25 346
Wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met een verhoging van de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek

nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 juni 1997

Gelet op de voortgang van de behandeling van bovengenoemd wetsvoorstel constateer ik thans dat de parlementaire behandeling van het voorstel niet meer voor 1 juli a.s. zal kunnen worden afgerond.

In de inwerkingtredingsbepalingen (artikel V) van het wetsvoorstel is voorzien in de mogelijkheid dat de wet niet voor 1 juli in het Staatsblad wordt geplaatst. In dat geval treden de artikelen I en II, die zien op de verhoging van de ouderenaftrekken in de inkomstenbelasting en de loonbelasting voor 1997, in werking met ingang van de tweede dag na plaatsing in het Staatsblad en werken zij terug tot 1 juli 1997. Daarnaast is in artikel V, vierde lid, van het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt de per 1 juli verhoogde ouderenaftrekken met ingang van een latere datum dan 1 juli te verwerken in de loonbelasting- en premietabellen, waarbij de niet genoten ouderenaftrek over de sinds 1 juli verstreken loontijdvakken zoveel mogelijk wordt «ingehaald».

Aannemelijk is dat de parlementaire behandeling in de loop van de maand september zal kunnen worden afgerond. In verband daarmee zullen per 1 oktober aanstaande nieuwe loonbelastingtabellen worden vastgesteld. In die tabellen, die voor het vierde kwartaal van 1997 zullen gelden, zal de ouderenaftrek worden verhoogd met f 740. In de sfeer van de loonbelasting geldt dan voor 1997 gedurende de eerste drie kwartalen een ouderenaftrek van f 923 en gedurende het laatste kwartaal een ouderenaftrek van f 1663. Gemiddeld over het gehele kalenderjaar bedraagt de ouderenaftrek dan f 1108. Dit is het bedrag dat in artikel V, vijfde lid, van het wetsvoorstel wordt vastgesteld als bedrag van de ouderenaftrek voor de inkomstenbelasting voor 1997. De aanvullende ouderenaftrek die niet in de loonbelastingtabellen wordt verwerkt maar rechtstreeks wordt toegepast door de inhoudingsplichtigen die de AOW-uitkering betalen, wordt per 1 oktober met f 316 verhoogd tot f 1356. Gemiddeld resulteert dan over 1997 een aanvullende ouderenaftrek van f 1119.

Per saldo zullen ouderen aldus in de laatste drie maanden van 1997 de gehele voor de tweede helft van 1997 voorziene verhoging van de ouderenaftrek genieten. Het positieve koopkrachteffect voor ouderen dat beoogd werd met de gedeeltelijke vervroeging van de ouderenaftrek per 1 juli 1997 zal derhalve onveranderd blijven

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Naar boven