25 370
Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 17 oktober 1997

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het verslag van de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen inzake het wetsvoorstel houdende wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen.

Wij vertrouwen er op dat wij de door deze leden gestelde vragen en gemaakte opmerkingen in het hieronderstaande genoegzaam hebben beantwoord.

Algemeen

Het heeft de leden van de PvdA-fractie verbaasd dat overwegingen over differentiatie ten behoeve van mogelijkheden om met een meer afgestemde opleiding de studie af te ronden en voor de instellingen om beter in te spelen op de behoefte van de omgeving vrijwel ontbreken in de memorie van toelichting en dus in het overleg met de instellingen vrijwel niet aan de orde zijn geweest.

In het HOOP 1996 is de noodzaak om het onderwijs door meer differentiatie beter aan te laten sluiten op wensen en behoeften van zowel de studenten als van de arbeidsmarkt uitgebreid behandeld. Daarover heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met de instellingen en studenten. De conclusies daarvan zijn, voorafgaand aan de behandeling van het ontwerp-HOOP 1996 in de Tweede Kamer, op 15 december 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden. Bovendien heeft, voorafgaand aan de positiebepaling van de regering in het HOOP 1996, het Hoger Onderwijsdebat plaatsgevonden, waarin met een veelheid aan maatschappelijk betrokkenen bij het onderwijs is gediscussieerd over de meest wenselijke inrichting van het hoger-onderwijsbestel. Het eindverslag van dit debat is samen met de relevante documenten die in dat kader zijn gepubliceerd, gebundeld in het einddocument «Hoger Onderwijsdebat 1995», dat samen met het ontwerp-HOOP 1996 op 19 september 1995 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Kortom, de maatregelen die in dit wetsvoorstel zijn neergelegd, hebben een lange voorgeschiedenis en zijn voorafgegaan door uitvoerig overleg met de Tweede Kamer. Daarom hebben wij in de memorie van toelichting op ons wetsvoorstel volstaan met een herhaling van de uitgangspunten en hoofdlijnen van het HOOP 1996.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de drie kernbegrippen differentiatie, selectiviteit en herkenbaarheid in het wetsvoorstel naast elkaar hanteerbaar blijven, waar de versterking van de selectieve functie wordt gevonden in de parallelle verruiming en aanscherping van het bindend studieadvies.

Vanuit de ambitie het hoger onderwijs beter af te stemmen op de veranderde wensen en behoeften vanuit de samenleving en blijvend toegankelijk te houden voor eenieder die over de capaciteiten beschikt om een hoger onderwijsopleiding te volgen, wordt in het HOOP 1996 het perspectief geschetst van een hoger onderwijs dat gekenmerkt wordt door een grotere differentiatie, selectiviteit en herkenbaarheid. De in het wetsvoorstel voorgestelde versterking van de selectieve functie past binnen deze algemene ambitie, daar zij bijdraagt aan het betaalbaar en toegankelijk houden van het hoger onderwijs. De voorgestelde maatregelen zullen ertoe bijdragen dat meer efficiënte leerwegen worden gerealiseerd en studenten in staat worden gesteld eerder op een plek te komen die past bij hun specifieke capaciteiten en vaardigheden. Bovendien vooronderstelt een grotere differentiatie in leerwegen een versterking van de selectieve functie om ervoor te zorgen dat studenten in overeenstemming met de specifieke capaciteiten, vaardigheden en behoeften waarover zij beschikken, terecht komen in de leerweg die het best bij hun past.

Deze leden vragen om een nadere beschouwing over de oriëntatie van het stelsel van onderwijs mede gelet op de actuele, politieke en maatschappelijke discussies en over de intussen waargenomen lagere participatie aan het hoger onderwijs. Ook vragen de leden van het CDA of onderkend wordt dat het wetsvoorstel het risico loopt ingehaald te worden door gewijzigde maatschappelijke en politieke opvattingen over de inrichting van het hoger onderwijs en over de systematiek van de studiefinanciering.

Zoals bij de beantwoording van de eerste vraag van de leden van de PvdA-fractie is gesteld, wijzen wij erop dat voorafgaand aan dit wetsvoorstel een breed maatschappelijk debat heeft plaatsgevonden over de meest wenselijke inrichting van het hoger onderwijsbestel in het licht van nieuwe maatschappelijke eisen. Het resultaat daarvan heeft zijn weerslag gevonden in het HOOP 1996. In het ontwerp-HOOP 1998, dat op 16 september 1997 aan de Tweede Kamer is bekendgemaakt, is aangegeven dat er geen aanleidingen zijn om van de daarin uitgezette koers af te wijken. Het ontwikkelingsperspectief dat in het HOOP 1996 is neergelegd, aangevuld met een beperkt aantal nieuwe beleidsvoornemens, zal dan ook voor komende jaren richtinggevend zijn. Voor een verdergaande beschouwing over de oriëntatie van het hoger onderwijsbestel in het licht van de meest recente maatschappelijke ontwikkelingen, verwijzen wij naar het debat dat in het kader van het Actieprogramma Kennisdebat en de toekomst van het stelsel voor de studiefinanciering de komende tijd zal worden gevoerd. In dat kader kan worden opgemerkt dat in het dit jaar gevoerde kennisdebat het belang van ontwikkelingen als grotere differentiatie in leerwegen van het hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo) en versterking van leren-werken combinaties voor de employability van hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt is benadrukt. Wij zijn dan ook de mening toegedaan dat de voorstellen in dit wetsvoorstel een goede basis vormen voor een leven lang leren. Wat betreft de studiefinanciering zijn wij van oordeel dat het studiefinancieringsstelsel gewenste onderwijskundige ontwikkelingen niet moet belemmeren. Dit zal één van de uitgangspunten zijn in het advies van het College Toekomst Studiefinanciering (College Hermans).

Overigens is ons niet duidelijk waarom de leden van de CDA-fractie over een lagere participatie aan het hoger onderwijs spreken. In het ontwerp-HOOP 1998 wordt juist vastgesteld dat de deelname aan het hbo zelfs iets meer dan in het HOOP 1996 werd voorzien, is gestegen. In het wo is wel sprake van een lichte daling in de deelname. Deze daling komt echter, naast demografische ontwikkelingen, grotendeels voort uit de in het HOOP 1996 voorziene efficiëntere leerwegen als sneller studeren en minder stapelen. De prognose in het HOOP 1996 van het aantal afgestudeerden blijft gehandhaafd. Sneller afstuderen en vermindering van stapeling leiden immers niet tot minder gediplomeerde hoger opgeleiden. Uit voorlopige cijfers van de VSNU blijkt dat de instroom in het wo dit studiejaar ten opzichte van het studiejaar 1996–1997 met 3% is gestegen.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het wetsvoorstel pas in het late voorjaar van 1997 is ingediend en of het streven blijft gericht op inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 augustus 1998.

Bij de vaststelling eind januari 1996 van het HOOP 1996 heeft de Tweede Kamer om een tweetal aanvullende notities gevraagd waarin een nadere toelichting en uitwerking wordt gegeven van de in dat HOOP gedane voorstellen voor een grotere differentiatie in het hbo en wo. De Tweede Kamer heeft daarbij aangegeven deze notities eerst te willen behandelen alvorens met het wetgevingstraject kon worden gestart. Deze notities zijn op 6 juni 1996 aan de Tweede Kamer gezonden. Deze notities zijn op 3 oktober 1996 behandeld. In het najaar van 1996 kon dus pas feitelijk een start worden gemaakt met het wetgevingstraject. Als verdere wezenlijke fasen in het proces kunnen worden genoemd: aanvaarding door de Ministerraad op 22 november 1996, het advies van de Raad van State op 1 mei 1997, hernieuwde behandeling in de Ministerraad op 23 mei 1997en indiening bij de Tweede Kamer op 26 mei 1997. Vanaf het moment dat het overleg in de Tweede Kamer over de uitgangspunten was voltooid, is in de procedure gestaag voortgang geboekt.

Mede met het oog op de financiële afspraken die in het Verblijfsduurakkoord zijn gemaakt, en waaraan dit wetsvoorstel de wettelijke grondslag moet geven, de spoedige invoering van duale leerwegen in het hoger onderwijs en differentiatie van universitaire opleidingen, houden wij vast aan inwerkingtreding op 1 september 1998.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de memorie van toelichting stelt dat de VSNU nog doende is voorstellen voor de herordening van het onderwijsaanbod in te dienen, terwijl de definitieve voorstellen op 7 maart 1997 zijn aangeboden.

Deze leden wijzen ons er terecht op dat de memorie van toelichting op dit punt niet de allerlaatste stand van zaken heeft weergegeven. Thans is de stand van zaken als volgt. Het voorstel van de VSNU is nog onderwerp van overleg. Eind oktober 1997 zal de ACO zijn advies hierover uitbrengen. Daarna zal naar verwachting nog een overlegronde met de VSNU plaats hebben.

De leden van de CDA-fractie vragen of de bewindslieden conform het verzoek van VNO-NCW bereid zijn het wetsvoorstel primair te bezien op de onderwijskundige merites en niet op de opbrengst voor het budget voor de studiefinanciering.

Met verwijzing naar onze reactie op de vraag van de PvdA-fractie over de noodzaak het onderwijs beter af te stemmen op wensen en behoeften van de samenleving, zijn wij uiteraard van mening dat dit wetsvoorstel niet alleen op financiële, maar in de eerste plaats op onderwijskundige merites dient te worden beoordeeld. Dit neemt niet weg dat een en ander wel gerealiseerd dient te worden binnen beperkt beschikbare middelen.

De leden van de fractie van D66 vragen ons aan te geven of er genoeg geld beschikbaar is gesteld voor het studiefonds om afwijkingen van de vrijstellingsnorm op te vangen.

Dit is naar ons oordeel het geval. Wij onderbouwen dit oordeel in ons antwoord op nadere vragen van deze leden en die van de CDA-fractie in paragraaf 3.1 van deze nota naar aanleiding van het verslag.

De leden van de fractie van D66 constateren dat het wetsvoorstel een veelheid van ministeriële regelingen bevat, en vrezen voor een rommelige uitvoering van de wet.

Naar aanleiding van de constatering van deze leden merken wij op dat het wetsvoorstel op zes plaatsen in de WHW en op twee plaatsen in de WSF de minister de bevoegdheid toekent bepaalde voorschriften vast te stellen. Voorts wordt in een nota van wijziging, die de Tweede Kamer binnenkort nog zal bereiken, een nieuwe overgangsbepaling voorgesteld waarin in een ministeriële regeling is voorzien. Op het eerste gezicht lijkt dit aantal ministeriële regelingen wellicht fors. Wij zijn evenwel van mening dat die ministeriële regelingen nodig zijn voor een goede uitvoering van de wet.

Hieronder wordt per onderdeel van het wetsvoorstel toegelicht, waarom voor deze vorm van delegatie is gekozen.

Ministeriële regelingen in de WHW

1. In artikel 7.9f (artikel I, onderdeel T) wordt bepaald dat een instelling uiterlijk voor een bij ministeriële regeling te bepalen datum aan de Informatie Beheer Groep (IBG) het aantal studiepunten dat bij het onderwijsdeel van een duale opleiding kan worden behaald, moet doorgeven. Deze gegevens zijn van belang voor de toepassing van artikel 9, lid 1e, van de WSF. Voor een goede verwerking van gegevens wordt thans voorzien dat een periode van twee maanden nodig zal zijn. Indien echter blijkt dat deze periode korter kan zijn, zou deze periode juist doordat hij is vastgelegd in een ministeriële regeling, sneller kunnen worden gewijzigd dan wanneer die periode is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur.

2 en 3. In artikel 7.24 (artikel I, onderdeel Z) wordt bepaald dat bij ministeriële regeling diploma's van vakopleidingen worden gelijkgesteld met diploma's van de middenkader- en specialistenopleidingen van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Vervolgens wordt in artikel 7.25 (artikel I, onderdeel AA) bepaald dat bij ministeriële regeling kan worden aangegeven dat de bezitters van het in artikel 7.24, tweede lid, bedoelde diploma ten hoogste twee vakken of deelkwalificaties moeten hebben behaald. Beide onderwerpen zullen in één ministeriële regeling worden opgenomen. Deze regeling moet snel kunnen worden aangepast, omdat anders studenten die in het bezit zijn van een dergelijk diploma, niet direct kunnen doorstromen naar het hoger beroepsonderwijs of omdat deze studenten tijdig moeten weten welke vakken of deelkwalificaties zij moeten hebben gehaald om te kunnen doorstromen naar het hoger beroepsonderwijs.

4. Het eerste lid van artikel 7.26a (artikel I, onderdeel CC) bepaalt dat bij ministeriële regeling aanvullende eisen kunnen worden gesteld voor bepaalde opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst of voor differentiaties binnen deze opleidingen. Deze ministeriële regeling is op dezelfde manier in de wetgeving ingebed als dat het geval is in het bestaande artikel 7.26, eerste lid, van de WHW.

5. In artikel 7.31a (artikel I, onderdeel EE) wordt geregeld dat bij ministeriële regeling wordt bepaald welke diploma's uit het middelbaar beroepsonderwijs recht geven op een vrijstelling in het hoger beroepsonderwijs. De voornaamste reden om in dit geval voor de vorm van de ministeriële regeling te kiezen is dat op deze wijze sneller kan worden ingespeeld op de ontwikkelingen die zich binnen het beroepsonderwijs en de hogescholen voordoen. Deze bepaling maakt het mogelijk dat, nadat over voorstellen om artikel 7.31a voor bepaalde BVE- en bepaalde hbo-opleidingen toe te passen is overlegd met de BVE- en hbo-sector, deze voorstellen op korte termijn kunnen worden gerealiseerd.

6. In artikel 7.56a (artikel I, onderdeel VV) ten slotte wordt bij ministeriële regeling vastgesteld het aantal plaatsen dat in het daaropvolgende studiejaar beschikbaar is voor opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en de verdeling daarvan over de hogescholen. Ook in dit geval is gekozen voor een ministeriële regeling, omdat flexibel moet worden ingespeeld op de behoefte op de arbeidsmarkt. Overigens wijzen wij er op dat het voornemen om een dergelijke ministeriële regeling vast te stellen op grond van artikel 2.3, derde lid onder c, van de WHW in het HOOP bekend moet worden gemaakt. Ook bij de beperking van inschrijving aan universiteiten en hogescholen op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt op grond van het huidige artikel 7.56 wordt gebruik gemaakt van een ministeriële regeling.

Ministeriële regelingen in de WSF

7. Artikel 9, lid 1f, betreft de duale student die zijn studiefinancieringsmaanden niet aaneengesloten in het begin van het studiejaar wil gebruiken, maar op andere tijden. Het gaat daar om de vraag hoeveel maanden van tevoren de student dat moet aanvragen. Het is in het belang van de student om die termijn zo kort mogelijk te maken. Aan de andere kant moet de regeling voor de IBG wel uitvoerbaar zijn. In de memorie van toelichting (blz. 43) is de verwachting uitgesproken dat de termijn twee maanden kan zijn. Mocht blijken dat een termijn van één maand voor de IBG haalbaar is, dan is het voor de student van belang dat de regeling waarin die termijn voorkomt, snel kan worden gewijzigd. Daarom is in de memorie van toelichting gesteld: «Om de nodige flexibiliteit te waarborgen, wordt de invulling bij ministeriële regeling bepaald». Daaraan kan worden toegevoegd dat ook de aard van de materie zich bij uitstek leent voor het vastleggen in een ministeriële regeling.

8. In artikel 122b, derde lid, is sprake van een vergelijkbare situatie. Daar doet zich de vraag voor hoeveel maanden voor het begin van het studiejaar de aangewezen instelling aan de IBG moet meedelen hoeveel studiepunten de studerenden in dat studiejaar in het onderwijsdeel van de duale opleiding kan halen. Dat gegeven is nodig voor de vaststelling van het aantal maanden studiefinanciering waarop de studerende aanspraak heeft. In de memorie van toelichting (blz. 45) is aangegeven dat ook die termijn naar verwachting twee maanden zal bedragen. Ook daar is het voor de betrokkene (in dit geval de betrokken instelling) van belang dat de termijn snel kan worden verkort wanneer de uitvoering dat mogelijk maakt. In beide varianten vergt een algemene maatregel van bestuur zoveel meer tijd dan een ministeriële regeling, dat de betrokkenen er ten behoeve van een bepaald studiejaar er geen plezier meer van kunnen hebben.

Ministeriële regeling in het overgangsrecht

9. Tot slot zal ook via een nota van wijziging nog een ministeriële regeling worden toegevoegd. Het gaat hier om een regeling waarin de opleidingen worden vermeld die met ingang van het studiejaar 1998–1999 dan wel met ingang van het studiejaar 1999–2000 naast de voltijdse en/of deeltijdse inschrijvingsvorm ook een duale inschrijvingsvorm zullen kennen. Waar wij het van belang achten dat duale opleidingen op korte termijn (in onze visie met ingang van het studiejaar 1998–1999) regulier worden ingevoerd, zal met spoed een voorziening moeten worden getroffen die dat mogelijk maakt. De registratieprocedure voor het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) biedt in dit geval geen uitkomst. Aanmelding van de desbetreffende gegevens diende uiterlijk 28 februari 1997 plaats te vinden. Wij stellen daarom voor de duale opleidingen die voor genoemd studiejaar zijn voorzien, met behulp van een ministeriële regeling te laten starten. Ook voor het studiejaar 1999–2000 is het nog niet mogelijk de CROHO-procedure toe te passen. Naar verwachting zal het onderhavige wetsvoorstel eerst tot wet zijn verheven, nadat de termijn van aanmelding voor de gegevens is verstreken (28 februari 1998). Dit betekent dat de overgangsbepaling zich ook dient uit te strekken tot het studiejaar 1999–2000.

Via dezelfde ministeriële regeling zal ook mogelijk worden gemaakt dat opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een afwijkende studielast desgewenst reeds in het studiejaar 1999–2000 kunnen worden gestart.

Wij zijn van oordeel dat bovenvermelde ministeriële regelingen voor een goede invoering van de voornemens die in het wetsvoorstel zijn neergelegd, niet kunnen worden gemist. Na de totstandkoming van het wetsvoorstel zal op de gebruikelijke wijze uitvoering worden gegeven aan de verschillende opdrachten tot vaststelling van een ministeriële regeling. Wij zijn ervan overtuigd dat de regelingen een bijdrage kunnen leveren aan effectieve en ordelijke uitvoering van de wet.

De leden van de RPF-fractie constateren dat de mogelijkheden voor een bindend studieadvies worden verruimd, waarbij studenten de toegang tot het vervolg van een opleiding ontzegd kan worden. Deze leden vragen op grond waarvan deze maatregel kan worden genomen en of instellingen hierbij verschillende maatregelen hanteren voor het minimaal te behalen aantal studiepunten. Zijn instellingen hierin gebonden aan regels of kan er sprake zijn van willekeur, zo vragen deze leden.

Aangezien het bindend studieadvies voor de student grote consequenties heeft, is het omkleed met een aantal waarborgen waarmee mogelijke willekeur in de instellingspraktijk wordt tegengegaan. Conform de huidige regels voor het bindend studieadvies is in de wet voorzien in een objectiveerbaar criterium: een bindend studieadvies kan alleen worden gegeven wanneer de student, gelet op zijn studieresultaten, niet geschikt geacht moet worden voor de opleiding. De eisen waaraan studenten moeten voldoen, worden vooraf kenbaar gemaakt en neergelegd in een regeling. In verband met de verruiming van het bindend studieadvies zijn in het wetsvoorstel een aantal aanvullende waarborgen opgenomen voor een zorgvuldige procesgang. Voor een nadere uitleg van deze waarborgen verwijzen wij naar paragraaf 1.2.1.

De instellingen zijn derhalve in verband met het uitbrengen van een bindend studieadvies gebonden aan een aantal bij wet vastgestelde criteria, die zorgvuldigheid en daarmee het tegengaan van willekeur zoveel mogelijk garanderen zonder afbreuk te doen aan de beleidsvrijheid van de instellingen.

De bevoegdheid van hogescholen en universiteiten om voor het aantal minimaal te behalen studiepunten per instelling verschillende maatstaven te hanteren vindt haar grond in artikel 7.13, tweede lid, onder o, van de WHW. Op grond van het eerste lid van dat artikel stelt een instelling voor hoger onderwijs voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast. In het genoemde tweede lid wordt de instelling de mogelijkheid gegeven om voor de toelating tot het afleggen van tentamens het met goed gevolg afgelegd hebben van andere tentamens (en derhalve het behalen van een minimaal aantal studiepunten) als voorwaarde op te nemen in de onderwijs- en examenregeling.

De leden van de RPF-fractie vragen of een vermoeden van ongeschiktheid reden kan zijn voor een bindend studieadvies.

In het derde lid van artikel 7.8a is bepaald dat een bindend studieadvies alleen gegeven kan worden, indien een student met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden niet geschikt moet worden geacht voor een opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het instellingsbestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Dat bestuur zal dienen aan te geven waarop het zijn oordeel baseert, en kan daarbij naar ons oordeel niet volstaan met het uitspreken van louter een vermoeden.

De leden van de RPF-fractie vragen zich af of er niet een discontinuïteit tussen propedeuse en afstudeerrichting wordt aangetoond, wanneer een student die zijn propedeuse al heeft behaald, de toegang tot een bepaalde studierichting wordt geweigerd.

Er is hier geen sprake van discontinuïteit. Het is niet altijd zo dat een student die geschikt is bevonden in de propedeuse, ook geschikt is voor alle afstudeerrichtingen en specialisaties die later in een opleiding starten. Er bestaan bovendien opleidingen waarbij de afstudeerrichtingen sterk van inhoud en karakter van elkaar verschillen. De behoefte aan de mogelijkheid om in de postpropedeutische fase te verwijzen zal zich sterker doen voelen naarmate het proces dat is gericht op een herordening van het opleidingenaanbod tot minder en bredere opleidingen, tot resultaten leidt.

De leden van de SGP-fractie en de GPV-fractie vragen hoe de vormgeving van het hoger onderwijsbestel zich verhoudt tot een leven lang leren en de vormgeving van een nieuw stelsel van studiefinanciering.

Het hoger onderwijsbeleid van de afgelopen jaren is erop gericht om studenten een hoger-onderwijsopleiding te verschaffen die past bij hun behoeften en capaciteiten, en die hen een goede positie biedt op de arbeidsmarkt en in hun verdere loopbaan. De voorstellen tot differentiatie in het hbo en wo, versterking van leren-werkencombinaties, nadruk op brede en herkenbare academische en beroepsopleidingen zijn hier een uitdrukking van. In het kennisdebat is het belang van deze ontwikkelingen voor de employability van hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt benadrukt. Wij zijn dan ook de mening toegedaan dat de voorstellen in dit wetsvoorstel een goede basis vormen voor een leven lang leren. Wat betreft de studiefinanciering zijn wij van oordeel dat het studiefinancieringsstelsel gewenste onderwijskundige ontwikkelingen niet moet belemmeren. Het College Hermans zal mede vanuit deze invalshoek adviseren over wenselijke ontwikkelingen van het stelsel van studiefinanciering. Vooralsnog zijn wij van oordeel dat het hier geschetste perspectief voor het hoger onderwijs ook binnen het huidig studiefinancieringsstelsel mogelijk is.

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of niet meer duidelijkheid nodig is over de verhouding tussen instellingen en studenten om echt goede en selecterende keuzen te kunnen maken zonder al te strak te worden beperkt door het keurslijf van de WSF.

Wij zijn van mening dat juist de vormgeving van het eerste jaar onder de prestatiebeurs bij uitstek recht doet aan de selecterende functie van de propedeuse. Dit omdat de studerende de mogelijkheid heeft om zonder gevolgen voor de prestatiebeurs uit te stappen voor 1 februari en bovendien vanwege de aparte afrekening die over het eerste jaar plaatsvindt. Het vervolg van de studie hoeft dan niet belast te worden met de studiefinancieringsgevolgen van een niet goed doorlopen propedeuse.

De leden van de SGP-fractie merken op dat de WHW en de WSF steeds moeilijker toegankelijke wetten worden. In veel wetsartikelen, zo constateren zij, staan verwijzingen naar drie of nog meer andere artikelen, zodat ze nauwelijks of in het geheel niet zelfstandig leesbaar zijn. Deze leden vragen of de regering bereid is om beide wetten, na aanvaarding van dit wetsvoorstel, geheel te herschrijven op een zodanige wijze dat een gemiddelde student in het hoger onderwijs ze redelijkerwijs kan lezen.

Terecht achten deze leden de toegankelijkheid en leesbaarheid van wetten een groot goed. Ook bij het redigeren van de WHW en de WSF is dit facet onderkend. Daarom zijn in die wetten de artikelen steeds voorzien van opschriften en zijn die wetten voorzien van een inhoudsopgave. Echter, toenemende complexiteit van de inhoud van een wet kan haar weerslag hebben op de overzichtelijkheid ervan. Met name bij de WSF was die weerslag niet geheel te vermijden.

Wat verwijzingen betreft, moet steeds een afweging worden gemaakt tussen verwijzen en het overschrijven van de inhoud van een artikel. Aan dit laatste zijn bezwaren verbonden uit een oogpunt van leesbaarheid. Er kunnen dan lange, onoverzichtelijke bepalingen ontstaan die veel herhalingen bevatten. Verwijzingen hebben daarbij het voordeel dat geen misverstanden kunnen bestaan over de precieze inhoud van een begrip of een norm. Om die reden wordt in wetgeving tamelijk stelselmatig van verwijzingen gebruik gemaakt en worden in de regel slechts begrippen «herhaald» voor zover ze elders in de wet (bij voorbeeld in het eerste artikel van de desbetreffende wet of het desbetreffende hoofdstuk) naar behoren zijn gedefinieerd of om een andere reden geen misverstanden kunnen oproepen.

Van het voorstel van deze leden om genoemde wetten te herschrijven, verwachten wij, bij gelijkblijvende inhoud van die wetten, niet een zodanige winst dat wij deze suggestie willen overnemen. Dit neemt niet weg dat wij een goede voorlichting over deze wetten blijven bevorderen.

Voor het antwoord op de vragen van de leden van de GPV-fractie hoe de vormgeving van het hoger onderwijsbestel zich verhoudt tot een leven lang leren en de vormgeving van een nieuw stelsel van studiefinanciering, zijn beantwoord bij het eerder in deze paragraaf gegeven antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de SGP-fractie.

1. Versterking van de selectieve functie van het onderwijs

1.1 Inleiding

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening, dat waar zelfselectie niet functioneert, de instelling haar verantwoordelijkheid moet kunnen nemen, maar dan alleen als zij serieus werk heeft gemaakt van studiebegeleiding en gerichte advisering.

Door de leden van de fracties van CDA en SGP zijn vragen gesteld over het faciliteren van zelfselectie. De leden van de CDA-fractie onderschrijven de noodzaak van de versterking van de selectieve functie van het onderwijs. Vraag is wel of daarmee de brede toegankelijkheid gewaarborgd blijft, temeer waar het wennen aan een nieuwe omgeving en aan een nieuwe uitdaging voor de ene student meer tijd vergt dan voor de andere student. Wanneer het faciliteren van zelfselectie het terechte uitgangspunt blijft, dan staan sancties daarmee op gespannen voet. Hoe denkt de regeling deze spanning weg te nemen, zo vragen deze leden.

De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op het «faciliteren van zelfselectie». Ook vragen deze leden hoe in het kader van dit wetsvoorstel het aantal contact-uren tussen docenten en studenten kan worden vergroot.

Brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor personen met een geschikte vooropleiding is uitgangspunt van dit wetsvoorstel.

Versterking van de selectieve functie van het hoger onderwijs is daarbij nodig om ervoor te zorgen, dat studenten in een meer gedifferentieerd hoger onderwijs eerder op de juiste plek terechtkomen. Het belang van betere verwijzing en selectie blijkt onder meer uit de hoge uitvalpercentages in een latere fase van de studie. Door te bevorderen dat studenten eerder een voor hen geschikte opleiding binnen het hoger onderwijs volgen, wordt uitval tijdens de studie tegengegaan, zodat studenten in een latere fase nog een reële mogelijkheid hebben hun studie af te ronden.

De gedachte achter het versterken van de selectieve functie van het hoger onderwijs en daarmee het bindend studieadvies is dat uitval van studenten tijdens de studie niet zozeer verband houdt met de capaciteiten van studenten. Oorzaken moeten veel meer gezocht worden in een gebrek aan inzet en motivatie, wanneer het gaat over oorzaken aan de kant van de student, en onvoldoende onderwijskwaliteit (met name in de zin van studiebegeleiding en advisering van studenten), wanneer het gaat over oorzaken aan de kant van de instelling. Het zorgvuldig hanteren van het bindend studieadvies als instrument in het beter selecteren (de zorgvuldigheidswaarborgen worden nader besproken in de volgende paragraaf) vergt van de instelling dat goed moet worden gevolgd wat er met de student gebeurt, en dat het nodige moet worden gedaan om de student tot goede studieresultaten te brengen. De student wordt op zijn beurt aangesproken op zijn inzet en motivatie. Een en ander past binnen de «contract-gedachte», waarvan binnen de ontwikkeling van het hoger-onderwijsbeleid gedurende de laatste jaren in de toenemende mate sprake is: de instelling levert goed onderwijs, de student zet zich op zijn beurt ten volle in.

Versterking van de selectieve functie van de propedeuse komt in de eerste plaats tot uitdrukking in het faciliteren van de zelfselectie van studenten. De voorwaarden hiervoor dienen aanwezig te zijn in het onderwijs zelf. Zelfselectie kan worden bevorderd door gerichte advisering van studenten gedurende de propedeuse en bij het maken van de studiekeuze. Wij zijn het dan ook eens met hetgeen door de leden van de PvdA-fractie wordt bepleit, namelijk dat instellingen werk moeten hebben gemaakt van hun begeleiding en advisering om zelfselectie goed te kunnen laten functioneren. Een hechte relatie tussen docent en student is daarvoor een noodzakelijke conditie. Dit kan betekenen dat het aantal contacturen tussen docenten en studenten wordt vergroot, zoals de leden van de SGP-fractie vragen. Het is aan de instellingen zelf om het aantal contacturen tussen docenten en studenten vast te leggen. Er zijn in dit verband, afhankelijk van de aard van de opleiding en het type onderwijs, ook andere mogelijkheden om begeleiding en advisering te verbeteren. In het kader van het werkprogramma Kwaliteit en Studeerbaarheid – waarover hieronder meer wordt opgemerkt – worden hiertoe voorwaarden gecreëerd.

Zelfselectie zal, ondersteund door studiebegeleiding en gerichte advisering, doorgaans voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de student een goede keuze maakt. Indien zich op deze regel uitzonderingen voordoen, dient dit gecorrigeerd te kunnen worden door de instelling via het geven van studieadviezen. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in voorwaarden voor meer gerichte en, indien nodig, bindende studieadviezen. In dit wetsvoorstel is geen sprake van een spanning tussen de nadruk op het zelfselecterend vermogen van de student en de verruiming van de mogelijkheden voor instellingen tot het geven van een bindend studieadvies, door de leden van de CDA-fractie sancties genoemd. Voorop staat dat het uitgangspunt zelfselectie is. Aanvullend op de regel dat zelfselectie leidt tot een goede keuze, wordt de instelling, beter dan tot nu toe het geval is, in staat gesteld corrigerend op te treden.

Het faciliteren van zelfselectie wordt bevorderd via het werkprogramma Kwaliteit en Studeerbaarheid en het daarbij behorende studeerbaarheidsfonds. Tot de beoogde resultaten van dit programma behoren aspecten die zeer relevant zijn voor het zelfselecterend vermogen van studenten, namelijk:

– intensieve begeleiding van studenten en monitoring van studievoortgang,

– grotere betrokkenheid en verantwoordelijkheid van studenten voor het eigen leerproces en het verstevigen van de relatie tussen studenten en docenten, en

– beter gestructureerde opleidingsprogramma's, die zich kenmerken door intensief onderwijs en gerichte advisering aan studenten.

De uitvoering van het programma wordt door de hogescholen en universiteiten in het kader van vanuit het studeerbaarheidsfonds bekostigde projecten voortvarend ter hand genomen

De leden van de GPV-fractie zijn niet overtuigd van de voorgestelde maatregelen ter versterking van de selectieve functie van het hoger onderwijs. Zij vragen of het niet zo is dat studenten bij de afweging welke studie zij gaan volgen al in voldoende mate worden geprikkeld door de negatieve financiële gevolgen die een verkeerde keuze kan hebben.

Zoals bij de beantwoording van de vragen van de PvdA-, CDA-, en SGP-fracties hiervoor is aangegeven, is zelfselectie het uitgangspunt. Wat betreft het instrument van het bindend studieadvies moet worden benadrukt dat het hier gaat om een facultatieve benadering. Instellingen kunnen hun eigen afwegingen maken om al dan niet gebruik te maken van de verruimde mogelijkheden. Van belang is dat de instellingen door gericht en weloverwogen gebruik te maken van wettelijk vastgestelde instrumenten hun instellingsbeleid inzake selectie, studeerbaarheid en kwaliteit kunnen verfijnen, en dat studenten in staat worden gesteld – juist vanwege de strengere condities in het stelsel van studiefinanciering – in een vroeg stadium een goede keuze te maken omtrent hun loopbaan in het hoger onderwijs en aldus eerder op de juiste plek terecht te komen.

De leden van de GPV-fractie vragen waarom de regering aan het bindend studieadvies wenst vast te houden, terwijl uit het inspectierapport over studieadvies in het hoger onderwijs blijkt, dat de instellingen hiervan geen voorstander zijn.

Wij wijzen erop dat volgens het inspectierapport het bindend studieadvies in ruime mate wordt toegepast bij hogescholen. Voorts heeft één universiteit (de Rijksuniversiteit Leiden) het bindend studieadvies in 1997–1998 voor alle opleidingen ingevoerd. Overigens betekent het gegeven dat sommige instellingen geen gebruik wensen te maken van dit instrument, nog niet dat het instrument voor andere instellingen onbruikbaar is. Eerder is reeds aangegeven wij hebben gekozen voor een facultatieve benadering. Instellingen kunnen zelf afwegen of het invoeren van het bindend studieadvies past binnen hun selectiebeleid.

De leden van de GPV-fractie vragen of op deze wijze een instrument in het leven wordt geroepen dat universiteiten en hogescholen kunnen gebruiken als zij in de toekomst zullen worden afgerekend op de output van studenten.

Wij zijn van mening dat het afrekenen van instellingen op de output van studenten juist een instrument kan zijn dat instellingen kunnen gebruiken om de selectieve functie van het hoger onderwijs te versterken. Een onderwijsbekostiging die deels afhankelijk wordt gesteld van het aantal gerealiseerde diploma's, bevordert dat instellingen ervoor zorgen dat studenten zo vroeg mogelijk op de goede plek terecht komen door middel van effectieve en zorgvuldige selectie en verwijzing.

Het instrument van het bindend studieadvies beoogt de zelfselectie van de studenten te ondersteunen en zo nodig – bij bindende af- en verwijzing – te corrigeren. Het oogmerk daarbij is de gerede kans dat de student succesvol de opleiding kan afronden. Een gerichte af- of verwijzing leidt tot een maximale rendement van instellingen: zoveel mogelijk studenten laten afstuderen. Een sterkere oriëntatie in de bekostiging op prestaties ondersteunt dan ook ons beleid gericht op betere verwijzing in de propedeuse. Wij verwachten niet dat het aantal bindende af- en verwijzingen van een zodanige omvang zal zijn dat dit bij een outputfinanciering leidt tot minder gerealiseerde diploma's.

1.2.1 & 1.2.2 Bindend studieadvies

De leden van de PvdA-fractie vinden onderbelicht dat de instellingen het gebruik van een bindend studieadvies alleen kunnen rechtvaardigen als er aantoonbaar werk is gemaakt van de noodzakelijke begeleiding en advisering. Zij achten een aanvulling op de waarborgen van zorgvuldigheid van belang. Daarbij is van belang dat studenten medezeggenschap hebben bij de beoordeling van de geschetste aanpak.

Wij zijn het met de leden van de PvdA-fractie geheel eens dat studiebegeleiding een integraal onderdeel moet zijn van het gebruik van het instrument bindende af- en verwijzing. Gekozen is voor een facultatieve benadering. Instellingen kunnen zelf afwegen of invoering van het bindend studieadvies past binnen hun beleid. Hierbij zal de wijze waarop de studiebegeleiding is vormgegeven een punt van afweging moeten zijn. Aanvullende waarborgen achten we niet nodig. Hiervoor verwijzen we naar hetgeen is aangegeven in de inleiding. Uit een recente inventarisatie van de inspectie, «Initiatieven van universiteiten tot selectie, verwijzing en differentiatie (juli 1997)» blijkt ook dat universiteiten hun studentenbegeleiding aan het intensiveren zijn.

Terecht wijzen de leden van de PvdA-fractie ook op het belang van de medezeggenschap van de studenten bij de beoordeling van de aanpak. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat de nadere regels van het bindend studieadvies worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. Op deze wijze zijn de regels voor het bindend studieadvies onderworpen aan beoordeling door de faculteitsraad of – bij hogescholen – door de medezeggenschapsraad. Daarnaast is een rol weggelegd voor opleidingscommissies. Deze hebben in het hbo en wo mede tot taak het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoering van de onderwijs- en examenregeling, waarin tevens individuele studiebegeleiding is opgenomen. Van de adviezen van deze commissies mag het instellingsbestuur alleen met redenen omkleed afwijken.

Het lijkt de leden van de PvdA-fractie logisch het bindend studieadvies niet voor te schrijven, maar als facultatieve mogelijkheid te blijven zien. Zij vragen hoe de indieners van het wetsvoorstel in de tijd zien dat een student eerst een waarschuwing moet krijgen en in de gelegenheid wordt gesteld zijn studieresultaten te verbeteren.

Om te beginnen verwijzen wij in dit verband naar de regeling in dit wetsvoorstel dat de student voor 1 februari kan worden gewaarschuwd en naar de nadere toelichting van deze regeling in het antwoord op vraag van de leden van de CDA-fractie over de versoepeling van het bindend studieadvies.

Verder merken wij op dat het instellingsbestuur bij het geven van een «waarschuwing» een «redelijke termijn» bepaalt waarbinnen de studieresultaten moeten zijn verbeterd. In de praktijk zal een redelijke termijn samenhangen met de planning van het onderwijs binnen de opleiding en kan dus per geval verschillen. Het laatste is overigens geen novum in de WHW. Zo moet ook bij de afstudeerregeling per geval worden bepaald wat een redelijke termijn is.

Het blijft voor de leden van de PvdA-fractie de vraag hoe duidelijk de voorspellende waarde is van het bindend oordeel na een studiejaar.

De voorspellende waarde van het studieadvies zal nooit met volledige zekerheid kunnen worden vastgesteld al was het maar, omdat niet kan worden nagegaan of de student die zich voegt naar een (bindend) advies, dit al dan niet terecht heeft gedaan. De vraag is of het mogelijk is een oordeel te vormen over de capaciteiten van een student en of het verantwoord is dat te doen op basis van diens studieresultaten. Wij menen dat deze vraag, gegeven het beschikbare materiaal (zie inspectierapport 1996–3), positief kan worden beantwoord.

De leden van fractie van het CDA vragen of de vergaande regulering, die in het onderhavige wetsvoorstel met het bindend studieadvies lijkt samen te hangen, past in het kader van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit. Later in het verslag vragen deze leden of de grotere regeldichtheid zich verdraagt met de autonomie van de instellingen. Op die plaats geven de leden van de PvdA-fractie ook aan dat naar hun mening moet worden gewaakt tegen een te vergaande en gedetailleerde regeling, zeker als niet vaststaat hoe de instelling in kwestie zichzelf voorbereidt op het kunnen geven van een bindend studieadvies. Deze leden achten goede voorlichting door instellingen van afgewezen studenten over eventuele andere opleidingen nodig.

In dit wetsvoorstel is een aantal verruimingen van het bindend studieadvies opgenomen. Daarbij blijft sprake van een facultatieve benadering. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij de selectieve functie van de propedeuse invullen. Van het bindend studieadvies kunnen zij gebruik maken, een verplichting hiertoe wordt niet opgelegd. Wij vinden het van belang dat, indien een instelling ervoor kiest hiervan gebruik te maken, dit gebruik vanwege de grote consequenties voor de student omkleed moet zijn met een aantal waarborgen, die studenten zoveel mogelijk de garantie van zorgvuldigheid bieden. Met name wordt hier gedoeld op:

– een objectiveerbaar criterium ten aanzien van de gevallen waarin een bindend studieadvies kan worden gegeven,

– een zorgvuldige procesgang, waarin de student voorafgaand gewaarschuwd wordt en de gelegenheid krijgt om te worden gehoord,

– opname van nadere regels terzake van het bindend studieadvies in de onderwijs- en examenregeling, waardoor in het kader van het hiervoor genoemde punt wordt voorzien in kenbaarheid voor de studenten, en

– de rechtsbescherming voor studenten.

Het wetsvoorstel voorziet in deze waarborgen. Nadere uitwerking en inrichting van de regels voor het bindend studieadvies behoren tot de bevoegdheid van de instellingen.

Wij zijn van mening dat op deze manier een evenwicht is gevonden tussen het vergroten van de autonomie van de instellingen en het waarborgen van zorgvuldigheid jegens studenten. Autonomie van de instellingen wil immers niet zeggen dat instellingen niet meer te maken zouden hebben met regelgeving, maar dat onder meer nadere uitwerking van regelgeving door de instellingen in hun bestuurlijke praktijk wordt ingepast. Wat betreft de opmerking van de leden van de PvdA-fractie over voorlichting aan afgewezen studenten, verwijzen wij naar de beantwoording van de vragen van deze leden over de zorgvuldigheid van begeleiding en advisering.

De leden van de CDA-fractie vragen verder een nadere uiteenzetting over de versoepeling van het blijvende karakter van het bindende advies naast de aanscherping die het gevolg is van de omstandigheid dat nu al in de loop van het eerste studiejaar een bindend studieadvies kan worden uitgebracht. De voorgestelde wijziging in het beleid gaat naar de mening van deze leden voorbij aan de omstandigheid dat nogal wat studenten meer dan een half studiejaar nodig hebben om zich diepgaand te oriënteren zowel op de inhoud van de studie als op zijn omgeving. Wat is de zin van een bindend studieadvies in het eerste studiejaar, met name in het hoger beroepsonderwijs, en is selectieve verwijzing het oogmerk, zo vragen deze leden.

Voor de beantwoording van deze vraag kan worden verwezen naar de beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-, CDA- en SGP-fracties over het faciliteren van zelfselectie in paragraaf 1.1. Daarbij is opgemerkt dat het bindend studieadvies een uiting is van het «contract» tussen de instelling en de student: de instelling moet studenten monitoren en leiden naar goede studieresultaten, de student wordt geprikkeld om inzet en motivatie te intensiveren.

Daarnaast kan worden opgemerkt dat naar aanleiding van het advies van de Raad van State het onderhavige wetsvoorstel inmiddels zodanig is aangepast dat het bindend studieadvies strekkende tot verwijdering van de opleiding of tot verwijzing naar een andere opleiding niet eerder mogelijk zal zijn dan tegen het einde van het eerste propedeusejaar. De student kan voor 1 februari worden gewaarschuwd, opdat hij of zij in het kader van zelfselectie op het idee wordt gebracht de opleiding desgewenst voor 1 februari te verlaten. Betrokkene hoeft dan niet de tot dan toe verstrekte studiefinanciering terug te betalen.

De leden van de CDA-fractie vinden het opvallend dat een student opnieuw voor een zelfde opleiding kan worden ingeschreven, nadat hij een bindend studieadvies heeft gekregen.

Indien een student na een bindend studieadvies opnieuw voor dezelfde opleiding aan dezelfde instelling wil worden ingeschreven, kan dit alleen indien hij aannemelijk maakt dat hij die opleiding nu wel met vrucht zal kunnen volgen. Hierbij gaat het naar onze mening niet om het lukraak geven van een motivering, maar hij zal moeten aantonen dat zijn situatie sinds het bindend studieadvies is gewijzigd. Voor de beoordeling van dergelijke verzoeken kan het instellingsbestuur zelf criteria ontwikkelen. Overigens geldt een bindend studieadvies, anders dan deze leden veronderstellen, alleen voor een bepaalde opleiding. Het staat de student vrij zich aan te melden voor dezelfde opleiding aan een andere instelling, zonder dat daarvoor een dergelijk gemotiveerd verzoek nodig is. Deze mogelijkheid tot aanmelding bij een andere instelling bestaat overigens ook nu al.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van de experimenten bij een aantal universiteiten met betrekking tot selecteren aan de poort en vragen waarom dit onderwerp niet in deze wet wordt geregeld.

In het HOOP 1996 is over het onderwerp «topopleidingen» (en de daarmee samenhangende «selectie aan de poort») aangegeven dat dat onderwerp niet snel tot wetsvoorstellen zal leiden. Experimenten in die richting zijn uiteindelijk niet voorgesteld, omdat met de versterking van de selectie- en allocatiefunctie van het voortgezet onderwijs voldoende bijdraagt aan kwalificatie voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs. De regelgeving bevat voorts voldoende instrumenten om vorm te geven aan «excellente leerwegen» en het stimuleren van kwaliteit.

De leden van de D66-fractie vragen de regering te motiveren waarom ervoor is gekozen alleen voor sommige opleidingen een negatief advies tot een verwijzing te laten leiden.

De vraag van deze leden lijkt te berusten op een misverstand. Van overheidswege worden geen opleidingen aangewezen die in aanmerking komen voor invoering van het bindend studieadvies. Gekozen is voor een facultatieve benadering. Instellingen hebben de vrijheid om het instrument van het bindend studieadvies al dan niet toe te passen. Uitgangspunt is de uitbreiding van het instrumentarium waar instellingen gebruik van kunnen maken om hun selectiebeleid vorm te geven. Het is tevens aan de instellingen om – als men kiest voor het uitbrengen van bindende studieadviezen – dat voor een of meer opleidingen te doen.

De leden van de D66-fractie vragen welk soort opleidingen naar de verwachting van de regering een bindend studieadvies zullen invoeren.

De invoering geschiedt door het instellingsbestuur, niet door de opleidingen zelf. Naar onze verwachting zullen de instellingen die geconfronteerd worden met hoge uitvalpercentages in de post-propedeutische fase van bepaalde opleidingen, de oriënterende, selecterende en verwijzende functie van de propedeuse-programma's van die opleidingen trachten te versterken. Een van de instrumenten die het instellingsbestuur daarbij kan inzetten is het bindend studieadvies. Zoals bekend (zie het inspectierapport «Studieadvies in het hoger onderwijs», 1996–3) wordt het bindend studieadvies in het hbo in ruime mate toegepast. In het wo is er nu één instelling (de Rijks Universiteit Leiden) die met ingang van het studiejaar 1997–1998 het bindend studieadvies heeft ingevoerd en wel voor alle opleidingen, overigens na met dit instrument op kleinere schaal te hebben proefgedraaid. Bij enkele andere instellingen is de invoering van het bindend studieadvies in discussie. Dit algemene beeld maakt het moeilijk een verwachting uit te spreken voor welk soort opleidingen in de toekomst een bindend studieadvies wordt ingevoerd.

De leden van de D66-fractie vragen of de informatie over welke opleidingen een bindend studieadvies geldt wordt opgenomen in bijvoorbeeld de keuzegids HO.

Wij verwijzen naar artikel I, onderdeel V (art. 7.15), van ons wetsvoorstel. Daarin is tot uitdrukking gebracht dat de instellingen die het bindend studieadvies wensen toe te passen, dit tijdig voor de aanvang van het studiejaar bekend moeten maken voor iedere opleiding waarvoor het zal worden toegepast. Hetzelfde geldt overigens voor de bindende verwijzing na de propedeutische fase volgens in het nieuw voorgestelde artikel 7.9. Het opnemen van deze informatie in de Keuzegids HO lijkt een goede suggestie, die aan de redactie in overweging wordt gegeven.

De leden van de SGP-fractie vragen of het geen aanbeveling verdient instellingen het recht te geven om inschrijvingen van studenten die bij een andere instelling een afwijzend studieadvies hebben gekregen, te weigeren of aanvullende eisen te stellen.

Uitgangspunt blijft de brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor degenen die zich daarvoor via door de wet aangegeven vooropleidingen kwalificeren. Daarbij komt dat een student die een afwijzing voor een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs heeft gekregen, mogelijk wel geschikt is voor een opleiding (ook een met dezelfde naam) aan een andere instelling, omdat de laatst bedoelde opleiding door een andere inhoudelijke en/of organisatorische vormgeving van het onderwijs wel kan aansluiten bij de capaciteiten, waaronder begrepen de inzet en motivatie, van de betrokken student. Om deze redenen geeft de suggestie van de leden van de SGP-fractie ons geen aanleiding ons wetsvoorstel op dit punt te herzien.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de kwaliteit van de studieadviezen kan worden gewaarborgd.

De eerder genoemde waarborgen in dit wetsvoorstel, waarmee het bindend studieadvies is omkleed, garanderen in onze ogen een voldoende kwaliteitsniveau. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat een bindend studieadvies in voorkomende gevallen de beoordeling door het college van beroep voor de examens moet kunnen doorstaan.

1.2.3 Waarborgen voor zorgvuldigheid

Ons antwoord op de eerste vraag van de leden van de PvdA-fractie en die van de leden van de CDA-fractie in paragraaf 1.2.3. van het verslag hebben wij in de vorige paragraaf van deze nota gegeven naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie over de relatie tussen regeldichtheid bij het bindend studieadvies en martkwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit.

De leden van de VVD-fractie vragen over de deskundigen die de student mogen bijstaan in geval hij wordt gehoord in verband met een afwijzend advies, welk soort deskundigen hiermee worden bedoeld.

Door de studentenorganisaties is in het overleg over het ontwerp-HOOP 1996 omwille van de rechtszekerheid van de student het belang om de student de mogelijkheid te bieden een «second opinion» in te brengen aan de orde gesteld. Het staat de student geheel vrij die persoon uit te kiezen.

De leden van deze fractie vragen vervolgens waarom de bepalingen met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden in een algemene maatregel van bestuur moeten worden vastgelegd en of dit niet in strijd is met het streven naar grotere autonomie van de instellingen.

Het voorgestelde artikel 7.8a, zevende lid, wijkt niet af van het bestaande artikel 7.9, vierde lid, van de WHW. De bepalingen waarop deze leden doelen zijn dan ook geen nieuwe bepalingen, maar zijn de bepalingen zoals die reeds zijn opgenomen in artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit WHW. Omwille van de rechtszekerheid van de student zijn deze omstandigheden vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. In dit artikel wordt voorgeschreven met welke persoonlijke omstandigheden rekening moet worden gehouden. Deze persoonlijke omstandigheden zijn in algemene zin omschreven. Het is aan de instellingen om aan deze criteria concreet invulling te geven. Wij zijn derhalve van mening dat de autonomie van de instellingen door deze bepalingen niet wordt ingeperkt.

De leden van de fractie van D66 wijzen er op dat de eisen ten aanzien van de studieresultaten, de persoonlijke omstandigheden en de termijnen die gelden in het geval van een waarschuwing op verschillende plaatsen worden gepubliceerd, namelijk de eerste en de laatste in de onderwijs- en examenregeling en de tweede in een algemene maatregel van bestuur. Deze leden vragen zich af of deze regelingen voor studenten goed zijn te raadplegen en of het geen aanbeveling verdient de regelingen op te nemen in het studentenstatuut of de studiegids.

Wij vrezen niet dat de regelingen waarop deze leden doelen aan studenten onvoldoende bekend gemaakt zullen worden. Terecht wijzen de aan het woord zijnde leden op de werking van artikel 7.15. Op grond van dat artikel zoals dat nader wordt aangepast in ons wetsvoorstel is het instellingsbestuur verantwoordelijk voor een deugdelijke bekendmaking van – onder meer – de eisen ten aanzien van de studieresultaten en van de bedoelde termijnen. Dit is met name van belang voor aankomende studenten. De zittende studenten zullen deze regelingen kunnen terugvinden in de onderwijs- en examenregeling, die krachtens artikel 7.59, vierde lid, onderdeel moet uitmaken van het opleidingsspecifieke deel van het studentenstatuut. De persoonlijke omstandigheden kunnen op grond van artikel 7.59, vijfde lid, worden teruggevonden in het instellingsspecifieke deel van dat studentenstatuut.

De leden van de D66-fractie vragen vervolgens waarom de persoonlijke omstandigheden centraal worden geregeld, terwijl de nadere definiëring van studieresultaten aan de instellingen wordt overgelaten.

Zoals hierboven in antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD-fractie reeds is aangegeven, worden omwille van de rechtszekerheid van de student de persoonlijke omstandigheden vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Deze persoonlijke omstandigheden zijn in algemene zin omschreven. Het is aan de instellingen om aan deze criteria concreet invulling te geven. De eisen die een instelling aan studieresultaten stelt, dienen niet verder te worden ingekaderd in een algemene maatregel van bestuur. Tevens moet naar onze mening aan de instelling worden overgelaten welke studieresultaten van een student worden verwacht.

1.2.4 Uitvoering

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of binnen het hbo een homogener uitvoeringsregime tot stand komt dan binnen het wo en vragen of dit toelaatbaar is, gelet op het gemeenschappelijk beleidskader van de WHW.

Het opstellen van de regeling inzake studieadvies, waarschuwing en afwijzing is in het hbo en het wo inderdaad verschillend ingericht. Hierbij moet evenwel worden benadrukt dat de verschillen de bestuurlijke constellatie betreffen waarbinnen deze instrumenten worden gehanteerd, maar dat de instrumenten zelf binnen hbo niet van wo dan wel andersom verschillen. In het hbo behoort een en ander tot de taak van het instellingsbestuur. In het wo is naast het college van bestuur ook de decaan belast met het bindend studieadvies. Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie (MUB, wet van 27 februari 1997, Stb. 177) is de verantwoordelijkheid binnen universiteiten aldus verdeeld, dat het college verantwoordelijk is voor de keuze van opleidingen waarbinnen het bindend studieadvies kan worden gehanteerd en de decaan verantwoordelijk is voor de inhoudelijke uitwerking per opleiding. Deze verdeling van verantwoordelijkheden sluit aan bij de (bestuurlijke) constellatie van het wo. Het verschil in de wijze waarop de uitvoering voor het hbo en voor het wo is geregeld, is geenszins in strijd met het beleidskader van de WHW. De WHW voorziet immers naast een gemeenschappelijk wettelijk regime voor onderwerpen als de kwaliteit van het onderwijs, het opleidingenaanbod, de planning en bekostiging in afzonderlijke regimes betreffende de inrichting en het bestuur van universiteiten en hogescholen. Een verschillende uitwerking van regels over het gebruik van instrumenten als het bindend studieadvies ligt in het verlengde daarvan en vindt zijn oorsprong in verschillen tussen de bestuurlijke inrichting van hogescholen en universiteiten.

1.3 Verwijzing binnen de opleiding

De leden van de PvdA-fractie verzoeken om een nadere toelichting van de regering op het verwijzen binnen de opleiding, met name bij de onder hoofdstuk 2 geschetste korte opleidingen. Deze leden merken op verwijzing direct na de propedeuse niet zinvol te vinden. De leden van de fractie van D66 vragen waarom niet is voorgeschreven dat een dergelijk advies moet worden voorafgegaan door een waarschuwing.

Wat betreft de kandidaatsopleidingen wo merken wij op, dat uitgangspunt van dit wetsvoorstel is, dat de student na de driejarige opleiding kan kiezen voor een vervolgopleiding. Wanneer volgende op een kandidaatsopleiding verschillende vervolgopleidingen worden aangeboden, kan het instellingsbestuur besluiten dat de toelating tot vervolgopleidingen selectief van aard is.

Wordt slechts één vervolgopleiding aangeboden, dan kan bij de toelating van gediplomeerden uit de daaraan voorafgaande driejarige opleiding uiteraard geen selectie worden toegepast. Bij deeltijdse vervolgopleidingen die deel uitmaken van een leren-werkentraject, kan de universiteit eisen stellen aan de werkkring van studenten. Het instrument van verwijzen binnen de opleiding zal in deze context naar onze verwachting dan ook minder worden gehanteerd dan binnen de vierjarige opleidingen.

Wij zijn het overigens met de leden van de PvdA-fractie eens dat verwijzing direct na de propedeuse niet altijd zinvol is. Verwijzing in deze zin heeft met name betekenis, indien afstudeerrichtingen sterk van elkaar verschillen naar inhoud en karakter. Dit laat overigens onverlet dat de propedeuse voor elk van de afstudeerrichtingen een adequate voorbereiding moet bieden. Naar onze verwachting zal verwijzing binnen de opleiding veelal plaatsvinden, voordat de student zijn of haar afstudeerrichting bepaalt.

Verwijzing binnen de opleiding is met dezelfde waarborgen omkleed als het bindend studieadvies in de propedeuse. In een afzonderlijk aan de Kamer toe te zenden nota van wijziging wordt een aanpassing van artikel 7.9 opgenomen, die inhoudt dat aan de verwijzing binnen de opleiding evenals aan het bindend studieadvies in de propedeuse een waarschuwing vooraf moet gaan.

De leden van de CDA-fractie plaatsen vraagtekens bij de beoogde verwijzing binnen de opleiding, omdat een student niet geschikt (zou) kunnen zijn om alle specialisaties of afstudeerrichtingen te kunnen volgen. Nog afgezien van de vraag af of die (on)geschiktheid al binnen de propedeutische fase kan worden beoordeeld vinden zij de detaillering in de verwijzing erg ver gaan. Daarbij komt volgens deze leden dat de diverse opleidingen in reikwijdte en werkingssfeer verschillend zijn. Zij vragen de bewindslieden toe te lichten hoe de verwijzing binnen de opleidingen kan uitpakken.

Het wetsvoorstel voorziet in verwijzing in zowel de propedeutische als postpropedeutische fase.

De propedeuse heeft naast een verwijzende, een oriënterende en selecterende functie. Het gaat dan om oriëntatie op de vakinhouden die in de post-propedeutische fase aan de orde komen en om selectie op grond van de geschiktheid van de student voor het postpropedeutische programma, dan wel voor deze of gene afstudeerrichting. Juist omdat de diverse (afstudeerrichtingen van) opleidingen verschillend kunnen zijn in reikwijdte en werkingssfeer, is detaillering in de verwijzing van belang. Wij achten het zeer wel mogelijk dat op grond van de studieresultaten in de propedeuse vastgesteld kan worden dat een student voor de ene afstudeerrichting wel en voor de andere niet geschikt is. Het propedeuse programma dient dan wel elementen te bevatten die de (on)geschiktheid van een student voor een bepaalde afstudeerrichting indiceren. Overigens kan ook na de propedeuse nog worden overgegaan tot een verwijzing naar een afstudeerrichting als deze niet direct aansluitend aan de propedeutische fase aanvangt. In dit verband verwijzen wij naar de beantwoording van de vraag, die is gesteld door de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de CDA-fractie vragen of aan de hand van voorbeelden – juridische faculteit, medische faculteit, technische faculteiten aan hbo en wo – uiteengezet kan worden dat zulk een vroegtijdige verwijzing mogelijk, haalbaar en uitvoerbaar is.

Instellingen zijn vrij in de vormgeving van opleidingen en in het verbinden van meerdere afstudeerrichtingen aan een opleiding, met inachtneming van de bepalingen die gelden voor registratie in het CROHO. De wijze waarop onderwijsprogrammering wordt vormgegeven kan dus van instelling tot instelling verschillen. Omdat bovendien (bindende) verwijzing binnen een opleiding in de praktijk nog niet voorkomt, is het niet doenlijk om hiervan concrete voorbeelden te geven. Het al dan niet introduceren van verwijzing binnen de opleiding is een eigen keuze van de instelling. De instellingen zullen zelf – indien men tot verwijzing binnen de opleiding overgaat – moeten aangeven dat die verwijzing mogelijk, haalbaar en uitvoerbaar is.

Deze leden vragen vervolgens wat de betekenis is van het administratieve beroep.

Op grond van artikel 7.61, eerste lid, kan een student die het niet eens is met de beslissing van de instelling ten aanzien van een verwijzing binnen de opleiding beroep instellen bij het college van beroep voor de examens. Deze mogelijkheid bestaat ook nu reeds voor het studieadvies op grond van het huidige artikel 7.9 en zal ook gaan gelden voor het bindende studieadvies op grond van het nieuwe artikel 7.8a.

De leden van de CDA-fractie vragen op basis van welke criteria getoetst wordt.

Zoals bij elk administratief beroep vindt er een volle toetsing plaats. Dit impliceert dat het wettelijk criterium voor het instellingsbestuur, namelijk de studieresultaten van de student met inachtneming van eventuele bijzondere omstandigheden van de student, ook het toetsingscriterium is waaraan het aangevallen besluit zal worden getoetst door het beroepsorgaan.

De leden van de fractie van D66 missen in het wetsvoorstel een gedegen verwijzing naar de begeleiding van de student naar een andere opleiding aan dezelfde of een andere instelling. Het is toch altijd de bedoeling geweest dat een student niet alleen wordt geadviseerd over het al dan niet voortzetten van de studie, maar ook over mogelijke alternatieven, zo vragen deze leden.

Wij zijn het met deze leden eens dat de instellingen hun studieadvisering moeten koppelen aan intensieve vormen van (studie)begeleiding, vooral in geval een student naar een andere opleiding of naar een andere instelling wordt verwezen. Het (bindend) studieadvies moet dus ingebed zijn in de processen van studiebegeleiding en monitoring. Elke student heeft ook recht op studiebegeleiding. Dit is vastgelegd in artikel 7.34 WHW. Voorts ontvangt iedere student vanwege het instellingsbestuur het studentenstatuut, waarin in het opleidingsspecifieke deel de faciliteiten voor studiebegeleiding staan omschreven. Verder ontvangt elke student aan het eind van het eerste studiejaar een studieadvies. Op deze wijze bevatten de wettelijke regelingen voldoende instrumenten om te waarborgen dat de instellingen de studenten adequaat zullen begeleiden, ook als het gaat om een verwijzing naar een andere opleiding.

De leden van de D66-fractie vragen de regering naar een reactie op de opvatting dat de regels die door het instellingsbestuur respectievelijk de decaan worden vastgesteld over studieresultaten en termijnen tevens voorwaarden voor begeleiding moeten bevatten.

Het lijkt ons voor de hand te liggen dat daar waar wordt vastgelegd welke regels en plichten voor de student gelden ten aanzien van zijn studievoortgang ook zijn recht op studiebegeleiding aan de orde komt. Het is echter aan het instellingsbestuur om te beslissen in welke vorm en in welk document condities voor studiebegeleiding worden vastgelegd, mits de algemene bepalingen over de faciliteiten voor studiebegeleiding in de onderwijs- en examenregeling en in het studentenstatuut zijn opgenomen.

Voor het antwoord op de vragen van de leden van de D66-fractie over bindende verwijzing in de post-propedeutische fase verwijzen wij naar ons antwoord daarop aan het begin van deze paragraaf (1.3).

1.4 Prestatiemeting voor de studiefinanciering

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of wijziging van de WSF wel opportuun is zolang het College Hermans nog geen advies heeft uitgebracht over de toekomst van het stelsel.

Wij achten dit wel opportuun, omdat de voorgestelde wijzigingen van groot belang zijn bij de realisering van het in het HOOP 1996 vastgestelde beleid. Bij de besluitvorming over het advies van het College Hermans zal dit beleid wat ons betreft een belangrijk referentiepunt vormen.

Tegen de achtergrond van de grote behoefte aan afgestudeerden uit het middelbaar- en hoger beroepsonderwijs roept ook het afschaffen van de mogelijkheid om vrijstellingen te laten meetellen in het kader van de tempobeurs en de prestatiebeurs volgens de leden van de CDA-fractie vragen op.

Het meetellen van vrijstellingen vormde bij de invoering van de tempobeurs en later de prestatiebeurs een oplossing voor een studeerbaarheidsprobleem. Inmiddels is het onderwijs zich steeds meer gaan richten op de specifieke behoeften van studenten en krijgt de studeerbaarheid van onderwijsprogramma's steeds meer aandacht. Mocht er sprake zijn van studeerbaarheidsproblemen in die zin dat een student niet aan zijn of haar norm voor de studievoortgangscontrole (tempobeurs) heeft kunnen voldoen als gevolg van de inrichting van het onderwijs, dan kan een student op grond van artikel 7.51, tweede lid, van de WHW een beroep doen op het afstudeerfonds van de instelling.

Een en ander betekent, dat aan de voornoemde situatie een einde kan worden gemaakt. Voorwaarde daartoe is uiteraard dat een dergelijke wijziging is ingebed in een traject van verbeterde studiebegeleiding en voorlichting. Daarin wordt in het kader van dit wetsvoorstel en het reeds genoemde werkprogramma Kwaliteit en Studeerbaarheid voorzien. Met het beëindigen van de mogelijkheid om vrijstellingen mee te tellen in het kader van tempobeurs en prestatiebeurs wordt recht gedaan aan een situatie waarin het zelfselecterend vermogen van de student meer op de voorgrond komt te staan.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het met deze leden eens is dat beoordeling van geschiktheid voor de studie in principe los hoort te staan van het aantal studiepunten dat moet worden behaald om in de prestatiebeurs de voorwaardelijke lening om te zetten in gift. Deze leden verwijzen daarbij naar de passage aan het slot van hoofdstuk 1 van de memorie van toelichting, die in hun ogen enigszins cryptisch is. Waarom is deze wijziging bij dit wetsvoorstel ingevoerd, vragen deze leden.

Wij zijn het inderdaad met deze leden eens dat het hier om verschillende zaken gaat. De betreffende passage probeert alleen maar duidelijk te maken dat de studiepunten in de WHW gehanteerd worden als instrument om vrijstellingen te faciliteren. Deze worden voor bepaalde groepen instromers in het hbo uit het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) ingevolge het onderhavige wetsvoorstel nu standaard verstrekt. Doordat tot nu toe vrijstellingen meetelden als studieprestatie in het kader van de prestatiebeurs, zouden deze studenten nu standaard materieel vrijgesteld zijn van een prestatie-eis in het eerste jaar in het hbo. Dit zou een rechtsongelijkheid scheppen met de andere hbo-studenten. Bovendien is indertijd vooral uit overgangsrechtelijke overwegingen besloten vrijstellingen mee te tellen als studieprestatie bij de prestatiebeurs en de tempobeurs. Deze overwegingen gelden thans niet meer, waardoor deze regeling nu kan worden geschrapt.

De leden van de fractie van D66 vragen om een nadere uiteenzetting over de verhouding tussen de eisen die de instelling stelt aan de propedeusestudent, en de eisen die via de studiefinanciering aan hem gesteld worden.

Wij zien hierin geen tegenstelling. Een goede introductie en oriëntatie in het hoger onderwijs moet niet vrijblijvend zijn. Juist goede prestatie-eisen met gevolgen in de sfeer van de studiefinanciering dragen hieraan bij.

De leden van de D66-fractie vragen vervolgens of er geen overgangsregeling getroffen zou moeten worden bij het afschaffen van de regel dat vrijstellingen meetellen voor de prestatiebeurs.

Wij achten dit niet nodig. In de eerste plaats is deze afschaffing eerder aangekondigd (nota van wijziging bij het wetsvoorstel modernisering van de universitaire bestuursorganisatie, kamerstukken II 1995/96, 24 646, nr. 7, p.7 en 8). Daarenboven gaat het er om dat een studerende tijdig weet welke prestatie van hem wordt verwacht in een studiejaar. In die zin kan thans worden vastgesteld dat het gebruik van vrijstellingen om aan de norm van 21 studiepunten te kunnen komen geenszins noodzakelijk meer is. Dat laat onverlet de mogelijkheid voor de instelling om op grond van artikel 7.51, tweede lid, van de WHW een voorziening te treffen ten laste van het afstudeerfonds voor studerenden die als gevolg van bijzondere omstandigheden, ontbreken van studeerbaarheid daar onder begrepen, hun voortgangsnorm niet hebben kunnen halen.

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat het tussentijds veranderen van opleiding, althans na de propedeuse, voor een student vrijwel is uitgesloten als gevolg van de beperkingen in de studiefinanciering. In aanvulling hierop willen de leden van de SGP-fractie weten hoe het recht op studiefinanciering faciliterend werkt bij een verwijzing na de propedeuse door de instelling.

Bij de vormgeving van de prestatiebeurs is juist een apart regime ingevoerd voor de propedeuse om aan de oriënterende, verwijzende en selecterende functie van de propedeuse optimaal recht te doen. Het wetsvoorstel brengt geen enkele verandering in die situatie. Een student die na zijn propedeuse naar een andere studierichting wordt verwezen, heeft in beginsel twaalf maanden van de 48 beschikbare maanden prestatiebeurs verbruikt. Maar een student hoeft het daar niet op aan te laten komen, omdat hem ook de 1 februari-regel ten dienste staat voor een vroegtijdige ommezwaai op eigen indicatie.

2. Differentiatie universitaire studies, inleiding

2.1 Inleiding

De leden van de CDA-fractie stemmen in met de stelling dat op de algemene cursusduur van vier jaar beredeneerde uitzonderingen mogelijk moeten zijn. De leden van de CDA-fractie vinden het opvallend dat de memorie van toelichting twee uitzonderingsroutes wijst: de verschillende functies van het wetenschappelijk onderwijs en de heterogeniteit van de studentenpopulatie, waarbinnen de belangstelling en motivatie verschillend kan uitpakken. Deze leden onderschrijven die gedachte, maar stellen vast dat daarmee een verruiming van de cursusduur meer voor hand ligt dan een inperking. Zij vragen daarom een nadere uitwerking, alsmede een aanduiding van de consequenties voor de differentiatie in de universitaire studies.

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk in bijzondere gevallen een opleiding te verzorgen met een afwijkende studielast. Het gaat daarbij om:

– een opleiding met een studielast van 126 studiepunten waaraan een of meer vervolgopleidingen van 42 studiepunten of meer zijn verbonden, en

– een ongedeelde opleiding met een hogere studielast dan 168 studiepunten.

Aan beide vormen van differentiatie kan, afhankelijk van de opleiding, behoefte bestaan. Van inperking van de cursusduur is overigens geen sprake, aangezien de nu in het wetsvoorstel neergelegde driejarige kandidaatsopleidingen deel uitmaken van een langer opleidingstraject.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom is afgezien van een algemene regeling.

Wij hebben om een aantal redenen afgezien van een algemene regeling voor de mogelijkheid om een opleiding te verzorgen met een studielast van 126 studiepunten, waaraan één of meer vervolgopleidingen zijn verbonden.

Allereerst is er binnen de bestaande wetgeving reeds een groot aantal mogelijkheden tot differentiatie binnen een vierjarig programma, zoals didactische differentiatie, inhoudelijke differentiatie en excellente trajecten.

Ten tweede past een afwijkingsprocedure bij het experimentele karakter van de in dit wetsvoorstel voorgestelde driejarige kandidaatsopleiding. Bij de toetsing kan de maatschappelijke behoefte aan opleidingen met een afwijkende studielast in de praktijk nader worden vastgesteld en kan ervaring en maatschappelijke erkenning geleidelijk worden opgebouwd. Wanneer er geen behoefte blijkt te zijn aan een dergelijke opleiding en maatschappelijke erkenning achterwege blijft, kan de toestemming voor de opleiding worden ingetrokken. De afwijkingsprocedure zorgt er bovendien voor dat nieuwe initiatieven kunnen worden bezien tegen de achtergrond van de ontwikkeling van het hoger onderwijs en de behoefte aan transparantie van het onderwijsaanbod voor studenten en arbeidsmarkt. Meer algemeen geformuleerd: door de afwijkingsprocedure blijven toekomstige ontwikkelingen mogelijk en worden tegelijkertijd in zekere mate beheersbaar gemaakt.

Verder is afgezien van een algemene regeling voor opleidingen met een hogere studielast dan 168 studiepunten vanwege het risico van een algemene verlenging van de cursusduur door de instellingen zonder dat de noodzaak en de meerwaarde daarvan voor de arbeidsmarkt vaststaan.

De leden van de CDA-fractie vragen verder of de instellingen voldoende ruimte krijgen om -desgewenst – vijfjarige studies in te richten.

Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend, want met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk om toestemming te krijgen een opleiding te verzorgen met een hogere studielast dan 168 studiepunten. Daarbij moet het echter wel duidelijk zijn dat verlenging meerwaarde biedt bovenop een opleiding met een studielast van 168 studiepunten. Daarnaast moet de opleiding voldoen aan de in de wet genoemde inhoudelijke voorwaarden van wetenschappelijke identiteit en maatschappelijke behoefte. De instellingen zijn daarbij verantwoordelijk voor de financiële ondersteuning van studenten in het vijfde studiejaar.

De leden van de CDA-fractie vragen of gelijkvormigheid en transparantie niet meer dan een globaal algemeen kader vergen.

Een algemeen kader is wezenlijk voor opleidingen met een afwijkende studielast om waarborgen te scheppen voor de student en voor de maatschappelijke herkenbaarheid. Het in het wetsvoorstel opgenomen kader voorziet daar naar ons oordeel in. Daarnaast zijn er inderdaad aanvullende acties van de instellingen nodig om de transparantie van het totale onderwijsaanbod te vergroten. De VSNU heeft reeds een voorstel tot de herordening van het opleidingenaanbod gemaakt. De adviescommissie onderwijsaanbod (ACO) zal een advies uitbrengen over het voorstel van de VSNU, waarna met de VSNU zal worden bezien welke vervolgacties nodig zijn.

De leden van de RPF-fractie vragen hoeveel universiteiten belangstelling hebben getoond voor de mogelijkheid van differentiatie in cursusduur en om hoeveel opleidingen binnen die universiteiten het precies gaat.

Een inventarisatie van de inspectie naar initiatieven van universiteiten tot selectie, verwijzing en differentiatie, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, laat zien dat alle universiteiten met bèta- en technische studies de bèta studies en die technische studies die geen vijfjarige cursusduur kennen, in vijf jaar willen verzorgen. Verder is de Rijksuniversiteit Utrecht voornemens om vanaf het studiejaar 1998/1999 met een driejarig programma te starten als onderdeel van bestaande opleidingen. Hierbij worden bestaande wettelijke mogelijkheden benut. Vanaf 1999 kan het wetsvoorstel hiervoor een nieuwe basis bieden zodat degene die het driejarig programma succesvol met een examen heeft afgerond het recht heeft de kandidaatstitel te voeren en desgewenst recht hebben op omzetting van drie jaar prestatielening in gemengde studiefinanciering. Ten slotte heeft de Universiteit van Amsterdam voornemens geformuleerd om driejarige programma's in te stellen aan de faculteit der Letteren.

De leden van de GPV-fractie vinden het kader waarbinnen differentiatie mogelijk wordt gemaakt relatief strak. De redenen daarvoor, gelegen in de beperkte behoefte aan differentiatie enerzijds en in een algemene kaderstelling in het belang van de student en ten behoeve van een zekere mate van gelijkvormigheid anderzijds, vinden zij een nogal defensieve benadering. Zij kunnen zich voorstellen dat een opener houding tegenover differentiatie kan worden ingenomen. Zij vragen zich af of een dergelijke houding niet veel meer in de rede ligt nu de regering levenslang leren hoog in haar vaandel draagt.

Wij zijn van mening dat het wetsvoorstel getuigt van een open houding tegenover differentiatie. Binnen het bestaande wettelijke kader is reeds ruimte voor differentiatie. Daarnaast maakt dit wetsvoorstel het mogelijk in bijzondere gevallen een opleiding met een afwijkende studielast te starten. Wij kunnen ons voorstellen dat toepassing van de criteria op termijn kan leiden tot meer dan beperkte of incentele afwijkingen van de studielast van 168 studiepunten.

De grootste uitdaging voor «een leven lang leren» is echter dat het voor individuen gebruikelijk wordt regelmatig te blijven leren nadat een opleiding in het hoger onderwijs is afgerond. Dit zal ook aanpassingen vergen in het initieel onderwijs. Differentiatie in cursusduur is daarbij één mogelijkheid, maar het voorbereiden van studenten op een leven lang leren in de beroepspraktijk stelt ook andere eisen aan de opleidingen. De voornemens voor «een leven lang leren» zullen worden uitgewerkt in het te presenteren Nationale Actieprogramma.

De leden van de GPV-fractie vragen of differentiatie niet ook meer mogelijkheden voor een stelsel van studiefinanciering biedt dat meer aansluit op de behoeften van zowel de overheid als de student.

Wij merken op dat in het wetsvoorstel de studiefinanciering is afgestemd op de mogelijkheden voor differentiatie. De student heeft na drie jaar – op basis van het kandidaatsdiploma – desgewenst recht op omzetting van de prestatielening. Verder zijn instellingen verantwoordelijk voor een adequate vorm van financiële ondersteuning na het vierde studiejaar als gekozen wordt voor verlenging van de cursusduur. Bij de vormgeving hebben de instellingen de nodige beleidsruimte waardoor maatwerk kan worden geleverd. In de toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven dat de ondersteuning kan worden vormgegeven als een toelage naar analogie van het afstudeerfonds, maar dat universiteiten studenten ook een positie als student-assistent of als bursaal zouden kunnen aanbieden. Differentiatie in het onderwijs is overigens ook een aandachtspunt in de advisering door het College Hermans.

2.2 Afwijken van bestaande kaders

De leden van de CDA-fractie vragen of bij een kortere cursusduur nog voldaan wordt aan het criterium het wetenschappelijk gehalte van de opleiding. In samenhang daarmee vragen de leden van de VVD-fractie hoe de voorwaarde van het wetenschappelijk karakter qua identiteit en inhoud wordt beoordeeld. Zij willen ook weten op welke gronden en na hoeveel tijd de regering zijn toestemming voor een driejarige academische studie weer kan intrekken. Ook de leden van de GPV-fractie vragen of aan driejarige opleidingen het predikaat wetenschappelijk kan worden gegeven.

Het wetenschappelijke karakter wordt beoordeeld op basis van een verkenning van de instelling. Als ijkpunt voor het karakter van wetenschappelijke opleidingen geldt daarbij de verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek die tot uitdrukking komt in een stevige disciplinaire basis. Tegen die achtergrond moet de opleiding voldoende analytisch-methodologische scholing bieden in het betreffende wetenschappelijke vakgebied. Daarbij horen ook vaardigheden zoals probleemoplossend vermogen, kritisch en onafhankelijk denken, schriftelijke en mondelinge vaardigheid, het vermogen zelfstandig te leren en te werken. Dit zijn ook punten waar in de visitaties in het kader van het stelsel van kwaliteitszorg op wordt beoordeeld, zoals bij voorbeeld blijkt uit de «Gids voor de onderwijsvisitaties» (januari 1995) van de VSNU.

De minister kan toestemming voor een driejarige academische studie verlenen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, namelijk

– de opleiding voorziet in een maatschappelijke behoefte,

– de opleiding behoort tot het wetenschappelijk onderwijs,

– de opleiding draagt bij aan de ontwikkeling van het stelsel van hoger onderwijs

– het instellingsbestuur verbindt aan de opleiding één of meer opleidingen met een studielast van ten minste 42 studiepunten (vervolgopleidingen), en

– het instellingsbestuur voorziet in financiële voorzieningen ten aanzien van de student aan de vervolgopleiding, voor zover die vervolgopleiding meer dan 42 studiepunten omvat.

De minister kan de toestemming weer intrekken als blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van maatschappelijke behoefte en wetenschappelijk karakter. Een gebrek aan maatschappelijke behoefte kan bijvoorbeeld blijken uit een gebrek aan belangstelling van studenten en het uitblijven van maatschappelijke erkenning op de arbeidsmarkt voor desbetreffende opleiding, terwijl het ontbreken van wetenschappelijk karakter kan blijken uit de beoordelingen door visitaties in het kader van het stelsel van kwaliteitszorg. Aan het intrekken van de toestemming is geen termijn verbonden. Het is duidelijk dat een dergelijk besluit zorgvuldige voorbereiding vergt. In de praktijk zal de vraag of de toestemming moet worden ingetrokken aan de orde komen als het evaluatieverslag dat de instelling ten minste elk derde jaar moet vaststellen, dan wel beoordelingen door visitaties daartoe aanleiding geven.

De leden van de CDA-fractie, de VVD-fractie en de RPF-fractie vragen op welke wijze het criterium, de maatschappelijke behoefte, door de minister wordt gemeten en getoetst. Zij wijzen daarbij op onvoorspelbare fluctuaties in die behoefte. De behoefte aan tandartsen is een boeiend voorbeeld, niet alleen inzake de cursusduur maar ook inzake de capaciteit, aldus de leden van de CDA-fractie.

De basis voor de beoordeling van de maatschappelijke behoefte wordt gevormd door een verkenning van de instelling. Daarbij valt te denken aan de behoeften van studenten of afspraken met het afnemend veld over de instroom van afgestudeerden op trainee-plaatsen of afspraken met (buitenlandse) zusterinstellingen over instroom in vervolgopleidingen. De ACO heeft een wettelijke adviesrol bij de beoordeling van maatschappelijke behoefte.

Bij de beoordeling van de maatschappelijke behoefte gaat het om de toets of er behoefte is aan opgeleiden met een andere cursusduur. Deze beoordeling is naast kwantitatief vooral gericht op de kwalitatieve behoefte op de arbeidsmarkt aan afgestudeerden van een opleiding met een afwijkende studielast. De behoefte aan tandartsen is in dit verband daarom een minder goed voorbeeld. Bij tandartsen gaat het immers uitsluitend om de kwantitatieve behoefte aan tandartsen teneinde de hoogte van de arbeidsmarktfixus te kunnen bepalen.

De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat de beoordeling of een universiteit een opleiding met een afwijkende studielast mag verzorgen door de minister geschiedt, wat naar het oordeel van deze leden een logische stap is. Waar de minister hiervoor verantwoordelijkheid aan de Kamer moet afleggen, vragen zij zich af of een verdergaande bemoeienis van de Kamer met deze beslissingen mogelijk is, bij voorbeeld via een algemene maatregel van bestuur met voorhangprocedure.

Onze reactie op deze suggestie luidt als volgt. De wettelijke bepalingen aan de hand waarvan de minister op het verzoek van instellingen beslist over het toestaan van opleidingen met een afwijkende studielast zijn nu alle in ons wetsvoorstel opgenomen. Er is welbewust gekozen voor het opnemen in de wet van alle relevante criteria in plaats van het regelen van een bevoegdheid tot het vaststellen van nadere regels in de vorm van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Er bestaat dus ook geen behoefte aan die nadere regels. Bij de concrete ja/nee-beslissing – dus over de toepassing van de wettelijke regels – richt de betrokken bewindspersoon zich vervolgens tot de instelling. Hij moet zich in voorkomende gevallen ook kunnen verantwoorden voor de rechter. In laatste instantie brengt de politieke ministeriële verantwoordelijkheid met zich mee dat de betrokken bewindspersoon gevraagd kan worden zich voor bestuurshandelingen tegenover het parlement te verantwoorden. Dit systeem van verantwoordelijkheden zou niet goed werken als de Tweede Kamer via bij voorbeeld een voorhangprocedure mede verantwoordelijk zou worden voor de concrete ja/nee-beslissingen. Ook de armslag van instellingen en rechter zou worden verkrapt.

Dit afwegend voelen wij dus niet voor de suggestie van de leden van de CDA-fractie om in de wet voor de Kamer een verdergaande bemoeienis vast te leggen bij de concrete beslissingen om al of niet opleidingen met een afwijkende studieduur toe te staan.

De leden van de CDA-fractie menen dat de dynamiek van het hoger onderwijs een zekere beleidsvrijheid van de instellingen inzake cursusduur en opleidingscapaciteit vergt. Zij vragen hoe de regering die beleidsruimte denkt te bieden.

Het wetsvoorstel biedt zowel met betrekking tot de cursusduur als de opleidingscapaciteit grotere ruimte voor de instellingen.

Bij de cursusduur gaan wij er vanuit dat de behoefte aan differentiatie vooralsnog is beperkt tot een klein aantal opleidingen. Daarmee sluiten wij niet uit dat in de toekomst als enige ervaring met opleidingen met een afwijkende studielast is opgedaan, soepeler omgegaan kan worden met toestemming om af te wijken van de gangbare cursusduur.

Verder worden in het wetsvoorstel de zogenaamde 125%-regel en 75%-regel afgeschaft. De 75%-regel is erop gericht de opleidingscapaciteit op een bepaald niveau in stand te houden, terwijl de 125%-regel gericht is op uitbreiding bij een landelijk capaciteitstekort. De afschaffing van deze capaciteitsregels verruimt de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen om de opleidingscapaciteit op de onderwijsvraag en op de behoefte op arbeidsmarkt af te stemmen.

2.3 Wettelijk kader voor opleidingen met een afwijkende studielast

De leden van de PvdA-fractie kiezen ervoor de opleidingen met een studielast van 126 studiepunten te zien als een tussenniveau, waarop verschillende vervolgtrajecten in dezelfde of een andere richting volgen. Ook de leden van de CDA-fractie gaan in op het kandidaatsniveau als tussenniveau. Zij constateren dat het wetsvoorstel zowel de basis legt voor een opleiding met een studielast van 126 studiepunten die deel uitmaakt van een langer opleidingstraject als voor een afgeronde opleiding van een studielast van 126 studiepunten. Zij vragen de regering deze onbedoelde tweedeling te heroverwegen. Een loutere markering van het kandidaatsexamen als tussenniveau lijkt hen een begaanbare weg.

Wij delen de zienswijze van deze leden. Inderdaad kan een tussenniveau in een aantal situaties, die met name door de leden van de PvdA worden genoemd, aantrekkelijk zijn, zoals:

– instroom uit en naar het buitenland, tegen de achtergrond van de toegenomen internationalisering,

– instroom uit andere wo- of hbo-opleidingen, en

– differentiatie binnen vierjarige programma's, het tussenniveau is bijvoorbeeld het vertrekpunt voor verschillende vervolgtrajecten eb afstudeerrichtingen.

Een dergelijk «onderwijskundig» tussenniveau is op grond van de huidige regelgeving reeds mogelijk. Daarbij wijzen wij erop dat dit tussenniveau overigens niet per se na drie jaar hoeft te liggen. Een tussenniveau na bijvoorbeeld twee jaar is ook goed denkbaar.

In aanvulling daarop willen wij echter niet uitsluiten dat het in bepaalde gevallen mogelijk moet zijn dat de student kiest om de arbeidsmarkt te betreden na een driejarige opleiding, om zich vervolgens gedurende de beroepsloopbaan verder te bekwamen. In die gevallen biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid dat de student een kandidaatstitel kan voeren en desgewenst recht heeft op omzetting van de prestatiebeurs. Drie jaar is daarbij een internationaal erkend niveau van hoger onderwijs.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat op grond van het feit dat langere trajecten mogelijk zijn, er een druk ligt op de instellingen een tussenniveau te definiëren. Zij hebben dat ook benadrukt bij de behandeling van het wetsvoorstel dat regelde dat vijfjarige ingenieursopleidingen mogelijk werden. De leden van de PvdA-fractie menen dat het zo voor veel studenten mogelijk zal worden hun schuldenlast te beperken.

Wij wijzen erop dat het altijd – ook binnen de huidige wettelijke kaders – mogelijk is een tussenniveau te definiëren binnen een opleiding. Het gaat dan echter niet om een afsluitend niveau en evenmin is aan dat niveau een titel verbonden. Bij de behandeling van het wetsvoorstel dat vijfjarige ingenieursopleidingen mogelijk maakt is vastgesteld dat er geen behoefte is aan een «knip» in de opleiding. Gelet op deze situatie is er in het wetsvoorstel voor gekozen de differentiatiemogelijkheden niet betrekking te laten hebben op de opleidingen die thans reeds een wettelijk verlengde cursusduur hebben. Dit laat de mogelijkheid van het instellen van een tussenniveau dat niet is gericht op toetreding tot de arbeidsmarkt overigens onverlet. Ook in langere trajecten hebben de instellingen voorts een verantwoordelijkheid de studenten zo spoedig mogelijk te verwijzen naar andere opleidingen, indien die voor hen kansrijker zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de onafhankelijke toetsing van het verzoek van instellingen voor een verlengde opleiding.

In het wetsvoorstel is bij de registratie van opleidingen met een afwijkende studielast een wettelijke adviesrol van de ACO voorgeschreven. Wij zijn van oordeel dat de advisering door de ACO borg staat voor een onafhankelijke toetsing.

De leden van de VVD-fractie vragen of een universitaire instelling naast een vierjarig studietraject ook een driejarig studietraject met opvolgende specialisatie(s) mag realiseren, en zo ja, of dit de transparantie van het aanbod wel ten goede komt.

Opleidingen met een afwijkende cursusduur kunnen in plaats van of naast een bestaande vierjarige opleiding worden vormgegeven. Wij kunnen ons voorstellen dat het vervangen van een bestaande vierjarige opleiding door een driejarige opleiding een te grote stap vormt voor een instelling. Wij willen die instellingen niet weerhouden van kansrijke initiatieven. Wij merken verder op dat het in beginsel zal gaan om een beperkt aantal initiatieven, zodat de transparantie van het hoger onderwijs in totaliteit niet in het geding is.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat invoering van de titel kandidaat een terugkeer is naar het verleden en of de regering toegeeft dat de invoering van de tweede fase in het wetenschappelijk onderwijs in feite een mislukking is geworden. De leden van de GPV-fractie krijgen de indruk dat met het scheppen van de mogelijkheid van een kandidaatstitel in feite de opleiding oude stijl weer zijn intrede doet. Zij vragen of dit in de bedoeling ligt.

De invoering van de titel kandidaat is ten dele oud en ten dele nieuw. Net als in het verleden kan het kandidaatsniveau een tussenniveau markeren. Echter in Nederland heeft nooit een wettelijk beschermde kandidaatstitel bestaan, maar alleen een kandidaatsexamen. Een ander verschil is dat in de oude situatie per studierichting vast stond uit welke vakken het vroegere kandidaatsexamen bestond, dat is bij de nieuwe kandidaatsopleidingen onder het regime van de WHW niet het geval. Tegenwoordig bestaat er geen landelijke regeling meer voor de examens maar een onderwijs- en examenregeling van de opleiding zelf.

Verder hebben zich sinds de invoering van de tweede fase in het wetenschappelijk onderwijs nieuwe mogelijkheden voor verticale differentiatie ontwikkeld. De vorming van onderzoekscholen biedt nieuwe mogelijkheden voor onderzoeksopleidingen na het doctoraalexamen. Daarnaast kan worden gewezen op de mogelijkheid van duale trajecten na het kandidaats.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de titel bachelor, te hanteren door de kandidaat in het buitenland, niet zal leiden tot verwarring met de hbo-titel baccalaureus, die in het buitenland bachelor wordt genoemd.

Wij delen de vrees van de leden van de VVD-fractie niet. Er is gekozen voor een internationaal herkenbare titel. In landen met Angelsaksische onderwijssystemen wordt met titulatuur een verschil in niveau aangegeven, maar is het minder gebruikelijk een onderscheid aan te brengen tussen graden voor een academische- of beroepsopleiding. Daarom is gekozen voor één buitenlandse naamgeving, voor afgestudeerden van hbo-opleidingen en kandidaatsopleidingen in het wo. In Nederland is het wel wenselijk om een onderscheid tussen hbo en wo aan te brengen, om die reden is wel voor afzonderlijke Nederlandse titels is gekozen. In dit verband verwijzen wij verder naar de beantwoording van de leden van de D66-fractie over dit onderwerp, verderop in deze paragraaf.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de stand is met betrekking tot de mastersopleidingen in het hbo ter vervanging van de huidige U-bochtconstructies met buitenlandse instellingen. Ook vragen deze leden hoe het zit met de titulatuur in het hbo.

Voor antwoorden op deze vragen verwijzen wij graag naar paragraaf 4.1 waar op soortgelijke vragen van de leden van de fracties van de PvdA en het CDA wordt ingegaan.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom na de afsluiting van een wo-opleiding met een studielast van 126 punten door de afgestudeerde kan worden gekozen tussen de titel «kandidaat» en de titel «bachelor». Voorts stellen zij de vraag op welke wijze kan worden nagegaan of het een hbo-opleiding of een wo-opleiding betreft, terwijl er inhoudelijk tussen beide categorieën opleidingen een onderscheid bestaat. Verder vragen deze leden of de keuze tussen beide titels door betrokkene één keer wordt gemaakt.

Degene die een opleiding met een studielast van 168 studiepunten in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg afrondt, is ingevolge artikel 7.20, eerste lid onder e, van de WHW gerechtigd tot het voeren van de titel «baccalaureus». Deze afgestudeerde als ook de afgestudeerde op het terrein van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het terrein van de techniek met als titel «ingenieur» (ing.) zijn bevoegd in plaats van de titel baccalaureus of ingenieur de titel «Bachelor» te voeren. Dit recht komt blijkens het voorgestelde artikel 7.23c, eerste lid, ook toe aan degene die is afgestudeerd aan een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 126 studiepunten.

De reden dat in de WHW een keuze uit twee titels mogelijk wordt gemaakt, is het belang voor afgestudeerden om in het buitenland en bij buitenlandse ondernemingen in Nederland duidelijk te kunnen maken dat zij een bepaalde opleiding op een bepaald niveau hebben gevolgd. Deze Angelsaksische titel biedt in dergelijke situaties meer informatie dan baccalaureus of ingenieur. Voor de goede orde zij er op gewezen dat de aan het buitenland ontleende titel geen bescherming geniet volgens het Nederlandse strafrecht. Voorts betekent het recht op de bachelorstitel in Nederland niet dat deze titel ook automatisch in andere landen kan worden gevoerd.

Met betrekking tot het punt van de onduidelijkheid of het om een hbo- dan wel om een wo-opleiding gaat, wordt opgemerkt dat de titel Bachelor als zodanig geen onderscheidend vermogen heeft. Betrokkenen kunnen wel zelf eraan bijdragen dat op dit punt meer duidelijkheid ontstaat. Het huidige artikel 7.21, derde lid, en het voorgestelde artikel 7.23c, tweede lid laatste volzin, bieden de mogelijkheid dat een afgestudeerde die de bachelorstitel voert, aangeeft om welke opleiding het gaat. Achter de afkorting B kan namelijk een aanduiding van de aard van het afgelegde afsluitend examen worden geplaatst.

De vraag ten slotte of de keuze tussen beide titels één keer wordt gemaakt, wordt ontkennend beantwoord. Degenen die gerechtigd zijn tot het voeren van zowel een Nederlandse titel als de bachelorstitel, kunnen per situatie bepalen van welke titel zij gebruik maken. Niet geoorloofd is evenwel het tegelijkertijd voeren van beide titels. Dit kan worden afgeleid uit de woorden «in plaats van» in artikel 7.21, tweede lid.

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of zich niet de ontwikkeling kan voordoen dat driejarige wo-opleidingen in feite een soort beroepsopleidingen worden, die derhalve meer thuishoren bij de hbo-instellingen. Ze vragen of het niet beter is dergelijke opleidingen onder te brengen bij het hbo. Ook vragen zij hoe de regering het zou beoordelen als binnen een faculteit rechtsgeleerheid een driejarige opleiding zou ontstaan voor belastingadviseur.

De driejarige kandidaatsopleidingen in het wo zullen zich onderscheiden van de opleidingen in het hbo. Dit is een voorwaarde voor toestemming voor deze opleidingen. Hierop is ingegaan in de beantwoording van de leden van de CDA-fractie, de VVD-fractie en de GPV-fractie over het wetenschappelijk karakter van de driejarige kandidaatsopleidingen in het wo. Wat betreft een driejarige opleiding tot belastingadviseur merken wij op dat de algemene filosofie achter de nieuwe mogelijkheid voor opleidingen met een afwijkende studielast is dat de student na drie jaar nog niet «uitgeleerd» is. Als in goed overleg met het afnemend veld uitstroom van studenten kan plaatsvinden naar functies als belastingadviseur of als «trainee» en ook verder aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, dan hebben wij daartegen geen bezwaar. Wij kunnen ons echter ook voorstellen dat een opleiding tot belastingadviseur een vervolgopleiding is die volgt op een driejarige opleiding. De vervolgopleiding tot belastingadviseur kan dan vertrekken vanuit een gedegen vorming op academisch niveau. De vervolgopleiding zelf, hoewel beroepsgericht, zal ook een wetenschappelijke identiteit moeten hebben, bijvoorbeeld door de relatie met de juridische discipline.

De leden van de SGP-fractie vragen de reactie van de regering op de suggestie van onder meer VNO-NCW om in beginsel weer in alle universitaire opleidingen het kandidaatsniveau in te voeren als tussenniveau, met name met het oog op de onderwijskundige voordelen die daar aan verbonden kunnen zijn.

Wij merken op dat het onderscheiden van een tussenniveau («kandidaatsniveau») binnen een opleiding op zich, binnen de huidige wettelijke kaders, mogelijk is. Het gaat dan echter niet om een afsluitend niveau. Uitstroom naar de arbeidsmarkt met een kandidaatstitel en het recht op omzetting van de prestatiebeurs is echter voorbehouden aan opleidingen die, op grond van artikel 7.23a van dit wetsvoorstel, toestemming hebben voor een afwijkende studielast. De bestaande wettelijk verlengde opleidingen zijn van deze afwijkingsmogelijkheid uitgesloten.

De leden van de PvdA-fractie achten verschillende vervolgtrajecten op basis van het tussenniveau reëel. Zo kunnen zij zich ook een vervolgtraject in een vreemde taal voorstellen. Vooral in het kader van de beoogde internationalisering van het wetenschappelijk onderwijs kan dat een interessante optie zijn.

Wij kunnen ons ook een vervolgtraject in een vreemde taal voorstellen, mede tegen de achtergrond van het beleid gericht op «export» van het Nederlandse hoger onderwijs. Het moet dan wel duidelijk zijn dat het hanteren van de vreemde taal bijdraagt aan de internationalisering van het onderwijs. Ook moet het niet gaan om uitsluitend buitenlandse studenten maar een mix van Nederlandse en uit het buitenland afkomstige studenten. De Nederlandse studenten moeten worden voorzien van cursussen in de vreemde taal en de buitenlandse studenten in cursussen Nederlands.

Overigens kunnen wij ons ook voorstellen dat onder de genoemde condities ook in een eerdere fase van de studie het onderwijs in een vreemde taal wordt gegeven. Het University College van de Universiteit Utrecht dat start vanaf 1998/1999, is daar een interessant voorbeeld van. In paragraaf 4.5 van deze nota naar aanleiding van het verslag wordt uitvoeriger ingegaan op het onderwijs in een vreemde taal.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe analytisch-methodologische scholing in de beroepspraktijk ontwikkeld kan worden. Op grond daarvan vragen zij zich af of de beroepspraktijk een alternatief kan zijn voor de universiteit.

Analytisch-methodologische vorming vindt niet alleen plaats in het onderwijs, maar kan ook onderdeel vormen van de beroepspraktijk, bijvoorbeeld in de vorm van beleidsonderzoeken of laboratorium-werkzaamheden. Bovendien is de universitaire opleiding niet beperkt tot analytisch-methodologische vorming, maar omvat zij ook sociale en communicatieve vaardigheden, die bij uitstek in de beroepspraktijk kunnen worden aangeleerd. Wij zijn dan ook van mening dat de oriëntatie op de beroepspraktijk in combinaties van leren en werken een goede aanvulling kan bieden op de universitaire scholing.

De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere beschouwing over de introductie van duaal universitair onderwijs als variant van deeltijdonderwijs.

Kenmerkend voor duaal onderwijs is niet het voltijdse of deeltijdse karakter, maar de combinatie van leren en werken. In tegenstelling tot het deeltijdonderwijs sluiten leren en werken bij duale opleidingen op elkaar aan. De vorming van studenten krijgt voor een gedeelte gestalte in de beroepspraktijk. Wij zijn van mening dat de opleidingsdoelen van het wetenschappelijk onderwijs voor een deel kunnen worden gerealiseerd door werkervaring. Belangrijke elementen van academische vorming zijn intellectuele zelfstandigheid, weten hoe kennis verworven en gevalideerd moet worden, weten hoe kennis gepositioneerd kan worden in de maatschappelijke praktijk, creatief met kennisbestanden kunnen omgaan, oplossingsgericht zijn en beschikken over schriftelijke en mondelinge communicatieve vaardigheden. Combinaties van leren en werken, zoals stages en duale leerwegen, bieden studenten mogelijkheden om zich deze vaardigheden eigen te maken. Duale leerwegen zijn dus een mogelijkheid om vorm te geven aan academische vorming, mits gedurende de praktijkcomponent van de opleiding voldoende aandacht besteed wordt aan genoemde vaardigheden.

Daarnaast bieden duale leerwegen studenten een goede oriëntatie op de beroepspraktijk en wordt een directe feedback van de beroepspraktijk naar de opleiding mogelijk.

Vanwege deze mogelijke voordelen van duale trajecten wordt in het ontwerp-HOOP 1998 voorgesteld universiteiten in de gelegenheid te stellen met ingang van september 1998 in een aantal sectoren experimenten te starten met opleidingen waarin leren en werken een geïntegreerd geheel vormen. Hierover zal de komende maanden overleg worden gevoerd met de universiteiten en werkgeversorganisaties.

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of het wetenschappelijk onderwijs geschikt is voor leren-werken trajecten. Voorts vragen zij of het geen aanbeveling verdient de dualisering te koppeling aan een kandidaats-tussenniveau.

Wat betreft de geschiktheid van het wo voor duale trajecten verwijzen wij naar ons antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie over dualisering en academische vorming, gegeven in paragraaf 3.2 van deze nota.

Dualisering in het wo zal de vorm krijgen van een experiment. In veel gevallen zal een dergelijk experiment plaatsvinden aan het eind van de studie. Wij zijn echter van mening dat niet op voorhand moet worden uitgesloten dat een duaal traject ook plaats kan vinden in een eerdere fase van de opleiding.

Het was de leden van de GPV-fractie niet duidelijk welke maatschappelijke waarde aan de driejarige opleiding moet worden toegekend. Zij vragen welke behoefte er op de arbeidsmarkt bestaat aan driejarige opleidingen.

Wij merken op dat de driejarige opleidingen in de eerste plaats voorbereiden op een vervolgopleiding. Daarnaast is uitstroom naar de arbeidsmarkt mogelijk. In de reacties op het ontwerp-HOOP 1996 van onder andere het RCO bleek dat in het algemeen aan behoefte aan een driejarige opleiding op de arbeidsmarkt getwijfeld werd. Naar aanleiding van het overleg over het ontwerp-HOOP 1996 is de conclusie getrokken dat de cursusduur van de universitaire opleidingen als regel vier jaar is maar dat op deze regel beredeneerde uitzonderingen mogelijk moeten zijn. De behoefte daaraan zal echter goed moeten worden getoetst. De in het wetsvoorstel opgenomen afwijkingsprocedure voorziet daarin. De minister kan – mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan – toestemming verlenen voor een driejarige opleiding. Wanneer in de praktijk blijkt dat er geen behoefte op de arbeidsmarkt is aan afgestudeerden van de desbetreffende opleiding, kan de toestemming worden ingetrokken.

Voor het antwoord op de vraag van de leden van de GPV-fractie of aan een driejarige opleiding het predikaat wetenschappelijk kan worden gegeven, verwijzen wij naar het in paragraaf 2.2 gegeven antwoord aan de leden van de CDA-fractie op een soortgelijke vraag.

De leden van de GPV-fractie constateren dat de student zich na de driejarige opleiding kandidaat mag noemen, wat tot uitdrukking brengt dat een student gekwalificeerd is voor een vervolgopleiding. Zij vragen of dit wel voldoende rechtvaardiging is om een dergelijke titel in het leven te roepen en vragen wat de meerwaarde van de titel is.

De rechtvaardiging voor de invoering van de kandidaatstitel en de meerwaarde ligt erin dat de student in tweeërlei opzichten wordt gekwalificeerd. In de eerste plaats brengt de kandidaatstitel tot uitdrukking dat de student gekwalificeerd is voor een vervolgopleiding, wat bijvoorbeeld van belang kan zijn bij doorstroom naar een buitenlandse instelling. In de tweede plaats blijkt uit de kandidaatstitel dat de student gekwalificeerd is voor het betreden van de arbeidsmarkt om zich vervolgens binnen een arbeidsorganisatie verder te bekwamen.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de GPV-fractie of het de bedoeling is dat met het scheppen van de mogelijkheid van een kandidaatstitel in feite de opleiding oude stijl weer zijn intrede doet, verwijzen wij naar het eerder in deze paragraaf gegeven antwoord op dezelfde vraag van de leden van de VVD-fractie.

2.4 Financiële condities

Het is en blijft onlogisch, zo vinden de leden van de PvdA-fractie, dat, mocht vaststaan dat het in bepaalde studierichtingen logisch is dat groepen studenten een langere cursusduur nodig hebben, dat niet te regelen via de normale studiefinanciering. Zij vragen waarom het dan toch de universiteiten zelf zijn die voor de studiefinanciering opdraaien.

De leden van de CDA-fractie constateren dat afwijkingen van de bestaande cursusduur niet mogen leiden tot hogere uitgaven in de bekostiging van de instellingen of in de studiefinanciering. Die lijn is volgens de leden van het CDA-fractie niet houdbaar wanneer is aangetoond dat afwijkingen in de studieduur gerechtvaardigd worden door de behoefte aan opgeleiden met behoorlijke wetenschappelijke kwalificaties en door de maatschappelijke vraag via de arbeidsmarkt. Zij vinden het niet te verdedigen, dat de verantwoordelijkheid in die gevallen volledig bij de instellingen en de studenten wordt gelegd.

Ook de leden van de VVD-fractie gaan op deze kwestie in. Zij constateren dat universiteiten op goede gronden de duur van een bepaalde studie kunnen verlengen. De leden van de VVD-fractie vragen of dit niet een erg goedkoop voorstel is, gezien het feit dat noch op het gebied van bekostiging, noch op het gebied van studiefinanciering enige tegemoetkoming wordt verstrekt terwijl universiteiten wel worden verplicht tot het vragen van toestemming. De leden van de VVD-fractie vragen of dit niet op gespannen voet staat met de door deze leden gewenste en door de regering beleden autonomie van de universiteiten.

De ruimte voor instellingen om te differentiëren wordt met ons wetsvoorstel vergroot. Dit betekent echter geen onbegrensde autonomie. In dit geval zijn wij van oordeel dat een expliciete toestemming van de minister nodig is met het oog de verantwoordelijkheid van de overheid voor de ontwikkeling van het stelsel van hoger onderwijs en de transparantie daarvan.

Wat betreft de vraag waarom geen regeling is getroffen in de studiefinanciering merken wij op dat wij hier zijn uitgegaan van het principe dat de budgettaire consequenties van instellingsbeleid niet voor rekening van de overheid moeten zijn. Bij de mogelijkheid voor differentiatie in dit wetsvoorstel gaat het niet om een landelijke regeling maar om een instellingsspecifieke benadering. Een landelijke regeling voor de studiefinanciering ligt dan ook niet voor de hand. Het is immers in de eerste plaats de keuze van de instellingen om een verlengde opleiding aan te bieden. De instellingen zijn daarom verantwoordelijk voor een adequate vorm van financiële ondersteuning aan de student. Zij hebben beleidsruimte bij de invulling daarvan. In de toelichting bij het wetsvoorstel is reeds aangegeven dat de ondersteuning kan worden vormgegeven als een toelage naar analogie van het afstudeerfonds, maar dat universiteiten studenten ook een positie als student-assistent of als bursaal zouden kunnen aanbieden. Verder is het ook denkbaar dat studenten via een leren-werken traject in hun inkomen kunnen voorzien. Wij willen in ieder geval benadrukken dat de (financiële) verantwoordelijkheid niet bij de studenten wordt gelegd. De universiteiten moeten voor een adequate vorm van financiële ondersteuning zorgen die hen niet in een slechtere positie brengt dan wanneer zij voor de gehele opleiding gemengde studiefinanciering zouden hebben ontvangen.

Voor het antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar de aansluiting van de huidige regelingen in de WSF op de duale trajecten verwijzen wij naar paragraaf 3.2.

De leden van de CDA-fractie vragen om een versoepeling van het naar hun opvatting te strakke keurslijf in de prestatiebeurs, ook gelet op het feit dat de teruglopende belangstelling voor het wetenschappelijk onderwijs voor een deel te wijten is aan de invoering van de prestatiebeurs. Zij doen dit onder verwijzing naar hun tegenstem bij het wetsvoorstel prestatiebeurs.

Wij achten een dergelijke versoepeling niet opportuun. Niet alleen is de prestatiebeurs pas recent ingevoerd, ook het feit dat het College Hermans binnenkort een advies zal uitbrengen, leidt tot deze conclusie. Anders dan bij de voorgestelde wijzigingen in de WSF in het onderhavige wetsvoorstel, zou een dergelijke versoepeling geen enkele relatie hebben met het in het HOOP 1996 vastgestelde beleid.

Wat betreft de suggestie van deze leden met betrekking tot de instroomcijfers in het wo merken wij op dat uit onderzoek (Stichting voor Economisch Onderzoek in samenwerking met de Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek van de Universiteit van Amsterdam) blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat financiële drempels een grote rol spelen bij de beslissing om wel of niet te gaan studeren. De ontwikkeling van de instroom in het wo lijkt daarom vooral te wijzen op een bewustere keuze van studenten voor een studie in het wo. Overigens blijkt uit voorlopige cijfers van de VSNU dat de instroom dit jaar met ongeveer 3% is gestegen.

De leden van de VVD-fractie stellen vervolgens een vraag over de student die na het behalen van de titel kandidaat een doctoraal examen wil behalen, en die dan «bezwaar» dient te maken tegen de omzetting van zijn beurs in gift. Zij willen weten hoe lang de periode is dat de student bezwaar kan maken en aan wie of welke instelling de niet gebruikte studiefinanciering ten goede komt.

De procedure met betrekking tot de student die zijn kandidaatsexamen haalt, is als volgt. Het college van bestuur doet voor het eind van de tweede maand volgend op de maand waarin de student is geslaagd, daarvan mededeling aan de IBG (artikel 7.9d WHW). Op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van die mededeling vindt de omzetting van de voorwaardelijke lening in beurs plaats. Zo spoedig mogelijk daarna maakt de IBG die omzetting aan de student bekend (artikel 31e WSF). Binnen zes weken na de verzending van die bekendmaking kan de student die wil doorstuderen, tegen de omzetting bezwaar maken. Dat bezwaar is nodig omdat in artikel 31c, derde lid, WSF is bepaald dat voor een student maar éénmaal omzetting mogelijk is.

Wat betreft de vraag over de niet gebruikte studiefinanciering merken wij onder verwijzing naar de notitie «Differentiatie universitaire studies» die op 6 juni 1996 aan de Tweede Kamer is aangeboden – op dat de niet gebruikte studiefinanciering beschikbaar blijft voor het wetenschappelijk onderwijs.

De leden van de VVD-fractie vragen of het voor universiteiten aantrekkelijk kan zijn kandidaten niet toe te laten tot een vervolgopleiding om zo studiefinanciering te sparen voor studenten met een vijfjarige of zelfs langere cursusduur.

Neen, dit is niet mogelijk. Selectie bij de toegang tot vervolgopleidingen is slechts mogelijk, indien er meerdere vervolgopleidingen aansluiten bij de driejarige opleiding.

De leden van de GPV-fractie geven aan het merkwaardig te vinden dat de student die omzetting naar aanleiding van het behalen van zijn kandidaats getuigschrift niet wenst, omdat hij met gebruikmaking van studiefinanciering aan de aansluitende vervolgopleiding wil deelnemen, bezwaar dient te maken tegen die omzetting. Zij vragen of uit deze gang van zaken de conclusie mag worden getrokken dat het naar het oordeel van de regering in de bedoeling ligt dat het merendeel van de studenten van driejarige opleidingen de arbeidsmarkt zal betreden.

Het ligt – zoals hierboven is toegelicht – niet in de bedoeling dat het merendeel van de studenten van driejarige opleidingen de arbeidsmarkt zal betreden. Met de bezwaarprocedure is aangesloten bij de bestaande procedures in de studiefinanciering waarbij omzetting van de voorwaardelijke lening in een beurs automatisch plaatsvindt volgend op de mededeling van de instelling aan de IBG van het behalen van een diploma en waarbij omzetting maar éénmalig mogelijk is.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het mogelijk blijft om met een hbo-propedeuse in te stromen in het wo en vragen zich af hoeveel studiefinancieringsrechten deze studerenden nog resten.

Als hoofdregel geldt dat studenten in het hoger onderwijs aanspraak kunnen maken op vier jaar prestatiebeurs en daarna nog drie jaar rentedragende lening. Voor studenten die met een hbo-propedeuse het wo instromen zal als regel nog drie jaar prestatiebeurs en drie jaar rentedragende lening resteren.

3. Differentiatie in het hbo

3.1 Verblijfsduurdifferentiatie

De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat er goed aansluitende leerwegen nodig zijn om de verblijfsduurafspraken te kunnen realiseren, en vragen aandacht voor de inspanningen die gepleegd moeten worden door de instellingen, landelijk en regionaal (onder andere op het punt van instroomprofielen). In verband daarmee vragen deze leden zich af of invoering het komende jaar al mogelijk is. De leden van de GPV-fractie zetten vraagtekens bij de haalbaarheid van de afspraken op korte termijn. Zij voorzien vooral problemen bij het bepalen van het onderscheid verwant/niet-verwant en vragen wanneer er sprake zal zijn van vrijstellingen. Bovendien vragen de leden van de GPV-fractie zich af of er geen aanvullende middelen nodig zijn en een langere voorbereidingstijd.

Hoewel er door tal van instellingen reeds wordt samengewerkt om verkorte leerwegen te realiseren voor mbo-ers, zijn wij met deze leden van mening dat er nog verdere stappen moeten worden gezet ten behoeve van het realiseren van optimaal aansluitende leerwegen, onder andere wat betreft de beoogde instroomprofielen. In het overleg met de instellingen zullen wij onder meer nadere afspraken maken over de totstandkoming van deze profielen. Ten aanzien van de kanttekening van de leden van de GPV-fractie kan worden opgemerkt dat wij na overleg met HBO-Raad, BVE-Raad en COLO de lijst van verwante opleidingen zullen vaststellen. Dit zal het resultaat zijn van zorgvuldige vergelijking van kwalificaties en van oordelen van deskundigen. Op deze wijze zal maximale duidelijkheid verkregen worden over de vraag voor welke opleidingen 42 studiepunten vrijstelling kan worden verleend. Bovendien zullen de instellingen op individuele basis aan studenten een tegemoetkoming uit het studiefonds kunnen geven, wanneer daartoe gerede aanleiding is. Invoering van de afspraken per 1 september aanstaande is mogelijk, maar zal zeker nog aanzienlijke inspanningen vergen van alle betrokken partijen. Wij zijn het dan ook eens met de leden van de GPV-fractie dat aanvullende middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Voor de realisering van aansluitende opleidingen is voor de periode 1998–2000 12 miljoen gulden gereserveerd. Dit bedrag wordt toegevoegd aan de 12 miljoen die voor de periode 1997–2000 reeds in de begroting van 1997 was opgenomen voor de samenwerking tussen mbo en hbo. Met de instellingen zullen afspraken worden gemaakt over de wijze waarop deze middelen zullen worden ingezet.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de vormgeving van zevenjarige trajecten inhoudt voor het dubbelkwalificerend karakter van het mbo. Deze leden vragen zich af of het niet logischer is de opleidingen meer in elkaars verlengde te plaatsen en niet in alle gevallen vast te houden aan het dubbelkwalificerend karakter van het mbo.

Eén van de doelstellingen van de nieuwe kwalificatiestructuur die bij de WEB van kracht is geworden, was de vormgeving van het dubbelkwalificerend karakter van het secundair beroepsonderwijs. Het dient zowel een kwalificatie op te leveren voor de arbeidsmarkt, als een doorstroomkwalificatie naar het hbo. Wanneer één van beide kwalificaties zou vervallen, zou dat een aantasting betekenen van de optiewaarde en daarmee van de aantrekkelijkheid van het secundair beroepsonderwijs.

Zevenjarige trajecten kunnen echter heel goed vorm gegeven worden met behoud van het dubbelkwalificerend karakter van het mbo. Verkorting van de leerweg is bij voorbeeld mogelijk door samenwerking tussen regionale opleidingscentra en hogescholen in het laatste deel van de middenkaderopleiding en het eerste deel van de hbo-opleiding. Deze samenwerking is er dan op gericht de deelkwalificaties die specifiek voor het hbo van belang zijn, zodanig aan te bieden dat vrijstellingen in het hbo gegarandeerd zijn. Het onderdeel van het programma waarmee die deelkwalificaties worden bereikt, kunnen in de vrije ruimte worden gevolgd, zodat het opleidingsprogramma normaal overeind blijft. Ook kunnen programma-onderdelen parallel worden aangeboden in het laatste jaar middenkaderopleiding en het eerste jaar hbo, zodat er sprake kan zijn van wederzijdse docentenuitwisseling en tal van andere samenwerkingsinstrumenten kunnen worden benut. Dergelijke afspraken kunnen op regionaal niveau tussen instellingen worden gemaakt en kunnen leiden tot enige variatie in het moment waarop het middenkaderdiploma wordt uitgereikt.

De leden van de PvdA-fractie gaan akkoord met het voorstel mbo-studenten met een doorstroomkwalificatie naar het hbo in principe recht te geven op 42 studiepunten vrijstelling, indien zij doorstromen naar een verwante opleiding in het hbo. Deze leden hebben echter aarzelingen over de uitwerking van de vrijstellingsregeling. Centraal staat de vraag wat verwante opleidingen zijn. Deze leden vinden dat de regering er goed aan zou doen om op basis van overleg met de HBO-Raad, de BVE-Raad het COLO vast te stellen waar van die verwantschap reeds sprake is en waar verwantschap bereikt kan worden. Door deze leden wordt in dit verband verwezen naar de motie Van Gelder c.s. op kamerstukken 24 556, nr. 16, waarin is uitgesproken dat de doorstroom mbo-hbo niet belemmerd mag worden en dat in dit verband zorgvuldige monitoring noodzakelijk is.

Terecht stellen de leden van de PvdA-fractie dat de centrale vraag is wat verwante opleidingen zijn. De verwantschap tussen opleidingen wordt vastgesteld op basis van vergelijking van deel- respectievelijk kernkwalificaties van middenkader- en hbo-opleidingen. Wij zijn het met de genoemde leden eens dat deze vaststelling in overleg met de instellingen moet plaatsvinden. Voordat de doorstroomregeling definitief wordt, voeren wij dan ook overleg met de HBO-Raad, de BVE-Raad en het COLO over de wijze waarop een maximale doorstroming mbo-hbo kan worden bereikt. De afspraken met de instellingen voorzien conform de genoemde motie Van Gelder c.s. in een monitor van de uitvoering, waarbij wordt gekeken naar zowel de mate waarin de aansluiting verbetert, als naar de ontwikkelingen in de omvang van de doorstroom.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af op grond waarvan de regering het reëel acht ervan uit te gaan dat in studiejaar 2000/2001 de voorgestelde evaluatie kan opleveren dat de opleidingen verwant zijn te noemen.

In de praktijk worden reeds succesvolle verkorte trajecten aangeboden aan mbo-ers. Wij veronderstellen dat de inspanningen, die thans zowel landelijk als regionaal worden gepleegd, zullen leiden tot een aanzienlijke en structurele verbetering van de aansluiting mbo-hbo. Dit brengt de mogelijkheid voor een generieke maatregel aanzienlijk dichterbij. Niettemin zal op basis van de uitkomsten van de monitor worden bepaald of alle condities voor invoering van de generieke maatregel zijn vervuld, alvorens wordt besloten tot invoering ervan bij koninklijk besluit.

De leden van de PvdA-fractie verwijzen in hun bijdrage naar de stelling van de HBO-Raad dat 44% van de opleidingen niet verwant en 35% op termijn wellicht verwant zou zijn. Onduidelijk is voor deze leden om welke aantallen studenten het dan gaat.

In de beantwoording van deze vraag baseren wij ons op gegevens van het CBS. Het aantal gediplomeerde mbo-ers dat doorstroomt naar het hbo was in 1995 ruim 16 000. In de door de HBO-Raad genoemde percentages zou het dus gaan om ruim 7 000 niet-verwante doorstromers en circa 5 600 studenten die wellicht op termijn verwant doorstromen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is het resultaat van het overleg met de instellingen over de lijst van verwante opleidingen aan de Kamer voor te leggen alvorens te besluiten.

Deze vraag beantwoorden wij bevestigend. De concept-doorstroom- regeling zal naar verwachting nog dit jaar aan de Tweede Kamer worden voorgelegd, nadat het overleg met de instellingen heeft plaats gevonden.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich voorts af of studenten, die een vrijstelling van 42 studiepunten krijgen, niet automatisch voldoen aan de eerstejaarsnorm. Moeten zij toch nog een propedeuse afleggen, zo vragen deze leden, en hoe werkt dat dan voor jongeren die al geruime tijd niets meer gedaan hebben aan de vakken waarvoor ze zijn vrijgesteld.

Studenten die vrijstelling van 42 studiepunten krijgen, hebben niet automatisch hun propedeuse gehaald. De vrijstellingen behoeven immers niet geconcentreerd te zijn in het eerste studiejaar maar kunnen verspreid zijn over het gehele studieprogramma. Indien de propedeutische fase wordt afgesloten met een examen – en dit is de gangbare vormgeving – en de 42 studiepunten vrijstelling niet geconcentreerd zijn in het eerste studiejaar, zal de student dit examen moeten afleggen. De tentamens die onderdeel vormen van het examen en waarvoor hij is vrijgesteld, behoeft hij vanzelfsprekend niet af te leggen.

Dit staat los van de vraag of een student al geruime tijd niets meer gedaan heeft aan een vak waarvoor hij is vrijgesteld. Een dergelijk gegeven zal wel een rol kunnen spelen bij de vraag of de student in aanmerking komt voor een vrijstelling.

De leden van de PvdA-fractie nodigen de regering nog eens uit concreet aan te geven op grond van welke overwegingen zij de voorgestelde aanpak een realistische en wenselijke acht. Deze leden wijzen op het gevaar voor heilloze discussies over verwante en niet-verwante opleidingen. Ook wijzen zij op een verschillende aanpak voor mbo-ers en vwo-ers, die niet goed te rechtvaardigen is. Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie of er op basis van thans beschikbare inzichten niet een verstandiger aanpak mogelijk is, die minder energie kost.

De voorgestelde aanpak is wenselijk, omdat deze aansluit bij de wens van studenten sneller het mbo-hbo-traject te kunnen voltooien. Deze aanpak is realistisch, omdat nu al in de praktijk blijkt dat verkorte routes mogelijk zijn en dat deze tot aantrekkelijke leerwegen leiden. Over de wijze waarop een en ander verder wordt uitgewerkt worden in het najaar in het kader van het overleg over het ontwerp-HOOP 1998 nadere afspraken gemaakt. Er is derhalve geen enkele aanleiding om voor een andere aanpak te kiezen.

Bij de afsluiting van het Verblijfsduurakkoord kwamen partijen tot de conclusie dat verkorting van de verblijfsduur voor mbo-ers en vwo-ers een realistische optie was. Wel zag men meer mogelijkheden voor mbo-ers dan voor vwo-ers om tot generale afspraken over te gaan. Immers, voor vwo-ers geldt niet dat men over beroepskwalificaties beschikt. Daarom is ervoor gekozen voor mbo-ers generale afspraken te maken en de invulling van de afspraak tot verkorting van leerwegen voor vwo-ers op regionaal niveau te laten uitwerken. Om de afspraken goed te kunnen realiseren is gezamenlijk het Plan van aanpak verblijfsduurdifferentiatie ontwikkeld.

De leden van de CDA-fractie stemmen in grote lijnen in met de beschouwing over de differentiatie van de verblijfsduur in het hbo. Deze leden achten het essentieel dat eindtermen en civiele effecten voor de verschillende verblijfsduren zoveel mogelijk gelijk zijn. Zij vragen in hoeverre varianten van 3,5 jaar mogelijk zijn en of in die gevallen uitsluitend op individuele basis financiële ondersteuning kan worden verstrekt, of dat er ook andere oplossingen mogelijk zijn.

De invoering van de verblijfsduurafspraken voor mbo-ers vindt plaats onder nadrukkelijke handhaving van het hbo-kwalificatieniveau dat is gebaseerd op 168 studiepunten. Dit impliceert dat de eindtermen van opleidingen voor alle studenten gelijk zijn, alsmede het civiel effect van de hbo-diploma's. Vrijstellingen worden verleend op basis van kennis en vaardigheden die de student heeft opgedaan in de voorafgaande middenkaderopleiding. Het eindniveau is derhalve gelijk.

Verkorting van de leerweg vindt in principe plaats door middel van vrijstellingen met een omvang van 42 studiepunten. Daarmee wordt een inkorting van de studieduur bereikt met één jaar. Uitzonderingen op dit uitgangspunt worden op individuele basis bepaald. Wanneer een instelling tot de conclusie komt dat een student voor bijvoorbeeld slechts 21 studiepunten vrijstelling kan worden verleend, kan hem een tegemoetkoming uit het studiefonds worden verstrekt die overeenkomt met het bedrag aan studiefinanciering voor een half jaar, waardoor de student niet in een financiële situatie terecht komt die slechter is dan wanneer hij studiefinanciering zou hebben genoten.

De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan informatie over de positie van de stage. Hoe worden stageperiodes ingepast, zijn stages voor alle groepen identiek, ook in de lengte, zo vragen deze leden. Ook zijn deze leden benieuwd naar het advies van de adviescommissie onderwijsarbeidsmarkt (ACOA) op dit punt.

Wij onderschrijven de opvatting van deze leden dat de positie van de stage bijzondere aandacht behoeft. Wij zullen de instellingen verzoeken dit punt nadrukkelijk mee te wegen bij de vaststelling van de onderdelen die voor vrijstelling in aanmerking komen. Overigens worden de positie en lengte van de stages ook, nu reeds, door de opleidingen zelf bepaald. Deze kunnen daarom onderling verschillen. Daarbij is het mogelijk dat een instelling vrijstelling voor een aantal studiepunten verleent voor de stage, op basis van de beroepspraktijkvorming die de student in de middenkaderopleiding heeft gevolgd. Het advies van de ACOA zal worden ingewonnen naar aanleiding van de concept-doorstroomregeling.

De leden van de CDA-fractie vragen wanneer het onderscheid tussen verwant en niet verwant wordt opgeheven. De leden van de VVD-fractie vragen of art. 7.31a lid 1 inhoudt dat alle middenkaderopleidingen, specialistenopleidingen en bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen op termijn relevant (bedoeld zal zijn: verwant) zijn. De leden van de D66-fractie vragen hoe en door wie wordt bepaald wanneer het onderscheid verwant/niet-verwant wordt opgeheven.

In het wetsvoorstel is een lange-termijn-perspectief opgenomen. Daarin worden de randvoorwaarden geschetst waaronder op termijn de studiefinancieringscondities voor alle mbo-ers generiek kunnen worden vastgesteld op drie jaar. Op basis van een monitor zal in het studiejaar 2000/2001 worden vastgesteld of aan de gestelde condities is voldaan. Voorafgaand daaraan vindt overleg plaats met de instellingen.

De leden van de CDA-fractie constateren, dat de vrijstelling van 42 punten niet geldt voor studenten met een vwo-vooropleiding. Zij merken op, dat de hogere leersnelheid dan kennelijk andere tekorten moet compenseren, via een individuele benadering, omdat de hogescholen op basis van een individuele toetsing de omvang van de vrijstelling moeten bepalen.

Opleidingen bieden ook aan vwo-ers in principe een samenhangend programma aan van 168 studiepunten, hetgeen garant staat voor het hbo-kwalificatieniveau. Vwo-ers beschikken echter niet over een beroepskwalificatie. Op basis daarvan kunnen derhalve geen generieke vrijstellingen worden verstrekt. Wel mag worden aangenomen dat een vwo-er in het algemeen anders omgaat met de leerstof van een havist. Met name bij de theoretische vakken zal dit kunnen leiden tot vrijstellingen. Er zal echter alleen sprake zijn van vrijstellingen wanneer daarvoor voldoende grond is. Zo doende worden «op maat» gesneden leerwegen aangeboden die hun basis vinden in het gemeenschappelijke opleidingsprogramma.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat tussen gelijkwaardige en gelijksoortige opleidingen grote verschillen gaan ontstaan.

Hbo-opleidingen zijn opgebouwd uit 168 studiepunten. Verlening van vrijstellingen geschiedt op basis van reeds door een eerdere studie of werkervaring verkregen kennis en vaardigheden, maar zal nooit ten koste gaan van het hbo-kwalificatieniveau. Met andere woorden: bij instroom kunnen studenten verschillen vertonen ten aanzien van de «bagage» die men meeneemt. Alle studenten die gediplomeerd uitstromen beschikken echter over het hbo-kwalificatieniveau.

De instellingen hebben vrijheid in het verzorgen van specifieke trajecten voor verschillende groepen. De invulling van de opleidingen behoort tot de autonomie van de instellingen. Verschillen tussen opleidingen zijn niet negatief, het kan juist een vorm van profilering zijn. Wat van belang is, en de leden van de CDA-fractie wijzen daar zelf terecht op, is dat het eindniveau gelijk is: een volwaardig hbo-niveau.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de voorbereidingen ter invoering van de verblijfsduurafspraken voor met name mbo-ers en vwo-ers.

Na de vaststelling van het plan van aanpak is op landelijk niveau door de HBO-Raad, de BVE-Raad en het COLO gewerkt aan de opstelling van een lijst van verwante opleidingen mbo-hbo. Omdat de oplevering van het advies op zich liet wachten hebben wij, met het oog op tijdige informatievoorziening aan studenten en instellingen, alvast een lijst van verwante opleidingen toegevoegd aan het ontwerp-HOOP 1998. Daarbij hebben wij gebruik gemaakt van informatie die ons is aangereikt door het Landelijk Informatiecentrum Aansluiting VO/HBO (LICA). Het advies van de genoemde organisaties heeft ons inmiddels bereikt.

De inspectie constateert onder andere dat meer dan de helft van hogescholen en regionale opleidingscentra een samenwerkingsverband onderhoudt met BVEof hbo-partners. In dat verband wordt onder andere gewerkt aan verkorting van routes. Op regionaal niveau zijn dan ook al kansrijke initiatieven tot verkorting van leerroutes voor mbo-ers en vwo-ers.

In oktober en november 1997 zal het bestuurlijk overleg ter voorbereiding op de vaststelling van de doorstroomregeling en de nadere invulling van het vervolgtraject met de instellingen worden gevoerd.

De leden van de VVD-fractie vragen of er voor de datum van ingang op alle punten helderheid is over de rechten van toekomstige hbo-studenten.

Het streven is er op gericht in december 1997 de doorstroomregeling voor mbo-ers gereed te hebben, zodat tijdig voorlichting kan worden verstrekt aan studenten en opleidingen. Op basis van die informatie zal de voorlichting aan studenten plaatsvinden en kunnen opleidingen, in onderling overleg hun voorbereidingen treffen ten aanzien van de regeling van vrijstellingen. Met de IBG wordt nagegaan op welke wijze studenten zo spoedig mogelijk volledig kunnen worden geïnformeerd over de omvang van hun studiefinancieringsrechten. De studiefinancieringscondities voor havo-ers en vwo-ers wijzigen zich niet op basis van de afspraken over de verblijfsduur.

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de Kamer inzicht in de nieuwe doorstroomregeling heeft.

De Tweede Kamer wordt nog dit jaar ingelicht over de nieuwe doorstroomregeling.

Deze leden vragen of reeds bekend is hoe het verschil tussen verwante en niet-verwante opleidingen is vorm gegeven.

Per hbo-opleiding wordt aangegeven welke middenkaderopleidingen verwante aansluiting verschaffen tot het hbo. De verwantschap wordt vastgesteld op basis van vergelijking van deelkwalificaties en eindtermen voor de middenkaderopleidingen met de kernkwalificaties voor hbo-opleidingen, en op basis van oordelen van deskundigen.

De leden van de D66-fractie vragen zich af of overleg wordt gepleegd met het mbo- en hbo-veld over de vraag welke opleidingen verwant zijn in verband met het opstellen van de ministeriële regeling.

Deze vraag beantwoorden wij bevestigend. Dat overleg vindt in het najaar van dit jaar plaats.

De leden van de D66-fractie vragen in dit verband voorts, waarom met betrekking tot de aanwijzing van de verwante WEB-opleidingen niet gekozen is voor aanwijzing bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Bij de beantwoording van een andere vraag van deze leden in de paragraaf «Algemeen» hebben wij uitvoerig aangegeven waarom wij in dit wetsvoorstel een aantal ministeriële regelingen hebben geïntroduceerd. De voornaamste reden om in dit geval voor de vorm van de ministeriële regeling te kiezen is dat op deze wijze sneller kan worden ingespeeld op de ontwikkelingen die zich binnen het beroepsonderwijs en de hogescholen voordoen. Deze bepaling maakt het mogelijk dat, nadat over voorstellen om artikel 7.31a voor bepaalde BVE- en bepaalde hbo-opleidingen toe te passen is overlegd met de BVE- en hbo-sector, deze voorstellen op korte termijn kunnen worden gerealiseerd. Zoals bekend, is met de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur aanzienlijk meer tijd gemoeid.

Hier komt nog bij dat met name voor het studiejaar 1998–1999 zich een praktisch probleem voordoet. Gelet op het tijdstip waarop het onderhavige wetsvoorstel tot wet wordt verheven (naar verwachting rond 1 april 1998) en de noodzaak ruim voor de start van dat studiejaar (1 september) hogescholen en studenten duidelijkheid te verschaffen welke doorstromingsmogelijkheden zich voordoen, rest er een zeer beperkte periode om een uitvoeringsvoorschrift op basis van artikel 7.31a tot stand te brengen. Bij een keuze voor de vorm van een algemene maatregel van bestuur is bedoelde periode buitengewoon kort om dit uitvoeringsvoorschrift te realiseren.

De leden van de D66-fractie constateren dat er sprake is van een tegenstrijdigheid wanneer wordt gesteld dat een vrijstelling ook minder kan zijn dan 42 studiepunten wanneer er sprake is van een aantoonbaar gebrek, in casu een mbo-opleiding die onvoldoende kwalificeert voor de vastgestelde verwante opleiding. Deze leden vragen hoe groot dit grijze gebied is en wat moet worden verstaan onder een gebrek en hoe het kan worden aangetoond. Voorts vragen deze leden of een indicatie gegeven kan worden van het percentage studenten dat voor een gedeeltelijke vrijstelling in aanmerking komt en of hiermee rekening is gehouden in het studiefonds. De leden van de GPV-fractie vragen welke omstandigheden aanleiding geven tot uitkering uit het studiefonds. Ook vragen de genoemde leden zich af of een student die onvoldoende kennis/vaardigheden heeft verworven in zijn mbo-opleiding niet ten onrechte het diploma met doorstroomkwalificatie heeft verkregen.

Het studiefonds is ingesteld om instellingen ruimte te geven af te wijken van de algemene lijn, wanneer daartoe gerede aanleiding is. Op die manier kan aan studenten leerwegen «op maat» worden aangeboden, toegespitst op ieders individuele mogelijkheden. Er kan sprake zijn van een «gebrek» dat voortvloeit uit het feit dat een student een opleiding heeft gevolgd die weliswaar in de categorie «verwant» valt, maar op onderdelen niet helemaal aansluit op de eisen die de hbo-opleiding stelt. Hoewel een student zijn mbo-diploma terecht heeft gekregen, kan er toch sprake zijn van een beperkte deficiëntie, die juist voor de doorstroming relevant is. Juist om voor deze groep studenten trajecten op maat aan te kunnen bieden is het studiefonds ingesteld. Hoe groot de groep is die van deze voorziening gebruik zal maken, is nu niet aan te geven. De praktijk zal dat moeten uitwijzen. Mede daarom is de omvang van het studiefonds in de aanvang wat ruimer dan in de latere jaren wanneer met de nieuwe werkwijze ervaring is opgedaan.

De leden van de D66-fractie hebben enige scepsis ten aanzien van het streven op den duur de studiefinancieringsrechten voor alle doorstromende mbo-ers op drie jaar te zetten. Niet-verwant is niet-verwant, of gaat het om een rem op de doorstroming naar het hbo, zo vragen deze leden.

Er zal zeker geen sprake zijn van een rem op de doorstroming. Integendeel, naar mate er meer goed aansluitende routes mbo-hobo zullen zijn, zal de belangstelling voor dergelijke trajecten alleen maar toenemen. De beoogde instroomprofielen voor mbo-ers zullen daarin een regulerende functie vervullen. De verwachting is dan ook dat het onderscheid verwant/niet-verwant op termijn minder relevant zal zijn.

De leden van de SGP-fractie hebben aarzelingen over de wijze van invoering van differentiatie in het hbo c.q. de verkorte opleiding voor doorstromers mbo-hbo en vwo-hbo. Er wordt veel overgelaten aan instellingen terwijl de wetgever al wel door middel van artikel II een definitieve regeling geeft, zo merken deze leden op. Artikel II geldt bovendien niet voor vwo-ers en het treedt in werking bij koninklijk besluit. De leden van de SGP-fractie hebben de voorkeur voor het te zijner tijd regelen bij wet, waarbij doorstroom vwo-hbo kan worden bezien in het licht van ervaringen met de tweede fase van het voortgezet onderwijs.

In het verblijfsduurakkoord is ervoor gekozen afspraken te maken over een landelijke doorstroomregeling mbo-hbo. De nadere invulling van deze afspraken op het niveau van de opleiding vindt plaats in de regio, in nauwe samenwerking tussen hogeschool en regionaal onderwijscentrum. De inspanningen van de instellingen om de aansluiting van leerwegen mbo-hbo verder te optimaliseren zullen naar verwachting leiden tot een structurele verbetering van de aansluiting. Hierdoor zal het onderscheid verwant/niet-verwant op termijn minder relevant zijn. Met de instellingen is afgesproken dat de realisering van de verkorte leerwegen zal worden gemonitord. Op basis van de resultaten van deze monitor zal worden bepaald wanneer het lange-termijn-artikel II in werking zal treden.

Daarbij is gekozen voor invoering bij koninklijk besluit en niet bij wet, omdat met de eerstgenoemde invoering sneller kan worden ingespeeld op de ontwikkelingen die zich voordoen in het beroepsonderwijs.

Het artikel geldt niet voor vwo-ers, omdat een vooraf vastgelegd vrijstellingsregime van substantiële omvang, zoals bij het mbo, niet voor alle vwo-ers realistisch is.

De leden van de SGP-fractie vragen wat er overblijft van de oorspronkelijke doelstelling van de vernieuwing 2e fase VO om scherpere selectie tussen havo en vwo te realiseren met het oog op de vervolgtrajecten.

De scherpere profilering van havo en vwo ten opzichte van elkaar, en daardoor de betere selectie naar vervolgopleiding, wordt bereikt door het specifieke vakkenpakket van beide schoolsoorten en doordat van elk vak de examenprogramma's havo en vwo verschillen. Zeer globaal kan worden gesteld dat het havo-programma wat minder theoretisch gericht is.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre tegemoet kan worden gekomen aan de wenselijkheid van differentiatie in het hbo, bijvoorbeeld een langere studieduur voor sommige technische opleidingen.

Met de invoering van de verblijfsduurmaatregel worden de mogelijkheden tot differentiatie naar studieduur in het hbo juist verder vergroot. Waar er tot nu toe sprake was van een uniforme cursusduur voor alle hbo-studenten, wordt daarin nu meer variëteit aangebracht op grond van de vooropleiding van studenten. Bij niet-verwante doorstroming zullen aan de mbo-er vierjarige programma's worden aangeboden en heeft hij recht op vier jaar studiefinanciering. Bij verwante doorstroming ontvangt de student 42 studiepunten vrijstelling en heeft hij recht op drie jaar studiefinanciering. Mocht er op individuele gronden aanleiding zijn de mbo-er minder studiepunten vrijstelling te verlenen, dan kan hij een beroep doen op het studiefonds van de instelling. Dit geldt uiteraard ook bij verwante doorstroming in de technische opleidingen.

De leden van de GPV-fractie stellen vast dat er een uitputtend overzicht komt van verwante opleidingen en vragen zich af of het niet meer in de rede ligt dat onderwijsinstellingen hier zelf uitkomen.

Uit oogpunt van rechtsgelijkheid voor studenten is het van belang dat er een landelijke doorstroomregeling komt. De instellingen hebben gelegenheid gehad in gezamenlijkheid hierover een advies uit te brengen. Na overleg met HBO-Raad, BVE-Raad en COLO zal de doorstroomregeling door ons worden vastgesteld. Met deze procedure, waarmee de Tweede Kamer heeft ingestemd bij de behandeling van het Plan van aanpak verblijfsduurdifferentiatie, lijkt een goede balans gevonden te zijn tussen de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen en de verantwoordelijkheid van de overheid voor de kwaliteit van het hoger onderwijs.

Het studiefonds waaruit uitkeringen worden verstrekt wordt beheerd door de hogeschool. De leden van de CDA-fractie vragen hoe gewaarborgd wordt dat de rechtspositie van deze groep studenten overeind blijft ten opzichte van de studenten die een vier-jarige opleiding volgen.

Het studiefonds dat wordt beheerd door de instellingen is een voorziening om verwant doorstromende mbo-ers met minder dan 42 studiepunten in staat te stellen hun opleiding af te ronden. Alleen de instelling kan bepalen hoeveel studiepunten een student tekort komt. Daarom is het fonds bij de instellingen ondergebracht. Om rechtsongelijkheid te voorkomen stellen de instellingen een regeling vast met betrekking tot de toekenning uit het studiefonds. Deze regeling is openbaar en toetsbaar. Wij verwijzen nog naar het antwoord dat wij hierna hebben gegeven op een vraag van de leden van de fractie van de SGP.

De leden van de CDA-fractie vragen of de vulling van het studiefonds toereikend is wanneer zich een groter aantal studenten meldt dat geen aanspraak kan maken op volledige vrijstelling. Ook de leden van de D66-fractie vragen of er op dit moment al voldoende inzicht is in de vraag of de hoogte van het studiefonds toereikend is. Verder vragen deze leden of een onderbouwing kan worden gegeven van de middelen die voor het studiefonds zijn gereserveerd.

De middelen die voor het studiefonds zijn gereserveerd bedragen structureel 15 miljoen gulden. Deze middelen zijn bestemd voor de mbo-gediplomeerden die een verwante studie in het hbo volgen maar die niet volledig 42 studiepunten vrijstelling kunnen krijgen. Dit bedrag van 15 miljoen bedraagt ongeveer 20% van de totale besparing op de studiefinancieringsuitgaven die samenhangt met verwant-doorstromende mbo-ers naar het hbo. Het is echter uitdrukkelijk de bedoeling dat de uitkering uit het studiefonds is afgestemd op de specifieke situatie van een student; de student met 42 studiepunten vrijstelling zal dus geen uitkering uit het studiefonds ontvangen, waardoor er meer geld overblijft voor de andere studenten. In de structurele situatie moet dit voldoende zijn. In de eerste twee jaar is het studiefonds hoger (respectievelijk 25 miljoen en 20 miljoen) omdat de aansluiting mbo-hbo nog volop in ontwikkeling is.

De leden van de fractie van D66 vragen of het klopt dat de volgende categorieën gebruik kunnen gaan maken van het studiefonds: de mbo-gediplomeerde die een verwante hbo-opleiding aanvangen, maar toch hiaten in hun vooropleiding hebben, wo-studenten die na het kandidaats een vervolgopleiding van meer dan een jaar doen en voor wo-studenten die een studie van meer dan 168 studiepunten volgen. Springt in alle gevallen na afloop van de reguliere studiefinanciering het studiefonds in voor de periode die overeenkomt met de dan nog resterende studielast, zo vragen deze leden.

Deze leden hebben de categorieën goed verstaan met dien verstande dat bij het beroep op het studiefonds door verwante doorstromers in het hbo er sprake is van een hiaat in de kennis of vaardigheden van desbetreffende student en er niet per definitie sprake is van hiaten in hun vooropleiding. In de beantwoording van vragen van onder meer deze leden is dit al toegelicht.

Het studiefonds springt in voor de periode die overeenstemt met het aantal studiepunten dat de verwant doorstromende student minder is vrijgesteld dan 42 studiepunten (hbo), of voor de duur van de opleiding die uitstijgt boven de 168 studiepunten (wo).

De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe op dit moment de studiefinanciering voor de huidige vijf-jarige studierichtingen is geregeld. Deze leden vragen zich af of het nog steeds zo is dat de instellingen zelf het vijfde jaar financieren.

Studenten aan opleidingen met een studielast die volgens de WHW 210 studiepunten omvat, hebben recht op vijf jaar gemengde studiefinanciering. De diplomatermijn bedraagt zeven jaar. Studenten die voor het studiejaar 1995/1996 zijn ingestroomd hebben recht op zes jaar (c+1) gemengde studiefinanciering. Voor studenten die in de studiejaren 1991/1992 tot en met 1994/1995 zijn ingestroomd in een aantal opleidingen in het technisch wetenschappelijk onderwijs, was nog geen sprake van een verlengde cursusduur. Voor hen is sprake van een overgangssituatie. Voor deze studenten bestaat bij de instellingen een voorziening in aanvulling op de periode waarop recht is op gemengde studiefinanciering. Deze studenten kunnen onder bepaalde voorwaarden, indien zij geen aanspraak meer hebben op gemengde studiefinanciering, een tegemoetkoming van de instellingen krijgen in de kosten van levensonderhoud. Deze voorziening is destijds getroffen tegen de achtergrond van de onderzoeken die hebben geleid tot verlenging van de cursusduur van een aantal opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de techniek.

De leden van de D66-fractie vragen of de middelen uit het studiefonds uitsluitend kunnen worden gebruikt voor financiële ondersteuning van studenten.

Deze vraag beantwoorden wij bevestigend. Het studiefonds is alleen bedoeld voor individuele ondersteuning van studenten die verwant doorstromen, maar geen 42 studiepunten vrijstelling ontvangen.

De leden van de SGP-fractie vragen of het leggen van de verantwoordelijkheid voor een deel van de financiële ondersteuning van studenten bij de onderwijsinstellingen zelf niet kan leiden tot belangenverstrengeling. De studenten zijn dan afhankelijk van de instelling voor zowel het onderwijs als hun levensonderhoud. Is het niet beter die verantwoordelijkheden gescheiden te houden, zo vragen deze leden.

Het studiefonds, waar de genoemde leden op doelen, is bedoeld als voorziening om maatwerk te leveren, waardoor verwant doorstromende studenten met minder dan 42 studiepunten in staat zullen zijn om hun opleiding af te ronden. Alleen de instelling kan op het niveau van de individuele student bepalen hoeveel studiepunten een student tekort komt. Dat is de reden waarom het studiefonds bij de instelling is geplaatst. Uiteraard moeten de instellingen van te voren een regeling vaststellen met betrekking tot de toekenning uit het studiefonds. Deze regeling is openbaar en vormt een onderdeel van het studentenstatuut. Hierdoor is kenbaar op welke gronden instellingen steun uit het studiefonds zullen verstrekken alsmede de omvang ervan. Daardoor wordt mogelijke belangenverstrengeling voorkomen.

De leden van de GPV-fractie stellen vragen over de doorstroomkwalificaties van mbo-studenten voor wie het studiefonds is bestemd. Deze vragen hebben wij hiervoor beantwoord in samenhang met overeenkomstige vragen van de leden van de D66-fractie.

3.2 Duale leerwegen

De leden van de CDA-fractie vragen of de voormalige inserviceopleidingen in een volstrekt andere categorie vallen.

De voormalige in-service opleidingen zijn duale opleidingen die vallen binnen de definitie die in ons wetsvoorstel aan duale opleidingen is gegeven, in die zin dat het werken verband dient te houden met het onderwijs. Door de overdracht van de in-service opleidingen naar het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapppen (OCenW) is in de sector HBO-Verpleegkunde (HBO-V) een duale variant geïntroduceerd waarin jarenlange ervaring in duaal leren is opgebouwd. De afwijkende condities voor de duale Verpleegkunde-opleidingen houden uitsluitend verband met de financiële afspraken die de Minister van OCenW bij de overdracht met de zorginstellingen en de hogescholen heeft gemaakt. Daarin is afgesproken dat duale HBO-V studenten de opleiding in de propedeutische fase in het voltijdse onderwijs volgen, waarna de rest van de opleiding in deeltijd zal worden afgerond. In deze deeltijdse fase zullen de zorginstellingen verantwoordelijk zijn voor het inkomen van deze studenten. Duale HBO-V-studenten kunnen derhalve na de propedeuse geen beroep meer doen op studiefinanciering. Deze financiële afspraak is ook te verantwoorden aangezien in-service studenten in het verleden steeds gedurende de hele opleiding door de zorginstellingen zijn bekostigd. In een nota van wijziging die de Tweede Kamer binnenkort zal bereiken, wordt het afwijkende recht op studiefinanciering van duale HBO-V-studenten neergelegd.

De vraag van de leden van de CDA-fractie naar de hoeveelheid middelen die zijn gemoeid met het jaarlijks bepalen van de studiefinancieringsaanspraken per studiejaar wordt verderop in deze paragraaf beantwoord in samenhang met de vraag van de leden van de fractie van D66.

De leden van de VVD-fractie vragen indien voor een duaal traject een langere diplomatermijn geldt, welke termijn dan in het kader van de studiefinanciering gehanteerd wordt. Handhaaft de regering een diplomatermijn van zes jaar voor duale trajecten, zo vragen deze leden.

Voorts vragen de leden van de fractie van de PvdA in paragraaf 2.4 van het verslag in dit verband waarom bij duale trajecten niet wordt uitgegaan van de keuze van de student. Het per definitie vastleggen van één jaar extra als voor een aaneengesloten periode van twaalf maanden geen studiefinanciering is genoten, doet geen recht aan de noodzakelijke flexibeler regeling in het geval van duale trajecten, aldus deze leden.

Ook de leden van de D66-fractie vragen waarom de diplomatermijn blijft staan op zes jaar voor duale studenten.

In dit wetsvoorstel is thans geregeld dat voor duale studenten evenals voor voltijdse studenten een diplomatermijn geldt van zes jaar. Alleen in het geval een duale student zich gedurende minimaal een heel jaar uitschrijft uit de studiefinanciering kan hij in aanmerking komen voor verlenging van de termijn naar zeven jaar. Gelet echter op de vragen die in het verslag op dit punt zijn gesteld en recht doend aan het feit dat duale studenten als gevolg van het werken in het gedrang kunnen komen met een prestatietermijn van zes jaar, zullen wij in een binnenkort in te zenden nota van wijziging voorstellen de prestatietermijn van duale studenten zodanig te verruimen dat optimaal rekening wordt gehouden met de omvang van de periode waarin werkend wordt geleerd. Dit wordt gerealiseerd door het aantal jaren dat als gevolg van het duale deel van de opleiding extra benodigd is op te tellen bij de prestatietermijn die thans voor voltijdse opleidingen geldt. Zo zal een student die een duale opleiding volgt waarbij na drie jaar theoretisch onderwijs een leer/werk-traject-wordt gevolgd dat eveneens drie jaar beslaat, twee jaar extra nodig hebben om de opleiding af te ronden. Deze student zal dan een beroep kunnen doen op een prestatietermijn van (6+2) acht jaar.

De leden van de VVD-fractie vragen of op het punt van de collegegeldbepalingen voor duale trajecten dezelfde bepalingen gelden als voor deeltijdstudenten, waardoor de instelling vrij is de hoogte van het collegegeld te bepalen.

Het is juist dat voor studenten aan een duale of deeltijdse opleiding een zelfde collegegeldregeling geldt. In de desbetreffende bepalingen is een minimumbedrag van f 1250 vermeld. Evenals bij de deeltijdse inschrijvingsvorm is het instellingsbestuur bevoegd een hoger collegegeld dan f 1250 te heffen.

Het voorgestelde artikel 7.43a biedt instellingsbesturen in elk geval de mogelijkheid voor een duale opleiding uit te gaan van het basistarief of van een ander laag tarief. Indien een instelling hiertoe overgaat, zou de reden hiervan kunnen zijn dat men het gebruik van de duale inschrijvingsvorm binnen de instelling wenst te bevorderen. In dit verband verwijzen wij naar het akkoord met de hogescholen waarin is afgesproken dat deze instellingen zich zullen inspannen om meer studenten die thans aan het voltijds onderwijs deelnemen, aan duale of deeltijdse leerwegen te laten deelnemen. Daarnaast biedt deze bepaling in elk geval maximale flexibiliteit bij de inrichting van duale leerwegen.

Deze vraag geeft ons overigens aanleiding een technische wijziging in het wetsvoorstel aan te brengen. Bij nader inzien is het niet nodig voor de collegegeldheffing bij deeltijdse opleidingen en voor die bij duale opleidingen afzonderlijke – en overigens identieke – bepalingen in de wet op te nemen. Dit betekent dat het wetsvoorstel op dit punt kan worden vereenvoudigd. De daartoe strekkende wijziging zal binnenkort worden opgenomen in een nota van wijziging.

Deze leden vragen ook of studenten die gebruik maken van een duaal traject en in een jaar slechts in zeer geringe mate onderwijs volgen wel recht krijgen op de OV-jaarkaart.

De leden van de D66-fractie vragen waarom de OV-jaarkaart niet het hele jaar kan doorlopen. Wat zijn de financiële consequenties, zo vragen deze leden.

Studenten hebben voor het deel van het studiejaar dat zij onderwijs volgen en recht op studiefinanciering behouden, eveneens een OV-jaarkaart. De OV-jaarkaart kan gedurende minimaal één maand worden verstrekt, aangezien toekenning door IBG steeds minimaal per maand geschiedt. In het geval de omvang van het leren-deel minder is dan een maand kunnen studenten geen recht doen gelden op een OV-jaarkaart.

Er zijn argumenten vóór en tegen het verschaffen van de OV-jaarkaart gedurende het arbeidscontract van duale studenten. De afweging van voors en tegens zal nog moeten worden gemaakt. Tegelijkertijd zijn daar natuurlijk extra kosten mee gemoeid. Als indicatie valt aan te geven dat de kosten van een OV-jaarkaart op jaarbasis f 1073,68 (ex BTW, prijspeil 1996) bedragen voor studenten die onder het regime van de nieuwe uit-/thuiskaart vallen. Voor de goede orde wijzen wij er op dat het huidige contract met de openbaar vervoerbedrijven nog een budgettair tekort vertoont.

De leden van de VVD-fractie vragen of met het mogelijk maken van duale opleidingen in het wo niet op de zaken vooruit wordt gelopen.

Het wetsvoorstel biedt zowel voor het hbo als voor het wo ruimte voor duale opleidingen. In het hbo is reeds ervaring opgedaan met duale opleidingen. Deze krijgen nu een wettelijke basis. Wij hebben er voor gekozen deze ook te bieden voor de universiteiten, om niet op voorhand de ontwikkeling van duale leerwegen in het wo uit te sluiten. Naar aanleiding van het ontwerp-HOOP 1998 zal de komende maanden overleg worden gevoerd met de universiteiten en het bedrijfsleven om te komen tot concrete initiatieven. De universiteiten worden in de gelegenheid gesteld met ingang van september 1998 in een aantal sectoren experimenten te starten met opleidingen waarin leren en werken een geïntegreerd geheel vormen. In dit perspectief ligt het in de rede de mogelijkheid van een duale inschrijvingsvorm niet te beperken tot het hbo. Dat biedt universiteiten bij de vormgeving van experimenten met duale opleidingen meer keuzemogelijkheden op het gebied van inrichting, tijdsduur en organisatie.

De leden van de VVD-fractie vroegen om een toelichting waarom duale opleidingen passen in het kader van de brede academische vorming die wo-opleidingen beogen.

Belangrijke elementen van academische vorming zijn intellectuele zelfstandigheid, weten hoe kennis verworven en gevalideerd moet worden, weten hoe kennis gepositioneerd kan worden in de maatschappelijke praktijk, creatief met kennisbestanden kunnen omgaan, oplossingsgericht zijn en beschikken over schriftelijke en mondelinge communicatieve vaardigheden. Combinaties van leren en werken, zoals stages en duale leerwegen, bieden studenten mogelijkheden om zich deze vaardigheden eigen te maken en zich te oriënteren op de beroepspraktijk. Duale leerwegen zijn dus een mogelijkheid om vorm te geven aan academische vorming, mits gedurende de praktijkcomponent van de opleiding voldoende aandacht besteed wordt aan genoemde vaardigheden. Daarnaast leveren duale leerwegen een bijdrage aan innovatie van de beroepspraktijk, bij voorbeeld in sectoren met weinig hoger opgeleiden en bieden zij de mogelijkheid voor rechtstreekse feedback vanuit de beroepspraktijk naar de opleidingen. Bij de experimenten met duale leerwegen zal waarborging van de academisch vorming een belangrijk aandachtspunt vormen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister getoetst heeft of er bij werkgevers behoefte bestaat aan duale wo-trajecten.

Naar aanleiding van het ontwerp-HOOP 1998 zal overleg plaatsvinden, onder meer met werkgeversorganisaties. In dat overleg zal ook de behoefte aan duale leerwegen onder werkgevers worden getoetst. Duale leerwegen sluiten wel aan bij de behoefte onder werkgevers om in het wo meer aandacht te besteden aan sociale, communicatieve en commerciële vaardigheden. Vanuit VNO/NCW is de vraag gesteld of duale trajecten niet ten koste gaan van de academische vorming. Zoals blijkt uit het hierboven gegeven antwoord op een vraag van deze leden zijn wij van mening dat dat niet het geval is. Wel zijn wij van plan bij de te maken afwegingen de bevindingen van VNO/NCW te betrekken.

De vragen van de leden van de fractie van D66 over de financiële consequenties van het eventueel verstrekken van de OV-jaarkaart aan duale studenten gedurende het gehele studiejaar zijn eerder in deze paragraaf beantwoord.

De leden van de D66-fractie vragen of met het werkendeel ook studiepunten kunnen worden behaald.

In het wetsvoorstel is aangegeven dat het instellingsbestuur aan het begin van het jaar meldt aan IBG wat de omvang is van het onderwijsdeel binnen de duale opleiding. Dit ter vaststelling van de studiefinancieringsaanspraak van de betreffende student voor het onderwijsdeel. Voor het praktijkdeel kan de student eveneens studiepunten verwerven zonder evenwel beroep te kunnen doen op studiefinanciering. Wij onderkennen dat dit punt in het onderhavige wetsvoorstel verheldering behoeft. Om dit in de wet beter tot uitdrukking te brengen zal in de binnenkort aan de Tweede Kamer te zenden nota van wijziging een aanpassing van artikel 7.13 van de WHW worden opgenomen waarbij de instelling wordt verplicht om in de onderwijs- en examenregeling aan te geven hoeveel studiepunten voor dit deel van de opleiding kunnen worden behaald.

De leden van de fractie van D66 vragen ook of het instellingsbestuur elk jaar weer opnieuw voor alle duale trajecten het aantal studiepunten aan het begin van het jaar moet doorgeven of alleen als het om iets nieuws of een wijziging gaat. Is dit artikel getoetst op uitvoerbaarheid door de instellingen, zo vragen deze leden. In het verlengde hiervan vragen de leden van de CDA-fractie hoeveel middelen zijn gemoeid met het jaarlijks bepalen van de studiefinancieringsaanspraken per studiejaar.

In een duale opleiding zal het zelden voorkomen dat reeds aan het begin van de opleiding precies bekend zal zijn wat de jaarlijkse omvang van de praktijkcomponent van de duale opleiding is. Wel zal in de onderwijs- en examenregeling in algemene zin moeten worden aangegeven wat de verhouding is tussen het onderwijsdeel en de praktijkcomponent. Doordat de totstandkoming van een duaal traject voor een belangrijk deel afhangt van het overleg met werkgevers is een zekere flexibiliteit gedurende de opleiding bij het vaststellen van het duale programma vereist. In het specifieke overleg dat tussen instelling, student en werkgever wordt gevoerd worden immers pas afspraken gemaakt over de precieze omvang en inhoud van het deel van de opleiding dat werkend wordt gevolgd. Deze afspraken worden voorts vastgelegd in een dan te sluiten onderwijs-arbeidsovereenkomst. Afhankelijk van de specifieke afspraken die worden gemaakt, kan de omvang van het werkendeel en het onderwijsdeel per jaar variëren en dientengevolge ook het vaststellen van het recht op studiefinanciering door de IBG. Om studenten toch enige zekerheid te geven over de inrichting van het duale traject en in de inkomsten die zij uit hoofde van de WSF kunnen verwachten, is in dit wetsvoorstel geregeld dat in ieder geval aan het begin van het studiejaar bekend moet zijn wat de omvang en inrichting is van het duale programma. De uitvoeringstoets door IBG heeft daarbij reeds uitgewezen dat deze voorgestelde systematiek goed uitvoerbaar is aangezien deze aansluit op de systematiek die nu reeds wordt gehanteerd ten behoeve de coöp-studenten in het hbo.

De leden van de D66-fractie vragen waarom de instellingen zekerheid moeten hebben over het aantal maanden studiefinanciering dat is bespaard in het duale traject.

In het Verblijfsduurakkoord dat op 19 januari 1996 met de hogescholen hebben gesloten, hebben de hogescholen zich garant gesteld voor een bezuiniging van 140 miljoen gulden op de studiefinanciering en het macrobudget. Afgesproken is dat van dit bedrag met ingang van het studiejaar 1998/1999 68,5 miljoen gulden zal worden gekort op het macro-budget van hogescholen. Hogescholen hebben daarbij de mogelijkheid om op deze korting in te verdienen door studenten sneller door het onderwijs te geleiden en door voltijdse studenten te stimuleren over te stappen naar een deeltijdse of duale traject, waardoor minder beslag wordt gelegd op de studiefinanciering.

Deze leden merken ook op, dat in een ministeriële regeling de condities zijn uitgewerkt op grond waarvan werkgevers een beroep kunnen doen op de fiscale faciliteit. Welke zijn dat en geldt daar ook de 130% van het minimumloon, zo vragen deze leden.

De fiscale faciliteit die vanaf 1 januari 1997 van toepassing is op duale leerwegen in het hbo is alleen van toepassing op hbo'ers die in technisch-commercieel bedrijfssectoren werkzaam zijn. Een specificatie van deze sectoren is opgenomen in de regeling. Voorwaarde is dat tussen de desbetreffende student, werkgever en hogeschool een onderwijs-arbeidsovereenkomst wordt gesloten waarin naast de rechtspositionele status van de student tevens afspraken worden gemaakt over hetgeen de student tijdens het werkendeel dient te leren. Daarmee wordt gegarandeerd dat het gaat om werk dat verband houdt met het onderwijs. Indien een werkgever aan deze voorwaarde voldoet kan hij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de loonbelasting van f 4500 per jaar gedurende twee jaar. De duale student dient dan niet meer te verdienen dan 130% van het minimumloon. In het kader van de begroting 1998 is de fiscale voorziening voor het hbo vanaf 1 januari 1998 uitgebreid naar de zorginstellingen. In dat kader is ook besloten dat de grens van 130% van het minimumloon niet meer geldt voor werknemers van 25 jaar en ouder.

Overigens zullen wij op basis van nadere overweging in de nog in te dienen nota van wijziging voorstellen om het sluiten van een onderwijs-arbeidsovereenkomst als voorwaarde op te nemen voor alle duale trajecten. De onderwijs-arbeidsovereenkomst is thans zoals hierboven blijkt alleen een voorwaarde bij de fiscale tegemoetkoming voor werkgevers die studenten in een duaal traject in dienst nemen en daarmee alleen beperkt tot de hierboven genoemde sectoren. Een onderwijs-arbeidsovereenkomst kan met het oog op het waarborgen van de kwaliteit van de duale opleiding echter garanderen, dat het werkendeel inderdaad verband houdt met de opleiding. Bovendien geeft dit contract helder aan wat de rechtspositionele status is van de student en hem daardoor een grotere zekerheid kan worden geboden. Tegelijkertijd is dit contact tevens uitdrukking van het commitment van zowel instelling als werkgever om de student adequaat te begeleiden.

De leden van de RPF-fractie vragen of het inkomen van duale studenten tijdens het werkendeel gegarandeerd is en of dit inkomen hoger is dan de studiefinanciering waar zij recht op hadden of dat zij tegen minimale onkostenvergoeding werken. Ook vragen zij welke rechten zij hebben als niet afgestudeerde studenten en of zij onder de c.a.o. vallen voorzover daarvan in de betreffende sector sprake is.

Duale studenten sluiten een onderwijs-arbeidsovereenkomst met de instelling en met de werkgever waarin afspraken worden gemaakt over het onderwijsdeel en het werkendeel van het duale traject. Onderdeel van deze overeenkomst zijn de arbeidsvoorwaardelijke afspraken die hij maakt met de werkgever. De duale student heeft op grond van het arbeidscontract de status van werknemer en daarmee ook de rechten en plichten die met deze status samenhangen. Dat betekent dat hij beloond dient te worden op het niveau dat past bij zijn opleiding en ervaring, waarbij deze beloning minimaal op het niveau van het minimumloon ligt. Indien op een bepaalde sector waarin hij werkzaam is een c.a.o. van toepassing is zal hij ook onder deze c.a.o. komen te vallen. Indien op een bepaalde sector waarin hij werkzaam is een sector- of bedrijfs-c.a.o. van toepassing is, zal hij ook onder deze c.a.o. komen te vallen.

Op de vraag van de leden van de GPV-fractie of de wijzigingen niet te veel van het goede zijn voor de uitvoering van de WSF luidt ons antwoord ontkennend. De IBG acht de uitvoering mogelijk.

4. Naar een transparanter onderwijsaanbod

4.1 Inleiding

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich voorstellen dat nadere discussie op diverse terreinen zal leiden tot gewijzigde voorstellen. Dat betreft de door de HBO-Raad aangezwengelde discussie over accreditering. Deze leden kunnen zich voorstellen dat hieruit weer nadere voorstellen voortvloeien voor de regeling van het onderwijsaanbod.

De registratieprocedure van nieuwe opleidingen staat in principe los van een mogelijk experiment met accreditering. Immers ook in een situatie waarin sprake is van accreditering zal de vraag naar de doelmatigheid van een nieuwe opleiding gelet op het geheel aan voorzieningen in het hoger onderwijs actueel blijven. Accreditering heeft derhalve geen gevolgen voor de regeling van het onderwijsaanbod. Andersom is het wel zo dat accreditering gebaat is met een overzichtelijk onderwijsaanbod. Dit onderstreept de noodzaak van de met de VSNU en de HBO-Raad afgesproken ordeningsoperatie.

De leden van de fractie van de PvdA blijven er vanuit gaan dat het aanwezig zijn van een niet-bekostigde opleiding niet automatisch zal leiden tot het besluit dat een nieuwe opleiding van een bekostigde instelling ondoelmatig is.

In die gevallen ligt het voor de hand dat de ACO aan de desbetreffende instelling adviseert om de opleiding niet voor registratie in aanmerking te brengen.

Ook wij zijn van mening dat het bekostigd onderwijs ruimte moet houden voor vernieuwing. Het zou dan moeten gaan om opleidingen die inhoudelijk nieuw zijn en waaraan aantoonbaar maatschappelijke behoefte is. Het is echter niet doelmatig dat, in een situatie waar een aangewezen opleiding naar genoegen de markt bestrijkt, het bekostigd onderwijs eenzelfde opleiding in de markt brengt. Als voorbeeld kan worden genoemd de opleiding tot verkeersvlieger.

De leden van de CDA-fractie maken uit de memorie van toelichting op dat het wetsvoorstel een rem probeert te zetten op een te ver doorgevoerde differentiatie. De leden ondersteunen deze lijn, maar merken tegelijk op dat daarbij het aspect van de concurrentieverhoudingen zeker niet de hoofdrol moet spelen. Ook klemt naar het oordeel van de leden de vraag of gesproken kan worden van gelijkwaardigheid tussen de bekostigde en aangewezen instellingen. De titel van de bekostigde instellingen impliceert immers een zekere meerwaarde, op grond waarvan de overheid ook besluit tot (vrijwel) volledige financiering. Een beschouwing over de rol van de overheid bij de bekostiging van het hoger onderwijs achten de leden geboden, ook gelet op de betekenis die kennelijk wordt toegedicht aan het rapport van de werkgroep hoger onderwijs in het kader van het project marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW).

In het debat met de Kamer over de aanbevelingen van de «MDW-werkgroep hoger onderwijs» is de rol van het bekostigd onderwijs in het waarborgen van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs bevestigd. Daarin ligt ook de meerwaarde van het bekostigd onderwijs. Het aangewezen onderwijs speelt op dit punt vooral een aanvullende rol. Uiteraard legt dat een grote verantwoordelijkheid bij het bekostigd onderwijs om zich blijvend naar de samenleving te verantwoorden op de punten kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid. Daarnaast blijft het uit efficiency-oogpunt noodzakelijk om er op toe te zien dat het bekostigd onderwijs macrodoelmatig is. Daartoe dient de macrodoelmatigheidstoets. In het ontwerp HOOP 1998 zijn de opvattingen van het kabinet nader uitgewerkt over de structuur en positie van het hoger onderwijs en de rol van de overheid in het geheel.

De leden van de CDA-fractie vragen om een toelichting op de in het commentaar van VNO-NCW aangegeven wijziging op het HOOP 1996 dat wordt afgezien van de mogelijkheid van post-hbo-mastersopleidingen die in het kader van het leven-lang-leren op zichzelf zouden kunnen passen in het transparanter onderwijsaanbod. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen naar een reactie op deze beleidswijziging. De leden van de VVD-fractie vragen wat de stand is met betrekking tot de mastersopleidingen in het hbo ter vervanging van de huidige U-bochtconstructies met buitenlandse instellingen. Ook vragen deze leden hoe het zit met de titulatuur in het hbo.

Met het oog op het in het HOOP 1996 aangekondigde voornemen om de titel van professional master in het hoger beroepsonderwijs wettelijk te erkennen, heeft er overleg plaatsgevonden met de HBO-Raad. In dat overleg is gebleken dat de HBO-Raad met het oog op de internationale herkenbaarheid, de voorkeur geeft aan de wettelijke erkenning van de masters-titel. De Minister van OCenW heeft in reactie daarop aangegeven vast te willen houden aan de afspraken naar aanleiding van het HOOP 1996, namelijk wettelijke erkenning van de professional-masterstitel. Dit vanuit zijn zorg om de verschillende identiteiten van hbo en wo ook voor het buitenland zo veel mogelijk onderscheidend te houden. Om die reden is besloten om dit punt niet meer in het wetsvoorstel op te nemen. De HBO-Raad heeft aangegeven dit besluit te onderschrijven.

De leden van de CDA-fractie constateren, dat de mogelijkheid van doorstroming vanuit de hbo-propedeuse naar de universiteiten wordt gehandhaafd, terwijl deze route volgens HOOP 1996 verlaten zou worden. Kan deze beleidswijziging worden toegelicht, zo vragen deze leden. Ook de leden van de PvdA-fractie stellen deze vraag.

Uit onderzoek door Research voor Beleid is gebleken, dat studenten die deze route in het verleden (instroomjaren 1988 t/m 1991) gevolgd hebben, het niet significant slechter doen dan studenten met een vwo-diploma. Ook hun arbeidsmarktpositie is heel behoorlijk. Indien voor deze studenten het wo toch minder geschikt blijkt te zijn, blijkt dat relatief snel: van degenen die uitvallen stopt meer dan de helft binnen twee jaar.

De belangrijkste reden waarom havo-gediplomeerden reeds voor ze naar het hbo gaan voor deze route kiezen, is dat de route van havo naar wo via vwo een jaar langer duurt. Van degenen die pas tijdens de hbo-propedeuse tot het besluit komen om naar het wo te gaan, geeft de grote meerderheid aan, dat de hbo-opleiding toch niet beviel. Het past dus bij de selecterende en verwijzende functie van de propedeuse dat de mogelijkheid om naar het wo over te stappen blijft bestaan.

Deze uitkomsten, alsmede de overweging, dat het waarschijnlijk gaat om leerlingen uit minder draagkrachtige sociale milieus (die gaan namelijk vaker bij gelijke geschiktheid naar havo in plaats van vwo), hebben ons er toe gebracht, de aanvankelijk aangekondigde maatregel te heroverwegen.

De leden van de VVD-fractie zijn kennelijk bezorgd over de wijze waarop binnen het wo invulling wordt gegeven aan het vergroten van de transparantie van het opleidingen bij de universiteiten. Deze zorg komt mede voort uit een passage in het Onderwijsverslag 1996. Zij vragen zich af of gesproken kan worden van een werkelijke uniformering van het onderwijsaanbod of dat slechts sprake is van een cosmetische operatie.

Bij de totstandkoming van het onderwijsverslag kon de inspectie nog niet beschikken over het voorstel van de VSNU met betrekking tot de herordening van het opleidingenaanbod. Dit werd op 7 maart 1997 aan ons toegezonden. Wel was op dat moment reeds duidelijk dat in VSNU-verband op basis van een intern VSNU-rapport, heftig werd gediscussieerd over dit onderwerp. Juist die heftigheid van de discussie geeft aan dat de universiteiten de intentie hebben om de ordeningsoperatie meer dan alleen maar cosmetisch te laten zijn. Het voorstel van de VSNU is onzerzijds op hoofdlijnen positief gewaardeerd. De gezamenlijke universiteiten blijken in staat het aantal opleidingen dat in het CROHO wordt geregistreerd, substantieel terug te dringen. Daaruit blijkt dat de VSNU bereid en in staat is een halt toe te roepen aan de steeds verdergaande proliferatie van opleidingen in de zin dat steeds meer afstudeerrichtingen als zelfstandige opleidingen worden aangemerkt. Een ontwikkeling die de transparantie van het opleidingenaanbod niet ten goede kwam. Dat laat onverlet dat wij op onderdelen kanttekeningen hebben gemaakt. In het overleg met de VSNU hebben wij kenbaar gemaakt een advies van de ACO over het herordeningsvoorstel van belang te achten. Hoewel een adviesaanvraag aan de ACO formeel op de weg ligt van de universiteiten is afgesproken dat bij wijze van uitzondering om doelmatigheidsredenen (strikt genomen zou iedere universiteit afzonderlijk voor het eigen aandeel advies aan de ACO moeten vragen) in dit geval de adviesaanvraag van de minister te doen uitgaan. De ACO zal eind oktober dit jaar zijn advies uitbrengen. Op basis daarvan zal met de VSNU overleg gepleegd worden over mogelijk noodzakelijke bijstellingen en eventuele vervolgacties. Wij zien dit proces met vertrouwen tegemoet.

4.2 Aanwijzing van instellingen en registratie van opleidingen

De leden van de CDA-fractie hebben op zichzelf begrip voor de voorstellen met betrekking tot aanwijzing van instellingen en de registratie van opleidingen die in het wetsvoorstel een neerslag hebben gevonden. De leden achten de voorgenomen splitsing in de rechtshandelingen bij de registratie van een nieuwe opleiding aan een bekostigde instelling echter een pittige uitholling van de autonomie van de instellingen. Zij vragen of de macrodoelmatigheidstoets niet voldoende is.

Allereerst wijzen wij er op dat bij de toetsing van nieuwe opleidingen de vraag aan de orde is of een opleiding kan worden gekarakteriseerd als hoger onderwijs. De opleiding moet daartoe, ongeacht of zij bekostigd, dan wel aangewezen is, voldoen aan een aantal criteria zoals vastgelegd in een door de minister op te stellen referentiekader. Daarnaast toetst de ACO ook in hoeverre een nieuwe, bekostigde opleiding, gelet op het geheel van voorzieningen en de spreiding daarvan, niet ondoelmatig is (macrodoelmatigheid). Daarbij zal nu tevens worden bezien of door bestaande aangewezen opleidingen reeds wordt voorzien in een overeenkomstig onderwijsaanbod. Voor het aangewezen onderwijs wordt niet op macrodoelmatigheid getoetst. Op dit punt bestaat dus een verschil tussen bekostigd en aangewezen onderwijs, immers volgens artikel 23 van de Grondwet is geven van onderwijs in Nederland vrij. Wij vatten dit niet op als een «splitsing in rechtshandelingen». Wel mag uit het voorgaande de conclusie worden getrokken dat voor het bekostigde onderwijs de toetsing enigermate wordt verscherpt, juist bij de toetsing op macrodoelmatigheid. Dit is een welbewuste keuze die wij hebben gemaakt in het kader van de versterking van de marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit.

De leden van de CDA-fractie zijn van oordeel dat de toetsing of een opleiding qua aard en niveau moet behoren tot het wo respectievelijk het hbo een belangrijker criterium lijkt dan de vraag of een opleiding past in het onderwijsaanbod. Die toetsing is minder eenvoudig dan het voldoen aan helder te formuleren inhoudelijke vereisten, en aan procedurele vereisten zoals aangeduid in het derde toetsingscriterium. De leden vragen tegen die achtergrond naar de nadere invulling van het eerste criterium: is de vereiste van het getuigschrift waaraan een civiel effect is verbonden toereikend? Of zijn ook andere aspecten, bijvoorbeeld gekoppeld aan de instelling het overwegen waard?

Wij zijn van oordeel dat er voldoende waarborgen zijn om vast te stellen dat een opleiding qua aard en niveau hoort bij het wo respectievelijk het hbo. De ACO hanteert als belangrijk toetsingselement de vraag of het karakter van de door een instelling voorgestelde opleiding past binnen het deelsysteem waarbinnen het door de aanvragende instelling wordt gesitueerd. Daarbij moet in acht worden genomen dat de ACO alleen aan de bekostigde instellingen adviseert, die krachtens hun wettelijke positie geacht worden te voldoen aan de kwaliteitscriteria voor een ho-instelling. Daarnaast fungeert het systeem van kwaliteitszorg dat kwaliteitsoordelen genereert over een individuele opleiding van een instelling. Onderdeel van de beoordeling door een visitatiecommissie vormt de vraag of de opleiding past bij het karakter van het deelsysteem waartoe de opleiding behoort. Naar onze mening is er naast deze procedures geen aanleiding om extra aspecten gekoppeld aan de individuele instelling mee te wegen.

De leden van de VVD-fractie verwijzen naar de discussie over marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit tussen de Vaste Kamercommissie en de minister, waarin indringend van gedachten is gewisseld aangaande de positie en het level playing field van bekostigde en aangewezen opleidingen, c.q. instellingen. De leden vragen aan de regering om inzicht te geven in de daartoe in de memorie van toelichting aangekondigde bijstelling van het referentiekader voor de beoordeling van de adviezen van de ACO in het kader van de procedure voor registratie van nieuwe opleidingen. De leden van de VVD-fractie verwijzen bovendien naar de aanbeveling in de MDW-rapportage dat de ACO bij de beoordeling van de macro-doelmatigheid van nieuwe opleidingen rekening houdt met het bestaande opleidingenaanbod van de aangewezen instellingen. Zij vragen wat de toetsingscriteria zijn voor de ACO en wat de uitwerking zal zijn van het referentiekader voor de beoordeling van de adviezen van de ACO.

Het betreft hier aanpassingen in het referentiekader van de ACO bij de beoordeling van de macrodoelmatigheid van een nieuwe opleiding. Dit referentiekader is in globale zin in artikel 6.3 van de WHW vastgelegd en nader uitgewerkt en toegelicht in de door de minister vastgestelde instellingsbeschikking van de ACO, kenmerk HBO/PR-93038356, van 17 juni 1993. Adviezen van de ACO worden door de minister marginaal getoetst op de toepassing van het referentiekader. Afwijkingen van het ACO-advies worden aan de Tweede Kamer voorgelegd. Onderdeel van de procedure is dat de minister telkenmale in het HOOP aangeeft in hoeverre dit referentiekader aanpassing behoeft. Zo is ook gehandeld in het geval van de aanbeveling van de MDW-rapportage. In het ontwerp HOOP 1998 is aangekondigd dat aan de ACO, op basis van artikel 6.3 van de WHW, zal worden gevraagd om het bestaande aanbod aan aangewezen onderwijs te betrekken bij zijn oordeel over macrodoelmatigheid. «Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet in gevaar komt». In het overleg met de instellingen naar aanleiding van het ontwerp-HOOP 1998 zal nadere operationalisering plaatsvinden.

De leden van de SGP-fractie kunnen in beginsel instemmen met de doelstelling van een transparanter onderwijsaanbod. Zij vragen of de genoemde macro-doelmatigheidstoets ook wordt toegepast op al bestaande opleidingen.

Deze vraag beantwoorden wij ontkennend. Bij de inrichting van de WHW is destijds besloten om de macrodoelmatigheidstoets alleen bij de registratie van nieuwe opleidingen toe te passen.

De leden van de GPV-fractie constateren dat een herziening van de aanwijzingsprocedure voor opleidingen wordt voorgesteld om daarmee de transparantie van het onderwijsaanbod te vergroten. Deze leden constateren dat bij de registratie van opleidingen voldaan dient te zijn aan een drietal criteria. Een daarvan betreft de eis dat een opleiding moet passen binnen het onderwijsaanbod. Waarin onderscheidt deze eis zich van de macrodoelmatigheidstoets, zo vragen deze leden.

Met dit tweede criterium is de toetsing beoogd in hoeverre een opleiding inhoudelijk past binnen het (herordende) opleidingenaanbod. Dit criterium is voor het bekostigde en het aangewezen onderwijs niet anders. Bij het bekostigd onderwijs wordt daarnaast (overigens door dezelfde instantie, namelijk de ACO) gekeken in hoeverre een opleiding vanuit doelmatigheids- en spreidingscriteria past binnen het geheel aan voorzieningen.

4.3 Korte opleidingen

De leden van de RPF-fractie vragen of het niet mogelijk is om kwalitatieve eenjarige opleidingen te behandelen als een propedeuse.

Deze leden geven zelf al aan dat deze opleidingen door studenten worden gekozen als voorbereiding op het volgen van wetenschappelijk onderwijs. Het doel van deze opleidingen is kennelijk extra vorming, toerusting en motivering voor een wetenschappelijke opleiding te bieden. Dit doet eerder denken aan een vorm van voortgezet onderwijs dan aan wetenschappelijk onderwijs. Duidelijk is daarmee dat er dus geen sprake is van wetenschappelijke opleidingen. De bedoelde opleidingen kunnen alleen al daarom niet behandeld worden als een propedeuse.

4.4 Vrije studierichtingen in het hbo

De leden van de CDA-fractie constateren dat de noodzaak om de transparantie van het onderwijsaanbod te vergroten een restrictief beleid inzake de korte opleidingen en de zogenaamde vrije studierichtingen in het hbo vergt. Zij steunen de aangekondigde maatregelen, maar merken wel op dat het overgangsrecht ruimte moet bieden voor een verantwoorde afbouw.

Wij zijn met de leden van de CDA-fractie van opvatting dat een verantwoorde afbouw van de korte opleidingen nodig is. In het wetsvoorstel is dan ook in een overgangsregeling voorzien. In artikel X, eerste lid, wordt geregeld dat tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip opleidingen met een studielast van minder dan 168 studiepunten kunnen worden verzorgd, voorzover deze op 31 augustus 1998 aan een instelling zijn verbonden. Met de desbetreffende instellingen voor aangewezen en bekostigd onderwijs zal bestuurlijk overleg worden gevoerd over de toekomstige positie van bestaande korte opleidingen.

Met enige verbazing nemen de leden van de GPV-fractie kennis van het voorstel dat de vrije studierichting in het hbo zal worden afgebouwd. Het argument daarvoor is dat de zogenaamde «vrije studierichtingen» gestandaardiseerd worden aangeboden, maar niet centraal geregistreerd. Dit staat op gespannen voet met het streven naar grotere transparantie, zo wordt gesteld. Ook zou het voor kunnen komen dat de samenstelling van een individueel pakket niet herleidbaar zou zijn tot een bepaalde beroepspraktijk. De leden van de GPV-fractie vragen naar aanleiding van dit punt in de eerste plaats of de regering zich niet teveel verliest in het gedetailleerd voorschrijven van regeltjes. In de tweede plaats vragen de leden van de GPV-fractie of het bestaan van de vrije studierichting tot problemen aanleiding heeft gegeven. Heeft de regering er aanleiding toe te veronderstellen dat de hogescholen hun verantwoordelijkheid wat dit punt aangaat niet waarmaken.

De vrije studierichtingen in het hoger beroepsonderwijs waren destijds bedoeld om individuele studenten in de gelegenheid te stellen hun eigen studieprogramma samen te stellen. Een aantal hogescholen heeft deze mogelijkheid echter gebruikt om de macrodoelmatigheidstoetsing voor de registratie van een nieuwe opleiding te ontwijken. Daardoor zijn «pseudo»-opleidingen ontstaan, die in veel gevallen niet aan de toetsingscriteria voor een hbo-opleiding konden voldoen en zijn andere instellingen, die zich aan de ACO-procedure hebben gehouden, gedupeerd. Daarnaast is binnen het hoger beroepsonderwijs een ruime consensus ontstaan dat hbo-opleidingen hun bestaansrecht ontlenen aan de herleidbaarheid tot de beroepspraktijk, waardoor vaak een landelijk geformuleerd beroepsprofiel is ontwikkeld. Dit zijn in het kort de redenen die ertoe hebben geleid dat de mogelijkheid voor vrije studierichtingen in het hbo in de wetgeving is geschrapt en dat met instemming van de gezamenlijke instellingen, is besloten om de ontstane pseudo-opleidingen af te bouwen. De Tweede Kamer is over deze ontwikkelingen geïnformeerd per brief van 7 februari 1997, kamerstukken II 1996/97, 25 231, nr. 1 (kabinetsstandpunt bij advies Wissen en Witten) en bij brieven van 25 februari 1997, HBO/AS-97004930 en van 9 juni 1997, HBO/AS-1997/6419 (bestuurlijk traject commissie In 't Veld).

4.5 Onderwijs in een vreemde taal

De leden van de CDA-fractie delen de opvatting van de regering dat het hanteren van een vreemde taal beoordeeld moet worden vanuit de functionaliteit. Zij vragen in hoeverre kan worden voorkomen, dat door het hanteren van een vreemde taal de toegankelijkheid van het onderwijs onder druk komt te staan. Ook geven deze leden aan er niet zeker van te zijn dat de toetsing van de doelmatigheid bij de keuze van een vreemde taal geen wetswijziging vergt, zoals in de memorie van toelichting wordt gesteld.

Door middel van een aanwijzing aan de ACO over een aanscherping van het te hanteren referentiekader bij brief van 20 maart 1997 is naar onze mening genoegzaam voorzien in gereguleerde toetsing van de omgang met een vreemde taal en derhalve een wetswijziging niet nodig. Na het overleg met de HBO-Raad en VSNU over de nota Onbegrensd Talent, waarin dit voornemen was geformuleerd, is vastgesteld in de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 23 juni jl. over bedoeld overleg dat tenzij een ander doeltreffend instrument gevonden wordt, deze zogenaamde CROHO-procedure zal worden toegepast om te bewerkstelligen dat de kwaliteit en de doelmatigheid van het onderwijs niet mag lijden onder het gebruik van een andere instructietaal en dat het onderwijs toegankelijk dient te blijven voor Nederlandse studenten.

De leden van de RPF-fractie vragen hoe de regering het toenemende gebruik van vreemde talen in het hoger onderwijs beoordelen tegen de achtergrond van de Cultuurnota 1997–2000.

In de WHW is het uitgangspunt vastgelegd dat het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. Daarmee is vastgelegd dat het bevorderen van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands tot de doelstellingen van het hoger onderwijs behoort. In de wet zijn wel uitzonderingen genoemd. Zoals ook is benadrukt in de nota Onbegrensd Talent is gepaste omgang met vreemde talen als instructietaal (een uitzondering op genoemd uitgangspunt) noodzakelijk. Onder alle omstandigheden zal de positie van de Nederlandse student mee in overweging moeten worden genomen. Ook in het hoger onderwijs is dus het uitgangspunt dat de keuze voor de instructietaal moet worden beargumenteerd vanuit de eisen die de opleiding stelt. De kwaliteit en de doelmatigheid van het onderwijs mag niet lijden onder het gebruik van een andere instructietaal, terwijl het onderwijs toegankelijk dient te blijven voor Nederlandse studenten.

De leden van de RPF-fractie vragen hoe de regering het uitgangspunt dat Nederlands de bestuurs-, cultuur- en omgangstaal is, wil regelen en vragen hoe dit invulling heeft gekregen bij instellingen.

Door een aanwijzing aan de ACO over een aanscherping van het door de commissie te hanteren referentiekader bij brief van 20 maart 1997 is naar onze mening genoegzaam voorzien in gereguleerde toetsing van de omgang met een vreemde taal. De instellingen hebben conform de WHW de opdracht om in een gedragscode vast te stellen binnen welke kaders zij tot uitzonderingen komen op het uitgangspunt dat Nederlands de voertaal is binnen universiteiten en hogescholen.

4.6 Procedure ontneming rechten

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie of de verruiming van de procedure van ontneming van rechten ook geldt voor opleidingen waarvan de kwaliteit onvoldoende is, merken wij op dit inderdaad het geval is. Hierbij tekenen wij echter aan dat juist in het door deze leden genoemde geval geen sprake is van wijziging van de regelgeving. De bepalingen zoals die nu in de artikelen 6.6 en 6.7 zijn opgenomen – en daarmee ook de bepaling dat voorafgaand aan het besluit tot ontneming van rechten eerst een waarschuwing moet plaatsvinden – zijn geïncorporeerd in het nieuwe artikel 6.6. Anders dan dat deze leden blijkbaar veronderstellen, wordt op grond van het nieuwe tweede lid van artikel 6.6 alleen het besluit tot het ontnemen van rechten, indien de opleiding niet meer doelmatig wordt geacht, aan de Tweede Kamer voorgelegd. Hierbij geldt inderdaad een procedure – door deze leden een «zware voorhangprocedure» genoemd – waarbij door de Kamer een eigen afweging kan worden gemaakt.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom alleen in het geval van ontneming van rechten ingeval van ondoelmatigheid de Tweede Kamer een rol krijgt toebedeeld en waarom niet ook in geval van onwettig handelen of onvoldoende kwaliteit. Zij hebben geen bezwaar tegen het loskoppelen van de HOOP-procedure, maar vinden het zinvol als de Tweede Kamer hierover toch op de hoogte wordt gesteld.

Wij vinden het noodzakelijk dat snel kan worden ingegrepen bij het ontbreken van kwaliteit van het onderwijs aan een opleiding of in geval van handelen in strijd met hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald. Bij opleidingen die niet voldoen aan de macrodoelmatigheidstoets, is in het algemeen gesproken minder objectief aan te geven wat de afweging moet zijn, en is het naar ons oordeel nuttig dat de Tweede Kamer zich daarover kan uitspreken. In de door de leden van de fractie van D66 genoemde gevallen is objectief vast te stellen of er in strijd met de wet wordt gehandeld of dat er sprake is van onvoldoende kwaliteit. Het gaat daarbij om concrete besluiten jegens een bepaalde instelling, zodat daarvoor niet een in de wet vastgelegde rol voor de Tweede Kamer voor de hand ligt. Dit laat uiteraard onverlet de ministeriële verantwoordelijkheid.

De leden van de D66-fractie vragen of het zinvol is om in de wet op te nemen dat de inspectie haar zorg over de kwaliteit van een opleiding uitspreekt voorafgaand aan de waarschuwing van de minister, conform de bestaande praktijk.

Wij menen dat het wettelijk opnemen van een zorgverklaring door de inspectie voorafgaand aan een waarschuwing door de minister niet nodig is. Zoals de leden terecht opmerken is deze procedure reeds staande praktijk, gebaseerd op afspraken tussen minister, inspectie en instellingen over de kwaliteitszorgprocedure.

5. Capaciteitsregulering

5.1 Capaciteitsbepaling van opleidingen

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de bewindslieden de stelling beoordelen dat de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen hen in staat dient te stellen zelf de capaciteit vast te stellen.

Wij ondersteunen de stellingname van deze leden. Dat is ook de reden dat de 75%-regel en 125%-regel als minimumnormen door het wetsvoorstel komen te vervallen.

De leden van de CDA-fractie vragen ook waarom een strikte handhaving van de arbeidsmarktfixus nodig is.

Wij wijzen op de situatie bij bijvoorbeeld geneeskunde. De belangstelling voor de opleiding beloopt meer dan drie maal het – op advies van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgestelde – aantal beschikbare plaatsen. De instellingen zouden wat betreft de capaciteit verder kunnen en willen gaan dan die vastgestelde aantallen. Indien er geen arbeidsmarktfixus is vastgesteld, zijn instellingen vrij om hun eigen instellingscapaciteit te bepalen. Om dit te voorkomen achten wij een arbeidsmarktfixus nog steeds noodzakelijk. De vaststelling van de arbeidsmarktfixus wordt gebaseerd op de landelijke behoefte aan afgestudeerden van een bepaalde opleiding.

De leden van de D66-fractie vragen hoe ver de instellingen mogen gaan bij de vaststelling van de capaciteit, aangezien dat kan leiden tot het belemmeren van vrije keuze van de studenten en tot kartelvorming.

Het is waar dat een capaciteitsbeperking de vrije keuze van de studenten belemmert. Indien echter de instellingen geen bevoegdheid zouden hebben de capaciteit te beperken, bestaat het gevaar dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig te lijden zou hebben onder een verplicht toelaten van alle studenten die zich voor de desbetreffende opleiding aanmelden. Indien de omvang van de onderwijsvoorzieningen wat betreft gebouwen of personeel of laboratorium capaciteit beperkt is, is de instelling wel gehouden tot beperking van de toelating van het aantal eerstejaars.

Over de vraag over kartelvorming merken wij op dat bij de bepaling van de plaatselijke, eigen capaciteit van een instelling slechts plaatselijke overwegingen een rol zullen spelen. Wat een andere instelling met dezelfde opleiding eventueel aan de eigen capaciteit doet – al dan niet een capaciteitsfixus vaststellen – is voor de instellingen niet van belang. Dit leidt immers niet tot een verhoging van de prijs of tot andere voordelen die verbonden kunnen zijn aan kartelvorming in de marktsector. We verwachten dan ook niet dat er sprake zal zijn van kartelvorming.

Verder willen deze leden weten waar een «uitgelote» student bezwaar kan aantekenen.

Een uitgelote student kan bezwaar aantekenen bij de IBG, de instantie die met de uitvoering van de lotingsprocedure is belast. Als de IBG het bezwaarschrift afwijst, kan de student, indien hij dat wenst, bij de rechtbank beroep aantekenen en hoger beroep bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De leden van de RPF-fractie willen weten op welke manier en in welke situaties de minister het capaciteitsbeleid van de instellingen, als verwoord in het jaarverslag, kan en zal corrigeren. Aan welke criteria wordt dat beleid getoetst, zo vragen deze leden.

Wij willen met de verplichting voor de instellingen om verantwoording af te leggen over het gevoerde capaciteitsbeleid niet bereiken dat de instellingen op dat punt gecorrigeerd zouden kunnen of moeten worden. Het afleggen van verantwoording – in het jaarverslag – is op het punt van het gevoerde capaciteitsbeleid niet gericht op correctie van dat beleid, maar op het verkrijgen van inzicht in dat gevoerde beleid en de achterliggende beweegredenen. Het zal voor ons steeds van belang zijn te weten hoe de instellingen vormgeven aan de verkregen autonomie en wat dat betekent voor de toegankelijkheid van het onderwijs.

De leden van de SGP-fractie vragen of het niet mogelijk is om in de bekostigingssystematiek meer prikkels in te bouwen voor de instellingen zelf om de uitstroom af te stemmen op de arbeidsmarktvraag.

Wij achten de suggestie van de leden niet goed uitvoerbaar. Aan het idee om prikkels in de bekostigingssystematiek in te bouwen ligt, vermoeden wij, ten grondslag een gewenste afstemming op de landelijke arbeidsmarkt. Het gaat bij de bekostigingssystematiek immers om landelijk werkende regels. Het lijkt ons voor de afzonderlijke instellingen erg moeilijk om zich een betrouwbaar beeld van de landelijke arbeidsmarkt te vormen. Naast alle onzekerheden die daarbij een rol spelen, is ook de relatie tussen opleiding en arbeidsmarkt/beroep in veel gevallen niet eenduidig. Afgestudeerden van bepaalde opleidingen kunnen op een groot aantal verschillende soorten arbeidsplaatsen terecht komen. Maar zelfs al zouden de instellingen inzicht hebben in de landelijke arbeidsmarkt dan ontbreekt het de instellingen aan instrumenten om de landelijke instroom op de arbeidsmarkt te regelen. Ook andere instellingen leveren immers afgestudeerden aan diezelfde arbeidsmarkt.

5.2 Capaciteit kunstvakonderwijs

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of het verstandig is een aantal zaken, bijvoorbeeld de externe deskundigen bij selectiecommissies, nu reeds te regelen, gelet op het feit dat er voor het kunstvakonderwijs een afzonderlijk traject is afgesproken.

In dit wetsvoorstel worden ten aanzien van het kunstvakonderwijs twee voorzieningen getroffen, te weten een voorziening voor een verscherpte en objectievere toelatingsselectie en een verfijning van het instrument van de arbeidsmarktfixus. De eerste voorziening is nodig om via een kwalitatieve benadering op korte termijn te komen tot een beheersing van het capaciteitsvraagstuk, waarvoor het procesmanagement voor het kunstvakonderwijs structurele voorstellen zal ontwikkelen. De tweede voorziening is nodig omdat een arbeidsmarktfixus voor bepaalde opleidingen binnen het kunstvakonderwijs – in geval toepassing van deze wettelijke bevoegdheid noodzakelijk mocht zijn – in deze vorm niet effectief kan worden vastgesteld.

De leden van de CDA-fractie vragen of de uitzonderlijke selectie aan de poort bij kunstopleidingen in alle opzichten gerechtvaardigd is, met name waar het de scheppende kunsten betreft. De leden vragen voorts hoe de Vaste Kamercommissie betrokken blijft bij de verdere beleidsontwikkeling en of het uitzonderlijke karakter van deze opleidingen een aparte benadering vergt.

Wij wijzen er op dat dit wetsvoorstel niet het systeem van selectie aan de poort bij kunstopleidingen introduceert. Dit systeem bestaat al lang, maar wordt in dit wetsvoorstel verder vormgegeven. Toelatingsselectie is enerzijds gericht op de beoordeling door de hogeschool van de vraag of aspirant-studenten over een voldoende ontwikkelbaar talent beschikken en voor bepaalde opleidingen voldoende vakmatig gevorderd zijn en/of de vereiste lichamelijke dispositie hebben om de opleiding, zoals door de hogeschool ingericht, binnen de gestelde termijn tot een vruchtbaar einde te kunnen brengen. Anderzijds is deze selectie bedoeld voor de beoordeling door de studenten of zij een juiste inschatting hebben van eigen kunnen, van wat zij van de hogeschool kunnen verwachten en van het beroepsperspectief. Aan de selectie gaat veelal een specifieke vooropleiding of oriëntatieprogramma vooraf. Dit neemt niet weg dat studenten kunnen opteren voor een voorbereiding op kunstenaarschap buiten het kunstvakonderwijs of dat hun talent pas in een latere levensfase tot uitdrukking komt; ook zijn er voorbeelden van succesvolle kunstenaars die voor een kunstopleiding werden afgewezen. In het algemeen geldt dat als studenten opteren voor een beroepsmatige vorming tot kunstenaar selectie gerechtvaardigd is. De Vaste Kamercommissie wordt bij de verdere beleidsontwikkeling voor het kunstvakonderwijs betrokken via de rapportages van het procesmanagement zoals aangegeven in de beleidsbrief over het kunstvakonderwijs en zoals tijdens het Algemeen overleg van 18 juni 1997 met de Tweede Kamer (kamerstukken II 1996/97, 24 556, nr. 30) is besproken. In dat overleg – en de daaraan voorafgaande overleggen met de Kamer – is vastgesteld dat het uitzonderlijke karakter van deze opleidingen een aparte benadering vergt.

De leden van de SGP-fractie vragen of het overaanbod van afgestudeerden van het kunstvakonderwijs in bepaalde sectoren niet zo evident is dat op zijn minst tijdelijk een aantal arbeidsmarktfixussen moet worden ingesteld.

Er is zeker aanleiding de capaciteit van het kunstvakonderwijs nader te reguleren. Er is inmiddels een procesmanagement ingesteld dat daarvoor voorstellen zal doen uitgaande van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de arbeidsmarkt. Gestreefd wordt om het capaciteitsvraagstuk via bestuurlijke afspraken op te lossen. Tijdelijke fixi op de korte termijn zijn vooralsnog niet mogelijk omdat de huidige opleidingen op een voor effectieve fixi te globaal niveau zijn gedefinieerd. Daartoe dient het voorgestelde artikel 7.56a. Intussen worden hogescholen aangezet om via verscherping van de instroomselectie en samenwerking tot een betere capaciteitsbeheersing te komen.

6. Financiële middelen

De leden van de PvdA-fractie vragen op grond van welke gegevens de verkorting van de beoogde verblijfsduur in het hbo is gesteld op 21 500 studiejaren. Zij vragen zich af of het verstandig is om zo nadrukkelijk de volledige taakstelling te willen halen, zeker nu vaststaat dat over de studiefinanciering nog nadere discussie zal volgen.

De verkorting van de verblijfsduur in het hbo met 21 500 studiejaren is gepubliceerd in het ontwerp-HOOP 1996. Daarin is opgenomen dat de verblijfsduur van vwo-ers en mbo-ers gemiddeld met een jaar verminderd kan worden door het aanbieden van leertrajecten met een driejarige cursusduur. Op basis van de studentenramingen van aantallen vwo-ers en mbo-ers die naar verwachting instromen in het hbo, is de vermindering van 21 500 studiejaren berekend. Aangezien in het ontwerp-HOOP 1996 tevens is verondersteld dat de studiefinancieringsduur voor deze student zou worden beperkt tot drie jaar, is de raming van het aantal studenten dat aanspraak maakt op studiefinanciering eveneens met 21 500 per jaar verminderd. Deze verminderde aanspraak op studiefinanciering is vervolgens tot uitgangspunt genomen bij de nieuwe afspraken over de verblijfsduur in het hbo. Wanneer dit uitgangspunt wordt losgelaten dan ontstaat er een overschrijding op de geraamde studiefinancieringsuitgaven, waarvoor voorshands geen dekking aanwezig is. Dit zou tevens de nadere discussie over de studiefinanciering extra belasten.

De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere specificatie van de effecten op de studiefinanciering en de effecten op de bekostiging van het hbo behorende bij de structurele besparing van 140 miljoen gulden. Dit tegen de achtergrond van het commentaar van de HBO-Raad op het wetsvoorstel.

De structurele besparing van 140 miljoen gulden hangt samen met een beoogde vermindering van het aantal studiefinancieringsjaren met 21 500. Deze vermindering van het aantal studiefinancieringsjaren ontstaat, indien enerzijds het recht op studiefinanciering van mbo-studenten die verwant doorstromen naar het hbo, wordt beperkt tot drie jaar en indien anderzijds de verblijfsduur in het voltijd-hbo wordt beperkt door snellere afstudeertrajecten voor individuele studenten en door de overstap van studenten naar duale en deeltijdtrajecten te bevorderen. Daartoe zijn met de hogescholen afspraken gemaakt in het zogenoemde «Verblijfsduurakkoord», dat onderdeel uitmaakt van het HOOP 1996. Hierin is tevens een financiële specificatie opgenomen en is aangegeven dat voorzover er sprake is van een besparingsverlies ten opzichte de geraamde structurele besparing van 140 miljoen gulden, dit besparingsverlies zal worden afgeboekt van het budget voor de hogescholen. Hiermee ontstaat een directe relatie tussen de besparing op de studiefinancieringsuitgaven en de bekostiging van het hbo. De HBO-Raad heeft hiermee ingestemd.

Deze leden vragen ook of aangegeven kan worden in hoeverre het voornemen in het concept-HOOP 1998 om de bekostiging van de universiteiten te wijzigen invloed heeft op de inhoud en de strekking van het wetsvoorstel.

In het concept-HOOP 1998 wordt voorgesteld om een groter deel van de onderwijsbekostiging van de universiteiten afhankelijk te maken van het aantal gerealiseerde diploma's; een deel blijft afhankelijk van het aantal ingeschreven studenten in het eerste jaar. Voor dat laatste is gekozen met het oog op de selecterende en verwijzende functie van de propedeuse. Deze benadering komt voort uit hetzelfde beleidsstreven dat ten grondslag ligt aan de maatregelen in dit wetsvoorstel, namelijk om onnodige uitloop van de studie te beperken en om te bevorderen dat elke student zo vroeg mogelijk op de goede plek zit door middel van effectieve en zorgvuldige selectie en verwijzing. Zo zijn onder meer de voorgestelde maatregelen met betrekking tot het bindend studieadvies dienstig voor dit doel. Anderzijds zal het voorstel om het gewicht van de diploma's in de bekostiging te vergroten, de instellingen verder aanzetten om de effectiviteit van het onderwijs te verbeteren. Tevens wordt de ruimte gelaten voor goede verwijzingsprocedures in het eerste jaar.

De leden van de VVD-fractie zagen graag een voortgangsrapportage met betrekking tot de situatie bij de geesteswetenschappen met de bijbehorende financiële impulsen.

In het Convenant letteren is voorzien in een jaarlijkse rapportage van de vijf betrokken universiteiten. De rapportage over het eerste jaar heb ik toegezonden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer bij brief van 28 mei 1997 (wo1997/2009). De volgende voortgangsrapportage kunt u begin 1998 tegemoet zien. Onderdeel van de afspraken was dat de bewindslieden aanvullende middelen ter beschikking zullen stellen voor de aanpak van de vergrijzingsproblematiek onder het wetenschappelijk corps in de letterenfaculteiten. Dit is uitgewerkt in de stimuleringsregeling voor versnelde instroom van hoogleraren, die door NWO wordt uitgevoerd. Zodra hiervan concrete resultaten bekend zijn, zal ik u nader informeren.

De leden van de D66-fractie concluderen dat afwijken van de bestaande cursusduur niet leidt tot extra uitgaven in de bekostiging van instellingen of in de studiefinanciering. Blijft de bekostigingssystematiek van de instellingen en de studiefinanciering dus gebaseerd op een studieduur van vier jaar, zo vragen deze leden. Ook vragen deze leden of, indien dat het geval is, de regering het mogelijk acht om het beleid zoals neergezet in het HOOP 1996 en neergelegd in deze wet met succes uit te voeren.

Uitgangspunt is, zoals de leden van de D66-fractie concluderen, dat afwijken van de bestaande cursusduur niet leidt tot hogere uitgaven in de bekostiging van de instellingen of in de studiefinanciering.

Over de succesvolle uitvoering van het beleid merken wij het volgende op. In het bestaande bekostigingsmodel (HOBEK) is als prestatie-indicator ingebouwd, dat studenten slechts worden bekostigd voor een inschrijvingsduur van maximaal vier jaar, zodat instellingen niet worden «beloond» voor een langere studieduur. In het ontwerp-HOOP 1998 zijn de hoofdlijnen van een nieuwe bekostigingssystematiek voor de universiteiten uiteen gezet. Daarin is de genoemde prestatie-indicator gehandhaafd. Daarnaast is in het ontwerp-HOOP 1998 een verkenning opgenomen naar een indirecte koppeling tussen de kwantitatieve indicatoren zoals de genoemde, die reeds zijn ingebouwd in het HOBEK-model, en kwalitatieve indicatoren. Gedachte daarachter is dat zonder aanvullende maatregelen een te eenzijdige nadruk komt te liggen op louter kwantitatief gedefinieerde prestaties. Het gaat erom een evenwichtige mix van beide typen prestatie-indicatoren tot stand te brengen.

De leden van de fractie van D66 vragen of een onderbouwing kan worden gegeven van de middelen die voor het studiefonds zijn gereserveerd.

De middelen die voor het studiefonds zijn gereserveerd bedragen structureel 15 miljoen gulden. Deze middelen zijn bestemd voor de mbo-gediplomeerden die een verwante studie in het hbo volgen maar die niet volledig 42 studiepunten vrijstelling kunnen krijgen. Dit bedrag van 15 miljoen gulden bedraagt ongeveer 20% van de totale besparing op de studiefinancieringsuitgaven die samenhangt met verwant-doorstromende mbo'ers naar het hbo. Het is echter uitdrukkelijk de bedoeling dat de uitkering uit het studiefonds is afgestemd op de specifieke situatie van een student; de student met 42 studiepunten vrijstelling zal dus geen uitkering uit het studiefonds ontvangen, waardoor er meer geld overblijft voor de andere studenten. In de structurele situatie moet dit voldoende zijn. In de eerste twee jaar is het studiefonds hoger (respectievelijk 25 miljoen en 20 miljoen gulden), omdat de aansluiting mbo-hbo nog volop in ontwikkeling is.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel X, artikel 7.23

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de SGP-fractie naar een reactie op de suggestie van de Erasmus Universiteit om het gebruik van een in het buitenland verkregen doctorstitel te beperken wordt in een binnenkort verschijnende nota van wijziging een aanpassing van artikel 7.23 opgenomen. Hierin wordt voorgesteld om de beoordeling van een in het buitenland verkregen doctoraat door de IBG te laten plaatsvinden. Dit is nu ook al het geval bij de in het buitenland behaalde examens waarop de ministeriële regeling van artikel 7.23, tweede lid, niet van toepassing is. De IBG zal in voorkomende gevallen evenals dat nu gebruikelijk is bij de erkenning van buitenlandse diploma's te rade gaan bij de Nuffic. Hiermee wordt aangesloten bij de praktijk zoals die gold onder de Wet op het wetenschappelijk onderwijs.

Onderdeel Y, artikel 7.23a

De leden van de D66-fractie vragen of hun constatering dat door artikel 7.23a, tweede lid, de studieduur in wezen vrij is, zij het dat de studiefinanciering beperkingen oplegt, juist is.

De ruimte voor differentiatie wordt in dit wetsvoorstel vergroot. Voor een opleiding met een afwijkende studielast is evenwel toestemming van de minister nodig (artikel 7.23a, eerste lid). Instellingen zijn dus niet vrij in het bepalen van de studielast.

Deze leden vragen voorts of de minister aan kan geven hoe de instellingen concreet aan de voorwaarden gesteld in artikel 7.23a, derde lid, moeten voldoen.

De instellingen moeten een verkenning opstellen waaruit blijkt

– dat de desbetreffende opleiding qua inhoud en identiteit tot het wetenschappelijk onderwijs behoort, waarbij de afgestudeerden van de desbetreffende opleiding zich herkenbaar onderscheiden van afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs, en

– dat er een aantoonbare maatschappelijke behoefte is aan afgestudeerden met de desbetreffende cursusduur of – indien het om een nieuwe opleiding gaat – aan afgestudeerden van de desbetreffende opleiding.

Vervolgens adviseert de ACO over de afwijkingsverzoeken, waarna de minister toestemming kan verlenen. Dit laatste is geen automatisme. De minister betrekt bij zijn beoordeling van het afwijkingsverzoek ook of de afwijkende studielast past binnen de ontwikkeling van het hoger onderwijs. Indien blijkt dat een opleiding met een afwijkende studielast niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 7.23a kan de toestemming worden ingetrokken. Dit kan bij voorbeeld blijken uit de verplichte periodieke evaluatie of uit de beoordelingen door visitaties in het kader van het stelsel van kwaliteitszorg.

Deze leden willen verder weten of het speciale toezicht (artikel 7.23a, zevende lid) ook voor de vijfjarige studies geldt.

Het speciale toezicht is in de eerste plaats bedoeld voor de opleidingen met een studielast van 126 studiepunten, waaraan een of meer vervolgopleidingen zijn verbonden. Het kader voor opleidingen met een afwijkende studielast geldt echter voor alle opleidingen met een afwijkende studielast op grond van artikel 7.23a, eerste lid. Het speciale toezicht geldt niet voor de opleidingen die reeds een wettelijke studielast kennen van 210 of meer studiepunten.

Onderdeel CC, artikel 7.26a

De leden van de D66-fractie vragen zich af of de bij de instroomselectie te betrekken externe deskundigen per kunstopleiding of differentiatie worden aangesteld en voor hoe lang.

Het opleidingenaanbod binnen het kunstvakonderwijs zal nader worden gedefinieerd. In onze brief van 12 mei jl. aan de Voorzitter van de Tweede Kamer hebben wij de Tweede Kamer daarover reeds nader ingelicht. Gestreefd wordt naar maximaal 25 opleidingen. In beginsel zal er per opleiding of differentiatie waarvoor bij ministeriële regeling specifieke eisen zijn gesteld, een deskundige worden aangesteld. Het is niet de bedoeling om bij voorbeeld binnen de conservatoria voor elk voorkomende instrument/genre-combinatie afzonderlijke deskundigen aan te stellen. Dat leidt tot een onwerkbare situatie. Om de onafhankelijkheid van deze deskundigen te waarborgen en ten behoeve van een zekere roulatie van deze deskundigen tussen de verschillende hogescholen lijkt het ons wenselijk dat de aanwijzing voor een beperkt aantal jaren zal gelden. Dit is overigens ter beoordeling van het instellingsbestuur.

Onderdeel DD, artikel 7.31

Aan een vervolgopleiding kan het instellingsbestuur een eigen toelatingsbeleid voeren en kan de minister toelatingsbeperkingen stellen, aldus de toelichting op artikel 7.31. De leden van de D66-fractie vragen waar hier aan moet worden gedacht.

Bij het toelatingsbeleid van het instellingsbestuur kan gedacht worden aan eisen met betrekking tot geschiktheid voor de vervolgopleiding. De geschiktheid kan bijvoorbeeld bepaald worden op grond van studieresultaten, het beschikken over de voor de vervolgopleiding nodig geachte basiskennis of het beschikken over een zekere motivatie voor de vervolgopleiding. Overigens, in het wetsvoorstel is geregeld dat studenten die de verkorte wo-opleiding afronden, toelatingsrecht hebben tot ten minste één vervolgopleiding.

De toelatingsbeperkingen die door de minister kunnen worden opgelegd en reeds in het bestaande artikel 7.31 zijn neergelegd, hebben betrekking op het aantal ten hoogste voor de desbetreffende vervolgopleiding in te schrijven personen. Een dergelijke beperking is gericht op beperken van de capaciteit op grond van behoefte op de arbeidsmarkt.

Onderdeel EE, artikel 7.31a

Voor het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de VVD bij dit artikel verwijzen wij naar ons antwoord aan deze leden in paragraaf 3.1 van deze nota naar aanleiding van het verslag.

Onderdeel RR, artikel 7.52

De leden van de fractie van D66 vragen of een nadere toelichting kan worden gegeven op de relatie tussen de wettekst van onderdeel RR, artikel 7.52 en de toelichting op dit artikel. Ook vragen deze leden op welke wijze de IBG wordt gecontroleerd voor wat betreft de gegevensverstrekking aan derden.

De toelichting op het genoemde artikel voorziet in een explicatie van de aan de IBG toegekende bevoegdheid om gegevens als bedoeld in de eerste volzin van artikel 7.52 te verstrekken aan door haar aan te wijzen andere instanties dan aan het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze gegevens kunnen herleidbaar zijn tot natuurlijke personen en derhalve is het verstrekken daarvan gebonden aan de wettelijke bepalingen inzake registratie en privacybescherming, te weten de Wet op de persoonsregistraties en het Besluit gevoelige gegevens. Daarin is bepaald, dat het verstrekken aan derden van tot natuurlijke personen herleidbare gegevens in beginsel niet is toegestaan, tenzij bij wet anders is bepaald. De bij dit wetsvoorstel voorziene uitzondering is ingegeven door het belang, dat wordt gehecht aan het structureel verbeteren van voorlichting van (aanstaande) studenten over het opleidingenaanbod. In dit verband wordt met name gedacht aan de Keuzegids hoger onderwijs. Voor het onderzoek voor het vaststellen daarvan kunnen inschrijvingsgegevens nodig zijn. Het is aan de IBG om nader te bepalen aan welke instanties zij gegevens verstrekt. In navolging van de genoemde regelgeving zijn in de memorie van toelichting aan het uitoefenen van deze bevoegdheid als nadere voorwaarden verbonden, dat het verstrekken van tot natuurlijke personen herleidbare gegevens zijn grond moet vinden in wetenschappelijk onderzoek of statistiek dan wel in een dringende en gewichtige reden, op voorwaarde dat de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet wordt geschaad.

Artikel III

Onderdeel E, artikel 17g

De leden van de D66-fractie constateerden dat mbo-doorstromers die geen 42 studiepunten vrijstelling krijgen toch een diplomatermijn van vijf jaar hebben voor hun prestatiebeurs, en vragen of dit geen problemen kan opleveren.

Inderdaad geldt voor deze studerenden in alle gevallen een diplomatermijn van vijf jaar. In dit wetsvoorstel is ervoor gekozen om in alle bijzondere gevallen een voorziening te treffen ten laste van het studiefonds van de instelling. Wij verwachten niet dat zich bij deze categorie van studerenden een probleem zal voordoen ten aanzien van de diplomatermijn. Daar waar dit zich in uitzonderlijke gevallen toch voor zal doen als gevolg van bijzondere omstandigheden, kan een beroep worden gedaan op het afstudeerfonds van de instelling.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

A. Nuis

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

Naar boven