in stukken die volgens hen zijn geclassificeerd als zeer geheim? Hebben zij die van de gevolmachtigde ministers gekregen en, zo ja, hebben die daarmee dan het reglement van orde van de rijksministerraad geschonden?
Waarom is op de Algemene Raad niet gevraagd het LGO-besluit naar 's middags te verschuiven?
Het zesde LGO-besluit heeft een looptijd van tien jaar en loopt op 1 maart 2000 af. De Antilliaanse statenleden hebben terecht gezegd dat het moment voor de tussentijdse herziening in 1996 voorbij was en dat men daarom op de Antillen en Aruba is gaan investeren. Het ministerie van EZ heeft daar overigens tegen gewaarschuwd. Waarom heeft de Nederlandse regering die termijn laten verstrijken? Waren er mogelijkheden om een procedure bij het Europese Hof aan te spannen toen de Commissie na het verstrijken van het moment voor de tussentijdse herziening alsnog tot wijziging wilde overgaan? Als de regeling gewoon tien jaar van kracht was gebleven, zou dit in het voordeel van de Antillen en Aruba zijn geweest. Hoe reëel is de kennelijke communis opinio van de Commissie en de veertien andere lidstaten, dat de LGO-regeling een ondermijning is van het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Hoe sterk is het argument van marktverstoring? Als er geen schijn van waarheid is, waarom is de regering dan toch akkoord gegaan met het zogenaamde compromis?
Bij interruptie werd erop gewezen dat er blijkens het NEI-rapport wel degelijk sprake is van marktverstoring zowel bij suiker als bij rijst en dat het evenwicht in het landbouwbeleid door kleine hoeveelheden kan worden verstoord. De heer Van Middelkoop dacht dat het om 1% ging. Hij zag het als klassiek voorbeeld van het feit dat de Europese Unie altijd eerst opkomt voor de eigen belangen en pas daarna voor die van de rest van de wereld, inclusief de ontwikkelingslanden. Het is vervelend dat Nederland daarmee heeft ingestemd. Is het waar dat aan Egypte is toegestaan wat de LGO is onthouden?
Waarom zijn de irritaties van de andere EU-landen zo zwaarwegend voor de Nederlandse regering geweest, terwijl er een evident koninkrijksbelang op het spel stond? Nederland is altijd buitengewoon braaf in EU-verband. Wat zou er fout zijn gegaan als Nederland op 6 oktober niet had toegegeven? Waarom is er geen handelsregeling bepleit voor andere producten dan rijst en suiker?
De heer Van Middelkoop heeft begrepen dat het contingent rijst na aftrek van de ACS-import te klein is om er bedrijven voor te handhaven. Als dat waar is, is er geen sprake van een compromis, maar van een nederlaag.
Naar aanleiding van de brief van 21 oktober over de juridische gang van zaken sprak hij zijn verbazing uit over wat rechters niet allemaal in dit land kunnen. Wat wordt bedoeld met de zin: «De situatie ná het jaar 2000 wordt met zorg tegemoet gezien»? Wat betekent die zin in het licht van de verklaring die is toegevoegd aan het Verdrag van Amsterdam?
Er is sprake van een Europees voldongen feit, zodat het nu een zaak voor de koninkrijkspartners is. Waar Nederland heeft gemeend de laatste twee jaar in Europees verband te moeten opkomen voor een gerechtvaardigde zaak, rust er in de ogen van de heer Van Middelkoop een inspanningsverplichting op de regering om te komen tot de een of andere vorm van financieel-economische compensatie. Hij nodigde de regering uit, daarvoor plannen te ontwikkelen en was bereid hierop zo nodig bij de begrotingsbehandeling terug te komen.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) sprak van het prototype van een no-winsituatie met alleen maar verliezers: de Antillen en Aruba vanwege de implicaties voor de werkgelegenheid, Nederland vanwege het isolement in Europa en gedrieën, omdat de onderlinge verhoudingen te lijden hebben onder deze gang van zaken. Het enige winstpunt is dat er op termijn duidelijkheid zal moeten komen over de competentie van nationale rechters ten aanzien van de besluitvorming op Europees niveau. Zijn er elders in Europa al principiële uitspraken op dit terrein gedaan?
Hoe kon het zover komen? Wat is er mogelijk misgegaan? Hoe kan er nog het beste van worden gemaakt? Beweerde marktverstoring was de reden voor de tussentijdse herziening van het LGO-besluit, maar de statendelegatie heeft erop gewezen dat het ging om 200 000 ton op een totale import van 7 miljoen ton rijst. Hoe denkt de staatssecretaris hierover? Was die tussentijdse herziening juridisch gezien wel mogelijk? Volgens de commissie van deskundigen niet, een mening die lijkt te worden gedeeld door de permanente vertegenwoordiger; maar volgens de Europese Commissie – en uiteindelijk ook het kabinet – dus wel. Het is duidelijk dat tot een tussentijdse herziening bij unanimiteit moet worden besloten. Nederland had dus formeel dwars kunnen liggen. Geldt bij de vrijwaringsmaatregelen ook de eis van unanimiteit? Mevrouw Scheltema dacht van niet. Hoever gaat de discretionaire bevoegdheid van de Commissie bij vrijwaringsmaatregelen? Het resultaat van de bodemprocedure moet worden afgewacht, maar ondertussen is de regering de andere weg ingeslagen, omdat zij die aantrekkelijker acht dan het behoud van de bestaande regeling met vrijwaringsmaatregelen. Waar er na de aftrek van de mogelijke rechtstreekse ACS-import weinig overblijft voor de Antillen en Aruba, is het de vraag waarom niet vooraf met de ACS-landen is overlegd, om veilig te stellen dat die geen gebruik zullen maken van het voor hen bedoelde contingent van 125 000 ton. Kortom, is de inschatting juist dat het compromis aanmerkelijk minder rooskleurig is dan het lijkt?
De Nederlandse stemverklaring in de Algemene Raad had ook mevrouw Scheltema verbaasd, omdat zij het gevoel had gehad dat Nederland niet akkoord zou gaan met het compromis. Was artikel 25 van het Statuut op dat moment niet meer van toepassing? Het toepassen van de procedure van intern appèl (ex artikel 12) betekent toch niet dat partijen hun vetorecht verspelen? Als het waar is dat de Antillen en Aruba ermee hadden ingestemd om met voorbijgaan van de gevolmachtigde ministers met de premiers te onderhandelen, dan is de commotie van die kant niet te begrijpen.
Een gevolg van de uitspraak in kort geding is, dat wordt teruggevallen op de oorspronkelijke positie: LGO-besluit wordt niet aangepast, vrijwaringsmaatregelen worden gehandhaafd. Dat leek mevrouw Scheltema ook het enige wat het kabinet in deze situatie kan doen. Welke gevolgen heeft dat voor de tussentijdse verdeling van de fondsen en voor de situatie na 2000?
Is het niet mogelijk nog een uiterste poging te doen om met behulp van werkgelegenheidsimpulsen op de Antillen en Aruba een zodanige oplossing te vinden, dat Nederland de rug recht kan houden in Europa en dat de werkgelegenheid op de Antillen en Aruba niet zo dramatisch terugloopt als nu dreigt te gebeuren?
Mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven (CDA) betoogde dat het LGO-besluit niet is bedoeld om alleen maar verliezers op te leveren. Het was juist bedoeld om, zoals ook in het Verdrag van Amsterdam is gesteld, sociale en economische vooruitgang in de LGO te bewerkstelligen en de betrekkingen tussen de Europese Unie en de LGO te verbeteren. Op dit moment lijden de Antillen en Aruba verliezen vanwege de vrijwaringsmaatregelen die al sinds januari 1997 gelden. Ook landen als Suriname en Guyana, belangrijke leveranciers van suiker en rijst, lijden er verliezen door. Er is voorts sprake van gezichtsverlies voor het Koninkrijk, omdat het in januari het kort geding verloor waarbij het de toen al geldende vrijwaringsmaatregelen wilde opschorten, opdat de importbeperking niet langer van kracht zou zijn. Op 30 mei schreef de regering dat daarmee de onderhandelingspositie van Nederland in de EU in politiek opzicht verzwakt is. Die positie is er niet beter op geworden na de uitspraken van de Haagse rechtbank op 6 en 17 oktober, waarbij in het laatste geval de staat op straffe van een dwangsom van 500 mln. werd verboden in te stemmen met en medewerking te verlenen aan het compromis van het Luxemburgs voorzitterschap. Hoe schat het kabinet de Nederlandse positie momenteel in? Kan een nationale rechter Europees recht overrulen?
De regering heeft erkend dat de Antillen en Aruba schade lopen door de vrijwaringsmaatregelen in het kader van het LGO-besluit. Wat heeft Nederland gedaan met de voorstellen tot het inzetten van flankerend beleid om de schade zoveel mogelijk te beperken? Er zou overleg worden gevoerd, niet alleen met de overzeese gebiedsdelen, maar ook met Suriname en Guyana. Is dat gebeurd en, zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Welke initiatieven zijn er ondernomen om de grote werkloosheid terug te brengen die op de Antillen onder met name jongeren al is ontstaan door het gedeeltelijk stilvallen van de suiker- en rijstindustrie? Dat dient in de eerste plaats Nederland een zorg te zijn en vervolgens de Europese Unie. Volgens mevrouw Van Ardenne zijn er consequenties verbonden aan het nemen van een besluit waarmee het jarenlang functionerende LGO-besluit wordt aangetast; een besluit dat sociale en economische ontwikkeling ten doel heeft. De rijksministerraad is ingeschakeld om die gesprekken te voeren. Welke conclusie is daaruit getrokken en zijn er al maatregelen genomen om het investeringsklimaat op de Antillen en Aruba te versterken, bijvoorbeeld via andere producten?
Is met het voorliggende compromis de schade in de Europese Unie beperkt? Wat betekent deze herziening voor de onderhandelingen voor de periode na het jaar 2000? Naar aanleiding van een interruptie verklaarde mevrouw Van Ardenne de adviezen van de permanente vertegenwoordiger consequent te achten. Zij meende dat de discussie niet moet worden belast met een tonnage die door de buitenwacht is genoemd, maar niet overeenkomt met wat de regering heeft bereikt. Het gaat erom, eruit te halen wat eruit te halen valt. In hoeverre is de Europese Unie van plan met de ACS-landen te onderhandelen over de vrijgestelde tonnage? Zelfs als er werd uitgegaan van een contingent van 200 000 ton, dan nog zou er vanwege die ACS-tonnage weinig tot niets overblijven voor de Nederlandse Antillen en Aruba.
Desgevraagd verklaarde mevrouw Van Ardenne de visie van de Commissie en de veertien andere lidlanden op de marktverstoring te delen. Er is nu eenmaal een spanningsveld tussen wat binnen de Interne Markt functioneert en wat er wordt toegestaan in het kader van het LGO-besluit. Getracht is daarvoor een oplossing te vinden. Op dit moment is die 160 000 ton het uitgangspunt.
De afstemming in de rijksministerraad was haar niet duidelijk. Wat was het oordeel van de gevolmachtigde ministers op 6 oktober? Wat was het oordeel van de premiers? Hebben de gevolmachtigde ministers bezwaar gemaakt conform artikel 12? Zo ja, is er dan voortgezet overleg gevoerd, overeenkomstig dit artikel? Is er in dat overleg aangedrongen op het inbrengen van het element schadevergoeding in de ministerraad? Zo ja, wat was het standpunt van het kabinet daarover?
Waarom heeft Nederland in zijn stemverklaring in de Algemene Raad niet aangegeven hoe de stemverhoudingen in de koninkrijksregering lagen en dat er in Nederland een juridische procedure liep?
De uitspraak van de president van de Haagse rechtbank heeft ook de CDA-fractie bevreemd. Allereerst, omdat hij stelt dat het LGO-besluit niet herzien zou mogen worden, terwijl dat in de procedure was opgenomen en er een uitleg is voor het feit dat de herziening nu pas aan de orde is. Gaat er van het verbod van de rechter om in te stemmen met of mee te werken aan de herziening geen precedentwerking uit? Wat is de mening van de regering over het vonnis?
Het is de vraag hoe het nu verder moet. Nederland mag zich dus volgens de rechter op dit moment niet verenigen met het herziene besluit. Welke stappen denkt Nederland in de gegeven omstandigheden te nemen met het oog op de besluitvorming en het vervolg daarop? Het kabinet heeft kennelijk geen duidelijk beeld van de relatie met de Antillen en Aruba en de te voeren beleidslijn ten aanzien van de Europese Unie. Het is van belang ten spoedigste te kunnen discussiëren over een document waarin het kabinet zijn zienswijze hierop ontvouwt.
Het kabinet lijkt gezien de brief van 10 oktober het spoor tussen juridische en bestuurlijke procedures enigszins kwijt te zijn. Mevrouw Van Ardenne kon zich niet aan de indruk onttrekken dat het kabinet de ontstane situatie voor een belangrijk deel over zichzelf heeft afgeroepen. Het zal er alles aan moeten doen om binnen koninkrijksverband tot overeenstemming te komen.
De heer Te Veldhuis (VVD) wees erop dat de veertien andere lidstaten zeggen dat er niet alleen sprake is van concurrentieverstorende elementen, maar ook dat er momenteel oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de LGO-regeling. Hoe gebeurt dat dan? Kennelijk is er verschil van mening over de juridische uitleg en de uitvoering van de regeling.
Op grond van de stukken die hij heeft gelezen, leek hem de rol van de regering goed te verdedigen. Waar nodig heeft de regering in de Europese ministerraad tegengestemd. En er zijn zelfs gedingen aangespannen, maar Nederland heeft tot nog toe alles verloren. In zo'n situatie moet er op enig moment een keuze worden gemaakt tussen enerzijds het handhaven van het eigen standpunt, in de wetenschap dat men nooit gelijk zal krijgen en alleen maar meer irritatie wekt, en anderzijds een compromis, zeker als dat te verdedigen is. De heer Te Veldhuis vond het kwalijk dat sommige leden van de Antilliaanse statendelegatie hebben gesteld dat leden van de Nederlandse regering niet te goeder trouw zijn geweest. Deze beschuldiging is sfeerbedervend binnen het Koninkrijk. Ook al is het besluit bij meerderheid genomen, er ligt een formeel besluit van de koninkrijksregering om met het compromis in te stemmen. Bij interruptie werd erop gewezen dat men deze uitspraak moet bezien in het kader van het belang van deze kwestie voor de Antillen, met name voor de werkgelegenheid.
De heer Te Veldhuis veronderstelde dat vasthouden aan het Nederlandse standpunt pennywise and poundfoolish zou zijn geweest, omdat de irritaties binnen de Europese Unie mogelijkerwijs hadden kunnen leiden tot een nog veel slechtere situatie vanaf 2000, of misschien zelfs wel eerder via vrijwaringsmaatregelen. Zo'n nederlagenstrategie zou kunnen leiden tot alleen maar verliezers: de Nederlandse Antillen en Aruba verliezen hun LGO-voordelen, de onderhandelingspositie van Nederland binnen de EU is verstoord en de onderlinge verhoudingen binnen het Koninkrijk ook. Men kan de indruk hebben via een gerechtelijk vonnis een doelpunt te hebben gescoord, maar het risico is groot dat iedereen de wedstrijd verliest.
De heer Te Veldhuis betoogde dat als er ten gevolge van een verandering van Europese regels schade in een land buiten de EU ontstaat, natuurlijk niet het ermee gelieerde EU-land, in dit geval dus Nederland, daarvoor moet opdraaien. Ook hij was benieuwd naar de notitie over de relatie tussen koninkrijksaangelegenheden en de Europese Unie.
Als een zaak onder de rechter is, moet inderdaad enige terughoudendheid in acht genomen worden ten aanzien van de inhoud van uitspraken daarover door lagere rechters. In dit geval is de centrale vraag of de rechter niet te veel op de stoel van de bestuurder is gaan zitten. Bij z'n laatste vonnis heeft de rechter bestuurders verboden besluiten te nemen – zo niet direct dan toch indirect – door de opdracht aan de regering om besluitvorming in de Europese ministerraad te blokkeren. Houdt de rechter zich nu niet indirect ook zelf met wetgeving bezig? Immers, door deze opdracht zegt hij indirect dat de huidige wetgeving in stand moet blijven, althans voor de periode nodig voor de beantwoording van de prejudiciële vragen. En die kan wel achttien maanden duren. Is dat niet ook een vorm van wetgevende arbeid? Zit de rechter daarmee niet impliciet op de stoel van de wetgever? Daarnaast is er voor de regering een onmogelijke positie geschapen en een patstelling in Europees verband gecreëerd, waaraan dus geruime tijd geen einde kan worden gemaakt. Is dat niet juridisering en ketst dit niet op z'n minst met de trias politica? Ontstaat er geen ernstig precedent voor de Europese Unie? Elke rechter in de vijftien lidstaten zou besluitvorming op Europees niveau kunnen blokkeren. Iedere dreigende inperking of aantasting van bestaande rechten door nieuwe Europese regels zou via de rechter kunnen worden aangevochten en eventueel tegengehouden. Mocht de rechter in hoger beroep gelijk krijgen, is dat dan aanleiding voor de regering om met voorstellen te komen om zulke zaken in het vervolg te voorkomen?
Is het voorts niet zeer ongebruikelijk en merkwaardig dat de rechter de staat een dwangsom van 500 mln. heeft opgelegd in het geval dat deze actief of passief meewerkt aan het totstandkomen van de wijziging van het LGO-besluit? Moet hieruit niet worden afgeleid dat de rechter de regering niet te goeder trouw acht? Hij heeft gesteld dat de regering op vonnissen in kort geding moet wachten, voordat zij beslissingen mag nemen of standpunten mag innemen in de Europese Raad. Daarmee bepaalt een nationale rechter het tijdstip van de totstandkoming van besluiten in de Europese Raad. Waar komt men uit, als men deze weg op gaat? De regering zal zich hierop moeten bezinnen en naar oplossingen moeten zoeken. Immers, de wetgever (Kamer en regering) moet bepalen wat de positie van de rechter is in Nederland. Kamer en regering bepalen in feite de werkruimte van de rechterlijke macht.
Om welke schade op economisch en werkgelegenheidsgebied gaat het eigenlijk? Wie lijdt die schade? De lokale economie of enkele grootaandeelhouders? Hoe denkt de regering deze kwestie op te lossen, anders dan via de rechter, al was het maar omdat die weg zoveel tijd kost?
De heer Van Oven (PvdA) stelde dat het besluit van 6 oktober een verslechtering betekent vergeleken bij het voorstel van het Ierse voorzitterschap. Ten onrechte staat in de brief van 10 oktober: «De afgesproken hoeveelheden rijst betekenen een vooruitgang ten opzichte van de huidige situatie waarin vrijwaringsmaatregelen zijn getroffen waardoor de feitelijke export van de LGO rond de 100 000 ton is komen te liggen.». Immers, het nu overeengekomen contingent van 160 000 ton kan met maximaal 125 000 ton worden verlaagd wegens rechtstreekse invoer uit ACS-landen.
Het compromis van het Luxemburgs voorzitterschap staat haaks op alle voorstellen die in de loop van de tijd door Nederland zijn gedaan. Een door de koninkrijksregering geraadpleegde groep van juridische deskundigen acht deze maatregel in strijd met de EU-regelgeving. Het is niet ondenkbaar dat dit tot aanzienlijke schadevergoedingen zal leiden.
Nederland heeft uiteindelijk op 3 oktober toch besloten met de herziening van het LGO-besluit in te stemmen, maar de gevolmachtigde ministers stemden niet in met dit besluit van de rijksministerraad. Over het toen naar voren gekomen verschil in interpretatie van artikel 25 van het Statuut zal de rijksministerraad zich buigen. Wat is de tot nu toe kennelijk overheersende interpretatie van dit artikel? De heer Van Oven zette uiteen waarom ook volgens hem het ingestelde interne appèl niet geheel in overeenstemming is geweest met de letter van artikel 12, lid 3 en 4, van het Statuut. Hij wilde de verzekering dat deze weg niet meer zal worden gevolgd. Op 6 oktober is 's morgens vroeg in de rijksministerraad het besluit tot instemming met de herziening van het LGO-besluit bevestigd. Ook de PvdA-fractie vond de stemverklaring weinig gelukkig.
De heer Van Oven beaamde dat normaal gesproken wordt gewacht tot de rechter een uitspraak heeft gedaan. Het ware beter geweest wanneer de landsadvocaat direct bij het begin van het kort geding had aangekondigd dat de regering niet van plan was te wachten op de uitspraak. Hij had dat (na overleg met zijn principaal) ook al kunnen doen toen hij in de nacht van zondag op maandag van de dagvaarding op de hoogte werd gesteld. De rechter had het tijdstip van het kort geding hieraan kunnen aanpassen.
Nadat de regering, op zich begrijpelijk, ervan uitging dat de uitspraak in kort geding door de feiten was achterhaald, is er een tweede kort geding aangespannen. De redenering van de landsadvocaat over de mogelijkheid dat zo'n zogenaamd A-punt in rechte aantastbaar is, roept belangrijke vragen op, mede vanwege de precedentwerking die ervan zou kunnen uitgaan. De landsadvocaat heeft een onderscheid gemaakt tussen A-punten en valse A-punten. A-punten zijn punten die eerder uitsluitend in voorbereidende gremia aan de orde zijn geweest en niet in de raad van ministers. Valse A-punten zijn wél eerder in een raad van ministers aan de orde geweest en hebben daar tot een feitelijk compromis geleid dat alleen nog juridisch moet worden afgerond. Volgens de landsadvocaat zijn valse A-punten feitelijk geen beslispunten meer, omdat regeringen ook juridisch aan zo'n compromis gebonden zijn. Dat zou betekenen dat ook het parlement er geen invloed meer op zou kunnen uitoefenen. Het is de vraag wat dan de reële waarde is van de voorbereidende besprekingen met vaste commissies over lijsten van A-punten, want er staat nooit bij dat een A-punt vals is.
De kort gedingen van 6 en 17 oktober zijn niet door de Nederlandse Antillen en Aruba aangespannen, maar door een derde. Er is overigens wel gesuggereerd dat beide landen alsnog rechtsgedingen zullen aanspannen tegen Nederland. Gaan zij dat ook doen? Het zou hoogst ongelukkig zijn wanneer de landen van het Koninkrijk elkaar via procedures bij de civiele rechter gaan bevechten.
Er is een lastige situatie ontstaan. De verhoudingen binnen het Koninkrijk staan onder druk en de overige lidstaten zijn geïrriteerd door het feit dat Nederland geen uitvoering kan geven aan het gesloten compromis. De huidige situatie illustreert het probleem van de Nederlandse positie door onder meer de ongelijke verhoudingen. De totale bevolking van de Nederlandse Antillen en Aruba vormt 2% van de Nederlandse bevolking, die weer 5% vormt van de bevolking van de EU. De belangen van de Antillen en Aruba zijn in het kader van het LGO-besluit weer vele malen groter dan die van Nederland.
Had de besluitvorming in koninkrijksverband niet handiger aangepakt kunnen worden?
Wat moet er nu gebeuren? De PvdA-fractie geeft er ook de voorkeur aan om deze zaak niet via juridische procedures uit te vechten, maar om via overleg in koninkrijksverband te proberen tot een eenduidige opstelling te komen. Daarbij zou niet zozeer gedacht moeten worden aan wijziging van het compromis van het Luxemburgs voorzitterschap als wel aan «aankleding» ervan door het ACS-contingent aan een bepaald plafond te binden, zodat er zekerheid is voor de Antillen en Aruba over de te verwerken hoeveelheden. Schadevergoedingen zouden volgens de fractie door de EU en niet door Nederland moeten worden verstrekt. De EU heeft de regeling in het leven geroepen. De Antillen en Aruba hebben daar maximaal gebruik van gemaakt. Bij het terugdraaien van de regeling behoort de gemeenschap de daaruit voortvloeiende schade te dragen.
Ook de heer Van Oven vond het ergerlijk dat de notitie over de positie van de Aruba en de Nederlandse Antillen tegen de achtergrond van de Europese ontwikkeling zo lang uitblijft. De staatssecretaris kan niet zeggen dat dit komt doordat Aruba en de Antillen er nog niet op hebben gereageerd. Immers, de koninkrijksregering moet eenduidig optreden. Zij moet één standpunt kunnen bereiken betreffende de toekomstige besluitvormingsprocedure. Omdat er geen koninkrijksparlement is, kan de koninkrijksregering daar niet voor ter verantwoording worden geroepen. Wel kan de Kamer er met klem bij de regering op aandringen, ervoor te zorgen dat de notitie zo spoedig mogelijk wordt overgelegd.
De staatssecretaris zegde toe dat nog deze week aan de regeringen van Aruba en de Nederlandse Antillen zal worden gevraagd of zij voor 1 december commentaar op de notitie kunnen leveren, opdat vervolgens in de rijksministerraad kan worden getracht een gezamenlijke tekst te bereiken. Lukt dat niet, dan zal de Nederlandse regering haar eigen verantwoordelijkheid nemen en een notitie aan de Kamer voorleggen.
Hij memoreerde dat de onderhandelingen over de herziening van het LGO-besluit in maart 1996 zijn aangevangen en dat de Nederlandse regering en de regeringen van de Antillen en Aruba betrekkelijk gelijkluidend dachten over de analyse van het probleem en de tactiek. Nederland heeft zonder succes alternatieven voor tariefcontingenten aangedragen. Het daarop volgende voorstel van het Ierse voorzitterschap is een belangrijke toetssteen geweest voor de verdere Europese aanpak. De ambassadeur en de bewindslieden van Buitenlandse Zaken hebben aanvaarding ervan geadviseerd. Na uitvoerige telefonades met de premiers, in ieder geval de premier van de Nederlandse Antillen, heeft Nederland er ook ad referendum mee ingestemd, maar uiteindelijk heeft de koninkrijksregering het toch afgewezen. Daarmee was in feite in de Europese politieke verhoudingen de teerling geworpen en was op geen enkele manier meer een andere verhouding te bereiken dan vijftien tegen een: de andere veertien lidstaten plus de Commissie tegen Nederland. De kort gedingen die tegen de vrijwaringsmaatregelen zijn aangespannen, zijn verloren. Er is geen zicht op het moment waarop de bodemprocedure in dezen zal worden afgerond, maar die betreft de vrijwaringsmaatregel voor de periode januari-april 1997 in de toen geldende omstandigheden en biedt dus geen oplossing. Bovendien zal deze procedure geen helderheid opleveren over bijvoorbeeld de bevoegdheid van de Commissie om vrijwaringsmaatregelen te nemen.
In de eerste helft van 1997 is er intern door een commissie van juridische deskundigen enige studie verricht. De door de commissie ontwikkelde juridische filosofie is door de koninkrijksregering besproken. Besloten is wegen te zoeken voor invoering van deze redeneertrant. De voorzitter van de commissie heeft uitvoerig in Brussel overlegd met het kabinet van commissaris Van den Broek en met de juridische diensten van de Commissie en de Raad. Deze deelden de visie van de commissie niet of slechts zeer partieel. Nederland heeft dus geen voet aan de grond gekregen. Men kan dus niet zeggen dat de visie van de commissie van deskundigen ook maatgevend moet zijn voor de rest van Europa.
De koninkrijksministerraad heeft na de verloren kort gedingen op 30 mei besloten de onderhandelingen te hervatten, omdat de Nederlandse positie duidelijk eroderend was, zoals ook bleek uit de vrijwaringsmaatregelen. Er zijn drie vrij forse onderhandelingsronden geweest, waarvan de laatste in de week voor de Algemene Raad van 6 oktober. Daarin zijn twee versies van het ontwerp-besluit aan de orde geweest. Op de eerste versie hadden Nederland, Spanje en Italië kritiek. De tweede versie werd op 1 oktober 's avonds voorgelegd met de mededeling van het voorzitterschap: als hierover geen unanimiteit wordt bereikt, laat ik het onderwerp verder rusten. De situatie is toen geëvalueerd door de ambassadeur en zijn adviseur namens de Antillen, die overigens niet altijd op één lijn zaten. Op 2 oktober is het Verdrag van Amsterdam ondertekend. Bij die gelegenheid heeft de staatssecretaris uitvoerig over de ontstane situatie overlegd met het Luxemburgs voorzitterschap en ambassadeur Bot. De tweede versie van het ontwerpbesluit bleek inderdaad de laatste kans. De ambassadeur heeft zich toen ook op het standpunt gesteld dat indien Italië en Spanje afzagen van verdere erodering van het voorstel van het Luxemburgs voorzitterschap, het alles overwegende de moeite waard zou zijn om ervoor te zijn. Omdat er moest worden gekozen tussen twee kwaden en omdat moest worden geprobeerd perspectieven op langere termijn te creëren, heeft de staatssecretaris de koninkrijksregering toen voorgesteld het compromis te aanvaarden.
Men zal voor ogen moeten houden dat sinds de instelling van de eerste vrijwaring op 1 januari 1997 er nooit meer een keuze is geweest tussen volledige vrijheid en zelfbinding in tariefcontingenten. Vrij algemeen was de inschatting dat bij verwerping van het compromis het vrijwaringsbeleid van de Europese Commissie inzake rijst punitieve trekjes zou hebben gekregen. De discretionaire bevoegdheid van de Europese Commissie is in dezen zeer groot. Een van de drie criteria voor vrijwaring is: indien moeilijkheden rijzen die in een sector van activiteit van de Gemeenschap of een regio ervan tot verslechtering dreigen te leiden. In dit kader voert de Commissie de verslechtering van de vooruitzichten van programma's in Italië en Spanje aan voor het omschakelen van de Japonicateelt naar de Indicateelt. Tegen een vrijwaringsmaatregel kan men in beroep gaan bij de Raad, maar daar is in dit geval de verhouding 14:1, en bij de rechter, maar die heeft eerder het beroep al afgewezen. De Raad kan bij gekwalificeerde meerderheid een vrijwaringsmaatregel ongedaan maken.
De staatssecretaris hield staande dat het als men in een staat van voortdurend onderhandelen verkeert, niet past om indien iets niet bevalt dan maar de onderhandelingen te stoppen en een tweejarig proces voor het Hof in Luxemburg te starten, met het risico dat niet te winnen.
Europa is netto-exporteur van suiker. Om het prijsverschil tussen richtprijs en wereldmarktprijs te overbruggen moet er voor iedere ton geëxporteerde suiker f.1000 bijgepast worden. Dat bedrag wordt omgeslagen over de producenten. De komst van additionele suiker via de Antillen en Aruba naar de Europese markt boven het quotum dat de ACS-landen is toegestaan, moet automatisch leiden tot extra exportdwang voor het Europese bedrijfsleven of tot vermindering van quota. De opbrengsten voor in dit geval Aruba zijn ongeveer f 400 per ton, terwijl de kosten voor de Europese Unie voor extra export ongeveer f 1000 per ton zijn. Het is in Brussel niet uit te leggen dat Nederland pleit voor onbeperkte invoer van licht bewerkte ACS-suiker die de Europese Unie per ton meer dan twee keer zoveel kost als de netto-opbrengst is voor de betrokken handelaren en producenten. In het suikerdossier zou sprake zijn van directe schade, omdat er in 1997 ondanks negatieve adviezen van EZ is geïnvesteerd in een suikerfabriek en die exportstroom onmiddellijk zou worden afgesneden.
Er waren keiharde aanwijzingen dat als Nederland niet akkoord was gegaan met het compromis, diezelfde dag nog België (en wellicht andere landen) vrijwaring zou hebben aangevraagd op het gebied van suiker. Gegeven de bestaande politieke verhoudingen in de Unie, zou er betrekkelijk snel een vrijwaringsmaatregel ingevoerd zijn.
De staatssecretaris verwees de suggestie, als zou het LGO-quotum tot 35 000 ton zijn verlaagd vanwege de verrekening met het ACS-contingent, naar het rijk der fabelen, omdat het bij het LGO- en het ACS-quotum gaat om handelsbeslissingen van mensen die zowel de handel van de ACS-landen rechtstreeks naar de Europese Unie beheersen als de handel via de Antillenroute. De ACS-landen hebben een tariefcontingent van 125 000 ton met een beperkte tariefreductie. Het LGO-contingent is 160 000 ton met een 100% tariefreductie. De Antillenroute is dus onder alle omstandigheden profitabel voor die rijsthandelaren, althans zolang er een groot ecart is tussen de Antillenroute en de rechtstreekse route. Om die reden was het compromis voor Nederland aanvaardbaar. Dat ecart zal, zoals het NEI-rapport aangeeft, op de middellange termijn kleiner worden als gevolg van de toezegging aan de ACS-landen dat de tariefreductie van 50 naar 65% zal groeien en door de op basis van WTO-regelingen optredende verlaging van het buitentarief voor rijst.
Dit zijn allemaal overwegingen voor Nederland geweest om op de korte termijn een compromis te sluiten over tariefcontingentering en zich te concentreren op de langetermijnmogelijkheden om een beter uitgangspunt te creëren voor de heronderhandelingen over het totale LGO-besluit in 2000 dan er zou zijn wanneer Nederland geweigerd had met het compromis in te stemmen. Daar slaat de door de heer Van Middelkoop geciteerde zin over de situatie ná 2000 op.
Gevraagd werd, waarom als de Antillenroute aantrekkelijker is, het compromis toch door onder meer de permanente vertegenwoordiger als een verslechtering werd gezien vergeleken met het Ierse voorstel met een veel lager ACS-contingent. De staatssecretaris verklaarde die opvatting niet te huldigen.
Omdat de zaak sub judice is, beperkte hij zich in zijn opmerkingen over de rechtsgang. De regering is om politiek-grondwettelijke redenen in hoger beroep gegaan. Die redenen zijn onder meer nationaal-grondwettelijk van aard. De staatssecretaris was van oordeel dat de rechter te ver is gegaan met zijn ingreep in de zorgvuldige afwegingen van buitenlands politieke aard die de regering heeft gemaakt. De bewindsman was van mening dat er geen sprake is van onzorgvuldig handelen inzake dit dossier. Zijns inziens moet er een uitspraak komen ter beantwoording van de vraag of de rechter niet te veel op de stoel van de wetgever is gaan zitten. Het gaat immers om wijziging van wetgeving, zij het supranationaal. Er zijn ook bezwaren van Europeesrechtelijke aard: een eenmaal overeengekomen politiek akkoord moet onvermijdelijk in het kader van de gemeenschapstrouw die ex artikel 5 van het EU-verdrag wordt verwacht, leiden tot loyale uitvoering door de lidstaten, inclusief de rechters, en de instellingen. De regering wil nader getoetst zien in hoeverre het mogelijk is zich aan die gemeenschapstrouw te onttrekken. De regering wil door het Hof in Den Haag uitgezocht zien of de kortgedingrechter de grondwettelijke en Europese spelregels goed toegepast heeft.
Een vals A-punt is een punt dat politiek al geheel is afgeprocedeerd en als het goed is en de commissie voor Europese Zaken haar werk goed doet, al tevoren uit-en-te-na door de Kamer met de regering is besproken. Het gaat dan nog uitsluitend om de juridische vormgeving en het opschrijven in de talen van de gemeenschap. Men kan zich dus niet het recht voorbehouden om de regering te vragen bij ieder vals A-punt terug te kunnen komen op het politieke akkoord. Immers, dan zou de besluitvorming in Brussel al snel stil komen te liggen. In de systematiek onttrekt een vals A-punt zich in feite aan een nieuwe politieke beoordeling ten principale.
Desgevraagd stelde de staatssecretaris dat de Kamer de regering altijd kan aanspreken op het akkoord gaan met A-punten. Wanneer het gaat om een punt dat nog nooit eerder in de Raad van ministers aan de orde is geweest, heeft iedere lidstaat de facto alle vrijheid om op een akkoord op ambassadeursniveau terug te komen. Als een A-punt uitsluitend op de agenda van de Raad van ministers staat vanwege de juridische vorm en omdat het in de werktalen van de gemeenschap moet worden opgeschreven en er dus al een politiek akkoord over is, dan verhindert de gemeenschapstrouw het terugkomen op zo'n punt. Uiteraard kan wel bezwaar gemaakt worden tegen de juridische vormgeving en de vertaling.
Het gaat bij de herziening van het LGO-besluit in beginsel om een besluit van een instelling van de Europese gemeenschap. Indien een dergelijk besluit schade veroorzaakt aan particuliere belangen, dan heeft dit particuliere belang toegang tot het Hof in Luxemburg. Het is niet zo dat een besluit van een Europese instelling als onrechtmatige overheidsdaad in de lidstaten afgestraft kan worden.
De verklaring van minister Van Mierlo had geen andere bedoeling dan duidelijk te maken dat deze zaak veel pijn heeft veroorzaakt, met name bij de Nederlandse Antillen en Aruba, en dat Nederland met het compromis akkoord ging om te voorkomen dat Spanje en Italië wellicht toch nog de inhoud van het besluit aan de orde zouden stellen. Tevens is duidelijk gemaakt, dat Nederland, gelet op de grote politieke concessies die het heeft gedaan, op een loyale uitvoering rekende. Iedereen ter plekke wist dat voor de Nederlandse besluitvorming de koninkrijksprocedure ex artikel 12 was toegepast en dat de Nederlandse Antillen en Aruba tegengestemd hadden.
Wat het niet vermelden van de gerechtelijke procedure betreft, verwees de staatssecretaris vanwege de tijd naar de uitvoerige nota van verweer van de landsadvocaat. Desgevraagd zei hij dat de regering zich zal beraden op de praktijk van het door de staat al dan niet opschorten van voorgenomen handelingen, in het geval dat er een kort geding tegen de staat is aangespannen. Maar eerst wacht de regering de uitspraak in hoger beroep af.
Een aantal vragen van feitelijke aard zal indien nodig schriftelijk beantwoord worden.
De minister beaamde dat het een ongelukkig dossier is, dat schade oplevert voor de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland. Dat dossier wordt bepaald door de visie van de overgrote meerderheid van de Unie en de Europese Commissie. In een lose-losesituatie moet men een strategie kiezen die de schade zoveel mogelijk beperkt. De minister had evenwel de indruk dat velen de schade niet willen beperken en willen proberen ergens anders rekeningen neer te leggen. Hij vroeg zich af of op deze manier het belang van de Antillen en Aruba wel wordt gediend, of er ook maar één korrel rijst of suiker meer door wordt geëxporteerd naar de Europese Unie en of er een sfeer wordt gecreëerd waarin er met de Europese Unie goede afspraken zullen kunnen worden gemaakt over de toekomst van het LGO-dossier.
Vanuit zijn verantwoordelijkheid geldt zijn zorg het wel en wee van de Nederlandse Antillen en Aruba en de ontwikkeling van de werkgelegenheid aldaar. Gezien het feit dat ook in het kader van de Wereldhandelsorganisatie handelsstromen die louter en alleen zijn gebaseerd op tariefpreferenties, een tijdelijk en aflopend voordeel geven, is het van belang de economische strategie te baseren op werkgelegenheid van blijvende aard. Een van de factoren die verklaren waarom veertien Europese landen en de Europese Commissie dit dossier zo negatief benaderen, is dat er in hun ogen oneigenlijk gebruik is gemaakt van een regeling die tot doel had de lokale productie in landen en gebieden overzee te stimuleren. Het koninkrijk heeft anderhalf jaar geprobeerd zoveel mogelijk uit dit dossier te slepen. Het resultaat is buitengewoon teleurstellend voor de Antillen en Aruba, maar het is niet anders.
Procederen tegen Den Haag is een heilloze weg, omdat het beleid van de veertien andere lidstaten er niet mee veranderd kan worden. Het Koninkrijk vormt één familie en iedereen weet wat er in families gebeurt als leden ervan processen tegen elkaar gaan voeren. Het juridiseren van deze problematiek leidt niet tot extra economische mogelijkheden en extra werkgelegenheid voor de Nederlandse Antillen en Aruba.
Volgens het NEI-rapport was het economisch belang van de LGO-sector toen er nog geen vrijwaringsmaatregelen waren genomen, 1 tot 3% van het BNP. De belastinginkomsten voor de overheid waren minder dan 0,5%, de invloed op de werkloosheid op de Antillen 0,8% en op Aruba 0,1%. Het is een nare zaak voor de werknemers die zijn en worden getroffen, maar het is de vraag hoe er iets opgebouwd kan worden wat betere perspectieven biedt. Bij interruptie werd gesteld dat het bij de sluiting van Fokker waarschijnlijk om aanmerkelijk minder dan 0,8% van de werkgelegenheid in Nederland ging, terwijl die sluiting toch veel commotie heeft veroorzaakt. De minister betoogde dat iedere 0,1% werkgelegenheid van belang is en dat het heel moeilijk is om additionele werkgelegenheid op de Antillen en Aruba te creëren.
Vooruitlopend op de huidige situatie, heeft Nederland al activiteiten ontplooid om de Antillen en Aruba te helpen bij het ontwikkelen van werkgelegenheid op andere terreinen. Nederland heeft daartoe dit najaar in het financieel-economisch beleidsoverleg een aantal fiscale stimuleringsmaatregelen aangeboden die structureel 25 mln. per jaar zullen kosten. Daarnaast is dit jaar de verplichtingenruimte in de begroting voor Aruba en de Nederlandse Antillen met 25 mln. vergroot ten behoeve van extra werkgelegenheidsbevorderende maatregelen. Het gaat daarbij om een fonds dat door de inter-Amerikaanse ontwikkelingsbank zal worden beheerd, mede ter uitvoering van het rapport van de bank ter stimulering van de economie op de Antillen en Aruba.
De minister was ervan overtuigd dat artikel 12 van het Statuut correct is toegepast. De betrokken koninkrijkspartners hebben daarmee ingestemd op 3 oktober en in het voortgezet overleg. In artikel 25 wordt de koninkrijkspartners in feite vetorecht gegeven ten aanzien van het aangaan dan wel opzeggen van internationale overeenkomsten waarbij in hun ogen hun belangen worden geschaad. Volgens de door hem geraadpleegde juristen slaat dat op overeenkomsten in de zin van verdragen en niet op besluitvorming van de Europese ministerraad. De Nederlandse Antillen en Aruba menen evenwel via dit artikel in feite een vetorecht te hebben ten aanzien van besluiten van de Europese ministerraad. Zo is het in ieder geval niet bedoeld bij het sluiten van het Statuut in 1954. Toen bestond de Europese Unie nog niet. De juiste interpretatie van artikel 25 zal nog onderwerp van gesprek zijn in de rijksministerraad.
De minister kon geen antwoord geven op de vraag of het reglement van orde van de rijksministerraad dan wel andere afspraken zijn geschonden, waardoor geclassificeerde stukken in allerlei dossiers konden opduiken en in de publiciteit konden komen. Hij wist niet hoe bepaalde stukken van de rijksministerraad of interne stukken van Buitenlandse Zaken plotseling elders hebben kunnen opduiken. Hij was wel voornemens dit te onderzoeken omdat het van belang is, ook in verhoudingen binnen het Koninkrijk, dat op de juiste manier wordt omgegaan met stukken en classificaties. De stukken die de regering aan de Staten-Generaal verschaft, zijn openbaar en dus ook beschikbaar voor de parlementariërs in de West.
De Nederlandse Antillen hebben medegedeeld zich te zullen voegen bij het hoger beroep van het Arubaanse suikerbedrijf en dus tegen de koninkrijksregering te zullen procederen. Op de Antillen wordt nog gediscussieerd over het aanspannen van een bodemprocedure tegen de rijksregering. Dergelijke activiteiten bevorderen de koninkrijksbetrekkingen niet en leveren alleen maar werkgelegenheid op voor reeds goed betaalde juristen.
De minister was van oordeel dat alle energie gericht moet worden op het oplossen van de echte problemen op de Antillen en Aruba.
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weisglas (VVD), Terpstra (CDA), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Ter Veer (D66), voorzitter, Ybema (D66), Van Middelkoop (GPV), Leers (CDA), Sipkes (GroenLinks), Woltjer (PvdA), ondervoorzitter, Hendriks, Gabor (CDA), Voûte-Droste (VVD), Schuurman (CD), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Rouvoet (RPF), Van Waning (D66) en Rehwinkel (PvdA).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Blaauw (VVD), Verhagen (CDA), Van der Ploeg (PvdA), Hillen (CDA), Koekkoek (CDA), De Graaf (D66), Van den Berg (SGP), Van der Hoeven (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), Meyer (groep-Nijpels), G. de Jong (CDA), O.P.G. Vos (VVD), Poppe (SP), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Roethof (D66), Crone (PvdA), Verbugt (VVD), Leerkes (Unie 55+), Hoekema (D66), Lilipaly (PvdA) en Adelmund (PvdA).
Samenstelling: Leden: Mateman (CDA), Korthals (VVD), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), Van Rey (VVD), Lilipaly (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Ybema (D66), Apostolou (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Hillen (CDA), Remkes (VVD), Van Oven (PvdA), voorzitter, Schuurman (CD), Noorman-den Uyl (PvdA), Fermina (D66), Van der Stoel (VVD), Oudkerk (PvdA), Van Dijke (RPF), De Graaf (D66) en Meyer (groep-Nijpels).
Plv. leden: V.A.M. van der Burg (CDA), Voûte-Droste (VVD), Rijpstra (VVD), Reitsma (CDA), Verbugt (VVD), Valk (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Van Vliet (D66), Van der Ploeg (PvdA), Van den Berg (SGP), Smits (CDA), Visser-van Doorn (CDA), Weisglas (VVD), De Cloe (PvdA), Poppe (SP), Van Gijzel (PvdA), De Koning (D66), Van den Doel (VVD), Woltjer (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Wolters (CDA) en Aiking-Van Wage- ningen (groep-Nijpels).
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), voorzitter, Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, M.M.H. Kamp (VVD), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Huys (PvdA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Woltjer (PvdA), Schuurman (CD), Augusteijn-Esser (D66), Van den Bos (D66), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Van Waning (D66), Keur (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Passtoors (VVD) en Meijer (CDA).
Plv. leden: De Haan (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Middelkoop (GPV), Remkes (VVD), Heeringa (CDA), Biesheuvel (CDA), Van Gijzel (PvdA), Liemburg (PvdA), Hoekema (D66), Verspaget (PvdA), M.M. van der Burg (PvdA), Verkerk (AOV), Dijksma (PvdA), Poppe (SP), Van Walsem (D66), Jorritsma-van Oosten (D66), Gabor (CDA), Leerkes (Unie 55+), Van Zijl (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Doelman-Pel (CDA), Cornielje (VVD), Verbugt (VVD), H.G.J. Kamp (VVD) en Beinema (CDA)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25382-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.